Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:5433

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-07-2022
Datum publicatie
05-07-2022
Zaaknummer
FT EA 22/313 / FT EA 22/314
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dwangakkoord toegewezen. Saneringskrediet.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 1 juli 2022

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [adres]

[woonplaats],

verzoekster.

1. De procedure

Verzoekster heeft op 4 april 2022, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om [schuldeiser], in behandeling bij Bazuin & Partners Gerechtsdeurwaarders B.V. (hierna: [schuldeiser]), die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Bazuin & Partners Gerechtsdeurwaarder B.V. heeft namens [schuldeiser] voorafgaand aan de zitting, per e-mailbericht van 13 juni 2022, een verweerschrift toegezonden.

Ter zitting van 13 juni 2022 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoekster;

  • -

    mevrouw G. Krickovic, werkzaam bij Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: schuldhulpverlening;

  • -

    mevrouw A.N. van Bruggen, werkzaam bij Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: waarnemend beschermingsbewindvoerder).

[schuldeiser] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De rechtbank heeft ter zitting schuldhulpverlening de gelegenheid geboden aanvullende stukken in te dienen over de afloscapaciteit van verzoekster. Schuldhulpverlening heeft per e-mailbericht van 16 juni 2022 een reactie over de afloscapaciteit van verzoekster aan de rechtbank doen toekomen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift achttien concurrente schuldeisers met in totaal negentien vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van

€ 17.289,41 van verzoekster te vorderen.

Verzoekster heeft bij brieven van 20 mei 2021 en 19 oktober 2021 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 9,23 % aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting op basis van een schuldenlast van (destijds) € 17.058,79.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.

De aangeboden schuldregeling is gebaseerd op de NVVK-norm en de afloscapaciteit die verzoekster heeft op basis van haar WW-uitkering. In het kader van haar re-integratie volgt zij – met behoud van haar WW-uitkering – een verkorte opleiding tot doktersassistente en verwacht zij deze in oktober 2022 af te ronden. Tijdens haar opleiding is haar WW-uitkering gestopt en ontvangt zij sinds december 2021 een Participatiewet-uitkering die zij gedurende haar opleiding blijft ontvangen. De hoogte van het inkomen van verzoekster is nagenoeg gelijk gebleven waardoor dit geen wijziging in haar afloscapaciteit en daarmee ook geen wijziging in de door haar aangeboden schuldregeling teweeg heeft gebracht. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd.

Vervolgens heeft verzoekster ter zitting verklaard dat zij thans bij een dokterspraktijk stage loopt en daar een fulltime baan aangeboden heeft gekregen. Naar alle waarschijnlijkheid zal zij daar per oktober 2022 aan de slag kunnen gaan als doktersassistente. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard en later bij e-mailbericht van 16 juni 2022 bevestigd dat verzoekster als startend doktersassistente volgens de cao Huisartsenzorg 2022 een salaris van € 2.179,00 bruto per maand op basis van een 40-urige werkweek zal ontvangen. Tevens heeft schuldhulpverlening ter zitting verklaard en later bij e-mailbericht van 16 juni 2022 nader onderbouwd dat verzoekster door haar (toekomstige) inkomen minder toeslagen van de Belastingdienst zal ontvangen, geen recht meer zal hebben op kwijtschelding van bepaalde lasten bij de gemeente en niet meer in aanmerking zal komen voor bijzondere bijstand. Deze wijzigingen heeft schuldhulpverlening op verzoek van de rechtbank verwerkt in een pro forma berekening van het vrij te laten bedrag, fictief geldend per oktober 2022. Uit die berekening blijkt dat als verzoekster fulltime gaat werken, zij daarmee geen hogere afloscapaciteit zal genereren dan de afloscapaciteit die zij thans heeft.

Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening – behoudens de schuld aan de kinderopvang en de Belastingdienst inzake kinderopvangtoeslag – geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan. Haar vaste lasten worden al sinds juli 2020 door haar beschermingsbewindvoerder voldaan.

Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat voornoemde ‘nieuwe’ schulden met elkaar verweven zijn en ontstaan zijn nadat haar beschermingsbewindvoerder haar gegevens bij de Belastingdienst wijzigde. Door deze wijziging kreeg zij een naheffing van zowel de kinderopvang als de Belastingdienst.

Zeventien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [schuldeiser] stemt als enige hier niet mee in. Zij heeft volgens het ingediende verzoekschrift een vordering van

€ 1.166,23 op verzoekster, welke 6,7 % van de totale schuldenlast beloopt.

3. Het verweer

In de contacten met schuldhulpverlening heeft [schuldeiser] op 19 oktober 2021 bij

e-mailbericht te kennen gegeven dat het voorstel gebaseerd is op een hoofdsom van

€ 1.166,23, in plaats van € 1.645,49 en dat zij om die reden schuldhulpverlening heeft verzocht een nieuw voorstel te doen.

Bazuin & Partners Gerechtsdeurwaarders B.V. heeft namens [schuldeiser] verweer gevoerd middels een verweerschrift dat per e-mailbericht van 13 juni 2022 en per post op

14 juni 2022 door de rechtbank is ontvangen. Aangezien de rechtbank pas tijdens de zitting van het verweerschrift kennis heeft genomen en verzoekster, schuldhulpverlening en de beschermingsbewindvoerder hier geen kennis van hebben kunnen nemen, is de rechtbank van oordeel dat het verweer tardief is zodat dit verweer om die reden dient te worden gepasseerd.

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft [schuldeiser], ook niet bij monde van Bazuin & Partners Gerechtsdeurwaarders B.V., geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4. De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100 % van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [schuldeiser] bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [schuldeiser] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van [schuldeiser] een gering aandeel vormt in de totale schuldenlast van 6,7 %. Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk zeventien van de achttien schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.

De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Sociale Dienst Drechtsteden. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.

De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster op dit moment niet beschikt over betaald werk. Verzoekster volgt een opleiding tot doktersassistente en ontvangt gedurende haar opleiding een Participatiewet-uitkering. Voorts is gebleken dat verzoekster bij haar stage een fulltime baan aangeboden heeft gekregen. Naar verwachting zal zij daar per oktober 2022 in dienst treden. Naar aanleiding van vragen van de rechtbank heeft schuldhulpverlening een pro forma berekening gemaakt van het vrij te laten bedrag per oktober 2022 op basis van het te verwachte inkomen uit arbeid. Daaruit is gebleken dat haar afloscapaciteit niet zal gaan toenemen. Derhalve is voldoende aannemelijk geworden dat – mede gelet op haar afloscapaciteit die zij zal hebben bij een fulltime dienstverband – verzoekster in de komende jaren geen hogere afloscapaciteit zal genereren dan de afloscapaciteit die zij thans heeft. Gezien het vorenstaande oordeelt de rechtbank dan ook dat verzoekster haar schuldeisers het maximaal haalbare heeft aangeboden.

Voorts is door schuldhulpverlening ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoekster het maximale ten behoeve van haar schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Verzoekster staat onder beschermingsbewind. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.

Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden. Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van [schuldeiser], die geweigerd heeft in te stemmen.

Het verzoek om [schuldeiser] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

[schuldeiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank:

- beveelt [schuldeiser] om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;

- veroordeelt [schuldeiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van

mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2022.1

De griffier is buiten staat dit vonnis

mede te ondertekenen

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.