Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:5347

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-07-2022
Datum publicatie
04-07-2022
Zaaknummer
ROT 21/340, ROT 21/4309, ROT 21/4310, ROT 21/4312, ROT 21/4313, ROT 21/4315 en ROT 21/4316
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Boetes wegens overtreding van het reclameverbod in de Tabaks- en rookwarenwet. Handelingen in de economische sfeer met als doel de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten te bevorderen? Toetsing aan de wettelijke definitie van reclame, de in de wet genoemde uitzonderingen, verdragen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Lex certa. Matiging op grond van het rechtszekerheids- en evenredigheidsbeginsel. Differentiatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 21/340, ROT 21/4309, ROT 21/4310, ROT 21/4312, ROT 21/4313, ROT 21/4315 en ROT 21/4316

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juli 2022 in de zaak tussen

[naam eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. J.M.Y. van Beijeren en P.E. Lucassen,

en

[naam verweerder] , verweerder,

gemachtigden: mr. M.L. Batting, [naam gemachtigde 1] , [naam gemachtigde 2] en [naam gemachtigde 3] .

Procesverloop

In de zaak met kenmerk ROT 21/340

Met vier afzonderlijke besluiten van 1 mei 20201 en bij besluit van 7 augustus 20202 heeft verweerder aan eiseres bestuurlijke boetes opgelegd van één maal € 4.500,- en vier maal € 45.000,- vanwege overtreding van een voorschrift dat is gesteld bij of krachtens de Tabaks- en rookwarenwet (Trw).

Met het besluit van 11 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen die primaire besluiten ongegrond verklaard.

In de zaken met kenmerken ROT 21/4309, ROT 21/4310, ROT 21/4312, ROT 21/4313, ROT 21/4315 en ROT 21/4316

Met zes afzonderlijke besluiten van 9 april 20213 heeft verweerder aan eiseres bestuurlijke boetes opgelegd van telkens € 450.000,- vanwege overtreding van een voorschrift dat is gesteld bij of krachtens de Trw.

Eiseres heeft tegen de besluiten van 9 april 2021 bezwaar gemaakt en heeft verweerder verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft daarmee ingestemd en heeft de bezwaarschriften naar de rechtbank doorgezonden om die als beroepschriften te behandelen.

De rechtbank heeft partijen in al deze zaken bericht dat zij de bezwaarschriften als beroepschriften in behandeling zal nemen.

In alle zaken

Verweerder heeft een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.

Eiseres heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2022. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden mrs. P.E. Lucassen en J.M.Y. van Beijeren. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Tevens zijn namens verweerder verschenen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , allen werkzaam bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Inleiding en leeswijzer

1.1.

De rechtbank heeft in de periode van 11 tot en met 22 april 2022 in totaal 62 beroepen van elf eisende partijen op zitting behandeld. In al deze zaken heeft verweerder bestuurlijke boetes opgelegd vanwege vermeende overtredingen van het reclameverbod als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Trw. Deze overtredingen bestaan volgens verweerder in “handelingen in de economische sfeer met als doel de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten te bevorderen”. Niet eerder zijn op grond van dit onderdeel van de wettelijke definitie van "reclame" boetes opgelegd.

1.2.

Tegen de boetebesluiten is een groot aantal gronden aangevoerd. De rechtbank zal allereerst ingaan op de meest verstrekkende beroepsgrond die partijen verdeeld houdt. Dit betreft de vraag of de afspraken van eiseres met de zogenoemde wederverkopers zijn aan te merken als reclame in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Trw. Vervolgens zal, voor zover aangewezen, worden ingegaan op de overige gronden die, in één of meer zaken, meer specifiek zijn gerelateerd aan het beroep van eiseres. Hierbij is in aanmerking te nemen dat het vaste rechtspraak4 is dat uit de artikelen 8:69 en 8:77 van de Awb niet volgt dat de bestuursrechter op alle aangevoerde gronden en argumenten afzonderlijk moet ingaan, maar dat hij zich kan beperken tot de kern daarvan.

1.3.

Eiseres en andere eisende partijen zullen hieronder omwille van de leesbaarheid (dus zonder dat daar enige juridische kwalificatie mee is beoogd) worden aangeduid als fabrikant of groothandel. Degenen bij wie de NVWA onderzoek heeft gedaan (tabaksspeciaalzaken, supermarkten en tankstations, dan wel hun vertegenwoordigende of belangenbehartigende overkoepelende organisaties) zullen worden aangeduid als wederverkopers.

De aanleiding voor deze procedures

2. Op 26 juni 2018 heeft het Tweede Kamerlid [naam 4] aan de toenmalige minister voor Medische Zorg (de minister) vragen gesteld over het bericht “Tabakszaken krijgen illegale verkoopbonussen” van 25 juni 2018. Naar aanleiding daarvan is de NVWA gevraagd om de signalen te onderzoeken. In dat kader hebben toezichthouders van de NVWA inspecties uitgevoerd bij wederverkopers, waarbij documenten over de verkoop, presentatie en promotie van tabaksproducten zijn opgevraagd en onderzocht.

2.1.

In het najaar van 2018 hebben inspecteurs van de NVWA bij tabaksspeciaalzaken een inspectie uitgevoerd. De toezichthouders hebben naar aanleiding van deze inspecties rapporten van bevindingen opgemaakt, waarin is geconcludeerd dat eiseres afspraken heeft gemaakt met wederverkopers (te weten [naam wederverkoper 1]5, [naam wederverkoper 2]6, [naam wederverkoper 3]7, [naam wederverkoper 4]8, [naam wederverkoper 5]9). De tussen eiseres en de wederverkopers gemaakte afspraken hebben betrekking op – in wisselende samenstelling en kort weergegeven – (vaste dan wel variabele) vergoedingen voor indeling van het schap/schappresentatie, assortiment, geleverde verkoopprestatie, marktaandeelgroei, scholing en het uitwisselen van (verkoop)informatie.

2.1.1.

Volgens verweerder leveren deze afspraken overtreding op van het reclameverbod in de Trw. Verweerder heeft daarom in de boetebesluiten van 1 mei 2020 en 7 augustus 2020 als uitgangspunt een boete van € 45.000,- opgelegd. Vanwege het beperkte bereik van de reclame in één specifiek geval, heeft verweerder in dat boetebesluit (het primaire besluit I) de standaardboete van € 45.000,- gematigd met 90% tot een boetebedrag van € 4.500,-.

2.2.

Het NVWA-onderzoek bij de supermarkten heeft plaatsgevonden in het voorjaar van 2020 waarbij supermarktketens zijn geïnspecteerd. Van deze inspecties zijn rapporten van bevindingen opgemaakt. Hierin is eveneens geconcludeerd dat eiseres afspraken heeft gemaakt met wederverkopers ( [naam wederverkoper 6]10, [naam wederverkoper 7]11, [naam wederverkoper 8]12, [naam wederverkoper 9]13, [naam wederverkoper 10]14, [naam wederverkoper 11]15). De tussen eiseres en de wederverkopers gemaakte afspraken hebben betrekking op – in wisselende samenstelling en kort weergegeven – (vaste dan wel variabele) vergoedingen voor vergoedingen voor indeling van het schap/schappresentatie, assortiment, geleverde verkoopprestatie, marktaandeelgroei, scholing en het uitwisselen van (verkoop)informatie.

2.2.1.

Omdat deze afspraken volgens verweerder overtreding van het reclameverbod in de Trw opleveren, zijn op grond daarvan in de boetebesluiten van 9 april 2021 boetes van € 450.000,- opgelegd omdat sprake zou zijn van recidive.

2.3.

In het najaar van 2020 hebben inspecties plaatsgevonden bij exploitanten van winkels van tankstations. Naar aanleiding van de inspecties bij de tankstations heeft verweerder bestuurlijke boetes opgelegd aan eiseres die daartegen (pro forma) bezwaar heeft gemaakt. Hierop heeft verweerder thans nog niet beslist, zodat deze boetes geen uitdeel uitmaken van onderhavige procedure.

3. Aan verweerders besluitvorming ligt ten grondslag dat het geheel van afspraken tussen eiseres en de wederverkopers is te kwalificeren als reclame. In de Trw is een strikt en allesomvattend reclameverbod voor tabaksproducten en aanverwante producten opgenomen, met daarop slechts enkele uitzonderingen. De gemaakte afspraken vallen niet onder één van die uitzonderingen. Overtreding van het reclameverbod is een ernstig feit en de boetehoogte is mede hierom in de wet vastgesteld op € 45.000,-. Elke overeenkomst met (een keten van) een wederverkoper levert een overtreding van de Trw op en is zodoende op zichzelf beboetbaar. Deze cumulatie levert dus geen onevenredige beboeting op. Er is ook geen aanleiding om het boetebedrag te matigen met toepassing van artikel 5:46, derde lid, van de Awb. In een deel van de boetebesluiten heeft verweerder het boetebedrag verhoogd wegens recidive, aangezien eiseres eerder voor een soortgelijke overtreding is beboet en die boete onherroepelijk is geworden.

