Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:4498

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-06-2022
Datum publicatie
09-06-2022
Zaaknummer
C/10/604545 / HA ZA 20-908/ C/10/616243 / HA ZA 21-308
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intellectueel eigendomsrecht. Geschil over de bouw van linkspans voor roll-on/roll-off-schepen. Auteursrecht. Slaafse nabootsing. Bedrijfsgeheimen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

Vonnis in gevoegde zaken van 1 juni 2022

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/10/604545 / HA ZA 20-908 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RAVESTEIN B.V.,

gevestigd te Deest,

eiseres in de hoofdzaak in conventie,

verweerster in de hoofdzaak in reconventie,

eiseres in het incident ex artikel 843a Rv,

advocaat mr. A.C.M. Verhoeven te Rotterdam,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

MACGREGOR CARGOTEC CORPORATION (CARGOTEC OYJ),

gevestigd te Helsinki, Finland,

gedaagde in de hoofdzaak in conventie,

eiseres in de hoofdzaak in reconventie,

verweerster in het incident ex artikel 843a Rv,

advocaat mr. D.M. Wille te Amsterdam,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/10/616243 / HA ZA 21-308 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RAVESTEIN B.V.,

gevestigd te Deest,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident ex artikel 843a Rv,

advocaat mr. A.C.M. Verhoeven te Rotterdam,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

MACGREGOR SWEDEN AB,

gevestigd te Göteborg, Zweden,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident ex artikel 843a Rv,

advocaat mr. D.M. Wille te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Ravestein, Cargotec en MacGregor genoemd worden.

Cargotec en MacGregor zullen gezamenlijk ook worden aangeduid als MacGregor c.s.

1. De procedure in de zaak 20-908

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 10 augustus 2020, tevens houdende incidentele vordering ex artikel 843a Rv, met producties 1 tot en met 20;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens houdende antwoord op de incidentele vordering ex artikel 843a Rv, tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 25;

  • -

    de oproepingsbrief van de rechtbank van 11 februari 2021, waarin een mondelinge behandeling is bepaald op 13 april 2021 (welke zitting niet is doorgegaan);

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte in conventie, akte overlegging producties en akte wijziging van eis in conventie, met producties 21 tot en met 31;

  • -

    de akte overlegging aanvullende producties van Cargotec, met producties 26 tot en met 29;

  • -

    de oproepingsbrief van de rechtbank van 23 september 2021, waarin de datum van de mondelinge behandeling nader is bepaald op 16 februari 2022;

  • -

    de akte overlegging producties, tevens houdende wijziging van eis in het incident ex artikel 843a Rv van Ravestein, met producties 32 tot en met 40;

  • -

    de akte houdende overlegging producties, alsmede houdende wijziging van eis op de voet van artikel 130 Rv van Cargotec, met producties 33 tot en met 46;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 16 februari 2022;

  • -

    de ter zitting door beide partijen overgelegde spreekaantekeningen;

  • -

    de brieven van mr. Verhoeven en mr. Wille van 21 maart 2022 respectievelijk 29 maart 2022, waarin opmerkingen zijn gemaakt over het proces-verbaal;

  • -

    de brieven van mr. Verhoeven en mr. Wille van 31 maart 2022 respectievelijk 5 april 2022, waarin zij op elkaars brieven hebben gereageerd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de zaak 21-308

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 9 maart 2021, tevens houdende eis in incident tot voeging en eis in incident ex artikel 843a Rv, met, bij separate akte, producties 1 en 2;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens houdende exceptie van onbevoegdheid, tevens houdende antwoord op het verzoek tot voeging, tevens houdende antwoord op de incidentele vordering ex artikel 843a Rv, met producties 1 tot en met 3 (dat zijn tegelijk producties 30 tot en met 32 in zaak 20-908);

  • -

    de antwoordconclusie in het bevoegdheidsincident ex artikel 11 Rv, met producties 3 tot en met 6;

  • -

    het vonnis in incident van 1 september 2021;

  • -

    de oproepingsbrief van de rechtbank van 23 september 2021, waarin een mondelinge behandeling is bepaald op 16 februari 2022;

  • -

    de akte uitlatingen rechtsmacht, tevens akte overlegging producties van MacGregor, met producties 4 tot en met 6;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 16 februari 2022;

  • -

    de ter zitting door beide partijen overgelegde spreekaantekeningen;

  • -

    de brieven van mr. Verhoeven en mr. Wille van 21 maart 2022 respectievelijk 29 maart 2022, waarin opmerkingen zijn gemaakt over het proces-verbaal;

  • -

    de brieven van mr. Verhoeven en mr. Wille van 31 maart 2022 respectievelijk 5 april 2022, waarin zij op elkaars brieven hebben gereageerd.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De zaak in het kort

Ravestein meent dat Cargotec en/of MacGregor ten onrechte de gelegenheid hebben gekregen om zogenoemde linkspans te maken voor roll-on/roll-off-schepen. Ravestein heeft het ontwerp gemaakt. Zij had van de hoofdaannemer de opdracht moeten krijgen, maar dat is niet gebeurd. Cargotec en MacGregor profiteren daarvan en hebben bedrijfsgeheimen van Ravestein gebruikt. Bovendien maken zij gebruik van een ontwerp waarop Ravestein auteursrecht heeft en is sprake van slaafse nabootsing. Dit leidt tot miljoenen aan schade, die Cargotec en MacGregor moeten vergoeden.

Cargotec en MacGregor vinden dat hen niets te verwijten valt. Het is juist Ravestein die door beslag te leggen op een linkspan die naar het buitenland moest schade heeft veroorzaakt.

4. De feiten

4.1.

Ravestein is een scheepswerf en bouwbedrijf dat gespecialiseerd is in zware staalconstructies zoals bruggen, sluisdeuren, roll-on/roll-off steigers, hefplatforms en baggermolens.

4.2.

Cargotec is een Finse beursgenoteerde onderneming die onder andere vrachtbehandelingsmachines maakt voor schepen, havens, terminals en lokale distributie.

4.3.

MacGregor is een Zweedse dochteronderneming van Cargotec. Zij houdt zich onder meer bezig met maritieme vracht- en ladingsbehandeling.

4.4.

Ravestein heeft een linkspan ontworpen, die zij aanduidt als de Ravelink fase 2. Zij heeft dit ontwerp voor het eerst gerealiseerd in de haven van Duinkerken in 2005. Een afbeelding van die linkspan is hieronder opgenomen. Een linkspan is een verplaatsbare brug bedoeld om voertuigen en ladingen vanaf een kade schepen op en af te laten rijden. In dit geval ging het om een drijvende dubbele brug, bedoeld voor roll-on/roll-off-schepen met twee of meer dekken.

Afbeelding van de Ravelink (fase 2) van Ravestein

4.5.

Een Consortium van bedrijven (verder: het Consortium), waaronder de Franse onderneming Bouygues Traveaux Publics (hierna Bouygues), heeft zich ingeschreven op de aanbesteding voor uitbreidingswerkzaamheden van de haven van Calais, ook wel Calais Port 2015 genoemd (hierna: het project). Het Consortium is een samenwerking aangegaan met Ravestein met het oog op de uitwerking en uitvoering van de binnen het project te realiseren linkspans naar de schepen. Die samenwerking is vastgelegd in een Protocole d’Accord, gesloten op 11 oktober 2013 tussen het Consortium (vertegenwoordigd door Bouygues) en Ravestein. In dat kader heeft Ravestein een offerte uitgebracht voor de bouw van drie linkspans Ravelink fase 2. Daarbij is in elk geval de tekening als hieronder afgebeeld aan het Consortium ter beschikking gesteld.

Ontwerptekening van de Ravelink

4.6.

