Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:4484

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-05-2022
Datum publicatie
09-06-2022
Zaaknummer
FT EA 22/207 en FT EA 22/208
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dwangakkoord toewijzen. Saneringskrediet. Afstand tot de arbeidsmarkt.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 17 mei 2022 (bij vervroeging)

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [adres]

[woonplaats],

verzoekster.

1. De procedure

Verzoekster heeft op 8 maart 2022, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een tweetal schuldeisers, te weten:

  • -

    [schuldeiser 1] (hierna: [schuldeiser 1]);

  • -

    [schuldeiser 2] (hierna: [schuldeiser 2]);

die weigeren mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Ter zitting van 11 mei 2022 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoekster;

  • -

    de heer M.M. Draër, werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);

  • -

    mevrouw W. Balgobind, werkzaam bij Fresh Start Bewindvoering (hierna: beschermingsbewind).

De weigerende schuldeisers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De uitspraak is bij vervroeging bepaald op heden.

2. Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift tweeëndertig schuldeisers, waarvan één preferente en eenendertig concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 45.675,55 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van

23 december 2021 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 6,04% aan de preferente schuldeisers en 3,02% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering. Verzoekster heeft geen startkwalificaties, zij heeft de middelbare school niet afgemaakt en heeft nauwelijks werkervaring. Verzoekster is met een re-integratietraject begonnen waarbij zij vrijwilligerswerk verricht in de speeltuin om zo eerst de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd.

Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar beschermingsbewindvoerder voldaan.

Dertig schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] stemmen hier niet mee in. Zij hebben een vordering van respectievelijk € 271,05 en
€ 3.229,60 op verzoekster, welke 0,6% en 7,1% van de totale schuldenlast belopen.

3. Het verweer

In de contacten met schuldhulpverlening heeft [schuldeiser 1] te kennen gegeven dat zij niet akkoord gaat met de aangeboden regeling zonder verdere opgaaf van redenen.

In de contacten met schuldhulpverlening heeft [schuldeiser 2] gesteld dat de schuld van verzoekster niet te goeder trouw is ontstaan. Verzoekster zou de eigendommen van [schuldeiser 2] verduisterd hebben door deze niet terug te geven. [schuldeiser 2] heeft uitgebreid geprobeerd verzoekster te bewegen tot een betalingsregeling, eventueel in combinatie met het inleveren van de gehuurde apparatuur. Dit heeft verzoekster willens en wetens geweigerd.

In reactie op het verweer van [schuldeiser 2] heeft verzoekster ter zitting verklaard dat zij de goederen vijftien jaar geleden heeft gehuurd. [schuldeiser 2] heeft beslag laten nemen op de inboedel van verzoekster. De gehuurde apparatuur is destijds ook in beslag genomen en verzoekster betwist dat zij geweigerd heeft om deze af te geven.

Hoewel behoorlijk opgeroepen hebben [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunten ter zitting toe te lichten.

4. De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] bij hun weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vorderingen van [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] een gering aandeel vormen in de totale schuldenlast van respectievelijk 0,6% en 7,1%.

Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk dertig van de tweeëndertig schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.

De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten de Kredietbank Rotterdam. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.

De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster niet beschikt over betaald werk. Er is sprake van een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Verzoekster heeft de middelbare school niet afgemaakt, zij heeft geen startkwalificatie en heeft weinig werkervaring. Verzoekster is bezig met een re-integratietraject om de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen. Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk geworden dat verzoekster in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan haar huidige inkomen.

Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden. Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2], die geweigerd hebben in te stemmen.

Het verzoek om [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

[schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank:

- beveelt [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;

- veroordeelt [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van

mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar bij vervroeging uitgesproken op 17 mei 2022. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.