4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke nationale en internationale wettelijke regels zijn vermeld in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Kunnen de gemaakte afspraken worden aangemerkt als reclame in de zin van de Trw?

5. De in de rapporten van bevindingen genoemde afspraken blijken uit de bij die rapporten gevoegde overeenkomsten tussen eiseres en (organisaties van) wederverkopers. Dit is door eiseres niet betwist. Evenmin is betwist dat uitvoering is gegeven aan deze overeenkomsten en dat overeenkomstig daarin neergelegde afspraken is gehandeld.

6. Met de wet van 18 april 200216 is per 7 november 2002 de huidige definitie van "reclame" ingevoerd in de toenmalige Tabakswet, thans de Trw. Vóór deze datum ontbrak een wettelijke definitie van reclame.

6.1.

Volgens de nota van wijziging17 beoogde de wetgever een “allesomvattende definitie” van het reclamebegrip die “in de meest brede zin des woords” moet worden begrepen en beperken slechts de “expliciet bepaalde uitzonderingen in het voorgestelde derde lid van artikel 5 (…) de reikwijdte en werkingssfeer (…) enigszins”. Anders dan eiseres betoogt, is om van reclame te spreken niet zonder meer vereist dat een tabaksproduct of aanverwant product publiekelijk wordt aangeprezen. Hoewel in enkele kamerstukken18 passages voorkomen waarin melding wordt gemaakt van “publieke bekendheid” en “openlijke aanprijzing” en daarover enige verwarring kan zijn ontstaan, moet worden vastgesteld dat deze aspecten niet zijn vertaald in de wettelijke definitie van "reclame" en daarom niet hebben te gelden als voorwaarden om van "reclame" in de zin van de Trw te kunnen spreken. Hoewel het uit een oogpunt van begrip, acceptatie en uitvoering van de wet mogelijk verkieslijk kan zijn om de betekenis van daarin voorkomende begrippen en definities zoveel mogelijk te laten aansluiten bij het algemene spraakgebruik, is dat niet altijd mogelijk en is de wetgever daartoe ook niet gehouden.

6.2.

Uit de nota van wijziging blijkt van bekendheid van de wetgever met het feit dat fabrikanten of groothandelaren vergoedingen betalen aan speciaalzaken voor het plaatsen van promotiemateriaal. Vastgesteld moet worden dat deze vergoedingen niet expliciet zijn opgenomen in de definitie van reclame en evenmin in de uitzonderingen daarop. De wetgever was daartoe ook niet gehouden, omdat naast deze vergoedingen ook (tal van) andere feiten en omstandigheden denkbaar zijn die onder de definitie van "reclame" zijn te rangschikken. In zo een geval mag de wetgever zich volgens vaste rechtspraak19 genoodzaakt achten met een meer algemene omschrijving te volstaan. Dat vergoedingen, ondanks de bekendheid van de wetgever met in ieder geval een deel van de vergoedingen, niet expliciet in de Trw zijn opgenomen, maakt, mede gelet op het allesomvattende karakter van het reclamebegrip, niet dat deze reeds om die reden niet onder de reikwijdte van het reclameverbod vallen.

6.3.

In artikel 1, onder c, van het WHO-Kaderverdrag van 21 mei 200320 is bepaald dat onder “tabaksreclame en -promotie” moet worden verstaan elke vorm van commerciële communicatie, aanbeveling of actie met als doel, effect of waarschijnlijk effect het direct of indirect promoten van een tabaksproduct of tabaksgebruik. Dit is nader uitgewerkt in de Richtsnoeren van 2 september 2008 ter implementatie van artikel 13 van het WHO-Kaderverdrag21 - dat gaat over (een verbod op) tabaksreclame, tabakspromotie en sponsoring - en in de uitwerking van die Richtsnoeren.22

6.3.1.

In de appendix bij de Richtsnoeren, houdende een indicatieve lijst van vormen van tabaksreclame, zijn als dergelijke vormen onder meer vermeld:

 “ “display of tobacco products at points of sale”

 “ “payments or other contributions to retailers to encourage or induce them to sell products, including retailer incentive programmes (e.g. rewards to retailers for achieving certain sales volumes)”.

6.3.2.

In de uitwerking van de Richtsnoeren staat op pagina 4 en 6:

Overview

5. A ban on tobacco advertising, promotion and sponsorship is effective only if it has a broad scope. Contemporary marketing communication involves an integrated approach to advertising and promoting the purchase and sale of goods, including direct marketing, public relations, sales promotion, personal selling and online interactive marketing methods. If only certain forms of direct tobacco advertising are prohibited, the tobacco industry inevitably shifts its expenditure to other advertising, promotion and sponsorship strategies, using creative, indirect ways to promote tobacco products and tobacco use, especially among young people.

(…)

Retail sale and display

12. Display of tobacco products at points of sale in itself constitutes advertising and promotion. Display of products is a key means of promoting tobacco products and tobacco use, including by stimulating impulse purchases of tobacco products, giving the impression that tobacco use is socially acceptable, and making it harder for tobacco users to quit. Young people are particularly vulnerable to the promotional effects of product display.

13. To ensure that points of sale of tobacco products do not have any promotional elements, Parties should introduce a total ban on any display and on the visibility of tobacco products at points of sale, including fixed retail outlets and street vendors. Only the textual listing of products and their prices, without any promotional elements, would be allowed. As for all aspects of Article 13, the ban should also apply in ferries, airplanes, ports and airports.

6.3.3.

Uit deze passages, die mede kunnen dienen als interpretatiekader ten behoeve van de uitleg van het reclameverbod in de Trw, kan niet worden afgeleid dat aspecten “publieke bekendheid” en “openlijke aanprijzing” noodzakelijkerwijs onderdeel uitmaken van het begrip reclame.

6.3.4.

In dit verband is van belang dat volgens de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken de verplichtingen van het WHO-Kaderverdag inzake tabaksontmoediging niet nopen tot aanpassing van de Tabakswet noch van enige andere wet in formele zin, omdat Nederland met de huidige regelgeving voldoet aan de verdragsverplichtingen.23

6.4.

Uit het voorgaande volgt dat de Trw een “allesomvattende definitie” van het reclamebegrip bevat die “in de meest brede zin des woords” moet worden begrepen. Beoordeeld zal moeten worden of de in deze zaken door verweerder vastgestelde afspraken over vergoedingen onder het reclameverbod geschaard kunnen worden.

6.5.

Niet is betwist dat een overeenkomst tussen fabrikanten en groothandelaren enerzijds en wederverkopers anderzijds een “handeling in de economische sfeer” is. De vraag is daarom in welk geval tevens is voldaan aan de voorwaarde dat die handeling als doel heeft “de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten te bevorderen”.

6.6.

Ten tijde van belang was in artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Trw van het reclameverbod uitgezonderd: “de reguliere presentatie van te koop aangeboden tabaksproducten of aanverwante producten door middel van het tonen daarvan in een gesloten verpakking tegen een neutrale achtergrond en de normale prijsaanduiding daarvan in verkooppunten van tabaksproducten of aanverwante producten, met dien verstande dat de eis van gesloten verpakking niet geldt voor sigaar, pijptabak en pruimtabak in een speciaalzaak”. Volgens eerdergenoemde nota van wijziging24 is deze uitzondering opgenomen omdat de verpakking van tabaksproducten op zichzelf al onder de definitie van reclame valt, maar het niet de bedoeling was om het tonen daarvan te verbieden. Het enkele tonen van de verpakking van tabaksproducten werd dus als reclame aangemerkt.

6.7.

Blijkens de memorie van toelichting bij de wijziging van de toenmalige Tabakswet25 was de centrale doelstelling van het wetsvoorstel, waarmee onder meer de definitie van "reclame" in de wet is opgenomen, “een reductie van het percentage rokers in Nederland.” Gelet op dit doel van de wet, waarvan het zoveel mogelijk beperken van reclame in de meest brede zin van het woord deel uitmaakt, ligt het in de rede om de uitzonderingen op het reclameverbod beperkt te interpreteren. Dit brengt met zich dat er geen ruimte is voor uitbreiding van de hiervoor genoemde uitzondering naar presentaties van verpakkingen van tabaksproducten, die het gevolg zijn van een overeenkomst tussen een fabrikant of groothandel en een wederverkoper in geval voor de presentatie enige tegenprestatie of uitzicht daarop - in geld of anderszins - wordt geboden. Hetzelfde zal hebben te gelden in geval de overeenkomst voorwaarden stelt om tot een presentatie te kunnen komen, zoals het aanhouden van een voorraad.

