Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:5420

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-07-2022
Datum publicatie
07-07-2022
Zaaknummer
C/10/638897 / KG ZA 22-423
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Het belang van de man bij rangwisseling tussen het door de vrouw gelegde conservatoire beslag en de door de man opnieuw af te sluiten hypotheek weegt zwaarder dan het belang van de vrouw om dezelfde positie jegens de man te behouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/638897 / KG ZA 22-423

Vonnis in kort geding van 1 juli 2022

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser],

eiser,

advocaat mr. F. van Schaik te Berkel en Rodenrijs,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

advocaat mr. M.R. van Leeuwen te Zoetermeer.

Partijen worden hierna [naam eiser] en [naam gedaagde] genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 1 juni 2022, met productie I-IX;

  • -

    het herstelexploot van 3 juni 2022;

  • -

    de mondelinge behandeling op 17 juni 2022 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitaantekeningen respectievelijk spreekaantekeningen van mr. Van Schaik en mr. Van Leeuwen.

1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam eiser] een kopie van de in het Kadaster ingeschreven hypotheekakte van 3 november 2010 in het geding gebracht. [naam gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen de indiening daarvan en verzocht het stuk buiten beschouwing te laten. Dit verzoek wordt afgewezen. De akte wordt bekend verondersteld bij [naam gedaagde] omdat deze mede door haar is ondertekend. Zij is daarom door het overleggen daarvan niet in haar verdediging geschaad. De akte maakt deel uit van het procesdossier.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Op 20 augustus 1996 zijn partijen in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

2.2.

Partijen zijn gezamenlijk (ieder voor de helft) eigenaar van de woning gelegen aan

het [adres] (hierna: de woning).

2.3.

Bij beschikking van 16 juli 2019 heeft de familiekamer van deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Sindsdien procederen partijen over de (verdere) verdeling en partnerbijdrage. Dit heeft geleid tot tussenbeschikkingen van 13 februari 2020 en 15 april 2021. Op 30 september 2021 is de eindbeschikking gegeven. In die eindbeschikking heeft deze rechtbank (voor zover van belang):

  • -

    zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van de verzoeken van partijen ten aanzien van de appartementen gelegen in Kroatië;

  • -

    de wijze van partiële verdeling van de gemeenschap gelast zoals weergegeven bij (…)

  • -

    de beschikking van 15 april 2021 onder r.o. 2.2.1 t/m 2.2.14.

In de beschikking van 15 april 2021 is, voor zover van belang, het volgende overwogen:

De schuld aan de zoon [naam]

2.2.2.

De man stelt dat partijen een schuld hebben aan hun zoon [naam] van € 37.800,- en vraagt om toedeling van deze schuld.

Ter onderbouwing verwijst hij naar een op 24 september 2018 ondertekende verklaring van zijn zoon.

(…)

2.2.4. (…)

Ten aanzien van de omvang van deze schuld volgt uit de verklaring van de zoon dat van zijn studielening van € 1.050,- per maand een bedrag van € 800,- per maand aan partijen werd overgemaakt met ingang van september 2015. Het resterende bedrag van € 250,- per maand, dat de man ook tot de schuld aan de zoon rekent, werd door de zoon gebruikt om zijn studie te financieren. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat partijen ook met ingang van september 2015 tot aan de peildatum het bedrag van € 250,- per maand aan de zoon verschuldigd zijn. De rechtbank stelt de hoogte van het geleende bedrag per peildatum dan ook vast op € 27.200,- (34 maanden x € 800,-).”

2.4.

Op 24 december 2019 heeft de voorzieningenrechter in Rotterdam [naam gedaagde] verlof verleend om conservatoir beslag te doen leggen op de onverdeelde helft van de woning die aan [naam eiser] in eigendom toebehoort en op het eigendomsrecht van [naam eiser], althans het aandeel van [naam eiser] in de nalatenschap ten aanzien van de Kroatische onroerende zaak zijnde perceelnummer [perceelnummer], nummer D.L. 44;64, op het kadastrale adres Bilotinjak Pasnjak met de oppervlakte van 674 m2. De vordering van [naam gedaagde] op [naam eiser] is daarbij begroot op € 630.000,00 inclusief rente en kosten. Op 7 januari 2020 heeft [naam gedaagde] het beslag op de woning laten leggen.