In 2015 is het project gegund aan het Consortium. Bouygues heeft vervolgens in maart en april 2016 meerdere bedrijven - waaronder MacGregor maar niet Ravestein - benaderd voor de bouw van drie linkspans te Calais. Bouygues heeft daarbij een dossier aan die bedrijven beschikbaar gesteld. Van dat dossier maakte (een powerpointslide met) de volgende tekening deel uit:

Afbeelding uit het dossier dat door Bouygues aan (onder andere) MacGregor ter beschikking is gesteld

4.7.

Bouygues heeft in 2016 MacGregor gecontracteerd voor de bouw van de linkspans. MacGregor heeft vervolgens de Linkspan Calais 10 gebouwd, zoals hieronder afgebeeld.

Afbeeldingen van de Linkspan Calais 10 van MacGregor

4.8.

Bij brief van 10 oktober 2017 heeft Ravestein aan Bouygues en Cargotec

geschreven dat Bouygues de in het Protocole d’Accord overeengekomen exclusiviteit en

geheimhouding heeft geschonden. Ravestein schreef verder dat Cargotecs aanbieding voor

het ontwerp en de bouw van de linkspans was gebaseerd op vertrouwelijke documenten van

Ravestein. Ravestein heeft Cargotec en Bouygues aansprakelijk gesteld voor de uit een en

ander voortvloeiende, volgens haar substantiële, schade. Bij brief van 18 oktober 2017 is door “MacGregor Group” elke aansprakelijkheid van de hand gewezen.

4.9.

Op 18 juli 2019 heeft Ravestein Bouygues gedagvaard voor de Tribunal de Grand

Instance te Parijs. Ravestein vordert in die procedure schadevergoeding op grond van (i) de niet-nakoming van het Protocole d’Accord (door de overeenkomst voor de bouw van de linkspans niet aan Ravestein te gunnen), (ii) het onrechtmatig gebruik van het werk van Ravestein en (iii) het schenden van het vertrouwelijkheidsprincipe dat is opgenomen in het Protocole d’Accord. In die procedure zijn in oktober 2022 de (slot)pleidooien gepland, waarna in beginsel vonnis gewezen zal worden.

4.10.

Bij brief van 8 mei 2020 heeft Ravestein Cargotec opnieuw aansprakelijk gesteld voor het gebruik van haar ontwerp bij de bouw van de linkspans. Ravestein heeft daarbij

aangekondigd beslag te zullen leggen op de zich op dat moment in Ridderkerk bevindende Linkspan Calais 10. Bij brief van 13 mei 2020 heeft Cargotec aansprakelijkheid afgewezen. Zij heeft Ravestein bij voorbaat aansprakelijk gesteld voor schade als gevolg van het aangekondigde beslag. Bij brief van 8 juni 2020 heeft Ravestein Cargotec geschreven dat zij, afhankelijk van de uitkomst van een mediationbijeenkomst met Bouygues, rechtsmaatregelen tegen Cargotec zal nemen.

4.11.

Op 29 juni 2020 heeft Ravestein, met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, ten laste van Cargotec conservatoir beslag gelegd op de Linkspan Calais 10. Ravestein heeft in het beslagrekest waarop dit verlof is gegeven gesteld dat Cargotec bij de bouw van de Linkspan Calais 10 gebruik heeft gemaakt van het ontwerp van Ravestein en dat zij als gevolg daarvan schade lijdt, die bestaat uit de winst die zij op het project is misgelopen.

4.12.

Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 14 augustus 2020 is het beslag opgeheven. De Linkspan Calais 10 is vervolgens verscheept naar Calais en MacGregor heeft haar werkzaamheden ten behoeve van de bouw van Linkspan Calais 11 en 12 voortgezet.

5. Het geschil in de zaak 20-908

In de hoofdzaak

In conventie

5.1.

Ravestein heeft, na wijziging van eis, gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

I. voor recht te verklaren dat de vormgeving van de dubbeldeks drijvende linkspan Ravelink in de lidstaten van de Europese Unie auteursrechtelijke bescherming geniet;

II. voor recht te verklaren dat Cargotec en/of MacGregor door het produceren, verhandelen, te koop aanbieden, verkopen en/of leveren van de Linkspan Calais 10, 11 en 12 inbreuk hebben gemaakt op de auteursrechten van Ravestein met betrekking tot de vormgeving van genoemde Ravelink;

III. Cargotec en MacGregor in de gehele Europese Unie, althans subsidiair in Nederland, hoofdelijk te verbieden om, onmiddellijk na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, op enigerlei wijze inbreuk te maken op de auteursrechten van Ravestein door het aanbieden, verkopen, vervaardigen of openbaar maken van linkspans met de vormgeving van de Ravelink of daaraan ontleend;

IV. Cargotec en MacGregor hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door Ravestein geleden schade, voorlopig begroot op € 3.404.704,00, dan wel, ter keuze van Ravestein, een bedrag gelijk aan de (netto) winst die Cargotec en/of MacGregor hebben gerealiseerd met de verkoop van de Linkspan Calais 10, 11 en 12, en Cargotec en MacGregor te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis door een onafhankelijk registeraccountant een verklaring te verstrekken betreffende de totale nettowinst die Cargotec en/of MacGregor hebben gemaakt met de verkoop van de Linkspan Calais 10, 11 en 12, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ander bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

subsidiair

V. te verklaren voor recht dat Cargotec en MacGregor met de bouw van de Linkspan Calais 10, 11 en 12 en het gebruik van het (de) ontwerp(tekeningen), onrechtmatig jegens Ravestein hebben gehandeld, doordat zij de bedrijfsgeheimen van Ravestein op onrechtmatige wijze hebben verkregen, gebruikt en geopenbaard, althans doordat zij aldus hebben geprofiteerd van de wanprestatie van Bouygues c.q. het Consortium;

VI. Cargotec en MacGregor te gebieden om met onmiddellijke ingang na de betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis ieder onrechtmatig handelen jegens Ravestein in verband met het op onrechtmatige wijze verkrijgen, gebruiken en openbaren van haar bedrijfsgeheimen, te staken en gestaakt te houden;

meer subsidiair

VII. Cargotec en MacGregor te gebieden om met onmiddellijke ingang na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis ieder onrechtmatig handelen jegens Ravestein in verband met het slaafse nabootsen van de Ravelink c.q. de ontwerptekeningen te staken en gestaakt te houden;

subsidiair en meer subsidiair

VIII. Cargotec en MacGregor hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn gekweten, te veroordelen tot betaling aan Ravestein van het bedrag van € 3.404.704,00, dan wel een bedrag gelijk aan de winst zoals bedoeld onder IV, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen schadevergoeding;

primair, subsidiair en meer subsidiair

IX. dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 500.000,00 voor elke overtreding van de hiervoor onder III, IV, VI en VII op te leggen verboden c.q. geboden, te vermeerderen met een dwangsom ter hoogte van € 100.000,00 voor elke dag dat die overtreding voortduurt, althans op straffe van een zodanige dwangsom als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

X. Cargotec en MacGregor hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Ravestein van de volledige kosten van het geding, met inbegrip van advocaatkosten, op de voet van artikel 1019h Rv, zoals door Ravestein nader te specificeren, één en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis en - voor het geval voldoening van de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede tot vergoeding van de kosten van beslaglegging, althans een zodanige proceskostenveroordeling als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, met het verzoek tot verstrekking van een volledig certificaat als bedoeld in artikel 53 EU-verordening 1215/2012.

5.2.

Cargotec heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Ravestein in haar vorderingen, althans tot (gehele of gedeeltelijke) afwijzing daarvan.

In reconventie

5.3.