6.8.

Dit sluit ook aan bij de bovengenoemde Richtsnoeren. Voorts is het volgende in aanmerking te nemen. Uit de bij het verweerschrift overgelegde bijlage “De kracht van het schap”26 blijkt van de invloed die de presentatie van een product in een winkelschap heeft voor de bevordering van de verkoop van dat product. Zo wordt er op gewezen dat het beïnvloeden van het aankoopgedrag van in winkels aanwezige klanten een zeer belangrijk thema is voor zowel retailers als fabrikanten en dat het schap in dat beïnvloedingsproces een sleutelrol speelt (pagina 44), alsmede dat een goede schappositie zich voor zowel retailers als fabrikanten ‘uitbetaalt’ (pagina 46). Ook uit andere overgelegde stukken kan dit worden afgeleid, zoals “Tobacco company agreements with tobacco retailers for price discounts and prime placement of products and advertising: a scoping review”27 en het ter zitting besproken rapport van het Trimbos-instituut28. In dit rapport is onder meer vermeld:

Pagina 14:

“Negen andere onderzoeken toonden aan dat blootstelling aan tabaksdisplays op verkooppunten verband houdt met een hogere kans dat iemand een (poging tot) aankoop van tabak doet (4 van de 5 onderzoeken), en een verhoogde kans dat iemand een spontane aankoop doet (4 van de 4 onderzoeken). Vier onderzoeken onder volwassen rokers toonden aan dat blootstelling aan tabaksdisplays het moeilijker lijkt te maken om te stoppen met roken (3 van de 3 onderzoeken) en dat gevoeligheid voor tabaksdisplays de kans leek te verlagen om in de toekomst een succesvolle stoppoging te ondernemen (1 van de 1).”

(…)

“De uitkomsten van onderzoek naar de effecten van de zichtbaarheid van tabaksproducten op

verkooppunten zijn consistent met onderzoeksbevindingen over effecten van tabaksmarketing in het

algemeen en met de bredere marketingliteratuur.”

Pagina 103:

“According to the tobacco industry, POS displays are primarily aimed at informing current smokers about alternative brands of cigarettes and not on recruiting new smokers or increasing consumption (Wakefield and Germain, 2006; Pollay et al., 2007). However, the results of several studies suggest that exposure to tobacco displays has an impact on smoking behaviour, including an increased risk of smoking initiation among young people (Paynter et al., 2009; Henriksen et al., 2010; Johns et al., 2013).”

Pagina 117:

“The literature suggests several mechanisms that could theoretically explain the effects of POS-D on smoking behaviour. First, tobacco displays function as advertising to increase sales. Lovato et al. (2011) defined advertising as the use of media to create positive imagery or positive product associations or to connect the product with desirable traits, activities or outcomes. According to several studies, internal tobacco industry documents suggest that tobacco displays are intended as such by the tobacco industry (Harper, 2006; Pollay, 2007). Studies have demonstrated that young people in particular find tobacco advertisement, including tobacco displays, attractive (MacKintosh et al., 2012, Lam et al., 1998). Displays also appear to be effective in promoting cigarette brands to young people (Spanopoulos et al., 2014).”

Pagina 121:

“The studies consistently indicate that exposure to POS-D is positively associated with smoking behaviour (increased likelihood of being a smoker (4 out of 5 studies), smoking more cigarettes (1 out of 1 study), urges to smoke (1 out of 1 study), and being susceptible to smoking (3 out of 3 studies).”

Pagina’s 136 en 137:

Consistency

The results of the studies in this systematic review were highly consistent, with nearly all studies finding a relationship between exposure to POS-D and smoking (related) behaviours. (…) It should be noted that countries differ with respect to restrictions on other types of advertising at the POS. For example, in the USA, tobacco marketing is allowed at the point of sale, while it is banned (e.g., New Zealand) or highly restricted (e.g., Australia) in other countries. Nevertheless, despite these differences, the results appear to be consistent across countries.

Plausibility

With increasing restrictions on other types of tobacco advertisement, tobacco displays have become one of the major channels for the tobacco industry to promote tobacco products (Quedley et al., 2008). (…) Thus, although there are some differences between tobacco displays and other types of tobacco advertising, tobacco displays are likely to promote smoking in a similar way, but most likely not as strongly as other types of advertising. (…) Taken together, these findings suggest that it is plausible that tobacco displays increase smoking.

Conclusions

(…) the results described in the current literature consistently suggest that exposure to POS-D is associated with smoking (related) behaviour. Studies suggest that a higher exposure to POS-D increases the likelihood of youth initiating smoking, increases consumption among current smokers, and lowers the likelihood of successful quit attempts. Tobacco displays were also found to be associated with precursors of smoking, i.e. smoking susceptibility among youth, (unplanned) purchases of tobacco and smoking perceptions, which in turn may lead to denormalisation of tobacco use. (….)”

Tussenconclusie

6.9.

Uit het bovenstaande moet de conclusie worden getrokken dat in het geval de wederverkoper op grond van een overeenkomst met een fabrikant of groothandel een tegenprestatie kan of zal ontvangen bij de in- of verkoop van tabaksproducten, het aanhouden van een assortiment, het - al dan niet op een specifieke plaats - in het schap presenteren van tabaksproducten en/of het op voorraad hebben van een tabaksproduct, sprake is van afspraken met als doel de verkoop van tabaksproducten te bevorderen. Voor zover in de overeenkomst afspraken voorkomen over het geven of ontvangen van voorlichting over een (nieuw) tabaksproduct of over het leveren van gegevens over verkoop en omzet zijn deze zozeer verknoopt met de andere overeengekomen prestaties dat er geen grond is om hierover tot een ander oordeel te komen. Dit betekent dat deze afspraken vallen onder de definitie van "reclame" en dat zij dus in beginsel in strijd zijn met het reclameverbod. Dat is alleen anders indien moet worden geconcludeerd dat deze afspraken vallen onder een uitzondering op dat reclameverbod.

6.10.

Het door eiseres overgelegde rapport van RBB Economics van 7 maart 2022, leidt niet tot een ander oordeel, omdat de gestelde negatieve economische gevolgen van verweerders toepassing van het reclamebegrip niet kunnen afdoen aan de uitleg van dat begrip in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever. Voor zover in het rapport het verkoopbevorderend effect in twijfel wordt getrokken kan dit evenmin tot een ander oordeel leiden nu het in de wettelijke definitie van reclame gaat om handelingen in de economische sfeer die bevordering van de verkoop tot doel hebben.

Vallen de gemaakte afspraken onder een of meer uitzonderingen op het reclameverbod?

7. Eiseres stelt zich subsidiair op het standpunt dat de door haar met de wederverkopers gemaakte uitspraken vallen onder één of meer uitzonderingen op het reclameverbod.

7.1.

Voorop staat dat, zoals eerder overwogen, inherent aan een allesomvattend reclamebegrip is dat de op het reclameverbod gemaakte uitzonderingen beperkt dienen te worden geïnterpreteerd.

Commerciële mededelingen (business to business-reclame) 29

7.2.

Deze uitzondering ziet op het tweede deel van de definitie van reclame (“elke vorm van commerciële mededeling die het bekendheid geven aan of het aanprijzen van een tabaksproduct of aan verwant product tot doel dan wel rechtstreeks of onrechtstreeks tot gevolg heeft”) en niet op het eerste deel van de definitie, waar het in deze zaken over gaat. De in de overeenkomsten met de wederverkopers vervatte afspraken kunnen niet als dergelijke commerciële mededelingen worden beschouwd, omdat het gaat om tussen twee of meer specifieke partijen gemaakte (meestal vertrouwelijke) afspraken waaruit wederzijdse rechten en plichten voortvloeien. Deze uitzondering is daarom niet van toepassing.

Reguliere presentatie 30

7.3.

Deze uitzondering ziet op het plaatsen (en daarmee presenteren) door de wederverkopers van tabaks- en aanverwante producten in hun schappen. Een beroep op deze uitzondering kan eiseres niet baten. Er zijn geen bestuurlijke boetes opgelegd aan de wederverkopers vanwege het (al dan niet regulier) presenteren van de producten van eiseres.

