Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:4934

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-06-2022
Datum publicatie
30-06-2022
Zaaknummer
9395853
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Stage-overeenkomst kwalificeert niet als arbeidsovereenkomst. Zowel uit de bedoeling van partijen als uit de feitelijke invulling van de werkzaamheden volgt dat deze hoofdzakelijk waren gericht op het opdoen van kennis en ervaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0734
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 9395853 \ CV EXPL 21-27307

datum uitspraak: 17 juni 2022

Vonnis van de kantonrechter,

in de zaak van

[eiseres] ,

woonplaats: [woonplaats eiseres] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. R.J. Michielsen te Hoogvliet, Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , [plaats] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. H. Zobuoglu te Amsterdam.

De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • -

    de dagvaarding van 9 augustus 2021, met bijlagen;

  • -

    de akte van [eiseres] met aanvullende bijlagen;

  • -

    het antwoord, met bijlagen;

  • -

    het vonnis waarin een mondelinge behandeling is bepaald.

1.2.

Op 18 mei 2022 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen en de gemachtigden besproken.

2. De feiten

2.1.

[eiseres] is per 1 februari 2020 gestart met de BBL-opleiding Verzorgende IG aan het Albeda College in Rotterdam (hierna: het Albeda).

2.2.

[eiseres] is met het Albeda en [gedaagde] een praktijkovereenkomst overeengekomen. In deze overeenkomst is (voor zover van belang) het volgende bepaald:

Beroepspraktijkvorming (bpv)

De student wordt ingeschreven voor een door het leerbedrijf verzorgde bpv. De bpv wordt uitgevoerd bij [gedaagde] (…) Gegevens praktijkopleider: [persoon A] (…)

2. De bpv-gegevens:

Naam opleiding Verzorgende-IG (…)

Datum begin bpv 01-02-2020

Geplande einddatum bpv 31-03-2023”

2.3.

In artikel 4.1 van de algemene voorwaarden die van toepassing zijn op de praktijkovereenkomst is het volgende bepaald:

Beroepspraktijkvorming maakt onderdeel uit van elke beroepsopleiding zoals bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs. De beroepspraktijkvorming vindt plaats bij een door de SBB erkend leerbedrijf op grond van een praktijkovereenkomst. In de praktijkovereenkomst worden afspraken over de beroepspraktijkvorming vastgelegd zodat de student in staat wordt gesteld de voor de kwalificatie/het keuzedeel benodigde kennis en ervaring op te doen. De activiteiten die door de student in het kader van de praktijkovereenkomst worden uitgevoerd, hebben een leerfunctie.’’

2.4.

[eiseres] heeft van 1 februari 2020 tot en met 20 november 2020, gedurende 24 uur per week, werkzaamheden verricht bij [gedaagde] . Zij ontving gedurende deze periode maandelijks een bedrag van € 600,- netto van [gedaagde] .

2.5.

In een door [eiseres] en [persoon B] (Planner en Management Assistent bij [gedaagde] ) ondertekend document, met dagtekening 15 juni 2020, is het volgende vermeld:

Geachte Mw. [eiseres] ,

Op 19-11-2019 zijn wij met u een arbeidsovereenkomst voorbepaalde tijd aangegaan voorde functie van helpende, welke op 18-06-2020 van rechtswege eindigt.

Hierbij bevestigen wij dat wij de arbeidsovereenkomst graag met u wensen voort te zetten. Uw arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zal per bovengenoemde datum worden verlengd voor de duur van 7 maanden a 24 uur per week en derhalve van rechtswege eindigen op 18-01-2021

De huidige voorwaarden, zoals reeds opgenomen in ~arbeidsovereenkomst van d.d. 19-11-2019, blijven op de arbeidsrelatie onverkort van kracht (…)

Wij zien uit naar een prettige voortzetting van de samenwerking.”

2.6.

Per 20 november 2020 heeft [eiseres] zich ziekgemeld, als gevolg van een ongeval.

3. Het geschil

3.1.

[eiseres] eist samengevat:

  • -

    voor recht te verklaren dat zij vanaf 1 februari 2020 op basis van een arbeidsovereenkomst bij [gedaagde] in dienst is getreden, waarbij de CAO verpleeg - verzorgingshuizen – thuiszorg van toepassing is;

  • -

    [gedaagde] te veroordelen om aan haar te betalen:

o € 11.508,75 bruto aan loon en vakantiegeld en € 309,98 bruto aan overwerkvergoeding over de periode 1 februari 2020 tot en met 20 november 2020;

o € 9.921,59 bruto aan loon en vakantiegeld over de periode van 21 november 2020 tot en met juli 2021.

o € 1.102,40 bruto per maand vanaf 1 augustus 2021 tot het moment dat het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd;

o de wettelijke verhoging en wettelijke rente over de voornoemde bedragen;

  • -

    [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten;

  • -

    het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

[eiseres] baseert de eis op het volgende. De op 1 februari 2020 gesloten praktijkovereenkomst moet als een arbeidsovereenkomst gekwalificeerd worden in de zin van artikel 7:610 BW. [eiseres] verrichtte namelijk feitelijk dezelfde werkzaamheden als de collega’s die in loondienst van [gedaagde] waren. Daarnaast blijkt ook uit de brief van 15 juni 2020 (2.5) dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. [eiseres] maakt daarom aanspraak op het toepasselijke cao-loon, te vermeerderen met het vakantiegeld en de (overwerk)toeslagen over de periode dat zij werkzaamheden heeft verricht. Omdat de arbeidsovereenkomst nog steeds voortduurt, maakt zij daarnaast aanspraak op het loon tijdens ziekte vanaf 20 november 2020.