Cargotec heeft, na wijziging van eis, gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

1. voor recht te verklaren dat Ravestein onrechtmatig jegens MacGregor c.s. heeft gehandeld door het ten onrechte leggen van (vexatoir) beslag en het onnodig handhaven daarvan en dat Ravestein uit hoofde daarvan en artikel 1019g Rv aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door MacGregor c.s. geleden schade, meer in het bijzonder de volgende schadeposten:

  1. juridische kosten ad € 119.999,73 (exclusief btw);

  2. extra huur- en opslagkosten ad € 903.073,94 (exclusief btw);

  3. extra personeelskosten ad € 366.000,00 en extra huisvestingskosten ad € 10.730,01 (exclusief btw);

  4. interne kosten ad € 55.510,00;

  5. kosten in verband met het stellen van zekerheid ad € 50.670,89;

  6. reputatieschade;

  7. gemiste winst;

2. voor recht te verklaren dat Ravestein onrechtmatig jegens Cargotec heeft gehandeld door het starten van onderhavige (onrechtmatige) procedure en dat Ravestein uit hoofde daarvan aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door Cargotec geleden schade, bestaande uit de werkelijk gemaakte proceskosten ad € 168.775,63;

3. Ravestein te veroordelen tot vergoeding van de hiervoor onder 1. sub a) tot en met e) genoemde schadeposten, door MacGregor c.s. in totaal begroot op € 1.505.984,57 exclusief btw, althans een zodanig bedrag dat de rechtbank in goede justitie redelijk lijkt, te vermeerderen met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf de datum van beslaglegging op de Linkspan Calais 10 tot aan de dag van algehele vergoeding;

4. Ravestein te veroordelen tot vergoeding van de hiervoor onder 1. sub f) en g) genoemde schadeposten (reputatieschade en gemiste winst), nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf de datum van beslaglegging op de Linkspan Calais 10, althans vanaf 16 februari 2022, tot de dag van algehele betaling;

5. Ravestein te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.000.000,00 exclusief btw als voorschot op de hiervoor onder 4. genoemde schadevergoeding, althans van een zodanig bedrag dat de rechtbank in goede justitie redelijk lijkt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het te dezen te wijzen vonnis, tot die van algehele betaling;

subsidiair

6. voor recht te verklaren dat Ravestein onrechtmatig jegens MacGregor c.s. heeft gehandeld door het ten onrechte leggen van (vexatoir) beslag en het onnodig handhaven daarvan en dat Ravestein uit hoofde daarvan en artikel 1019g Rv aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door MacGregor c.s. geleden schade, meer in het bijzonder de hiervoor onder 1. sub a) tot en met g) genoemde schadeposten;

7. Ravestein te veroordelen tot vergoeding van de hiervoor onder 1. sub a) tot en met g) genoemde schadeposten, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf de datum van beslaglegging op de Linkspan Calais 10, althans vanaf 16 februari 2022, tot de dag van algehele betaling;

8. Ravestein te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.500.000,00 exclusief btw als voorschot op schadevergoeding, althans van een zodanig bedrag dat de rechtbank in goede justitie redelijk lijkt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het te dezen te wijzen vonnis, tot die van algehele betaling;

9. voor recht te verklaren dat Ravestein onrechtmatig jegens Cargotec heeft gehandeld door het starten van onderhavige (onrechtmatige) procedure en dat Ravestein uit hoofde daarvan aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door Cargotec geleden schade (bestaande uit de werkelijk gemaakte proceskosten) ad € 168.775,63;

zowel primair als subsidiair

10. Ravestein te veroordelen tot betaling van de (werkelijk) gemaakte proceskosten van deze procedure (zowel in conventie als in reconventie), begroot op € 168.775,63 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding, althans de datum van het te dezen te wijzen vonnis, tot die van algehele betaling.

5.4.

Ravestein heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Cargotec in haar vorderingen, althans tot afwijzing van die vorderingen, met veroordeling van Cargotec, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

In het incident ex artikel 843a Rv

5.5.

Ravestein heeft, na wijziging van eis, gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Cargotec en MacGregor te gebieden om binnen tien werkdagen na het ten deze te wijzen vonnis Ravestein inzage te verstrekken in c.q. afgifte te doen van:

  • -

    de e-mail die Cargotec en/of MacGregor van Bouygues gekregen moet(en) hebben, waarbij de ontwerptekening(en) van Ravestein als bijlage is/zijn meegezonden,

  • -

    alsmede van alle overige correspondentie tussen Bouygues en Cargotec en/of MacGregor met betrekking tot het/de ontwerp(tekeningen) van Ravestein die door Bouygues aan Cargotec en/of MacGregor zouden zijn overhandigd,

  • -

    alsmede alle correspondentie die tussen Bouygues en Cargotec en/of MacGregor is gevoerd omtrent het "spiegelen" van het Ravesteinontwerp c.q. de Ravelink, daarbij inbegrepen de correspondentie die tussen Bouygues en Société des Ports du Detroit (de opdrachtgever van het project, hierna: SPD) is gevoerd in dat verband, welke correspondentie in kopie aan Cargotec en/of MacGregor is toegezonden, alsmede rechtstreekse correspondentie tussen Cargotec en/of MacGregor en SPD over dit onderwerp,

  • -

    alsmede een volledig exemplaar van de onderaannemingsovereenkomst tussen Bouygues en Cargotec en/of MacGregor waarvan Cargotec en/of MacGregor slechts twee pagina’s heeft/hebben overgelegd (als productie 4)

en te bepalen dat, indien Cargotec en/of MacGregor met de naleving van de gevraagde ge- en verboden in gebreke blijft/blijven, Cargotec en/of MacGregor aan Ravestein een dwangsom van € 500.000,00 verbeuren voor de overtreding daarvan alsmede een dwangsom van € 50.000,00 voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat de overtreding voortduurt, met de veroordeling van Cargotec en/of MacGregor in de kosten van het incident.

5.6.

Cargotec heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Ravestein in haar vorderingen, althans tot (gehele of gedeeltelijke) afwijzing daarvan.

In de hoofdzaak (in conventie en in reconventie) en in het incident ex artikel 843a Rv

5.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

6. Het geschil in de zaak 21-308

6.1.

Ravestein heeft gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

MacGregor, al dan niet hoofdelijk naast Cargotec, zowel in het incident als in de hoofdzaak, te veroordelen overeenkomstig het petitum in de zaak 20-908;

alsmede

  1. te verklaren voor recht dat de Linkspan Calais 10 een verveelvoudiging zoals bedoeld in artikel 13 Auteurswet is die inbreuk maakt op het auteursrecht van Ravestein op het ontwerp van de Ravelink;

  2. MacGregor te veroordelen tot vergoeding van de door Ravestein geleden schade, in de procedure berekend op € 3.404.704,00, te vermeerderen met rente, dan wel, ter keuze van Ravestein, een bedrag gelijk aan de (netto) winst die MacGregor heeft gerealiseerd met de verkoop van de Linkspan Calais 10 - en de twee andere linkspans die zij heeft verkocht aan Bouygues - althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ander bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, dit alles met de veroordeling van MacGregor in de volledige kosten van het geding, met inbegrip van advocaatkosten, op de voet van artikel 1019h Rv, zoals door Ravestein nader te specificeren, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen proceskostenveroordeling.

6.2.

MacGregor heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Ravestein in haar vorderingen in het incident en in de hoofdzaak, althans tot (gehele of gedeeltelijke) afwijzing van alle vorderingen van Ravestein, met veroordeling van Ravestein, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de volledige proceskosten, bestaande uit de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten met betrekking tot het onderhavige geval op de voet van artikel 1019h Rv, althans subsidiair een vergoeding van deze kosten volgens de indicatietarieven voor IE-zaken, althans meer subsidiair een ander in goede justitie te bepalen bedrag, althans uiterst subsidiair op basis van het liquidatietarief, met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf de datum van de conclusie van antwoord (19 mei 2021), tot die van algehele voldoening.

6.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

7. De beoordeling in de zaak 20-908

Rechtsmacht en toepasselijk recht

7.1.