Voorts is het sluiten van overeenkomsten door eiseres met wederverkopers een andere handeling, die (doorgaans vooraf gaat aan en) losstaat van het plaatsen (en daarmee presenteren) van tabaks- en aanverwante producten door (weder)verkopers van deze producten in hun eigen schappen. Het allesomvattende reclamebegrip en de beperkte uitzonderingen op het reclameverbod brengen met zich dat er geen ruimte is voor uitbreiding van de uitzondering voor reguliere presentatie, die het gevolg is van een overeenkomst tussen een fabrikant of groothandel en een wederverkoper in geval voor de presentatie enige tegenprestatie of uitzicht daarop - in geld of anderszins - wordt geboden, en dat dit ook geldt in het geval de overeenkomst voorwaarden stelt om tot een presentatie te kunnen komen, zoals het aanhouden van een voorraad. Dit geldt ook in het geval de overeenkomst voorwaarden stelt om tot een presentatie te kunnen komen, zoals het aanhouden van een voorraad.

Reclame in tabaksspeciaalzaken 31

7.4.

Deze uitzondering ziet op (het plaatsen en/of bevestigen van) fysieke reclame-uitingen in en aan tabaksspeciaalzaken, voor zover deze fysieke reclame-uitingen voldoen aan de daaraan gestelde wettelijke voorschriften. De overeenkomsten van eiseres met de wederverkopers zijn echter geen fysieke reclame-uitingen in of aan een tabaksspeciaalzaak. Deze uitzondering is daarom niet van toepassing. Het beroep van eiseres op de toegestane koppelverkoop in speciaalzaken maakt dit niet anders, reeds omdat het daarbij wél gaat om fysieke reclame-uitingen in een tabaksspeciaalzaak.

Tussenconclusie

7.5.

Uit het voorgaande volgt dat geen van de uitzonderingen op het reclameverbod van toepassing is op de afspraken die eiseres met de wederverkopers heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

Lex certa

8. Het betoog dat het opleggen van de boetes op grond van verweerders uitleg van het begrip "reclame" in de Trw in strijd is met het lex certa-beginsel slaagt niet. Dit beginsel, dat besloten ligt in artikel 5:4, tweede lid, van de Awb, artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 7 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), verlangt van de wetgever dat hij met het oog op de rechtszekerheid op een zo duidelijk mogelijke wijze de verboden gedragingen omschrijft. Dat vereist in ieder geval dat de invulling van een wettelijke bepaling voldoende duidelijk, bepaald en kenbaar dient te zijn.

8.1.

De wetgever omschrijft soms met een zekere vaagheid, bestaande in het gebruik van algemene termen, verboden gedragingen om te voorkomen dat gedragingen die strafwaardig zijn buiten het bereik van die omschrijving vallen. Uit vaste rechtspraak32 volgt dat die vaagheid onvermijdelijk kan zijn, omdat niet altijd te voorzien is op welke wijze de te beschermen belangen in de toekomst zullen worden geschonden en omdat, indien dit wel is te voorzien, de omschrijvingen van verboden gedragingen anders te verfijnd worden met als gevolg dat de overzichtelijkheid wegvalt en daarmee het belang van de algemene duidelijkheid van wetgeving schade lijdt. De wetgever kan met andere woorden goede redenen hebben om zich van algemene termen te bedienen. In dit verband dient de vraag of de toepassing van een wettelijk voorschrift zich verdraagt met het lex certa-beginsel mede te worden bezien in het licht van wat de bedoeling van de wetgever met het wettelijk voorschrift is geweest.33

8.2.

Verder mag van professionele partijen extra inspanning worden verwacht om zich te verdiepen in de op hen rustende uit de wet volgende verplichtingen en daartoe zo nodig deskundige bijstand in te schakelen34 of om opheldering te verzoeken. In dit licht kan mede op grond van wat boven is overwogen over het in de Trw gedefinieerde reclamebegrip niet worden aangenomen dat verweerder in strijd handelt met het lex certa-beginsel door thans bestuurlijke boetes op te leggen wegens overtreding van het reclameverbod. In dat verband wijst verweerder er terecht op dat ook na de totstandkoming van het WHO-Kaderverdrag van 21 mei 2003 en de Richtsnoeren het eiseres duidelijk had kunnen en moeten zijn dat ook afspraken over bijvoorbeeld verkoopbonussen kwalificeren als handelingen in de economische sfeer met als doel de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten te bevorderen. Dat het WHO-Kaderverdrag en de Richtsnoeren dateren van na de invoering van het reclameverbod in de Tabakswet (thans: Trw) maakt dat niet anders, nu de strekking ervan aansluit bij de allesomvattende definitie van het reclamebegrip in de Trw, hetgeen mede bevestiging vindt in de in 6.3.4. genoemde brief van de minister van Buitenlandse Zaken.

Motiveringsbeginsel

8.3.

Het betoog dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel omdat onvoldoende duidelijk is welke afspraken onder het reclameverbod vallen en welke niet slaagt niet. In de rapporten van bevindingen is toegelicht welke waarnemingen zijn gedaan, welke documenten bij de wederverkopers zijn opgevraagd en welke afspraken de inspecteurs daarin hebben aangetroffen. Vervolgens is steeds per vergoeding toegelicht waarom deze afspraken kwalificeren als overtreding van het reclameverbod. Onder verwijzing naar de rapporten van bevindingen heeft verweerder in zoverre zijn besluitvorming op een voldoende duidelijke wijze gemotiveerd en kon het voor eiseres duidelijk zijn welke gedragingen als overtreding van het reclameverbod werden aangemerkt.

8.4.

Uit het vorenstaande volgt dat van strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel geen sprake is.

Verbod van vooringenomenheid

8.5.

Het betoog dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het verbod van vooringenomenheid (artikel 2:4, eerste lid, van de Awb) vanwege de publicaties en uitlatingen van de zijde van de NVWA en verweerder in de periode in 2019 en 2020, slaagt niet.

8.5.1.

Het had de voorkeur verdiend dat in de uitingen meer terughoudendheid was betracht met de kwalificatie als ‘overtreding’ van het reclameverbod in de Trw. Niettemin kan hieruit niet volgen dat sprake is geweest van vooringenomenheid. Verweerder mag beleidskeuzes maken en mag in het licht van de bescherming van de volksgezondheid als doel van dit beleid en als grondwettelijke opdracht daarover tot op zekere hoogte publiekelijk communiceren, mits (1) geen blijk wordt gegeven van de overtuiging van de schuld van een persoon aan enig strafbaar feit en (2) de hem toevertrouwde belangen niet oneigenlijk worden behartigd.35

8.5.2.

Van het blijk geven van de overtuiging van de schuld van een persoon aan enig strafbaar feit is geen sprake, nu door de NVWA of verweerder geen tabaksfabrikant of groothandel bij naam is genoemd. Verweerder stelt weliswaar terecht dat de publicatie van de NVWA36 dateert van 30 november 2019 en het radio-fragment op NPO Radio 1 van 18 april 2020, maar de omstandigheid dat beide data zijn gelegen ná het onderzoek van de inspecteurs van de NVWA bij de tabaksspeciaalzaken, betekent op zichzelf nog niet dat daarom geen sprake kan zijn van vooringenomenheid. De voornemens tot boeteoplegging naar aanleiding van de in die zaken verrichte onderzoeken waren op dat moment namelijk nog niet uitgebracht.

8.5.3.

In de publicatie van de NVWA en het radio-interview zijn echter geen uitlatingen gedaan op grond waarvan moet worden geoordeeld dat verweerder vooringenomen was, nu daarin – voor zover van belang – enkel melding is gemaakt van het aantal (volgens de NVWA) geconstateerde overtredingen en de in verband daarmee opgemaakte rapporten van bevindingen en dat over het algemeen een boeteoplegging volgt na het opmaken van een rapport van bevindingen.

8.5.4.

Verweerder stelt terecht dat de staatssecretaris enkel publiekelijk een standpunt heeft ingenomen ten aanzien van de vraag of verkoopbonussen in het algemeen in strijd zijn met het reclameverbod en daarbij heeft vermeld dat tijdens onderzoek onrechtmatige afspraken bij tabaksfabrikanten zijn aangetroffen. Dat in voormeld radio-fragment, waarin de staatssecretaris ook aan het woord is geweest, door de presentatrice van dat programma ook de namen van drie grote tabaksfabrikanten – waaronder eiseres – zijn genoemd, maakt niet dat de staatssecretaris vooringenomen is geweest. De staatssecretaris heeft de naam van eiseres of van andere tabaksfabrikanten zelf namelijk niet genoemd.

