Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:4712

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-06-2022
Datum publicatie
16-06-2022
Zaaknummer
8726318
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeval, aansprakelijkheid voor ondergechikten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0676
PS-Updates.nl 2022-0426
Jurisprudentie HSE 2022/76
Prg. 2022/281
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 8726318 \ CV EXPL 20-29971

datum uitspraak: 10 juni 2022

vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

[eiser] ,

woonplaats: [woonplaats eiser],

eiser,

gemachtigde: mr. F. Bouyaghjdane,

tegen

1. Tatar B.V.,

vestigingsplaats: Rotterdam,

gemachtigde: mr. A. Seme,

2. Altrad Balliauw B.V.,

vestigingsplaats: Brielle,

gemachtigde: voorheen mr. drs. J.E.G. Joosten, thans mr. I. Paul-van Velzen,

gedaagden.

De partijen worden hierna “[eiser]” respectievelijk “Tatar” en “Altrad” genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure volgt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 18 augustus 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van Tatar, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van Altrad, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 26 november 2020, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de brief van [eiser] van 1 februari 2021, met producties;

  • -

    de mondelinge behandeling van 31 maart 2021;

  • -

    de akte van [eiser] van 15 april 2021;

  • -

    de akte van Tatar van 20 mei 2021;

  • -

    de akte van Altrad van 20 mei 2021, met één productie;

  • -

    de mondelinge behandeling van 5 juli 2021;

  • -

    de spreekaantekeningen van Altrad;

  • -

    de rolbeslissing van 16 juli 2021;

  • -

    de brief van Altrad van 2 augustus 2021;

  • -

    de akte van [eiser] van 5 augustus 2021;

  • -

    de akte van Tatar van 5 augustus 2021;

  • -

    de rolbeslissing van 17 september 2021, waarbij een deskundige is benoemd;

  • -

    het deskundigenbericht van [naam 1] van 24 januari 2022;

  • -

    de akte na deskundigenbericht van [eiser];

  • -

    de akte na deskundigenbericht van Tatar, met één productie;

  • -

    de akte na deskundigenbericht van Altrad, met producties;

  • -

    de akte uitlaten van [eiser].

2. De feiten

2.1.

Tatar exploiteert een uitzendbureau met voornamelijk opdrachtgevers in de steigerbouw. Altrad is een leverancier in stellingbouw en één van de opdrachtgevers van Tatar.

2.2.

Per 23 november 2017 hebben [eiser] en Tatar met elkaar een uitzendovereenkomst gesloten, op basis waarvan Tatar gerechtigd was om [eiser] beschikbaar te stellen aan

haar opdrachtgevers. [eiser] is door Tatar uitgeleend aan Altrad en heeft ten behoeve van Altrad op diverse locaties werkzaamheden verricht.

2.3.

Op 11 januari 2018 heeft [eiser] werkzaamheden ten behoeve van Altrad verricht in de Clauscentrale te Maasbracht. Zijn werkzaamheden bestonden uit het aannemen en aanreiken van materialen via een mangat in het kader van het opbouwen van een inwendige steiger. [eiser] diende de materialen aan te reiken aan [naam 2] (hierna te noemen: ‘[naam 2]’), die op een hoger gelegen deel van de steiger stond. Op enig moment is een ratel vanaf het hiervoor genoemde hoger gelegen deel van de steiger gevallen.

2.4.

Op 27 juli 2018 heeft de gemachtigde van [eiser] een brief aan Tatar gezonden, waarvan de inhoud - voor zover thans van belang - als volgt luidt:

“(…) Op het moment dat cliënt bukte om een rooster te pakken, viel een ratel van boven op

zijn nek. Deze ratel was afkomstig van [naam 2]. Later bleek, na onderzoek door Altrad Balliauw B.V., dat [naam 2] geen zogenaamde lineyard op de ratel had gezet. Client liep met enorme pijn in zijn nek uit de ketel en heeft aan de dienstdoende voorman, [naam 3], verzocht om de ambulance te bellen. Deze weigerde echter. Ook bleek er geen BHV’er (bedrijfshulpverlener) aanwezig te zijn.

De ratel woog ongeveer 1 kilo. Door de hoogte van 6 meter van waar de ratel op cliënt viel, is de klap voor cliënt enorm geweest. dient ondervindt nog steeds last van dit arbeidsongeval. Hij heeft zich vanaf 11 januari 2018 dan ook ziek gemeld.

Als uitlener cq. formele werkgever bent u conform artikel 7:658 BW aansprakelijk voor het arbeidsongeval. Client stelt u dan ook aansprakelijk voor de geleden en de nog te lijden schade ten gevolge van het arbeidsongeval. (…)”

2.5.

De gemachtigde van [eiser] heeft op 27 juli 2018 eveneens een brief aan Altrad gezonden, waarvan de inhoud gelijkluidend is aan de brief van 27 juli 2018 aan Tatar, met dien verstande dat in de brief wordt medegedeeld dat Altrad als inlener c.q. materiële werkgever aansprakelijk is voor het arbeidsongeval.

3. De vordering

3.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat Tatar en Altrad aansprakelijk zijn voor de geleden en nog te lijden schade van [eiser] als gevolg van het hem op 11 januari 2018 overkomen bedrijfs-/arbeidsongeval, schade nader op te maken bij staat, met veroordeling van Tatar en Altrad in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

3.2.

Aan zijn vordering legt [eiser] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag. Tatar en Altrad zijn op grond van goed werkgeverschap, zoals neergelegd in artikel 7:611 BW, aansprakelijk voor de geleden en nog te lijden schade van eiser ten gevolge van het arbeidsongeval dat [eiser] op 11 januari 2018 is overkomen, waarbij een ratel van een hoogte van zes meter naar beneden viel en op de nek van [eiser] belandde. De ratel was afkomstig van de gereedschapsgordel (de zogenaamde lanyard) van [naam 2].

3.3.