Omdat Cargotec gevestigd is in Finland, heeft dit geschil een internationaal karakter. Ambtshalve moet daarom de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen en, zo ja, welk recht op de vorderingen van toepassing is.

7.2.

Beide partijen hebben woonplaats op het grondgebied van een EU-lidstaat, zodat de Brussel I-bis-Verordening (nr. 1215/2012, hierna: Brussel I-bis) van toepassing is. Op grond van artikel 26 Brussel I-bis is het gerecht van de lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd, tenzij die verweerder slechts verschijnt om de bevoegdheid ter discussie te stellen. Cargotec is voor de rechtbank verschenen en heeft de bevoegdheid van de rechtbank niet betwist. Nu er geen gerecht bestaat dat op grond van artikel 24 Brussel I-bis bij uitsluiting bevoegd is om van deze vorderingen kennis te nemen, is de Nederlandse rechter bevoegd van de onderhavige vorderingen kennis te nemen.

7.3.

De Rome II-Verordening (nr. 864/2007, hierna: Rome II) bepaalt welk recht van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen in internationale gevallen. Op grond van Rome II is het recht van diverse landen van toepassing, maar voor de beoordeling van het geschil maakt het geen verschil welk van de in aanmerking komende rechtsstelsels toepasselijk is. De rechtbank baseert dit op het volgende.

7.3.1.

Wanneer het handelen dat Cargotec wordt verweten moet worden gekwalificeerd als oneerlijke concurrentie, is artikel 6 lid 1 Rome II het uitgangspunt. Het toepasselijke recht is in dat geval het recht van het land waar de concurrentieverhoudingen worden geschaad of dreigen te worden geschaad. Dat is in beginsel Frans recht, nu het gaat om een project in Frankrijk. Gesteld noch gebleken is dat Frans recht anders luidt dan Nederlands recht.

7.3.2.

Voor het geval het handelen dat Cargotec wordt verweten als (ander) onrechtmatig handelen moet worden gekwalificeerd, moet het toepasselijke recht worden gevonden aan de hand van artikel 4 lid 1 Rome II. Het toepasselijke recht is in dat geval het recht van het land waar de - directe - schade zich voordoet. Het standpunt van Ravestein is dat door het gebruik van haar ontwerptekeningen schade is geleden die zich voordoet in Nederland.

Hoewel Cargotec de schade betwist heeft zij niet betwist dat eventuele schade in Nederland wordt geleden.

7.3.3.

Voor zover Ravestein haar vorderingen heeft gegrond op inbreuk op haar auteursrecht, is op grond van artikel 8 lid 1 Rome II het recht van het land waar de bescherming van dat recht wordt ingeroepen van toepassing. In dit geval roept Ravestein voor de Ravelink auteursrechtelijke bescherming in voor Nederland en voor de overige landen van de Europese Unie. Dat betekent dat het recht van Nederland en dat van alle andere lidstaten van de Europese Unie van toepassing is. Op grond van rechtspraak van het Europees Hof van Justitie (HvJ EU) zijn het auteursrechtelijk werkbegrip en de beschermingsomvang geharmoniseerd. Dit brengt mee dat, mocht geoordeeld worden dat de Ravelink in Nederland een auteursrechtelijk beschermd werk is en Cargotec met de Linkspan Calais 10 inbreuk maakt op dit auteursrecht, moet worden aangenomen dat naar het recht van de andere lidstaten van de Europese Unie dezelfde conclusies kunnen worden getrokken. Door partijen is niet andersluidend bepleit.

In conventie

Verkeerde partij gedagvaard

7.4.

Partijen zijn het erover eens dat in het onderhavige geschil niet Cargotec, maar MacGregor als wederpartij van Ravestein moet worden aangemerkt. Het is immers MacGregor - en niet Cargotec - die op grond van de overeenkomst met Bouygues de Linkspan Calais 10 (en 11 en 12) heeft gebouwd. Om die reden heeft Ravestein ook MacGregor gedagvaard (in de zaak 21-308). De beide procedures zijn bij incidenteel vonnis van 1 september 2021 gevoegd en op de zitting van 16 februari 2022 gezamenlijk behandeld. Tijdens die zitting is aan partijen voorgesteld dat de rechtbank uit pragmatische overwegingen de vorderingen tegen Cargotec af zal wijzen, maar wel alle stellingen en stukken uit de procedure tegen Cargotec als aangevoerd/overgelegd in de procedure tegen MacGregor zal beschouwen. Partijen, die alle beschikken over alle processtukken in beide procedures, hebben daarmee ingestemd.

7.5.

De vorderingen tegen Cargotec zullen dus worden afgewezen. Dit oordeel zal in het eindvonnis in de beslissing worden opgenomen. Iedere (verdere) beslissing, waaronder de beslissing over de proceskosten in de zaak 20-908, zal worden aangehouden.

In reconventie

7.6.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 7.4 is overwogen, ziet de rechtbank aanleiding om de vordering in reconventie - die door Cargotec voor zichzelf en op basis van lastgeving voor MacGregor is ingesteld - te behandelen bij de beoordeling in de zaak 21-308.

8. De beoordeling in de zaak 21-308

Rechtsmacht en toepasselijk recht

8.1.

Omdat MacGregor is gevestigd in Zweden, heeft ook het geschil in de zaak 21-308 een internationaal karakter. Ook in deze procedure moet dus de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en, zo ja, wat het toepasselijk recht is.

8.2.

De vraag of deze rechtbank internationaal bevoegd is om van het geschil kennis te nemen is reeds bevestigend beantwoord in het incidenteel vonnis van 1 september 2021. In haar akte uitlatingen rechtsmacht heeft MacGregor aangevoerd dat de rechtbank (de omvang van) haar uit artikel 7 lid 2 Brussel I-bis voortvloeiende internationale bevoegdheid had moeten beperken tot het rechtsgebied van Nederland. Volgens MacGregor kan de rechtbank aan artikel 7 lid 2 Brussel I-bis geen bevoegdheid ontlenen om de vorderingen ook voor andere landen dan Nederland te behandelen. Omdat de beoordeling van het onderhavige geschil (thans) in elk geval deels betrekking heeft op verrichte handelingen dan wel veroorzaakte schade in Nederland, nu het bouwen van de Linkspan Calais 10 gedeeltelijk heeft plaatsgevonden in Ridderkerk en het gestelde gebruik van de ontwerptekeningen (mede) daar moet hebben plaatsgevonden, ziet de rechtbank in dit stadium van de procedure geen aanleiding om hier (nader) op in te gaan. Zo nodig kan dit in een later stadium nader aan de orde komen.

8.3.

Net als in zaak 20-908 is ook in zaak 21-308 het recht van diverse landen van toepassing, maar maakt het voor de beoordeling van het geschil geen verschil welk recht toepasselijk is. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor onder 7.3 is overwogen.

Verhouding tot de zaak 20-908

8.4.

Zoals hiervoor onder 7.4 is overwogen, worden alle stellingen en stukken uit de zaak 20-908 als aangevoerd respectievelijk overgelegd in de onderhavige zaak beschouwd. De vorderingen uit de beide procedures zullen dus in de procedure 21-308 aan de orde komen.

Eiswijzigingen

8.5.

Beide partijen hebben hun eis gewijzigd. De rechtbank staat deze eiswijzigingen toe. Van strijd met de goede procesorde is geen sprake. In dit oordeel weegt mee dat partijen zich over en weer niet hebben verzet tegen de eiswijzigingen. Recht zal dus worden gedaan op de hiervoor onder 5 en 6 weergegeven gewijzigde vorderingen.

In conventie

Inleiding

8.6.

Het geschil tussen partijen laat zich in de kern als volgt samenvatten.

8.6.1.