8.5.5.

Uit bovengenoemde uitingen in de pers kan voorts niet worden afgeleid dat de afweging om tot het opleggen van een boete over te gaan, niet in vrijheid kon worden gemaakt. Niet is gebleken dat verweerder als gevolg van de uitingen niet meer vrij was om naar aanleiding van ingebrachte zienswijzen en bezwaren tot een andere afweging te komen. Overigens kan in dit verband gestelde reputatieschade als gevolg van de uitingen niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat eiseres daarvan geen onderbouwing heeft gegeven.

8.5.6.

Van het door verweerder oneigenlijk behartigen van de aan hem toevertrouwde belangen blijkt niet, nu niet anders kan worden vastgesteld dan dat in lijn met een van de doelstellingen van de Trw uitsluitend het belang van de volksgezondheid voorop heeft gestaan. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het verbod van vooringenomenheid of de onschuldpresumptie als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ten aanzien van eiseres niet in acht heeft genomen.

Heeft verweerder gehandeld in strijd met het Unierecht?

9. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat verweerder heeft gehandeld in strijd met één of meer dwingende bepalingen van Unierecht.

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)

9.1.

De beroepsgrond dat de boeteoplegging in strijd is met het vrij verkeer van goederen (artikel 34 van het VWEU) en diensten (artikel 56 van het VWEU) slaagt niet. Voor zover het reclameverbod al een beperking zou kunnen opleveren van het vrij verkeer van goederen en diensten, moet dit verbod gerechtvaardigd worden geacht op grond van het algemene belang van de bescherming van de gezondheid en het leven van personen. Gelet op al hetgeen blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van het reclameverbod daaraan ten grondslag is gelegd, mede bezien in het licht van het WHO-Kaderverdrag en de Richtsnoeren, kan van het reclameverbod niet worden gezegd dat dit niet noodzakelijk of geschikt is om dit doel van algemeen belang te verwezenlijken en evenmin dat het verbod geen evenredig middel daartoe zou zijn.37

Handvest van grondrechten van de Europese Unie

9.2.

Ook het beroep van eiseres op artikel 16 van het Handvest kan niet slagen. De vrijheid van ondernemerschap als bedoeld in artikel 16 van het Handvest is niet absoluut. De uitoefening ervan kan worden beperkt ten behoeve van door de EU erkende doelstellingen van algemeen belang, zoals mede kan blijken uit artikel 52 van het Handvest. Op dezelfde gronden als ten aanzien van het vrij verkeer van goederen en diensten uit het VWEU moet hier worden geoordeeld dat het wettelijke reclameverbod een legitiem algemeen belang dient met een noodzakelijk, geschikt en evenredig middel, zodat geen schending van artikel 16 van het Handvest kan worden vastgesteld.38

Tussenconclusie

10. Gelet op het vorenstaande dient te worden geconcludeerd dat de hiervóór weergegeven afspraken tussen eiseres en de wederverkopers vallen onder het reclamebegrip en dat deze in strijd zijn met het reclameverbod omdat ze niet vallen onder één van de uitzonderingen op dat reclameverbod.

10.1

Het betoog van eiseres dat de overtredingen haar niet kunnen worden verweten omdat ten tijde van de invoering van dit verbod nog niet helder was dat verkoopbonussen onder het verbod vallen, kan onder verwijzing naar hetgeen boven is overwogen niet slagen. Ook de omstandigheid dat het gebruik van verkoopbonussen een gangbare praktijk was in de tabaksbranche laat onverlet dat deze overeenkomsten in strijd zijn met het reclameverbod en biedt derhalve geen grond voor het oordeel dat verweerder daarvoor geen boetes mag opleggen.

10.3.

Nu het bestaan van deze afspraken niet is bestreden, staat vast dat eiseres het reclameverbod als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Trw heeft overtreden. Nu niet is gebleken dat het onderzoek naar deze afspraken onrechtmatig is geweest, was verweerder in beginsel op grond van artikel 11b, eerste lid, van de Trw bevoegd om eiseres een bestuurlijke boete op te leggen.

Boetevaststelling

11. Uit het in de bijlage bij artikel 11b van de Trw neergelegde systeem van gefixeerde boetes volgt dat de overtreding van artikel 5, eerste lid, van de Trw door fabrikanten, groothandelaren of importeurs van tabaksproducten of aanverwante producten valt in boetecategorie B. Als uitgangspunt geldt dat deze overtreding wordt bestraft met een bestuurlijke boete van € 45.000,-. Indien sprake is van recidive kan dit bedrag worden verhoogd tot € 135.000, vervolgens tot € 225.000 en ten slotte tot € 450.000,-. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 5:46, derde lid, van de Awb kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken en om de boete te matigen.

11.1

Nu tussen partijen niet in geschil is dat eiseres kan worden aangemerkt als fabrikant, groothandelaar en/of importeur heeft verweerder de door eiseres gepleegde overtreding terecht geschaard onder boetecategorie B.

Evenredigheid

12. Na invoering van het reclameverbod per 7 november 2002 heeft verweerder pas in 2018 een aanvang gemaakt met onderzoek naar de vorm van reclame (“elke handeling in de economische sfeer met als doel de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten te bevorderen”) waar de bestreden boetes op berusten. Het niet eerder handhaven van het verbod op reclame in deze vorm ontneemt verweerder als zodanig niet het recht om daartoe alsnog over te gaan. Hoewel hierboven is geoordeeld dat geen sprake is van strijd met het lex certa-beginsel, moet tevens worden vastgesteld dat zich omstandigheden voordoen die, in samenhang bezien, moeten leiden tot de conclusie dat de boetes zoals die in deze zaken zijn opgelegd zozeer in strijd komen met het rechtszekerheids- en evenredigheidsbeginsel dat een aanzienlijke matiging van de boetes is aangewezen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

12.1.

Verweerder neemt het standpunt in dat pas in 2018 tot handhaving van deze vorm van reclame (het eerste deel van de definitie in artikel 1 van de Trw) is gekomen doordat eerst prioriteit was gegeven aan de openbare vormen van reclame (het tweede deel van de definitie). Uit stukken afkomstig van verweerders ministerie, die zijn verkregen in het kader van een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur en waarmee de rechtbank ambtshalve bekend is, kan echter worden afgeleid dat ook bij verweerder op zijn minst enige tijd niet als vanzelfsprekend ervan is uitgegaan dat de vormen van reclame waar het in deze zaken over gaat onder het reclameverbod vielen.

12.2.

Verder kan worden vastgesteld dat ondanks de thans door verweerder gestelde prioritering van de handhaving, in de kamerstukken39 over handhaving onder meer is vermeld: “De gevolgen van de voorgestelde beperkingen voor de handhavingsinzet en -behoefte zijn naar verwachting beperkt.” Uit dezelfde toelichting blijkt, zoals overwogen, dat de wetgever ermee bekend was dat fabrikanten en groothandelaren vergoedingen verstrekken aan speciaalzaken voor het plaatsen van promotiemateriaal.40 Wellicht was verweerder niet volledig bekend met de volledige aard en omvang van de overeenkomsten tussen fabrikanten en groothandelaren enerzijds en wederverkopers anderzijds en de daaruit voortvloeiende vergoedingen, maar verweerder was in ieder geval wel deels bekend met deze praktijk. In ieder geval kon verweerder ermee bekend zijn, nu onweersproken is gesteld dat de Nederlandse Sigarenwinkeliers organisatie (NSO), de brancheorganisatie voor de tabaks- en gemaksdetailhandel, in jaarverslagen melding maakte van de vergoedingen.

12.3.

Waar het in eerste instantie aan verweerder is om de afweging te maken of de door hem te behartigen belangen het opleggen van boetes rechtvaardigt, heeft verweerder bij de thans publieke verantwoording van die afweging onvoldoende verklaard waarom het aan de Trw ten grondslag liggende belang van bevordering van de volksgezondheid (zoals ook tot uiting komend in artikel 22, eerste lid, van de Grondwet) bij de in geding zijnde vorm van reclame niet eerder tot enig optreden heeft geleid. Een optreden dat niet louter uit bestuursrechtelijke handhaving (bestraffing) had hoeven bestaan, maar ook de vorm had kunnen aannemen van voorlichting aan of overleg met de tabaksbranche. Door onder deze omstandigheden rauwelijks op grote schaal tot beboeting over te gaan, komen het rechtszekerheids- en evenredigheidsbeginsel te zeer in gedrang. Dit moet tot gevolg hebben dat iedere verhoging van het (standaard) boetebedrag vanwege recidive niet in stand kan blijven, nu die verhoging uit verweerders huidige optreden voortvloeit, en voorts dat een evenredige beboeting meebrengt dat de boetes worden gematigd tot 25% van het standaardboetebedrag van € 45.000,-. In de zaak waarin sprake was van een beperkt bereik van de reclame wordt de boete gematigd tot 25% van het boetebedrag van € 4.500,-.