2.5.

Op 4 januari 2022 heeft tussen partijen de mondelinge behandeling plaatsgevonden in een door [naam eiser] tegen [naam gedaagde] aangespannen kort geding. Het in die zaak gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 18 januari 2022 luidt, voor zover van belang, als volgt:

3. Het geschil in conventie

3.1.

De man vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de vrouw te veroordelen mede te werken aan de toedeling en levering aan de man van de onroerende zaak [adres], kadastraal Bergschenhoek sectie [sectie] nummer [nummer], onder gelijktijdig ontslag van de vrouw uit het hoofdelijk schuldverband van de op dit pand rustende hypotheekschuld aan de ABN AMRO-bank / Florius, en tegen gelijktijdige betaling door de man aan de vrouw van de somma van € 32.305,32, alsmede zorg te dragen voor doorhaling van het gelegde conservatoire beslag en hiertoe op eerste verzoek van de instrumenterende notaris te zijnen kantore te verschijnen en mee te werken aan het verlijden van de hiervoor benodigde aktes overeenkomstig de instructie van de betreffende notaris;

(…)

5. De beoordeling in conventie

(…)

5.6.

De door de man gevorderde medewerking van de vrouw aan toedeling en levering van haar aandeel in de woning aan de man wordt dan ook toegewezen.

(…)

5.10.

De gevorderde medewerking aan het doorhalen van het conservatoir beslag wordt afgewezen. Het beslag is gelegd ten laste van de man, dus op de onverdeelde helft van de woning die eigendom is van de man. Gesteld noch aannemelijk is dat dit beslag in de weg staat aan levering van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man onder gelijktijdig ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Daarmee ontbreekt het (spoedeisend) belang van de man bij dit gedeelte van de vordering.

(…)

7. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

7.1.

veroordeelt de vrouw om, na betekening van dit vonnis, mee te werken aan de toedeling en levering aan de man van haar aandeel in de woning gelegen aan het [adres], kadastraal Bergschenhoek sectie [sectie] nummer [nummer], onder de voorwaarde dat de man binnen 3 maanden na betekening van dit vonnis en gelijktijdig met de hiervoor bedoelde toedeling en levering de vrouw doet ontslaan uit het hoofdelijk schuldverband van de op de woning rustende hypotheekschuld aan de ABN AMRO-bank / Florius en onder de voorwaarde van gelijktijdige betaling van € 32.305,32 door de man aan de vrouw;”

3. Het geschil

3.1.

[naam eiser] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [naam gedaagde] te veroordelen in het kader van de bij vonnis van de voorzieningenrechter Rotterdam van 18 januari 2022 gelaste verdeling bij toedeling en levering aan [naam eiser] van de onroerende zaak [adres], kadastraal Bergschenhoek sectie [sectie] nummer [nummer], mede te werken aan een rangwisseling tussen het door [naam gedaagde] conform productie VII gelegde conservatoire beslag en het door Aegon conform productie VIII gelegde conservatoire beslag [de voorzieningenrechter leest, ook omdat tijdens de mondelinge behandeling duidelijk was dat iedereen dat zo begreep: te verkrijgen recht van hypotheek], in dier voege dat het beslag in rang zal komen direct na de eerste hypotheek van Aegon en hiertoe op eerste verzoek van de instrumenterende notaris te zijnen kantore te verschijnen en mee te werken aan het verlijden van de hiervoor benodigde aktes overeenkomstig de instructie van de betreffende notaris;

II. de veroordeling onder I te versterken met een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte van een dag dat [naam gedaagde] na betekening van het in deze te wijzen vonnis in gebreke blijft aan de inhoud hiervan te voldoen, met een maximum van € 50.000,00;

alles met veroordeling van [naam gedaagde] in de integrale kosten van deze procedure, bestaande uit verschotten en € 1.500,00 aan salaris en vermeerderd met de wettelijke rente over deze proceskosten vanaf 10 dagen na vonnisdatum alsmede met de nakosten volgens het liquidatietarief, indien en voor zover [naam gedaagde] de proceskosten niet uiterlijk binnen 10 dagen na dit vonnis zal hebben betaald.