Ravestein verwijt MacGregor bovenal dat MacGregor de Linkspan Calais 10 heeft gebouwd op basis van, althans met als voorbeeld, de ontwerptekeningen van Ravestein, welke tekeningen Ravestein onder geheimhoudingsafspraken met Bouygues c.q. het Consortium heeft gedeeld. Hiermee heeft MacGregor oneigenlijk gebruik gemaakt van vertrouwelijke bedrijfsinformatie welke als bedrijfsgeheim is beschermd. Bovendien heeft MacGregor aldus geprofiteerd van de wanprestatie van Bouygues c.q. het Consortium. Daarnaast stelt zij zich op het standpunt dat - ook indien moet worden aangenomen dat MacGregor niet over deze tekeningen heeft beschikt - MacGregor onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld omdat de Linkspan Calais 10 vrijwel identiek is aan de Ravelink, behalve dan dat de vorm is gespiegeld, waarmee inbreuk is gemaakt op het aan Ravestein op de Ravelink als uniek ontwerp/werk toekomend auteursrecht, althans MacGregor heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan slaafse nabootsing.

De incidentele vordering ziet op het verkrijgen van inzage, en daarmee bewijsgaring, in het kader van de twee eerstbedoelde grondslagen.

8.6.2.

MacGregor heeft een en ander gemotiveerd betwist. Naar zij aanvoert is de Linkspan Calais 10 geheel zelfstandig ontwikkeld; het gestelde gebruik van de tekeningen heeft niet plaatsgehad en daarvoor ontbreekt ook iedere aanwijzing. MacGregor heeft slechts één tekening van Bouygues ontvangen in een presentatie. Die tekening is geen bedrijfsgeheim. Van inbreuk op het auteursrecht kan volgens haar geen sprake zijn reeds omdat de vormgeving van de linkspan vrijwel geheel door technische en functionele eisen is bepaald. Een dubbeldeks linkspan met meerdere rijstroken is een functionele oplossing voor roll-on/roll-off-schepen met twee dekken, waar in korte tijd veel auto’s en vrachtwagens op en af moeten kunnen rijden. De ontwerper van zo’n linkspan is gebonden aan bouwtechnische vereisten, aan specificaties van de klant en aan de condities op locaties. Een linkspan moet getijdewisselingen kunnen opvangen en op een stabiele manier op het water kunnen drijven. Als voorbeelden van technische kenmerken van een linkspan heeft MacGregor verder genoemd: de hellingshoek vanuit de kade, de maximale kantelpunten waaroverheen auto’s kunnen rijden, weerstand tegen het zoutgehalte van het zeewater, minimumbreedte van rijstroken, vele veiligheidsvoorschriften, aansluiting op toegangswegen vanuit de kade, maximale lengte van de linkspan en het maximale draagvermogen ten aanzien van auto’s. In zoverre is er dus geen ruimte voor creatieve vrijheid, aldus MacGregor. Er is volgens haar dus geen sprake van een oorspronkelijk werk waarop een auteursrecht kan rusten. Voor het geval daarover anders zou moeten worden geoordeeld, voert MacGregor aan dat Ravestein niet als auteursrechthebbende kan worden beschouwd en dat geen sprake is van inbreuk. Vanwege het ontbreken van alternatieven is evenmin sprake van slaafse nabootsing, aldus MacGregor.

8.7.

De rechtbank zal hierna allereerst ingaan op de (voor het eerst bij akte wijziging eis als primaire grondslag opgeworpen) vermeende auteursrechtinbreuk en vervolgens op de als meer subsidiaire grondslag opgeworpen slaafse nabootsing. Eerst daarna zal worden ingegaan op het gestelde gebruik van de tekeningen waarop de overige grondslagen voor de vorderingen in conventie zien en waarmee de vordering in het incident samenhangt.

Auteursrecht

8.8.

Partijen twisten allereerst over de vraag of de Ravelink kan worden aangemerkt als een werk in auteursrechtelijke zin. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) dient het werkbegrip binnen de EU uniform te worden uitgelegd. Om als een werk in deze zin te kunnen worden aangemerkt, is vereist dat het gaat om een eigen intellectuele schepping, dat wil zeggen dat het werk een eigen, oorspronkelijk karakter moet hebben, dat het persoonlijk stempel van de maker draagt. Daarnaast is vereist dat die schepping ook daadwerkelijk is uitgedrukt, dat wil zeggen dat het voorwerp voldoende bepaald moet zijn, zodat het voldoende nauwkeurig en objectief kan worden geïdentificeerd. Het eerste vereiste betekent dat het ontwerp niet ontleend mag zijn aan een ander werk, de vorm moet het resultaat zijn van scheppende menselijke arbeid en creatieve keuzes. Daarbuiten valt in ieder geval al hetgeen een vorm heeft die zo banaal of triviaal is dat daarachter geen creatieve arbeid van welke aard dan ook valt aan te wijzen. In het kader van het voorliggende geschil is daarnaast vooral van belang dat krachtens vaste rechtspraak heeft te gelden dat elementen van het werk die louter een technisch effect dienen of die te zeer het resultaat zijn van een door technische uitgangspunten beperkte keuze van bescherming zijn uitgesloten. Dat dergelijke keuzes niet bijdragen aan het persoonlijk stempel laat onverlet dat daarnaast andere, wel creatieve, keuzes gemaakt kunnen zijn en daarmee wel aan de werktoets kan zijn voldaan. Het HvJ EU heeft in zijn arrest van 11 juni 2020 (ECLI:EU:C:2020:461 (Brompton Bicycle)) dit laatste verduidelijkt. In dat arrest heeft het HvJ EU enerzijds overwogen “dat een voorwerp dat aan de voorwaarde van oorspronkelijkheid voldoet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking kan komen, ook al wordt de verwezenlijking ervan door technische overwegingen bepaald”, maar anderzijds benadrukt “dat aan het criterium van oorspronkelijkheid niet kan worden voldaan door onderdelen van een voorwerp die uitsluitend door hun technische functie worden gekenmerkt”.

8.9.

De rechtbank is van oordeel dat de Ravelink fase 2 niet als werk kan worden beschouwd omdat dit ontwerp uitsluitend wordt bepaald door zijn technische functie. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.

8.10.

Ravestein heeft ter onderbouwing van haar stelling dat de Ravelink een werk in de zin van de Auteurswet is aanvankelijk alleen verwezen naar “de specifieke vormgeving en lay-out van de linkspan, de kleurstelling, etcetera” en naar “de plaatsing en vorm van de drie rijbanen”. Dit is niet voldoende om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat de Ravelink een auteursrechtelijk beschermd werk is. Datzelfde geldt voor de verwijzing ter zitting naar verschillende details (hekjes, witte lijnen en rode vlakken) op het schaalmodel van de Ravelink. Deze stellingen zijn onvoldoende specifiek; de oorspronkelijke aspecten waarnaar zij verwijzen zijn niet nader aangeduid.

8.11.

Ravestein heeft voorts gewezen op het innovatieve karakter van de Ravelink. Dat bestaat er volgens Ravestein met name in, dat geen brug meer op de wal nodig is. Het dek c.q. de “ramp” is direct gemonteerd op een drijvend ponton, waardoor (zowel bij fase 1 als bij fase 2) aanzienlijke ruimte wordt bespaard aan de waterzijde (ongeveer 30 meter). Bij de Ravelink fase 2 wordt ook aan de kadezijde aanzienlijke ruimte bespaard (1.600 m2) die anders - bij conventionele modellen - noodzakelijk is voor de constructie om te bereiken dat het verkeer de linkspan op en af kan rijden. Verder heeft Ravestein aangevoerd dat de Ravelink zich kenmerkt door de omstandigheid dat het verkeer tegelijkertijd het schip kan op- en afrijden. In het ontwerp van Ravestein wordt aan de buitenzijden aan de bovenkant naar binnen en naar buiten gereden en aan de lager gelegen binnenzijden ook. Ravestein heeft dat ontwerp voor het eerst gebruikt in de haven van Duinkerken (zie de afbeelding als hiervoor onder 4.4 weergegeven). Volgens Ravestein is de Ravelink hierdoor een commercieel succes en is het sinds de eerste installatie in Duinkerken de “standaard” geworden voor Franse havensteden (waarbij zij heeft verwezen naar onder meer haar producties 22, 26, 27, 29 en 31).