Tatar en Altrad hebben niet voldaan aan de vereiste zorgplicht op grond van artikel 7:658 BW. Tatar is als formele werkgever op grond van artikel 7:658 lid 1 BW gehouden maatregelen te treffen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om ongevallen bij de uitoefening van de werkzaamheden te voorkomen. Altrad is als materiële werkgever op grond van artikel 7:658 lid 4 BW aansprakelijk voor de schade van [eiser] ten gevolge van het arbeidsongeval. Tatar en Altrad hebben hun zorgplicht geschonden door geen instructies te geven over de wijze waarop de werkzaamheden dienden te worden uitgevoerd, onvoldoende toezicht te houden op de werkplek en onvoldoende veiligheidsmaatregelen te treffen.

3.4.

Daarnaast zijn Tatar en Altrad aansprakelijk op grond van artikel 6:170 BW jo. artikel 6:162 BW. [naam 2] heeft onrechtmatig gehandeld door geen lanyard te dragen, waardoor de ratel op de nek van [eiser] heeft kunnen vallen. Er is derhalve sprake van een fout van een ondergeschikte als bedoeld in artikel 6:170 BW, waardoor aan [eiser] schade is toegebracht.

4. Het verweer

4.1.

Tatar is het niet eens met de eis en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. Zij betwist dat er op 11 januari 2018 een zodanig ernstig incident heeft plaatsgevonden, dat een ratel met een vermeend gewicht van één kilogram en afkomstig van een hoogte van zes meter op de nek van [eiser] is gevallen. Door niemand is gezien dat de ratel [eiser] heeft geraakt. Voorts betwist Tatar dat [eiser] niet de voor het betreden van het terrein van de werklocatie en voor de werkzaamheden benodigde instructies heeft gehad. [eiser] heeft bovendien bewust roekeloos gehandeld door, ondanks de geldende voorschriften en waarschuwingen, zich in de ‘line of fire’ - de baan, waar werknemers buiten dienen te blijven om mogelijke incidenten met vallende c.q. bewegende voorwerpen te voorkomen - te begeven. Tatar heeft als formele werkgever voldoende in het werk gesteld om incidenten te voorkomen, door onder meer persoonlijke beschermingsmiddelen beschikbaar te stellen, veiligheidsinstructies te verstrekken en het hanteren van aanlijnverplichtingen.

4.2.

Tatar stelt voorts dat [eiser] het causale verband tussen het gestelde arbeidsongeval en de gestelde schade niet heeft onderbouwd. [eiser] heeft verzuimd alle relevante en noodzakelijke medische stukken in het geding te brengen. Tatar betwist dat [eiser] financiële schade heeft opgelopen. Ten aanzien van de gestelde aansprakelijkheid op grond van artikel 6:170 BW heeft te gelden dat Tatar geen feitelijke zeggenschap had over de gedraging waarin de fout zou zijn gelegen.

4.3.

Ook Altrad is het niet eens met de eis van [eiser] en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Altrad betwist dat het arbeidsongeval heeft plaatsgevonden op de wijze zoals door [eiser] is gesteld. Er is geen sprake geweest van een ratel van een gewicht van één kilogram, die van een hoogte van zes meter naar beneden is gevallen. Er is dan ook geen sprake geweest van een dusdanige impact dat dit zou hebben kunnen leiden tot letsel bij [eiser]. Bovendien is er geen letsel bij [eiser] geconstateerd. [eiser] heeft nagelaten de medische stukken van omstreeks de datum van het ongeval in het geding te brengen. Uit de wel overgelegde stukken volt niet dat [eiser] schade heeft opgelopen naar aanleiding van zijn werkzaamheden op 11 januari 2018. [eiser] heeft de gestelde schade onvoldoende onderbouwd.

4.4.

Altrad heeft de op haar rustende zorgplicht niet geschonden. [eiser] heeft wel degelijk poortinstructies ontvangen en was in het bezit van een B-VCA (basisveiligheid) diploma. [eiser] heeft op alle mogelijke manieren instructies gehad en was er bekend mee dat hij zich bij de uitvoering van de werkzaamheden niet in de ‘line of fire’ mocht bevinden. Niet valt in te zien wat van Altrad nog meer had mogen worden verwacht in het kader van de bescherming van haar ondergeschikten. Ook Altrad betwist dat er sprake is van causaal verband tussen de schending van de zorgplicht en het gestelde ongeval. Daarnaast heeft [eiser] het causale verband tussen de door hem gestelde schade en het gestelde ongeval onvoldoende onderbouwd.

4.5.

Door Altrad is daarnaast gesteld dat het gedrag van [naam 2] niet zodanig gevaarzettend was dat hij zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden. Er bestaat geen causaal verband tussen het niet vastmaken van de ratel aan de lanyard en het ongeval.

5. De beoordeling

5.1.

Uit de rolbeslissing van 16 juli 2021 volgt dat nader onderzoek vereist was om vast te kunnen stellen of er een causaal verband bestaat tussen het ongeval, dat [eiser] op 11 januari 2018 is overkomen, en de door hem gestelde pijnklachten aan zijn nek, schouder en arm. In de rolbeslissing van 17 september 2021 heeft de kantonrechter vervolgens de heer [naam 1], neuroloog n.p., als onafhankelijke deskundige benoemd. In het kader van het uit te voeren deskundigenonderzoek is - samengevat - het volgende aan de deskundige voorgelegd:

Het uitgangspunt van de vragen aan de deskundige is het navolgende tweetal scenario’s:

1. [eiser] is in zijn nek geraakt door een ratel met een gewicht van 1 kilogram, komende van een hoogte van circa 7 meter, en

2. [eiser] is in zijn nek geraakt door een ratel met een gewicht van 450 gram, komende van een hoogte van circa 50 centimeter, waarbij de ratel al dan niet bevestigd was aan een lanyard (draagriem).

De hoofdvraag aan de deskundige betreft de vraag hoe groot de deskundige de kans schat dat [eiser] het aanwezige letsel als gevolg van één van deze twee scenario’s heeft ondervonden.

Ter beantwoording van deze hoofdvraag is aan de deskundige verzocht diverse deelvragen te beantwoorden in het kader van (onder meer) de aard en ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen, de diagnose, de (huidige) beperkingen bij [eiser] en de medische eindsituatie.

5.2.