Tussenconclusie

12.4.

Reeds hierom kunnen de bestreden besluiten in zoverre niet in stand blijven. Op wat dit betekent voor de hoogte van de op te leggen boetebedragen in deze zaken, komt de rechtbank later in deze uitspraak terug, nadat zij heeft beoordeeld of er gronden zijn voor verdere matiging.

Samenloop/voortgezette handeling

13. Eiseres betoogt dat sprake is van onevenredige cumulatie van boetes en hangen de overtredingen dusdanig samen dat een matiging aangewezen is.

13.1.

Voor zover is beoogd te betogen dat sprake is van meerdaadse samenloop, kan dat niet slagen. Eiseres heeft op verschillende momenten op zichzelf staande en qua inhoud verschillende overeenkomsten met wederverkopers gesloten en daarmee meerdere gedragingen verricht die tot een herhaalde overtreding van artikel 5, eerste lid, van de Trw hebben geleid.

13.2.

Omdat sprake is van op zichzelf staande en qua inhoud verschillende overeenkomsten met wederverkopers die op verschillende momenten zijn gesloten, is ook geen sprake van een voortgezette handeling.

13.3.

Elke overeenkomst met (een keten van) een wederverkoper is daarom zelfstandig beboetbaar. Anders dan eiseres stelt, vormt de samenhang tussen de beboetbare overtredingen, in die zin dat deze blijk geven van een min of meer op dezelfde wijze opereren op de markt ten opzichte van wederverkopers, als zodanig niet een omstandigheid voor matiging van de boetes op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Awb. Voorts is in aanmerking te nemen dat de totale hoogte van de boetes als gevolg van hetgeen is overwogen in 12.3 reeds wordt gematigd, aan welke matiging mede ten grondslag ligt dat verweerder thans op grote schaal tot beboeting is overgegaan. Voor een aanvullende matiging op grond van ‘onevenredige cumulatie’ bestaat daarom geen grond.

Overschrijding beslistermijn

14. Eiseres betoogt dat de boetes vanwege het overschrijden van de termijn als bedoeld in artikel 5:51, eerste lid, van de Awb gematigd dienen te worden.

14.1

Op grond van artikel 5:51, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan omtrent het opleggen van een bestuurlijke boete binnen dertien weken na de dagtekening van het rapport. In dit geval zijn de rapporten van bevindingen gedagtekend op 6 november 2019, 19 november 2019 en 10 december 2019 (tabaksspeciaalzaken) en op 17, 21, 22 en 29 september 2020 (supermarkten). De boetebesluiten dateren van 1 mei 2020 (tabaksspeciaalzaken) en van 9 april 2021 ten aanzien van de supermarkten. Daarmee heeft verweerder niet voldaan aan de termijn gesteld in artikel 5:51, eerste lid, van de Awb. Zoals het CBb heeft overwogen41 moet deze termijn evenwel als een termijn van orde worden aangemerkt en leidt overschrijding daarvan als zodanig niet tot verval van de bevoegdheid om een boete op te leggen. Voorts ziet de rechtbank in de enkele termijnoverschrijding van 10 weken voor de speciaalzaken en 15 weken voor de supermarkten geen aanleiding voor het oordeel dat de boetes moeten worden gematigd. Gelet op de omvang van het door verweerder verrichte onderzoek naar afspraken in de tabaksbranche, kan niet worden gesteld dat de besluitvorming onnodig lang op zich heeft laten wachten. Bovendien is niet gebleken dat eiseres door de termijnoverschrijding de kans is ontnomen om zich deugdelijk te verdedigen en heeft zij aan het enkele tijdsverloop niet een gerechtvaardigd vertrouwen mogen ontlenen dat geen boete meer zou worden opgelegd.

Overschrijding redelijke termijn

15. Voor zover in de onderhavige procedures sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, ziet de rechtbank daarin, gelet op overweging 3.13.2 van het arrest van de Hoger Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252), geen reden om ambtshalve tot matiging over te gaan.

Conclusie ten aanzien van de hoogte van de boetebedragen

16. Gelet op het voorgaande zijn ten aanzien van de overtreding van artikel 5, eerste lid, van de Trw door eiseres boetes van € 11.250,- passend en geboden, met uitzondering van de zaak waarin sprake was van een beperkt bereik van de reclame (het primaire besluit I). In die zaak is een boete van € 1.125,- passend en geboden. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en de primaire besluiten herroepen en, zelf in de zaak voorziend, de boetes in alle zaken vaststellen op die bedragen.

Conclusie en gevolgen

17. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, verklaart de bezwaren tegen de primaire besluiten I tot en met V gegrond en herroept deze besluiten. De primaire besluiten VI tot en met XI, waartegen rechtstreeks beroep is ingesteld, worden vernietigd.

18. De rechtbank voorziet zelf in de zaken op de wijze zoals hiervoor omschreven. Het totale bedrag van de aan eiseres opgelegde boetes komt daarmee op € 113.625,-.

19. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaard, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Dit bedrag komt neer op een bedrag van

(7 x € 360,- =) € 2.520,-.

20. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. Omdat sprake is van samenhangende zaken, waarbij de besluitvorming in twee onderscheiden periodes heeft plaatsgevonden, wordt de vergoeding met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 5 punten op (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften en 1 punt voor de hoorzitting in bezwaar in de zaak ROT 21/340 met een waarde per punt van € 541,-, 2 punten voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen op de zitting in alle zaken met een waarde per punt van € 759,-) bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt (2 x € 541,- + 3 x € 759,- =) € 3.359,-.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor wat betreft de hoogte van de bestuurlijke boetes;

  • -

    herroept de primaire besluiten I tot en met V, voor wat betreft de hoogte van de bestuurlijke boetes;

  • -

    vernietigt de primaire besluiten VI tot en met XI, voor wat betreft de hoogte van de bestuurlijke boetes;

  • -

    stelt de boetebedragen vast op € 1.125,- in de zaak met boetezaaknummer [boetezaaknummer 1] (primair besluit I) en op € 11.250,- in alle overige zaken;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de herroepen primaire besluiten;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 2.520,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.359,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. M.V. van Baaren en mr. S.M. Dielemans-Goossens, leden, in aanwezigheid van A.L.G. Willems en mr. N.S.J. Letschert, griffiers. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 4 juli 2022.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke nationale en internationale wettelijke regels

Tabaks- en rookwarenwet

Artikel 1, eerste lid

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder reclame: elke handeling in de economische sfeer met als doel de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten te bevorderen en elke vorm van commerciële mededeling die het bekendheid geven aan of het aanprijzen van een tabaksproduct of aanverwant product tot doel dan wel rechtstreeks of onrechtstreeks tot gevolg heeft, met inbegrip van reclame waarmee, zonder het tabaksproduct of aanverwant product rechtstreeks te noemen, wordt getracht het reclameverbod te omzeilen door gebruik te maken van een naam, merk, symbool of enig ander onderscheidend teken van een tabaksproduct of aanverwant product.

Artikel 5, eerste, zesde en zevende lid

1. Elke vorm van reclame of sponsoring is verboden.

6. Het eerste lid geldt evenmin voor:

a. commerciële mededelingen in de pers en andere gedrukte publicaties, alsmede in diensten van de informatiemaatschappij, die de aanprijzing van een tabaksproduct of aanverwant product tot doel dan wel rechtstreeks of onrechtstreeks tot gevolg hebben, en die:

1°. uitsluitend bestemd zijn voor personen die werkzaam zijn in de handel in tabaksproducten of aanverwante producten; of

2°. worden gedrukt en uitgegeven in, dan wel worden verleend vanuit landen buiten de Europese Economische Ruimte, mits deze niet hoofdzakelijk voor landen binnen de Europese Economische Ruimte bestemd zijn;

b. uitsluitend voor de koper van tabaksproducten of aanverwante producten bestemde reclame in een speciaalzaak of aan de voorgevel daarvan, dan wel in een met een afsluitbare eigen toegang duidelijk afgescheiden verkooppunt van tabaksproducten of aanverwante producten in een levensmiddelenzaak of een warenhuis, mits de reclame niet op minderjarigen is gericht en:

1°. aan de voorgevel van een speciaalzaak in totaal niet meer dan 2m² beslaat;

2°. voor zover aanwezig in een afgescheiden verkooppunt van tabaksproducten of aanverwante producten in een levensmiddelenzaak of een warenhuis alleen is bevestigd aan, op, in of tegen het gedeelte van de besloten ruimte dat bestemd is voor de presentatie van tabaksproducten of aanverwante producten en uitsluitend is gericht op personen die in het verkooppunt zelf aanwezig zijn;

3°. voldoet aan de bij ministeriële regeling te stellen regels.