Het technisch en functioneel innovatief karakter en de commerciële waarde zijn op zichzelf echter niet voldoende om het ontwerp als oorspronkelijk te betitelen. Ter zitting is weliswaar bepleit dat ook voor een andere vormgeving had kunnen worden gekozen, maar dat is niet onderbouwd, in tegendeel.

8.12.

Ter zitting is door Ravestein met betrekking tot het ontwerp van de Ravelink het volgende verklaard: “Er is niet zozeer een creatieve invulling geweest. Technisch kunnen bepaalde oplossingen niet anders.” en “De hoeken die zijn gebruikt in de Ravelink (fase 2) kunnen eigenlijk niet anders dan op deze manier. Als de hoek meer wordt dan zes graden dan ontstaat er teveel snelheid voor de voertuigen die naar beneden rijden. Als je niet het conventionele model van de linkspan wil gebruiken is er geen andere mogelijkheid dan ons ontwerp van de Ravelink (fase 2). Dat komt ook doordat je aan allerlei vereisten moet voldoen van de havenautoriteiten en de eisen die aan het schip worden gesteld, bijvoorbeeld door Lloyds. Dat maakt het kiezen van een andere vorm erg ingewikkeld. Dit is de veiligste manier om het te bouwen en alles wat je verandert gaat ten koste daarvan. Ik kan me niet indenken dat het anders kan dan de Ravelink, gezien de technische eisen.”. Uit deze verklaring leidt de rechtbank af dat de verschijningsvorm van de Ravelink zodanig door technische en functionele eisen is bepaald, dat geen, althans onvoldoende ruimte voor creatieve keuzes bestaat, zodat deze vormgeving is uitgesloten van bescherming door het auteursrecht.

8.13.

De overige stukken waar Ravestein zich in dit kader op beroept kunnen niet tot een ander oordeel leiden, die bevestigen dit oordeel veeleer.

8.13.1.

Als productie 25 heeft Ravestein een rapport van Lloyd’s Register uit 1997-1998 overgelegd, waarmee volgens haar wordt aangetoond dat de Ravelink op dat moment nog niet bestond, is bedacht door Ravestein en een eigen gezicht in de markt heeft. Voor de vraag of de Ravelink een auteursrechtelijk beschermd werk is, is dit rapport niet relevant.

8.13.2.

Als productie 26 heeft Ravestein een opsomming overgelegd van de kenmerken en eigenschappen die de Ravelink volgens haar tot een uniek en commercieel zeer aantrekkelijk product maken. Daarin staan alleen technische en functionele kenmerken opgesomd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat en in hoeverre deze kenmerken/eigenschappen als niet-technisch kunnen worden aangemerkt. Het had op de weg van Ravestein gelegen om te stellen en te onderbouwen dat de betreffende kenmerken/eigenschappen creatieve keuzes zijn. Zij heeft dat niet gedaan. Zoals hiervoor onder 8.11 al is overwogen, is de stelling dat de Ravelink een commercieel zeer aantrekkelijk product is irrelevant in het kader van de vraag of sprake is van auteursrechtelijke bescherming.

8.13.3.

Dat de Ravelink aan alle daaraan te stellen (veiligheids- en functionele) eisen voldoet, zoals Ravestein heeft gesteld aan de hand van het door haar als productie 27 overgelegde rapport van Wallingford van oktober 2007, is eveneens niet van belang voor de vraag of de Ravelink een auteursrechtelijk beschermd werk is.

8.13.4.

Ten slotte heeft Ravestein in dit kader verwezen naar het door haar als productie 40 overgelegde rapport van Tony Neal (Royal HaskoningDHV) van 3 februari 2022. MacGregor heeft er echter terecht en uitvoerig op gewezen dat en waarom de in het rapport (op pagina 2/3) genoemde tien kenmerken van de Ravelink louter technisch bepaald zijn. Ravestein heeft daar niet meer op gereageerd.

8.14.

Aan het bewijsaanbod van Ravestein moet voorbij worden gegaan. Bij gebreke van stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden moeten leiden, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. De vorderingen van Ravestein, voor zover gegrond op het auteursrecht, moeten dan ook worden afgewezen.

Slaafse nabootsing

8.15.

Het voorafgaande leidt er toe dat thans moet worden beoordeeld of MacGregor onrechtmatig handelt jegens Ravestein door een slaafse nabootsing op de markt te brengen. Ravestein heeft zich, behoudens het hiervoor behandelde en verworpen beroep op het auteursrecht, niet beroepen op enig intellectueel eigendomsrecht. De rechtbank stelt in dat kader voorop dat ten aanzien van een product dat niet (langer) wordt beschermd door een absoluut recht van intellectuele eigendom, geldt dat nabootsing van dit product in beginsel vrijstaat, zij het dat dit beginsel uitzondering lijdt wanneer door de nabootsing verwarring bij het publiek valt te duchten en de nabootsende concurrent tekortschiet in zijn verplichting om bij dat nabootsen alles te doen wat redelijkerwijs - zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid of bruikbaarheid van zijn product - mogelijk en nodig is om te voorkomen dat door gelijkheid van beide producten gevaar voor verwarring ontstaat.

8.16.

Om aanspraak te kunnen maken op bescherming tegen een dergelijke nabootsing is vereist dat het product (in dit geval de Ravelink) een zeker onderscheidend vermogen en een eigen plaats op de relevante markt heeft, dat wil zeggen: zich in uiterlijke verschijningsvorm onderscheidt van andere, gelijksoortige producten op die markt (‘het Umfeld’). MacGregor heeft (bij gebrek aan wetenschap) betwist dat daarvan sprake is. Aan die betwisting gaat de rechtbank voorbij. Ravestein heeft genoegzaam gesteld dat de relevante markt zeer overzichtelijk en klein is en dat de Ravelink in die markt een eigen gezicht heeft. Zij heeft toegelicht dat zij de Ravelink al meer dan twee decennia op de markt brengt en dat opdrachtgevers spreken over de “standaard Ravestein linkspan”. Bij gebreke van een gemotiveerde betwisting wordt in rechte uitgegaan van de juistheid van die stellingen, zodat aan dit criterium is voldaan.

8.17.

Uit de verklaring van Ravestein ter zitting -“Ik kan me niet indenken dat het anders kan dan de Ravelink, gezien de technische eisen” - volgt echter dat het volgens Ravestein zelf niet mogelijk was om een andere weg in te slaan zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid en bruikbaarheid. MacGregor heeft daar ter zitting een beroep op gedaan en aangevoerd dat zij waar mogelijk toch ook nog afwijkende keuzes heeft gemaakt. De rechtbank begrijpt dat het dan gaat om enerzijds het “spiegelen” en anderzijds enige zeer ondergeschikte details.
De vraag of sprake is van verwarringsgevaar hoeft, gezien dit oordeel, niet meer te worden beantwoord.

8.18.

Ook voor zover de vorderingen van Ravestein gegrond zijn op slaafse nabootsing komen deze dus niet voor toewijzing in aanmerking.

Bedrijfsgeheimen

8.19.

Vervolgens moet worden beoordeeld of MacGregor onrechtmatig bedrijfsgeheimen van Ravestein heeft verkregen en gebruikt, zoals Ravestein stelt.

8.20.