3.2.

[naam gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Vaststaat dat [naam gedaagde] nog geen uitvoering heeft gegeven aan de veroordeling in het vonnis van 18 januari 2022 om mee te werken aan de toedeling en levering aan [naam eiser] van haar aandeel in de woning. Gelet daarop en op het algemene uitgangspunt dat van [naam eiser] in redelijkheid niet kan worden gevergd om in een onverdeelde gemeenschap te blijven zitten, in de situatie dat door de rechter al verdeeld is, is het spoedeisend belang van [naam eiser] bij zijn vorderingen voldoende gegeven.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de oorspronkelijke hypotheeknemer, ABN AMRO, niet meewerkt aan ontslag van [naam gedaagde] uit het hoofdelijk schuldverband van de op de woning rustende hypotheekschuld. Evenmin is in geschil dat ABN AMRO niet meewerkt aan verhoging van de hypotheekschuld die het, zo stelt [naam eiser], hem mogelijk moet maken om, onder andere, [naam gedaagde] het bedrag van € 7.710,00 te betalen dat haar vanwege onderbedeling toekomt. Dit staat de toedeling en levering aan [naam eiser] van het aandeel van [naam gedaagde] in de woning in de weg. Om die reden heeft [naam eiser] zich tot een andere financier gewend om een nieuwe hypotheek af te sluiten. Volgens [naam eiser] is Aegon tegen gunstiger voorwaarden dan ABN AMRO, en ondanks het door [naam gedaagde] gelegde beslag op de woning dat kan blijven liggen, bereid een hypotheeklening te verstrekken. Aegon stelt daarbij wel als voorwaarde dat rangwisseling plaatsvindt in die zin dat de (nieuwe) hypotheek van Aegon in rang hoger zal zijn dan het beslag van [naam gedaagde].

4.3.

[naam gedaagde] verzet zich tegen rangwisseling. Zij stelt dat haar rechtspositie en verhaalspositie jegens [naam eiser] hierdoor verslechteren. Op zichzelf is juist dat, gelet op de in het Kadaster ingeschreven hypotheekakte van 3 november 2010, de inschrijving van ABN AMRO € 351.400,00 bedraagt en dat de inschrijving van Aegon € 388.065,00 zal bedragen. Het grootste gedeelte van deze verhoging betreft een begroting van rente, boeten en kosten. [naam eiser] leent echter van Aegon een bedrag van € 258.710,00 terwijl van ABN AMRO € 251.000,00 werd geleend. Het bedrag van € 7.710,00 waarmee de hypotheekschuld wordt verhoogd, wendt [naam eiser] aan voor de betaling van de onderbedelingsvordering van [naam gedaagde]. [naam gedaagde] betwist dat niet. [naam gedaagde] heeft in dit verband nog aangevoerd dat uit de beschikking van de rechtbank van 15 april 2021 volgt dat de schuld aan zoon [naam] niet € 37.800,00 bedraagt zoals [naam eiser] stelt, maar € 27.200,00 en dat gelet op het verschil van € 10.600,00 een verhoging van de hypotheek van € 7.710,00 niet noodzakelijk is. [naam gedaagde] wordt niet gevolgd in dit verweer. De hoogte van de schuld aan [naam] is niet van invloed op het bedrag dat [naam eiser] uit hoofde van onderbedeling aan [naam gedaagde] dient te voldoen.

4.4.