De deskundige heeft op 24 januari 2022 zijn deskundigenbericht uitgebracht. Het door de deskundige opgestelde rapport heeft, voor zover hier van belang, de volgende inhoud:

“(…) ANAMNESE

(…)

[eiser] geeft aan ook nu nog klachten te hebben:

(…)

  • -

    Hij vermeldt een altijd bestaande pijn linksachter in de nek VAS 8/10 soms toenemend tot 10/10.

  • -

    (…)

  • -

    De pijn neemt toe bij draaien van de nek naar links, bij naar boven kijken en bij optillen van de linkerarm.

  • -

    (…)

  • -

    De pijn trekt vanuit de nek door naar het gebied achter op het linkerschouderblad.

  • -

    (…)

  • -

    Wat betreft de linkerarm geeft hij aan dat de kracht globaal verminderd is door de pijn.

  • -

    (…)

  • -

    Daar de pijn toeneemt bij bewegen van de arm ontziet hij de arm nagenoeg totaal.

(…)

Ingezien werden het opgevraagd huisartsenjournaal en de door de huisarts gemaakte samenvattingen van door haar ingeziene brieven en telefonische overleg situaties verlopend van 08-08-2000 tot 21-12-2021:

(…)

Voor het ongeval d.d. 11 januari 2018 worden geen nekklachten vermeld en werd [eiser] nooit gezien voor uitstralende pijn in de linkerarm dan wel opgetreden uitval in de linkerarm.

Voor het ongeval worden geen psychische klachten vermeld.

Na het doorgemaakte ongeval d.d. 11 januari 2018 werd hij regelmatig teruggezien in verband met blijvende pijnklachten in de nek waarbij bij het onderzoek sprake was van hypertonie van de schoudergordel.

(…)

BEANTWOORDING VRAAGSTELLING:

Ad a. Voor de anamnese betreffende de aard en de ernst van het letsel, het beloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen verwijs ik u naar bovenstaande rapportage.

Er worden geen overige klachten of beperkingen op neurologisch gebied vermeld.

[eiser] geeft beperkingen aan door de altijd bestaande pijn in de nek doortrekkend naar de bovenzijde van de linkerschouder. Ook de beweeglijkheid van de nek is verminderd. Hij kan zijn linkerarm niet gebruiken omdat daardoor de pijn in de nek toeneemt. Daarnaast vermeldt hij beperkingen door de bestaande somberheid.

Bovenstaande beperkingen worden aangegeven in relatie tot de activiteiten van het algemeen dagelijks leven, loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby's, bezigheden in de in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid.

Ad b. De medische voorgeschiedenis van [eiser] vermeldt op neurologisch gebied geen bijzonderheden.

[eiser] werd na het ongeval begeleid door de SEH-arts, de traumachirurg, de huisarts, de fysiotherapeut, de neuroloog, de anesthesioloog/pijnspecialist, de GZ-psycholoog en de revalidatiearts. Er is slechts een lichte verbetering opgetreden.

Ad c. (…)

Bij het gehele onderzoek werd de linkerarm nagenoeg volledig ontzien daar met name bewegen van de bovenarm resulteerde in toename van de pijnklachten in de nek. Er was hooguit sprake van aangegeven licht krachtsverlies van de bovenarm links wat echter niet goed te beoordelen was door de aangegeven pijn.

De beweeglijkheid van de linkerschouder kon niet worden nagegaan door de aangegeven hevige pijn waardoor ook cervicale radiculaire prikkelingsproeven niet konden worden verricht.

Bij het verdere neurologisch onderzoek werden geen focaal neurologische afwijkingen gevonden.

Ad d. Naar mijn oordeel is er sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die verkregen werd van [eiser] zelf, de feiten zoals deze uit het medisch dossier naar voren komen en de bevindingen bij het nu verrichte neurologisch onderzoek.

(…)

Ad f. Bij [eiser] is sprake van:

1. Doorgemaakte kneuzing van de nekspieren links ten gevolge van de val van een

ratel op zijn nek.

2. Persisterende zuiver myotendinogene klachten zonder aanwijzingen voor

cervicale radiculaire of bestaande plexus cervicalis problematiek waarbij de

klachten worden onderhouden door het pijnvermijdingsgedrag en de bestaande

spanningsproblematiek.

3. Verwerkingsproblematiek waarbij persisterende somberheid gecombineerd met

het niet los kunnen laten van de klachten en aanwijzingen voor optredende

hyperventilatie aanvallen.

Beantwoording van het door de rechtbank aangegeven uitgangspunt voor de vragen aan de deskundige:

Uitgaande van de door de rechtbank aangegeven twee scenario's is bij [eiser] op neurologisch gebied sprake geweest van een doorgemaakte lichte dan wel zwaardere kneuzing van een nekspier waardoor lokale pijn links in de nek toenemend bij bewegen van de nek en bij het aanspannen van de

nekspieren.

Ten gevolge van het scenario 2 is er waarschijnlijk sprake geweest van gedurende hooguit enkele dagen bestaande myotendinogene klachten.

Ten gevolge van scenario 1 is er waarschijnlijk sprake geweest van enige weken tot hooguit twee à drie maanden bestaande myotendinogene klachten.

Bij het in het verleden en ook nu verrichte neurologisch onderzoek werden geen aanwijzingen gevonden voor focaal neurologische afwijkingen, zodat er wat betreft de huidige klachten sprake is van op neurologisch gebied onverklaarbare lichamelijke klachten.

Bij [eiser] is sprake van myotendinogene klachten door fixatie van de nek op basis van het pijnvermijdingsgedrag en op basis van de zeer waarschijnlijk door de sinds het ongeval bestaande spanningsproblematiek. Door de behandelaars wordt gesproken van een posttraumatische stress stoornis en een depressie eenmalige episode waarover op neurologisch gebied geen uitspraak kan en mag worden gedaan.

(…)

Ad h. (…)

Op neurologisch gebied wordt in de toekomst geen belangrijke verbetering of verslechtering verwacht.

(…)

Ad l. Voor het ongeval bestonden er bij [eiser] geen klachten of afwijkingen op neurologisch gebied die hij thans nog heeft.

(…)

Ad n. Op neurologisch gebied zijn er geen klachten of afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan indien hem het ongeval niet was overkomen. (…)”

5.3.