Ravestein heeft als productie 1 een set tekeningen in het geding gebracht. Zij noemt dat “de Ontwerptekeningen” en stelt dat zij “deze Ontwerptekeningen” met het Consortium c.q. Bouygues heeft gedeeld. Op de tekeningen in productie 1 staat “Project Calais 2015”, de namen van onder meer Ravestein en Bouygues en de datum 29 november 2013.
Als MacGregor deze stelling heeft willen betwisten met haar opmerking dat niet blijkt dat Ravestein de hele set tekeningen heeft gedeeld (CvA Cargotec 5.25), wordt die betwisting als onvoldoende gemotiveerd gepasseerd, gezien de verwijzing naar het project op de tekeningen en de datering, kort na het sluiten van het Protocole d’Accord tussen Ravestein en het Consortium. In deze procedure staat daarom vast dat Ravestein de hele set tekeningen aan het Consortium c.q. Bouygues ter beschikking heeft gesteld.

8.21.

De rechtbank moet aan MacGregor toegeven dat Ravestein het woord tekeningen in de processtukken vervolgens verwarrend gebruikt. Zo stelt Ravestein dat het Consortium c.q. Bouygues bij de uitvraag van 20 april 2016 (zie 4.6) “de Ontwerptekeningen” met diverse bedrijven heeft gedeeld. Zij verwijst daartoe naar de als productie 8 en 9 overgelegde bijlagen bij een email van 20 april 2016 aan het bedrijf Socarenam, waarin volgens Ravestein “de Ontwerptekeningen” zijn opgenomen. Echter, productie 8 is een projectpresentatie waarin op pagina 13 één tekening (zonder de naam van Ravestein) is opgenomen en ook productie 9 betreft slechts één tekening. Ravestein stelt vervolgens dat Bouygues ook andere bedrijven met de uitvraag heeft benaderd, waaronder MacGregor, en dat het aannemelijk is dat MacGregor daarom ook “de Ontwerptekeningen” heeft ontvangen.

8.22.

Ravestein voegt daar aan toe dat zij niet slechts de tekeningen, maar ook andere informatie met Bouygues heeft gedeeld over hoe de linkspan zou worden gemaakt zoals informatie over dimensionering, hoofdafmetingen, constructieve gegevens, positie en kinematica, studies etc. Zonder die stukken had MacGregor het ontwerp misschien wel willen kopiëren, maar had zij dat niet gekund, aldus Ravestein. Ravestein hanteert het begrip “Ontwerptekeningen” vervolgens voor alle tekeningen en de andere informatie tezamen.

8.23.

Ter zitting heeft Ravestein gesteld dat MacGregor de set tekeningen (en naar de rechtbank begrijpt ook de andere informatie) heeft verkregen van Bouygues. Zij stelt dat MacGregor deze (tenminste als voorbeeld) heeft gebruikt bij de bouw van de Calais Linkspan 10. MacGregor wist, althans had moeten weten dat de ontwerptekeningen niet van Bouygues zelf, maar van Ravestein waren en dat Bouygues de ontwerptekeningen onrechtmatig gebruikte en/of openbaar maakte. De conclusie moet volgens Ravestein zijn dat MacGregor op onrechtmatige wijze een bedrijfsgeheim van Ravestein heeft verkregen.

8.24.

MacGregor gebruikt de woorden tekening en tekeningen echter zelf ook door elkaar waarbij niet steeds duidelijk is of zij meervoud of enkelvoud bedoelt. Naar de rechtbank begrijpt is het verweer van MacGregor als volgt: zij heeft slechts één tekening ontvangen, namelijk de tekening in de projectpresentatie (zie 4.6 en productie 8 Ravestein). Andere tekeningen heeft zij nooit gezien, niet ontvangen, laat staan gebruikt. Dat geldt ook voor de andere informatie. De ene wel ontvangen tekening en de gerealiseerde linkspan in Duinkerken zijn geen bedrijfsgeheimen. De naam van Ravestein stond bovendien niet op die tekening en MacGregor wist dan ook niet dat deze tekening afkomstig was van Ravestein. Deze tekening is ook niet geschikt om op basis daarvan een linkspan te maken en heeft geen handelswaarde. Zij heeft voorts aangevoerd dat de Calais Linkspan 10 op basis van haar eigen ontwerpwerkzaamheden is ontstaan, waarbij die ene tekening zelfs niet is gebruikt. Zij heeft, door de eigen ontwerpafdeling van het concern waartoe zij behoort, alle noodzakelijke tekeningen laten maken en informatie laten verzamelen. MacGregor heeft toegelicht dat in het kader van de ontwikkeling van de Linkspan Calais 10:

  1. ongeveer 73GB aan gegevens in tijdelijke en definitieve documenten, tekeningen, rapporten, brieven en andere documenten, georganiseerd in 2.169 mappen, is gemaakt,

  2. ongeveer 40.000 engineering-uren zijn gebruikt in de ontwerpbureaus van MacGregor,

  3. MacGregor 106 tekeningen en documenten ter goedkeuring aan de klant heeft voorgelegd in de verschillende stadia van het ontwerpproces,

  4. MacGregor ongeveer 1.243 bladzijden tekeningen en specificaties in de vorm van definitieve tekeningen en specificaties heeft vrijgegeven aan leveranciers voor de vervaardiging van Linkspan Calais 10.

8.25.

Ravestein heeft ter zitting meegedeeld dat zij het in die zin eens is met MacGregor dat de gerealiseerde linkspan in Duinkerken en de enkele tekening die hierboven in 4.6 is afgebeeld geen bedrijfsgeheimen zijn, omdat deze openbaar zijn, en dat haar verwijt daar niet op ziet. Haar verwijt ziet op de hele set tekeningen en andere informatie.

8.26.

Ravestein baseert haar vorderingen in dit kader op de Wet bescherming bedrijfsgeheimen. De rechtbank stelt voorop dat de handelingen van MacGregor, waarvan Ravestein in deze procedure de onrechtmatigheid inroept, dateren van vóór de inwerkingtreding (per 23 oktober 2018) van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen. De handelingen dateren ook van vóór de omzettingstermijn (9 juni 2018) van de aan de Wet bescherming bedrijfsgeheimen ten grondslag liggende EU-richtlijn 2016/943 (hierna: de richtlijn). De richtlijn en de Wet bescherming bedrijfsgeheimen hebben geen terugwerkende kracht, zodat de vordering van Ravestein daaraan niet rechtstreeks getoetst kan worden. Dit betekent dat de rechtbank de vordering zal toetsen aan de hand van het beoordelingskader van het commune aansprakelijkheidsrecht. Nu de richtlijn en de Wet bescherming bedrijfsgeheimen een codificatie zijn van het leerstuk omtrent onrechtmatige verwerving van bedrijfsgeheimen, zal de rechtbank de betreffende, ook in de relevante periode geldende, normen in haar beoordeling betrekken.

8.27.

Ter beantwoording van de vraag of MacGregor onrechtmatig heeft gehandeld jegens Ravestein zal de rechtbank allereerst beoordelen of Ravestein houder is van een bedrijfsgeheim. Een bedrijfsgeheim is informatie die geheim is in die zin dat zij, in haar geheel dan wel in de juiste samenstelling en ordening van haar bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk is voor degenen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezig houden met dergelijke informatie. De informatie moet ook handelswaarde bezitten omdat zij geheim is. Verder moet dit geheim ook zijn onderworpen aan redelijke maatregelen tot geheimhouding van de informatie.

8.28.

Dat de set tekeningen waarop Ravestein zich baseert van Ravestein afkomstige bouwtekeningen van de Ravelink betreft, is tussen partijen niet in geschil. Dat deze set tekeningen en de andere informatie als een bedrijfsgeheim moeten worden beschouwd is niet, althans niet voldoende betwist door MacGregor.

8.29.