7. Iedere uitreiking om niet of tegen een symbolische vergoeding, die het aanprijzen van een tabaksproduct of aanverwant product ten doel of tot rechtstreeks of onrechtstreeks gevolg heeft, is verboden.

Artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder b (zoals dat luidde tot en met 31 december 2019)

Het eerste lid geldt evenmin voor:

b. de reguliere presentatie van te koop aangeboden tabaksproducten of aanverwante producten door middel van het tonen daarvan in een gesloten verpakking tegen een neutrale achtergrond en de normale prijsaanduiding daarvan in verkooppunten van tabaksproducten of aanverwante producten, met dien verstande dat de eis van gesloten verpakking niet geldt voor sigaar, pijptabak en pruimtabak in een speciaalzaak.

Artikel 11b

1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2, 3, 3a, 3b, 3c, 3e, 4a, 4b, 4c, 4e, 4h, 4i, 5, 5a, 7, 8, 9, 9a, 10, 11, 17a of 18.

2. De hoogte van de bestuurlijke boete wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de wegens een afzonderlijke overtreding te betalen geldsom ten hoogste:

a. € 450 000 bedraagt wegens overtreding van artikel 4a, 4b, 4c, eerste tot en met vijfde lid, 4h, 4i, 5, 5a of 11, indien die overtreding is begaan door een fabrikant, groothandel of importeur van tabaksproducten, elektronische sigaretten of navulverpakkingen;

b. een bedrag bedraagt dat gelijk is aan een geldboete van de vierde categorie als bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wegens een overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 8 of 10;

c. € 4.500 bedraagt in andere dan de onder a en b bedoelde gevallen.

3. In afwijking van het eerste lid kan de overtreding niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de in de bijlage ter zake van de overtreding voorziene bestuurlijke boete aanmerkelijk wordt overschreden door het met de overtreding behaalde economische voordeel.

Bijlage bij de Tabaks- en rookwarenwet

Bijlage als bedoeld in artikel 11b inzake bestuurlijke boeten, bevattende de tarieven voor overtredingen genoemd in artikel 11b, eerste lid.

De overtredingen zijn ingedeeld in vier categorieën.

(…) Categorie B

Onder categorie B vallen overtredingen door fabrikanten, groothandelaren en importeurs van tabaksproducten of aanverwante producten van het bepaalde bij:

(…)

– Artikel 5, eerste lid;

(…)

Overtredingen behorend tot categorie B worden bestraft met een bestuurlijke boete van € 45.000. Dit bedrag wordt verhoogd tot:

– € 135.000 indien de natuurlijke persoon aan wie of de rechtspersoon waaraan de overtreding kan worden toegerekend voor een soortgelijke overtreding eerder is beboet en er nog geen twee jaar zijn verlopen sinds die eerdere bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden;

– € 225.000 indien binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de bestuurlijke boete voor de eerste overtreding, een soortgelijke overtreding voor de derde maal wordt begaan; en

– € 450.000 indien binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van de bestuurlijke boete voor de eerste overtreding, een soortgelijke overtreding voor de vierde maal wordt begaan. (…)

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:13

Een toezichthouder maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.

Artikel 5:46, derde lid

Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

WHO-Kaderverdrag

Artikel 13

Tobacco advertising, promotion and sponsorship

1. Parties recognize that a comprehensive ban on advertising, promotion and sponsorship

would reduce the consumption of tobacco products.

2. Each Party shall, in accordance with its constitution or constitutional principles, undertake a comprehensive ban of all tobacco advertising, promotion and sponsorship. This

shall include, subject to the legal environment and technical means available to that Party, a

comprehensive ban on cross-border advertising, promotion and sponsorship originating from its territory. In this respect, within the period of five years after entry into force of this

Convention for that Party, each Party shall undertake appropriate legislative, executive,

administrative and/or other measures and report accordingly in conformity with Article 21.

3. A Party that is not in a position to undertake a comprehensive ban due to its constitution

or constitutional principles shall apply restrictions on all tobacco advertising, promotion and

sponsorship. This shall include, subject to the legal environment and technical means available to that Party, restrictions or a comprehensive ban on advertising, promotion and

sponsorship originating from its territory with cross-border effects. In this respect, each Party shall undertake appropriate legislative, executive, administrative and/or other measures and report accordingly in conformity with Article 21.

4. As a minimum, and in accordance with its constitution or constitutional principles, each

Party shall:

( a) prohibit all forms of tobacco advertising, promotion and sponsorship that promote a tobacco product by any means that are false, misleading or deceptive or likely to create an erroneous impression about its characteristics, health effects, hazards or emissions;

( b) require that health or other appropriate warnings or messages accompany all tobacco advertising and, as appropriate, promotion and sponsorship;

( c) restrict the use of direct or indirect incentives that encourage the purchase of tobacco products by the public;

( d) require, if it does not have a comprehensive ban, the disclosure to relevant governmental authorities of expenditures by the tobacco industry on advertising, promotion and sponsorship not yet prohibited. Those authorities may decide to make those figures available, subject to national law, to the public and to the Conference of the Parties, pursuant to Article 21;

( e) undertake a comprehensive ban or, in the case of a Party that is not in a position to undertake a comprehensive ban due to its constitution or constitutional principles, restrict tobacco advertising, promotion and sponsorship on radio, television, print media and, as appropriate, other media, such as the internet, within a period of five years; and

( f) prohibit, or in the case of a Party that is not in a position to prohibit due to its constitution or constitutional principles restrict, tobacco sponsorship of international events, activities and/or participants therein.

5. Parties are encouraged to implement measures beyond the obligations set out in paragraph 4.

6. Parties shall cooperate in the development of technologies and other means necessary to

facilitate the elimination of cross-border advertising.

7. Parties which have a ban on certain forms of tobacco advertising, promotion and sponsorship have the sovereign right to ban those forms of cross-border tobacco advertising,

promotion and sponsorship entering their territory and to impose equal penalties as those

applicable to domestic advertising, promotion and sponsorship originating from their territory in accordance with their national law. This paragraph does not endorse or approve of any particular penalty.

8. Parties shall consider the elaboration of a protocol setting out appropriate measures that

require international collaboration for a comprehensive ban on cross-border advertising, promotion and sponsorship.

Verdrag betreffende de werking va de Europese Unie (VWEU)

Artikel 34

Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden.

Artikel 36

De bepalingen van de artikelen 34 en 35 vormen geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen.

Artikel 52

1. De voorschriften van dit hoofdstuk en de maatregelen uit hoofde daarvan genomen doen niet af aan de toepasselijkheid van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen waarbij een bijzondere regeling is vastgesteld voor vreemdelingen welke bepalingen uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid gerechtvaardigd zijn.

2. Het Europees Parlement en de Raad stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure richtlijnen vast voor de coördinatie van voornoemde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.

Artikel 56

In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie verboden ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan die, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht. (…)

Artikel 57

In de zin van de Verdragen worden als diensten beschouwd de dienstverrichtingen welke gewoonlijk tegen vergoeding geschieden, voor zover de bepalingen, betreffende het vrije verkeer van goederen, kapitaal en personen op deze dienstverrichtingen niet van toepassing zijn.

De diensten omvatten met name werkzaamheden:

a. van industriële aard,

b. van commerciële aard,

c. van het ambacht,

d. van de vrije beroepen.

Onverminderd de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het recht van vestiging, kan degene die de diensten verricht, daartoe zijn werkzaamheden tijdelijk uitoefenen in de lidstaat waar de dienst wordt verricht, onder dezelfde voorwaarden als die welke die lidstaat aan zijn eigen onderdanen oplegt.

Artikel 62

De bepalingen van de artikelen 51 tot en met 54 zijn van toepassing op het onderwerp dat in dit hoofdstuk is geregeld.

Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie

Artikel 16

De vrijheid van ondernemerschap wordt erkend overeenkomstig het Gemeenschapsrecht en de nationale wetgevingen en praktijken.

Artikel 52

1. Beperkingen op de uitoefening van de in dit handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen alleen beperkingen worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen beantwoorden.