Door Altrad is gesteld dat het deskundigenrapport deels is gebaseerd op het door de deskundige opgevraagde volledige huisartsenjournaal over de periode 8 augustus 2000 tot 21 december 2021, waarvan Altrad stelt geen kennis te hebben kunnen nemen. Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 198 lid 2 Rv als uitgangspunt heeft te gelden dat gegevens die door of namens de ene partij aan de deskundige worden verschaft tegelijkertijd in afschrift of ter inzage moeten worden verstrekt aan de wederpartij. Dit geldt echter niet onverkort voor medische gegevens die aan de deskundige worden verstrekt door of namens de partij die eventueel gebruik kan maken van het blokkeringsrecht als bedoeld in art. 7:464 lid 2 BW. Deze partij is, met het oog op de eventuele uitoefening van haar blokkeringsrecht, in beginsel niet verplicht de door haar aan de deskundige verschafte medische gegevens tegelijkertijd aan de wederpartij in afschrift of ter inzage te verstrekken (Hoge Raad, 22 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3676).

5.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het hiervoor overwogene analoog van toepassing op de situatie in het onderhavige geval, waarin de deskundige, met uitdrukkelijke persoonlijke toestemming van [eiser] het huisartsenjournaal van de huisarts van [eiser] heeft ontvangen. Gelet op het privacygevoelige karakter van dergelijke medische stukken bestaat er geen verplichting deze stukken aan Altrad en/of Tatar (ter inzage) te verstrekken. Van instemming van [eiser] daarmee is ook niet gebleken. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de deskundige in zijn rapport bovendien in voldoende mate inzicht verschaft in de inhoud van het betreffende huisartsenjournaal. Het verzoek van Altrad om [eiser] dan wel de deskundige te bevelen de ontbrekende medische stukken aan Altrad te leveren wordt dan ook afgewezen.

5.5.

De kantonrechter stelt in algemene zin voorop dat hij het oordeel van een door hem ingeschakelde medische deskundige in beginsel zal volgen, tenzij er goede redenen zijn om van die hoofdregel af te wijken. Altrad heeft in dat verband aangevoerd dat het deskundigenrapport en de daarin opgenomen beantwoording van de vragen voor wat betreft de inhoud niet aan de eisen van consistentie, inzichtelijkheid en logica voldoen.

5.6.

Door Altrad is gesteld dat uit het conceptrapport van de deskundige volgde dat in het huisartsenjournaal over de periode van 13 juli 2018 tot 24 mei 2019 geen melding is gemaakt van aanhoudende pijnklachten van [eiser], terwijl in het definitieve rapport van de deskundige wél is opgenomen dat er vanaf 11 januari 2018 sprake is van aanhoudende klachten. De kantonrechter acht in dit kader van belang dat de deskundige ten tijde van het opstellen van het conceptrapport nog niet beschikte over het volledige huisartsenjournaal. Nu het definitieve rapport eerst is opgesteld nadat de deskundige het volledige huisartsenjournaal van de huisarts van [eiser] heeft ontvangen, is het goed voorstelbaar dat de deskundige op basis van het volledige huisartsenjournaal aanleiding heeft gezien zijn oordeel uit het conceptrapport (deels) te herzien.

5.7.

De vraag in hoeverre uit het huisartsenjournaal daadwerkelijk volgt dat er sprake was van aanhoudende pijnklachten kan echter in het midden blijven, nu uit de samenvatting van het huisartsenjournaal in combinatie met de gegevens van de diverse specialisten, die door [eiser] zijn bezocht, naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate blijkt dat [eiser] na het ongeval vele malen door de huisarts en de specialisten is gezien c.q. onderzocht in verband met de pijnklachten. Zo blijkt uit de brieven van traumachirurg [naam 5] van 16 maart 2018 en 6 april 2018 dat er sprake is van nekklachten na het ongeval. Daarnaast heeft fysiotherapeut Van Lochem in zijn brief van 4 september 2018 melding gemaakt van het bestaan van hevige pijn, in verband waarmee [eiser] tot juni 2018 behandelingen heeft ondergaan. Ook uit de brief van neuroloog [naam 4] van 9 januari 2019 volgt dat [eiser] op laatstgenoemde datum is onderzocht in verband met hevige pijn in de nek, die hij nauwelijks kon bewegen. Ten slotte is ook in de samenvatting van het huisartsenjournaal vermeld dat [eiser] in de periode van 11 januari 2018 tot 21 december 2021 ‘gedurende de hele periode meerdere malen door zijn huisarts is teruggezien in verband met blijvende lokale pijnklachten in de nek’. Van inconsistentie op dit punt is dan ook geen sprake.

5.8.

Daarnaast heeft Altrad gesteld dat de deskundige niet is ingegaan op de door traumachirurg [naam 5] in de brief van 6 april 2018 opgenomen conclusie dat er sprake is van ‘spierpijn dan wel last van discopathie (slijtage van de tussenwervelschijf)’. Volgens Altrad is het in geval van slijtage niet aannemelijk dat dit veroorzaakt is door het ongeval. In dit kader is van belang dat de traumachirurg slechts heeft gesteld dat er sprake is van ‘spierpijn dan wel last van discopathie’, waaruit kan worden afgeleid dat de traumachirurg slechts heeft aangegeven dat er ‘mogelijk’ sprake is van discopathie. Dat de klachten van [eiser] er daadwerkelijk veroorzaakt zijn door voornoemde slijtage is op basis van het deskundigenbericht onvoldoende aannemelijk geworden. De deskundige heeft immers gemotiveerd geconcludeerd dat er vóór het ongeval nooit sprake is geweest van pijnklachten in de nek met uitstraling en dat eerst ná het ongeval hevige pijnklachten zijn opgetreden. In het geval de pijnklachten wél het gevolg zouden zijn van slijtage ligt het voor de hand dat die pijn reeds vóór het ongeval aanwezig zou zijn geweest en dat deze pijn - gelet op het progressieve karakter van slijtage - in de loop der tijd min of meer geleidelijk in hevigheid zou toenemen. Voor het bestaan van een dergelijk verloop van de pijnklachten is echter geen steun te vinden in de medische stukken en het rapport van de deskundige. Daaruit volgt juist het beeld dat de pijn ineens en in alle hevigheid is ontstaan (kort) ná het ongeval op 11 januari 2018. Aangezien de deskundige in zijn rapport gemotiveerd heeft geconcludeerd dat er vóór het ongeval nooit sprake is geweest van de genoemde pijnklachten, wordt de stelling van Altrad dat de deskundige niet is ingegaan op de door de traumachirurg gesuggereerde pre-existentie van de klachten verworpen.