[naam gedaagde] heeft voorts niet weersproken dat [naam eiser] de nieuwe hypotheek bij Aegon tegen gunstiger voorwaarden kan afsluiten dan bij ABN AMRO. Bovendien is Aegon bereid de hypotheek te verstrekken waarbij het door [naam gedaagde] gelegde beslag op de woning blijft liggen. Wanneer rangwisseling plaatsvindt, wordt de situatie niet anders dan de huidige situatie waarin [naam gedaagde] ook een hypotheek voor zich moet dulden. In zoverre verslechtert haar positie jegens [naam eiser] dus niet. Voor zover [naam gedaagde] meent (nog) meer van [naam eiser] te vorderen te hebben, kan zij beslag laten leggen op het (volledige) eigendomsrecht van [naam eiser], althans het aandeel van [naam eiser] in de nalatenschap ten aanzien van de in 2.4 genoemde Kroatische onroerende zaak. Dat de Nederlandse rechter zich in de beschikking van 30 september 2021 onbevoegd heeft verklaard kennis te nemen van de verzoeken van partijen ten aanzien van de appartementen in Kroatië, doet daar niets aan af. Het beslagverlof is immers al op 24 december 2019 verleend.

4.5.

De slotsom is dat de rechtspositie en verhaalspositie van [naam gedaagde] jegens [naam eiser] ten gevolge van een rangwisseling maar beperkt verslechtert gelet op de hogere inschrijving van de hypotheek. Een belangenafweging brengt met zich dat, gelet op wat hiervoor is overwogen, het belang van [naam eiser] bij een rangwisseling zwaarder weegt dan het belang van [naam gedaagde] om dezelfde positie jegens [naam eiser] te behouden. De vordering van [naam eiser] wordt dan ook toegewezen.

4.6.

Meermaals is gebleken dat [naam gedaagde] weigert haar medewerking te verlenen aan de toedeling en levering van haar aandeel in de woning aan [naam eiser]. De gevorderde dwangsom wordt om die reden eveneens toegewezen.

4.7.

[naam eiser] was genoodzaakt deze procedure aanhangig te maken omdat [naam gedaagde] blijft weigeren om mee te werken aan de verdeling zoals die door de rechtbank is gelast. Omdat [naam gedaagde] grotendeels in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij, in afwijking van het uitgangspunt om de proceskosten tussen ex-echtelieden te compenseren, in de proceskosten veroordeeld. Voor een integrale kostenveroordeling zoals door [naam eiser] verzocht tijdens de mondelinge behandeling, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. [naam eiser] heeft die vordering overigens ook niet met stukken onderbouwd. De kosten aan de zijde van [naam eiser] worden begroot op:

- betekening oproeping € 127,43

- griffierecht € 314,00

- salaris advocaat € 1.016,00

Totaal € 1.457,43

4.8.

Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:853), r.o. 2.3., volgt dat in dit vonnis geen aparte beslissingen hoeven te worden genomen over nakosten en wettelijke rente daarover.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [naam gedaagde] in het kader van de bij vonnis van de voorzieningenrechter Rotterdam van 18 januari 2022 gelaste verdeling bij toedeling en levering aan [naam eiser] van de onroerende zaak [adres], kadastraal Bergschenhoek sectie [sectie] nummer [nummer], mee te werken aan een rangwisseling tussen het door [naam gedaagde] conform (de aan dit vonnis gehechte) productie VII gelegde conservatoire beslag en het door Aegon conform (de aan dit vonnis gehechte) productie VIII te verkrijgen recht van hypotheek, in dier voege dat het beslag in rang zal komen direct na de eerste hypotheek van Aegon en hiertoe op eerste verzoek van de instrumenterende notaris te zijnen kantore te verschijnen en mee te werken aan het verlijden van de hiervoor benodigde aktes overeenkomstig de instructie van de betreffende notaris,

5.2.

veroordeelt [naam gedaagde] om aan [naam eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 per dag of gedeelte van een dag dat [naam gedaagde] na betekening van dit vonnis in gebreke blijft te voldoen aan de in 5.1 uitgesproken veroordeling, met een maximum van € 50.000,00,

5.3.

veroordeelt [naam gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [naam eiser] tot op heden begroot op € 1.457,43, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2022.

3078/2009