2. De door dit handvest erkende rechten waaraan de communautaire verdragen of het Verdrag betreffende de Europese Unie ten grondslag liggen, worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij die verdragen zijn gesteld.

3. Voorzover dit handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt

Richtlijn 2003/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de reclame en sponsoring voor tabaksproducten (Tabaksreclamerichtlijn)

Considerans

(12) Deze richtlijn reglementeert reclame voor tabaksproducten in andere media dan de televisie, namelijk in de pers en andere gedrukte publicaties, op de radio en via diensten van de informatiemaatschappij. Zij reglementeert ook de sponsoring door tabaksfirma's van radioprogramma's en van evenementen of activiteiten waarbij meer dan een lidstaat betrokken is of die in meer dan een lidstaat plaatsvinden, of die anderszins een grensoverschrijdend effect hebben, met inbegrip van het om niet of tegen verlaagde prijs verspreiden van tabaksproducten. Andere vormen van reclame, zoals indirecte reclame en sponsoring van evenementen of activiteiten zonder grensoverschrijdend effect, vallen buiten deze richtlijn. Met inachtneming van het Verdrag, behouden de lidstaten de bevoegdheid om regelend op te treden voor zover zij dat ter waarborging van de bescherming van de volksgezondheid nodig achten.

Artikel 1

1. Deze richtlijn beoogt de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de reclame voor tabaksproducten en de aanprijzing daarvan:

a. a) in de pers en andere gedrukte publicaties;

b) op de radio;

c) in diensten van de informatiemaatschappij en

d) door middel van sponsoring van tabak, waaronder het om niet verspreiden van tabaksproducten.

2. Deze richtlijn beoogt het vrije verkeer van de betrokken

media en aanverwante diensten te waarborgen en de belemmeringen voor de werking van de interne markt op te heffen.

Richtlijn 2011/64/EU van de Raad van 21 juni 2011 betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikanten (Accijnsrichtlijn)

Considerans

(3) Een van de doelstellingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie is de instandhouding van een economische unie waarvan de kenmerken analoog zijn aan die van een binnenlandse markt, waarin gezonde mededinging bestaat. De verwezenlijking van dit doel met betrekking tot de sector tabaksfabrikaten veronderstelt dat de in de lidstaten op het verbruik van producten van deze sector geheven belasting zodanig wordt toegepast dat de mededingingsvoorwaarden niet worden vervalst en

het vrije verkeer van deze producten binnen de Unie niet wordt belemmerd.

(10) De eisen inzake de mededinging impliceren een regeling waarbij de prijzen voor alle groepen tabaksfabrikaten vrij tot stand worden gebracht.

(14) Wat sigaretten betreft, dient een neutraal mededingingsklimaat voor de fabrikanten te worden gewaarborgd, dient de fragmentering van de tabaksmarkten te worden teruggedrongen en dient meer gewicht te worden gegeven aan gezondheidsdoelstellingen. Dit ad-valorum-minimum dient derhalve te worden gerelateerd aan de gewogen gemiddelde kleinhandelsprijs en het nominale minimum moet van toepassing worden op alle sigaretten. Om dezelfde redenen moet de gewogen gemiddelde

kleinhandelsprijs ook dienen als maatstaf voor het bepalen van het aandeel van het specifieke accijnsrecht in de totale belastingdruk.

Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de bijlage, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van Richtlijn 2001/37/EG.

Considerans

(53) Voor tabaks- en aanverwante producten die voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn, dient het vrije verkeer van goederen te gelden. Gezien de verschillende gradaties van harmonisering die door deze richtlijn tot stand worden gebracht, dienen de lidstaten onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid te behouden om op bepaalde gebieden aanvullende eisen te stellen ter bescherming van de volksgezondheid. Dit geldt voor de presentatie en de verpakking van tabaksproducten, met inbegrip van kleuren, behoudens voor gezondheidswaarschuwingen, waarvoor de richtlijn een eerste reeks gemeenschappelijke basisvoorschriften vaststelt. Zo kunnen de lidstaten bijvoorbeeld voorschriften invoeren voor de verdere standaardisatie van de verpakkingen van tabaksproducten, mits die voorschriften verenigbaar zijn met het VWEU en met de WTO-verplichtingen en een integrale toepassing van deze richtlijn niet in de weg staan.

1 De primaire besluiten I (boetezaaknummer [boetezaaknummer 1] ), II (boetezaaknummer [boetezaaknummer 2] ), III (boetezaaknummer [boetezaaknummer 3] ), IV (boetezaaknummer [boetezaaknummer 4] ).

2 Het primaire besluit V (boetezaaknummer [boetezaaknummer 5] ).

3 De primaire besluiten VI (boetezaaknummer [boetezaaknummer 6] ), VII (boetezaaknummer [boetezaaknummer 7] ), VIII (boetezaaknummer [boetezaaknummer 8] ), IX (boetezaaknummer [boetezaaknummer 9] ), X (boetezaaknummer [boetezaaknummer 10] ) en XI (boetezaaknummer [boetezaaknummer 11] ).

4 Onder andere de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:574) en van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 1 april 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:752).

5 Rapport van bevindingen van 19 november 2019 met nummer [rapportnummer 1] .

6 Rapport van bevindingen van 19 november 2019 met nummer [rapportnummer 2] .

7 Rapport van bevindingen van 10 december 2019 met nummer [rapportnummer 3] .

8 Rapport van bevindingen van 19 november 2019 met nummer [rapportnummer 4] .

9 Rapport van bevindingen van 6 november 2019 met nummer [rapportnummer 5] .

10 Rapport van bevindingen van 22 september 2020 met nummer [rapportnummer 6]

11 Rapport van bevindingen van 17 september 2020 met nummer [rapportnummer 7] .

12 Rapport van bevindingen van 17 september 2020 met nummer [rapportnummer 8] .

13 Rapport van bevindingen van 21 september 2020 met nummer [rapportnummer 9]

14 Rapport van bevindingen van 21 september 2020 met nummer [rapportnummer 10] .

15 Rapport van bevindingen van 29 september 2020 met nummer [rapportnummer 11] .

16 Staatsblad 2002, 201. Inwerkingtreding Staatsblad 2002, 362.

17 Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 26 472, nr. 7, pagina 19.

18 Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 26 472, nr. 7, pagina 16 en Tweede Kamer, vergaderjaar 2020–2021, 35 504, nr. 8, pagina 2.

19 Bijvoorbeeld de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 26 oktober 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:960).

20 WHO Framework Convention on Tobacco Control (FCTC).

21 Guidelines for implementation of article 13 of the FCTC.

22 Elaboration of guidelines for implementation of Article 13 of the Convention.

23 Staten-Generaal, vergaderjaar 2004–2005, 29 927, A en nr. 1.

24 Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 26 472, nr. 7, pagina 22.

25 Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 472, nr. 3, pagina 2.

26 [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] , De kracht van het schap: Nieuwe academische inzichten over de invloed van het supermarktschap, 2010, University of Groningen EFMI Business School.

27 [naam 8] , [naam 9] en [naam 10] , 2022, www.tobaccocontrol.bmj.com.

28 [naam 11] , [naam 12] , [naam 13] , [naam 14] , Points of sale of tobacco products, Synthesis of scientific and practice-based knowledge on the impact of reducing the number of points of sale and restrictions on tobacco product displays, 2014, Trimbos Institute, Netherlands Institute for Mental Health and Addiction Netherlands Expertise centre for Tobacco control, zoals genoemd in de nota van toelichting bij het Besluit van 20 september 2019 (Stb 2019, 308).

29 Artikel 5, zesde lid, aanhef en onder a, van de Trw.

30 Artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Trw, zoals dat luidde tot en met 31 december 2019.

31 Artikel 5, zesde lid, aanhef en onder b, van de Trw.

32 Zie de uitspraken van de Afdeling van 30 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1421 en 1422).

33 Zie de uitspraak van het CBb van 23 maart 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:324).

34 Zie de uitspraak van het CBb van 22 mei 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:187).

35 Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1015).

36 Factsheet "Verkoopbonussen tabaksspeciaalzaken 2019".

37 Vergelijk de uitspraak van het HvJ EU van 8 maart 2001, C-405/98.

38 Vergelijk de conclusie van 14 oktober 2021 van Advocaat-Generaal Szpunar in zaak C452/20 (ECLI:EU:C:2021:855).

39 Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 26 472, nr. 7, pagina 15.

40 Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 26 472, nr. 7, pagina 13.

41 Uitspraak van 28 maart 2014, ECLI:NL:CBB:2014:124.