5.9.

Ook de stelling dat de deskundige geen navraag heeft gedaan of een onderzoek heeft ingesteld naar de op 26 november 2018 vastgestelde kleine hernia, maakt het bovenstaande niet anders. Nu er voor het ongeval geen sprake is geweest van pijnklachten in de nek met uitstraling en door de deskundige tevens is geoordeeld dat ook ná het ongeval nooit aanwijzingen zijn gevonden voor het bestaan van - doorgaans met een hernia gepaard gaande - radiculaire symptomen (zenuwwortelpijn), heeft de deskundige geconcludeerd dat de kleine hernia de klachten van [eiser] niet kan hebben veroorzaakt. Onder die omstandigheden bestond er dan ook geen noodzaak tot nader onderzoek met betrekking tot de kleine hernia.

5.10.

Atrad heeft voorts gesteld dat er sprake is van een aantal opvallende discrepanties in de anamnese van [eiser]. Vooropgesteld wordt dat een anamnese slechts betrekking heeft op datgene wat een patiënt met betrekking tot de voorgeschiedenis en relevante omstandigheden van zijn ziekte of aandoening kan vertellen. Niet ondenkbeeldig is dan ook dat de voorgeschiedenis en relevante omstandigheden, zoals deze door een patiënt worden herinnerd, op bepaalde punten kan afwijken van hetgeen door de zorgverleners schriftelijk is vastgelegd. Daarnaast is ook niet uit te sluiten dat een patiënt zich bepaalde adviezen of opmerkingen van de zorgverlener kan herinneren, waarvan de zorgverlener vanuit medisch oogpunt geen noodzaak heeft gezien deze in het medisch dossier op te nemen. Het gaat er in dit kader om dat er tussen de anamnese, de informatie uit het medisch dossier én het door de deskundige zelf uitgevoerde onderzoek een zodanig onderlinge samenhang bestaat, dat de daaruit verkregen informatie als consistent kan worden beschouwd. Uit het rapport blijkt genoegzaam dat de deskundige van oordeel is dat van een dergelijke samenhang in casu sprake is. De kantonrechter ziet geen aanleiding aan dit oordeel van de deskundige te twijfelen, zodat de stelling van Altrad op dit punt wordt verworpen.

5.11.

Ook de stellingen van Altrad met betrekking tot de anamnese van [eiser] in verhouding tot het oordeel van de deskundige dat geen sprake is van atrofie (spierslinking) moet in het licht van bovenstaande worden gezien. Dat [eiser] stelt dat hij ‘zijn linkerarm niet kan gebruiken’ en dat hij ‘zijn linkerarm niet durft te gebruiken omdat daardoor de pijn toeneemt’ betekent immers nog niet dat [eiser] zijn linkerarm daadwerkelijk in het geheel niet gebruikt. In dat verband valt uit de bevindingen van de deskundige ook af te leiden dat [eiser] daarmee doelt op het feit dat hij zijn linkerarm ontziet, hetgeen niet betekent dat hij deze nooit gebruikt. Met [eiser] is de kantonrechter bovendien eens dat het volledig vermijden van enig gebruik van de linkerarm in het dagelijks leven nagenoeg niet voorstelbaar is. In dat licht bezien is het oordeel van de deskundige dat er geen spierslinking is opgetreden niet onbegrijpelijk.

5.12.

Altrad heeft tevens gesteld dat de deskundige onvoldoende gedaan heeft met de opmerking van de door Altrad ingeschakelde medische adviseur dat het niet onaannemelijk is dat de actuele psychische klachten (deels) worden veroorzaakt door pre-existente psychische problemen. De kantonrechter volgt die stelling niet. De deskundige heeft immers gemotiveerd geconcludeerd dat uit het huisartsenjournaal blijkt dat er vóór het ongeval geen aanwijzingen bestonden voor spanningsgerelateerde problematiek en dat eerst ná het ongeval door meerdere behandelaars is geadviseerd te starten met psychosomatische revalidatie en behandeling van de na het ongeval geconstateerde posttraumatische stress stoornis en de depressie. Dat er in het verleden wellicht in meer of mindere mate spanningen waren binnen de familie van [eiser] moge wellicht zo zijn, maar in de overgelegde (medische) stukken alsmede het deskundigenrapport valt geen steun te vinden voor de stelling dat die spanningen mogelijk tot de actuele (psychische) klachten van [eiser] hebben geleid, in die zin dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de psychische gesteldheid van [eiser] voorafgaand aan het ongeval óók zonder het ongeval tot (in aard en omvang) vergelijkbare gezondheidsklachten zou hebben geleid.

5.13.

Gelet op het bovenstaande wordt de stelling van Altrad dat het deskundigenbericht voor wat betreft de inhoud niet voldoet aan de eisen van consistentie, inzichtelijkheid en logica verworpen. Daarnaast is de deskundige naar het oordeel van de kantonrechter op voldoende inzichtelijke wijze op de opmerkingen van Altrad ingegaan. De kantonrechter ziet dan ook geen zwaarwegende bezwaren tegen (de inhoud van) het rapport en zal het oordeel van de deskundige volgen.

5.14.

Op basis van het deskundigenbericht is voldoende aannemelijk geworden dat door de val van de ratel een lichte of zwaardere kneuzing van de nekspieren aan de linkerkant is ontstaan, hetgeen heeft geleid tot lokale pijn links in de nek, toenemend bij het bewegen en aanspannen van de nekspieren. Dat de (pijn)klachten daadwerkelijk het gevolg zijn van de val van de ratel vindt steun in het feit dat uit de medische voorgeschiedenis van [eiser] volgt dat hij vóór het ongeval nooit pijnklachten in de nek heeft gehad.

5.15.