3.3.

[gedaagde] is het niet eens met de eis en voert het volgende aan. De stageovereenkomst kan niet worden gekwalificeerd als arbeidsovereenkomst. Uit de tekst van de overeenkomst blijkt dat het niet de bedoeling van partijen was om een arbeidsovereenkomst te sluiten. De werkzaamheden die [eiseres] verrichtte waren primair gericht op het vergroten van haar eigen kennis en het opdoen van werkervaring. [eiseres] verrichte weliswaar grotendeels dezelfde werkzaamheden, maar zij deed dit onder continue begeleiding van collega’s. Verder werd het functioneren van [eiseres] zowel door het Albeda als door [gedaagde] geëvalueerd. Aan de door mevrouw [persoon B] ondertekende verklaring (2.5) komt in dit kader geen betekenis toe. Deze verklaring is opgesteld op verzoek van [eiseres] , omdat zij die nodig had voor haar huis. De verklaring bevat bovendien onjuiste data en is opgesteld door een persoon die ter zake niet bevoegd is.

4. De beoordeling

4.1.

De centrale vraag in deze procedure is of de stageovereenkomst tussen partijen moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst. Uit vaste rechtspraak volgt dat daarvan geen sprake is als de werkzaamheden van de stagiair naar de bedoeling van partijen primair zijn gericht op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de stagiair, mede met het oog op de voltooiing van de opleiding. Als het primaire doel van de werkzaamheden verschuift naar een actieve bijdrage aan de verwezenlijking van het doel van de onderneming kan pas sprake zijn van een arbeidsovereenkomst (ECLI:NL:HR:1982:AC0442, (Hesseling/Ombudsman) en ECLI:NL:HR:2015:3019, (Logidex)).

4.2.

De kantonrechter overweegt met inachtneming van dit kader het volgende. Als uitgangspunt geldt dat partijen zijn overeengekomen dat de werkzaamheden van [eiseres] een leerfunctie hebben en primair zijn gericht op het opdoen van kennis en ervaring, in het kader van de afronding van haar opleiding. Dit volgt namelijk expliciet uit artikel 4.1 van de toepasselijke voorwaarden (2.3). Bovendien is in de praktijkovereenkomst bepaald dat deze is aangegaan in het kader van en voor de duur van de opleiding en is daarin aan [eiseres] een praktijkbegeleider toegewezen. [eiseres] heeft verder ook tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij voorheen alleen administratieve werkervaring had opgedaan en dat zij de mogelijkheid om in het kader van haar opleiding bij [gedaagde] te werken een mooie kans vond om ervaring op te doen. Geconcludeerd wordt dat de bedoeling van (beide) partijen was om [eiseres] kennis en ervaring te laten opdoen.

4.3.

Voldoende is gebleken dat ook op deze wijze uitvoering is gegeven aan de overeenkomst. [eiseres] heeft weliswaar dezelfde werkzaamheden verricht als collega’s in loondienst, zoals door haar aangevoerd, echter maakt dit niet dat daarmee sprake is van een arbeidsovereenkomst. [gedaagde] heeft namelijk onbetwist gesteld dat zij [eiseres] intensief begeleidde tijdens deze werkzaamheden en dat het functioneren van [eiseres] is beoordeeld en geëvalueerd, onder meer door het invullen van beoordelingsformulieren. Dat [eiseres] na verloop van tijd zelfstandig werkzaamheden is gaan uitvoeren ligt in de lijn der verwachting dat de vaardigheden en daarmee de zelfstandigheid van een stagiair gedurende de stage toe kunnen nemen. Dit maakt niet dat daarmee het karakter van de overeenkomst is gewijzigd. Verder heeft [eiseres] zelf ook aangevoerd dat zij 18 certificaten heeft weten te behalen tijdens haar werkzaamheden voor [gedaagde] , hetgeen er ook op duidt dat de werkzaamheden waren gericht op het voltooien van de opleiding. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat van de werkzaamheden van [eiseres] primair waren gericht op het opdoen van kennis en ervaring.

4.4.

Het document van 15 juni 2020 leidt niet tot een ander oordeel, omdat niet valt in te zien hoe dit document kan dienen als onderbouwing van het standpunt van [eiseres] . In dit document wordt namelijk verwezen naar een arbeidsovereenkomst die is ingegaan op 19 november 2019 en die eindigt op 18 juni 2020. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling beiden gesteld dat deze arbeidsovereenkomst niet bestaat. [eiseres] stelt in deze procedure zelf immers ook dat pas sprake is van een arbeidsovereenkomst per 1 februari 2020 en heeft er geen verklaring voor gegeven hoe dat standpunt zich verhoudt tot dit document. Reeds om die reden komt geen betekenis toe aan dit document. Bovendien heeft [gedaagde] onbetwist gesteld dat [persoon B] , in haar functie van planner, onbevoegd was om deze overeenkomst op te stellen. [gedaagde] heeft in dat kader een schriftelijke waarschuwing overgelegd die [persoon B] om die reden heeft gekregen en een excuusbrief die daarop door [persoon B] is opgesteld. Met het oog op al deze omstandigheden kan het document van 15 juni 2020 niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] .

4.5.

De conclusie van het voorgaande is dat geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, zodat de gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen. Datzelfde geldt voor de daarop gebaseerde vorderingen tot betaling van loon, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.

4.6.

[eiseres] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [gedaagde] tot vandaag vast op € 996,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 498 tarief).

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de kant van [gedaagde] tot vandaag vastgesteld op € 996,00.

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Breevoort en in het openbaar uitgesproken.