Dat die complete set tekeningen en andere informatie commerciële waarde heeft is voldoende door Ravestein gesteld en door MacGregor op zichzelf ook niet betwist. Datzelfde geldt voor de stelling van Ravestein dat zij zich alle redelijke inspanningen heeft getroost om de betreffende informatie geheim te houden, onder andere door haar medewerkers en derden die zij inschakelt een geheimhoudingsplicht op te leggen en door geheimhouding af te spreken met (potentiële) opdrachtgevers, zoals in dit geval met Bouygues. MacGregor heeft weliswaar betwist dat de geheimhoudingsclausule in de overeenkomst tussen Ravestein en Bouygues geldig is, dan wel nog steeds geldt (welke vraag onderwerp van geschil is in de Franse procedure bedoeld in 4.9), maar daarmee blijft onverlet dat op zichzelf niet in geschil is dát Ravestein geheimhouding betracht ten aanzien van haar bedrijfsinformatie en in dat kader dus redelijke maatregelen treft.

8.30.

Als komt vast te staan dat MacGregor de set tekeningen en de andere informatie, en daarmee de bedrijfsgeheimen, van Ravestein heeft gekregen van Bouygues en daaruit voordeel heeft getrokken, bijvoorbeeld door deze te gebruiken en/of door lager in te schrijven, zal dit in beginsel onrechtmatig jegens Ravestein zijn, want in strijd met eerlijke handelspraktijken. MacGregor had, gegeven de situatie, te weten dat op alle tekeningen een verwijzing naar Port Calais 2015 en de naam van Ravestein stond en zij en Ravestein concurrenten in de aanbesteding waren, moeten beseffen dat het Bouygues niet vrijstond om aan haar, MacGregor, de tekeningen en andere informatie van Ravestein ter beschikking te stellen.

8.31.

Dat MacGregor daadwerkelijk de hele set tekeningen en andere informatie heeft ontvangen, is vooralsnog echter niet vast komen te staan, nu MacGregor dit ten stelligste heeft betwist. Haar stelling dat daarvoor ook geen enkele aanwijzing kan worden gevonden volgt de rechtbank niet. Die aanwijzing kan worden gevonden in de omstandigheid dat naar Ravestein onbetwist heeft gesteld Bouygues in de Franse procedure het standpunt heeft ingenomen dat zij de complete set tekeningen en andere informatie met (onder andere) MacGregor mócht delen. Bouygues ontkent volgens Ravestein ook niet dat zij dat daadwerkelijk heeft gedaan. MacGregor stelt daar slechts tegenover dat haar niet bekend is dat Bouygues heeft toegegeven dat wel gedaan te hebben, maar dat volstaat niet.

8.32.

Gelet op voorgaande zal de rechtbank Ravestein, op wie ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast rust, toelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat MacGregor in 2016 de complete set tekeningen (en eventueel ook andere informatie) met betrekking tot de Ravelink van Bouygues heeft ontvangen.

Ad d) De incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv

8.33.

De exhibitievordering van Ravestein heeft (voornamelijk) betrekking op de informatie die door Bouygues aan MacGregor ter beschikking is gesteld. Tijdens de onderhavige procedure heeft MacGregor als productie 28 de e-mail met bijlagen, die zij op 14 maart 2016 van Bouygues heeft ontvangen, in het geding gebracht. MacGregor heeft aangevoerd dat zij verder niets heeft ontvangen van Bouygues en dat er om die reden dus al geen grond is voor toewijzing van de exhibitievordering. Volgens Ravestein zal de exhibitievordering juist kunnen bevestigen dat door Bouygues de complete set tekeningen en andere informatie aan MacGregor is verstrekt.

8.34.

Gelet op de aan Ravestein te verstrekken bewijsopdracht (zie hiervoor onder 8.32) ziet de rechtbank aanleiding om, in afwachting van de bewijslevering, iedere beslissing in het incident aan te houden.

Profiteren van wanprestatie

8.35.

Gelet op het voorgaande wordt thans niet toegekomen aan de vraag of MacGregor onrechtmatig profiteert van de wanprestatie van Bouygues. Opgemerkt wordt dat de vraag of sprake is van wanprestatie van Bouygues jegens Ravestein onderwerp van geschil is in de nog lopende Franse procedure (zie hiervoor onder 4.9). Indien en voor zover in de onderhavige procedure aan de beantwoording van deze vraag zal worden toegekomen, ligt het in de rede dat partijen zich te zijner tijd (eerst) zullen uitlaten over de stand van zaken in de Franse procedure.

Conclusie

8.36.

Conclusie van het voorgaande is dat de vorderingen van Ravestein, voor zover gegrond op het auteursrecht en op slaafse nabootsing, te zijner tijd zullen worden afgewezen. Voor zover de vorderingen zijn gegrond op schending van de bedrijfsgeheimen van Ravestein door MacGregor, zal Ravestein worden toegelaten tot bewijslevering als hiervoor onder 8.32 bedoeld. In afwachting van de bewijslevering zal iedere verdere beslissing in conventie worden aangehouden.

In reconventie

8.37.

In reconventie is, kort gezegd, de vraag aan de orde of door Ravestein ten laste van Cargotec onrechtmatig beslag is gelegd en of Ravestein uit dien hoofde aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door Cargotec en MacGregor geleden schade. Of het beslag onrechtmatig was hangt mede af van de vraag of Ravestein zich terecht op het standpunt stelt dat zij een vordering (op welke grondslag ook) heeft op MacGregor. De rechtbank zal dus, in afwachting van de uitkomst van de procedure in conventie, iedere beslissing in reconventie aanhouden.

9. De beslissing

De rechtbank

in de zaak 20-908

9.1.

houdt iedere beslissing aan;

in de zaak 21-308

in conventie

9.2.

draagt Ravestein op feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat MacGregor in 2016 de complete set tekeningen en andere informatie met betrekking tot de Ravelink, als hiervoor onder 8.20 en 8.22 bedoeld, van Bouygues heeft ontvangen;

9.3.

bepaalt dat indien Ravestein dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan Wilhelminaplein 100/125, voor een nader te bepalen rechter-commissaris;

9.4.

bepaalt dat Ravestein, indien deze getuigen wil laten horen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - Administratie haven en handel, afdeling planningsadministratie, kamer E13.31, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 088-36 10555 - de namens haar te horen getuigen en de verhinderdagen van de getuigen, alle partijen en hun advocaten in de maanden augustus 2022 tot en met januari 2023 moet opgeven, waarna dag/dagen en uur van het getuigenverhoor zal worden bepaald;

9.5.

bepaalt dat MacGregor, indien zij getuigen in contra-enquête wil voorbrengen, bij de opgave van verhinderdata rekening moet houden met de in dat kader (vermoedelijk) te horen getuigen; voor contra-enquête zal een dag/dagen en uur worden gereserveerd na de voor het getuigenverhoor bepaalde dag en tijd;

9.6.

bepaalt dat Ravestein, indien zij het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, het voornemen hiertoe binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank

- Administratie haven en handel, afdeling roladministratie, kamer E13.31, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 088-36 10554 - en aan de wederpartij moet opgeven, waarna de verdere procesvoering zal worden bepaald;

9.7.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken, voor zover nog niet in het geding gebracht, aan de rechtbank - Administratie haven en handel, afdeling planningsadministratie, kamer E13.31, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - en de wederpartij moeten toesturen; voorts verzoekt de rechtbank partijen een extra exemplaar digitaal (dus niet per fax) te verzenden naar het e-mailadres: handel.rtm@rechtspraak.nl;

9.8.

houdt iedere verdere beslissing aan;

in het incident ex artikel 843a Rv

9.9.

houdt iedere beslissing aan;

in reconventie

9.10.

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. G.J. Heevel en mr. W.J.M. Diekman en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2022.

1977/106/1515/2502