De kantonrechter volgt het standpunt van Altrad, inhoudende dat de deskundige verzuimd heeft om per scenario aan te geven hoe groot hij de kans schat dat het letsel is veroorzaakt als gevolg van dat scenario, niet. Die vraag is immers niet aan de deskundige voorgelegd. Omdat uit het partijdebat niet helder is geworden welk scenario zich daadwerkelijk heeft voorgedaan, is slechts aan de deskundige verzocht aan te geven hoe groot de kans is dat het aanwezige letsel ‘als gevolg van één van deze twee scenario’s’ is ontstaan. Hoewel de deskundige niet concreet heeft aangegeven hoe groot hij die kans acht heeft hij wel aangegeven welke klachten in de beide scenario’s zijn te verwachten, uitgaande van zijn diagnose ten aanzien van de kneuzing van de nekspieren ten gevolge van de val van de ratel. Volgens de deskundige dient, afhankelijk van welk scenario van toepassing is, bij het letsel ten gevolge van de val van de ratel rekening gehouden te worden met (spier)pijnklachten van enkele dagen tot hooguit twee à drie maanden. Uit de medische gegevens volgt dat traumachirurg [naam 5] in maart en april 2018 geconcludeerd heeft dat er sprake was van spierpijnklachten en nekklachten na het ongeval. Dat betekent dat [eiser] in elk geval drie maanden na het ongeval nog (fysieke) pijnklachten ondervond, die aan het ongeval gerelateerd kunnen worden.

5.16.

Daarnaast is uit de medische gegevens voldoende komen vast te staan dat er naast de lichamelijke klachten ook psychische klachten bij [eiser] zijn opgetreden - waarvan onvoldoende aannemelijk is geworden dat deze verband houden met in het verleden bestaande spanningsproblematiek -, die er mede aan bijdragen dat de pijnklachten van [eiser] ten gevolge van het ongeval aanhouden.

5.17.

Uit het voorgaande is voldoende komen vast te staan dat [eiser] (lichamelijk en geestelijk letsel) heeft opgelopen door het ongeval, welk letsel de nodige beperkingen voor [eiser] met zich heeft gebracht, hetgeen er in elk geval toe heeft geleid dat [eiser] na het ongeval niet meer heeft gewerkt. Daarnaast heeft [eiser] de nodige medische kosten moeten maken. Hiermee staat naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate vast dat [eiser] schade heeft geleden ten gevolge van het ongeval.

5.18.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of Tatar en/of Altrad aansprakelijk gehouden kunnen worden voor de schade van [eiser] ten gevolge van het ongeval. [eiser] heeft de gestelde aansprakelijkheid van Tatar en Altrad - na eiswijziging - gebaseerd op een tweetal grondslagen, te weten artikel 7:658 lid 2 en artikel 6:170 BW.

5.19.

In artikel 6:170 lid 1 BW is bepaald dat voor schade, aan een derde toegebracht door een fout van een ondergeschikte, degene in wiens dienst de ondergeschikte zijn taak vervult aansprakelijk is, indien de kans op de fout door de opdracht tot het verrichten van deze taak is vergroot en degene in wiens dienst hij stond, uit hoofde van hun desbetreffende rechtsbetrekking zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was gelegen. De schade moet derhalve zijn veroorzaakt door een fout van de ondergeschikte, waarbij een fout als toerekenbare onrechtmatige daad heeft te gelden. Om aansprakelijkheid op deze grond vast te kunnen stellen, dient eerst vast komen te staan wat er op 11 januari 2018 is voorgevallen.

5.20.

Door [eiser] is gesteld dat [naam 2], die op een hoger gelegen deel van de steiger stond, een van zijn lanyard afkomstige ratel op de nek van de zich op een lager deel van de steiger bevindende [eiser] heeft laten vallen. Deze gang van zaken is door Altrad niet betwist. Tatar heeft weliswaar erkend dat er een ratel is gevallen, maar heeft gesteld dat door niemand is gezien dat de ratel [eiser] daadwerkelijk heeft geraakt. Nu de door [eiser] geschetste gang van zaken door de destijds op de werklocatie aanwezige materiële werkgever Altrad niet is betwist en voorts uit het deskundigenrapport in voldoende mate gebleken is dat er eerst kort ná het voorval op 11 januari 2018 bij [eiser] sprake is van pijnklachten aan de nek, is de kantonrechter van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de van [naam 2] afkomstige ratel [eiser] in de nek heeft geraakt. De kantonrechter is in het licht van bovenstaande van oordeel dat Tatar met de blote stelling dat niemand heeft gezien dat de ratel [eiser] heeft geraakt, de toedracht van het ongeval onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.

5.21.

Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:170 BW dient voorts sprake te zijn van een fout van een ondergeschikte. Ondergeschiktheid dient in dit kader ruim te worden opgevat, in de betekenis van een juridische gezagsverhouding, hetgeen ook geldt in een situatie waarin sprake is van twee werkgevers. Zodra de werkgever de bevoegdheid heeft, om bij de opgedragen werkzaamheden enige aanwijzingen en bevelen te geven, zodat de taak onder leiding kan worden verricht, is sprake van een ondergeschiktheidsverhouding. Niet beslissend is of die instructiebevoegdheid een rechtstreekse is. Vast staat dat Tatar als formele werkgever zeggenschap had over de vraag of en op welke momenten de (ingeleende) persoon die onrechtmatig handelen wordt verweten - [naam 2] derhalve -, werkzaamheden voor Altrad diende uit te voeren. Daarmee is reeds voldaan aan het ruime ondergeschiktheidscriterium in de zin van artikel 6:170 lid 1 BW (vgl. Hoge Raad, 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1345). Daarnaast is voldoende vast komen te staan dat Altrad als inlener de feitelijke zeggenschap had over de wijze waarop de werkzaamheden (door [naam 2]) op de werklocatie uitgevoerd dienden te worden, in welk kader zij onder meer veiligheidsinstructies heeft gegeven. Een en ander leidt er dan ook toe dat [naam 2] zowel ten aanzien van Tatar als ten aanzien van Altrad als ‘ondergeschikte’ in de zin van artikel 6:170 lid 1 BW dient te worden beschouwd.

5.22.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of er sprake is van een ‘fout’ van [naam 2], dat wil zeggen of [naam 2] een toerekenbare onrechtmatige daad jegens [eiser] heeft gepleegd. [eiser] heeft in dit kader gesteld dat [naam 2] onrechtmatig heeft gehandeld door op 11 januari 2018 geen lanyard te dragen tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden op de steiger, waardoor de ratel naar beneden heeft kunnen vallen en [eiser] in de nek heeft kunnen raken. In dat kader hebben Tatar en Altrad gemotiveerd betwist dat [naam 2] geen lanyard droeg. Door Altrad is bij conclusie van antwoord een verklaring van de destijds aanwezige voorman, [naam 3], overgelegd, waarin Weets bevestigt dat [naam 2] voorzien was van de vereiste persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s), waaronder een gereedschapsgordel (lanyard). Aangezien [eiser] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft aangedragen waaruit blijkt dat [naam 2] geen lanyard droeg, wordt er - gelet op de hiervoor genoemde verklaring van Weets - in de verdere beoordeling van uit gegaan dat [naam 2] ten tijde van het voorval een lanyard droeg. Door Tatar en Altrad is evenwel niet betwist dat [naam 2] de ratel niet aan zijn lanyard had bevestigd. De vraag rijst of [naam 2] hiermee dermate gevaarzettend heeft gehandeld, dat hierdoor sprake is van een onrechtmatige daad.

5.23.

Vooropgesteld wordt dat voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van het gedrag van [naam 2] heeft te gelden dat niet reeds de enkele mogelijkheid van verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar, dat gedrag onrechtmatig doet zijn, maar dat zodanig gevaarscheppend gedrag slechts onrechtmatig is indien de mate van waarschijnlijkheid van die verwezenlijking als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden (vgl. HR 9 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1576, NJ 1996/403). Daarbij moet niet alleen worden gelet op de kans op schade, maar ook op de aard van de gedraging, de aard en ernst van de eventuele schade en de bezwaarlijkheid en gebruikelijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen (HR 7 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6934, NJ 2006/244).

5.24.

Tussen partijen is niet in geschil dat [naam 2] op het bewuste moment bezig was met het monteren van een zijplank op de steiger, waarbij hij zich één of twee etages hoger op de steiger bevond dan [eiser]. Daarbij maakte hij gebruik van de ratel, die niet bevestigd was aan zijn lanyard. Voldoende gebleken is dat er door zowel Tatar als Altrad diverse veiligheidsmaatregelen zijn getroffen ter bescherming van de werknemers. Zo is het vanuit Tatar verplicht om de PBM’s op de juiste wijze te gebruiken en is voert Tatar een actief beleid om haar werknemers actief bewust te maken van mogelijke veiligheidsrisico’s en hoe zij daarmee om moeten gaan. Daarbij heeft Tatar onweersproken gesteld dat zij haar werknemers - waaronder [naam 2] en [eiser] - er regelmatig en ondubbelzinnig op wijst dat zij te allen tijd zelf verantwoordelijk blijven voor het in acht nemen van de eigen veiligheid en de veiligheid van collega’s. Altrad heeft in dit verband gesteld dat zij steeds controleert of de (ingeleende) werknemers daadwerkelijk waren voorzien van de benodigde PBM’s. Dat die werkwijze ook ten aanzien van [naam 2] is gehanteerd, vindt steun in de verklaring van Weets, die bevestigd heeft dat [naam 2] voorzien was van een lanyard. Daarnaast is door Altrad gemotiveerd gesteld dat zij haar werknemers poortinstructies heeft gegeven en middels zogenaamde ‘toolboxmeetingen’ heeft gewezen op het juiste gebruik van PBM’s en risicoherkenning op de werkvloer.

5.25.

Gelet op de hiervoor genoemde veiligheidsmaatregelen en -voorschriften kan geconcludeerd worden dat [naam 2] in voldoende mate bekend moet worden verondersteld met de veiligheidsrisico’s die gepaard gaan met het op bepaalde hoogte verrichten van werkzaamheden op een steiger en het grote belang van het juiste gebruik van de PBM’s, waaronder de lanyard. Desondanks heeft hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden gebruik gemaakt van een ratel, zonder deze aan zijn lanyard te bevestigen. Door de ratel niet aan de lanyard te bevestigen heeft [naam 2] naar het oordeel van de kantonrechter willens en wetens het risico genomen dat de ratel tijdens de uitvoering van de werkzaamheden zou kunnen vallen en daarmee de kans op letsel of schade bij de in zijn nabijheid aanwezige collega’s aanzienlijk vergroot.

5.26.

Het is immers niet ondenkbeeldig dat de ratel een persoon zou raken die zich, zoals [eiser], onder de plaats waar [naam 2] zijn werkzaamheden verrichtte bevond. Uit het deskundigenrapport is voorts gebleken dat een val van een ratel in dat geval, onder andere afhankelijk van de vraag van welke hoogte de ratel valt, letsel kan veroorzaken in de vorm van lichte of zwaardere kneuzing van de nekspieren met mogelijk tot drie maanden (pijn)klachten tot gevolg. [naam 2] heeft door te verzuimen de ratel aan de lanyard te bevestigen meer risico genomen dan onder de gegeven omstandigheden verantwoord was, zodat hij zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden. Daar komt bij dat het nemen van maatregelen ter voorkoming van voornoemde schade goed mogelijk en geenszins bezwaarlijk was. Sterker nog, op grond van het veiligheidsbeleid van zowel Tatar als Altrad was [naam 2] hier zelfs toe verplicht.

5.27.

De stelling dat de ratel [eiser] ook zou hebben geraakt als [naam 2] de ratel wél aan de lanyard zou hebben bevestigd, wordt verworpen, nu onvoldoende is komen vast te staan op welke afstand [eiser] zich daadwerkelijk van [naam 2] bevond en of dit binnen het bereik van het koord van de lanyard viel. Bovendien geldt ook in dat geval - in het kader van de door Tatar en Altrad gehanteerde actieve beleid ten aanzien van mogelijke veiligheidsrisico’s en het juiste gebruik van PBM’s - dat van [naam 2] had mogen worden verwacht dat hij zorgvuldiger om zou gaan met het gereedschap, indachtig het feit dat diverse collega’s zich in zijn (directe) nabijheid kunnen bevinden. Daarbij komt nog dat door Tatar een verklaring is overgelegd van de op 11 januari 2018 eveneens op de bewuste plek werkzame [naam 6], waarin laatstgenoemde (onder meer) verklaart dat [naam 2] ontslagen is ‘omdat zijn lanyard kapot was’. Door Tatar is de juistheid van die verklaring ook niet betwist. Uitgaande van die omstandigheden was het voor [naam 2] zelfs onmogelijk de ratel aan zijn lanyard te bevestigen en heeft hij verzuimd voorafgaand aan de werkzaamheden melding te maken van de defecte lanyard. Ook in dat geval heeft [naam 2] onzorgvuldig gehandeld.

5.28.

Weging van de genoemde gezichtspunten leidt de kantonrechter tot het oordeel dat de gedraging van [naam 2] in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid en mitsdien onrechtmatig. Volgens artikel 6:162 lid 3 BW kan een onrechtmatige daad aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Voor het aannemen van schuld bij [naam 2] is het voldoende indien hij rekening had behoren te houden met de aanwezigheid van andere personen op lager gelegen gedeelten van de steiger en mitsdien anders had kunnen en moeten handelen. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit het geval. Voorts geldt als ervaringsfeit dat werknemers in de werkomgeving niet altijd de vereiste voorzichtigheid in acht zullen nemen, ook indien voor die arbeid strikte veiligheidsvoorschriften zijn voorgeschreven die bij hen bekend zijn, zodat niet uit te sluiten was dat zich personen bevonden op de lager gelegen delen van de steiger.

5.29.

[naam 2] behoorde derhalve bekend te zijn met het verhoogde gevaar dat zijn gedraging meebracht en in het licht van de hiervoor besproken gezichtspunten behoorde hij veiligheidsmaatregelen te treffen ter voorkoming van het gevaar. De onrechtmatige gedraging is dientengevolge aan hem toe te rekenen.

5.30.

Voldoende gebleken is dat de kans op de fout door de opdracht tot het verrichten van de taak van [naam 2] is vergroot en dat zowel Tatar (als formele werkgever) als Altrad (als materiële werkgever) uit hoofde van hun juridische gezagsverhouding zeggenschap hadden over de gedragingen waarin de fout was gelegen. Gevoegd bij hetgeen hiervoor is overwogen, brengt dit mee dat Tatar en Altrad beiden aansprakelijk zijn voor de schade die door de fout van [naam 2] aan [eiser] is toegebracht. De vraag of de schade van [eiser] mede een gevolg is van een omstandigheid die [eiser] zelf kan worden toegerekend - bijvoorbeeld omdat [eiser] zich in de ‘line of fire’ bevond - is pas van belang bij de beoordeling en vaststelling van het schadebedrag in de schadestaatprocedure en kan in het kader van deze procedure onbesproken blijven.

5.31.

Gelet op het bovenstaande zal de gevorderde verklaring voor recht dat Tatar en Altrad aansprakelijk zijn voor de geleden en nog te lijden schade van [eiser] als gevolg van het arbeidsongeval van 11 januari 2018 worden toegewezen. Nu de aansprakelijkheid van Tatar en Altrad voor de schade van [eiser] reeds op grond van artikel 6:170 lid 1 BW zal worden toegewezen, behoeft het beroep van [eiser] op artikel 7:658 BW geen nadere bespreking meer.

5.32.

[eiser] heeft daarnaast gevorderd Tatar en Altrad te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten. [eiser] heeft echter geen concreet bedrag gevorderd en heeft bovendien verzuimd een grondslag te stellen voor de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Dit deel van de vordering van [eiser] wordt om die reden dan ook afgewezen.

5.33.

Tatar en Altrad krijgen voor het grootste deel ongelijk en moeten daarom de proceskosten betalen. Nu [eiser] procedeert op basis van een toevoeging, blijven de verschotten beperkt tot het verschuldigde griffierecht. De kantonrechter stelt de totale kosten aan de kant van [eiser] tot vandaag vast op € 83,00 aan griffierecht en € 763,00 aan salaris voor de gemachtigde (3,5 punten x € 218,00). Dit is totaal € 846,00.

5.34.

De kosten van het deskundigenbericht komen eveneens voor rekening van Tatar en Altrad. Het verweer van Altrad dat de werkzaamheden van de deskundige de vermeerdering van het aanvankelijk vastgestelde kostenvoorschot van € 2.299,00 tot een totaalbedrag van

€ 3.146,00 niet rechtvaardigen, wordt verworpen. Naar het oordeel van de kantonrechter is genoegzaam gebleken dat de werkzaamheden van de deskundige beduidend zijn toegenomen door de vele vragen en opmerkingen van de zijde van Altrad naar aanleiding van het conceptrapport. Als gevolg van die vragen en opmerkingen diende de deskundige nadere medische gegevens op te vragen en diende hij deze gegevens te bestuderen en analyseren, waarna hij deze - voor zover in zijn ogen relevant voor zijn beoordeling - in het rapport diende te verwerken. In het licht van die extra inspanningen acht de kantonrechter de verhoging van de kosten van de deskundige tot een totaalbedrag van € 3.146,00 niet onredelijk of buitensporig. Aangezien [eiser] op basis van een toevoeging procedeert en de kosten van het deskundigenbericht om die reden in debet zijn gesteld, dienen Tatar en Altrad de kosten van het deskundigenbericht aan de rechtbank te voldoen.

5.35.

Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

6. De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

verklaart voor recht dat Tatar en Altrad aansprakelijk zijn voor de door [eiser] als gevolg van het arbeidsongeval van 11 januari 2018 geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

6.2.

veroordeelt Tatar en Altrad in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 83,00 aan verschotten en € 763,00 aan salaris voor de gemachtigde, van welke bedragen het totaal rechtstreeks aan die gemachtigde dient te worden voldaan;

6.3.

veroordeelt Tatar en Altrad in de kosten van het deskundigenbericht, vastgesteld op € 3.146,00, te voldoen aan de griffier nadat Tatar en Altrad hiervoor een nota van het Landelijk Dienstencentrum voor de rechtspraak (LDCR) hebben gekregen;

6.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst af het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.L.M. van der Wildt en in het openbaar uitgesproken.

44487