Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:4419

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-05-2022
Datum publicatie
07-06-2022
Zaaknummer
10/003789-22
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de (verlengde) invoer van een hoeveelheid cocaïne. Om de partij verdovende middelen tot zijn beschikking te krijgen, heeft de verdachte door middel van pincodefraude een container gestolen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/003789-22

Datum uitspraak: 10 mei 2022

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in DC Rotterdam,

raadsman mr. P.C. Saris, advocaat te Eindhoven.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 21 april 2022.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. N.J.P. Coenen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Er zijn geen redengevende bewijsmiddelen voorhanden op grond waarvan kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van cocaïne en opzet had op de (verlengde) invoer van cocaïne. Ook kan niet worden bewezen dat de verdachte de container en/of de inhoud hiervan wederrechtelijk heeft toegeëigend.

4.1.2.

Beoordeling

Pincodefraude

Uit politieonderzoek is gebleken dat er veelvuldig diefstal van containers vanaf diverse containerterminals in de Rotterdamse haven plaatsvindt door middel van zogenaamde pincodefraude. Deze diefstallen lijken voornamelijk gerelateerd aan de smokkel van verdovende middelen en dan vooral cocaïne.

De modus operandi waarmee de diefstal wordt gepleegd, is in alle gevallen ongeveer hetzelfde. Een chauffeur komt bij de terminal om een recent geloste en vrijgegeven container op te halen. Elke container heeft een uniek nummer, een pincode, bestaande uit een aantal cijfers of letters of een combinatie daarvan. De rederij maakt deze pincode aan en verstrekt deze pincode aan de terminal en de eigenaar van de goederen in de container (of de ingeschakelde douane-expediteur die de douaneformaliteiten en het vervoer vanaf de terminal regelt; hierna samen: de eigenaar). De eigenaar benadert vervolgens een transportonderneming om de container te vervoeren en verstrekt aan haar de pincode, zodat de container kan worden opgehaald.

Bij een aantal containerterminals in de Rotterdamse haven kan een container worden opgehaald als deze is voorgemeld via Portbase, een digitaal systeem waarin containers worden aangemeld voordat deze mogen worden opgehaald bij de terminal. Na deze aanmelding kan een willekeurige chauffeur die de beschikking heeft over het containernummer en de bijbehorende pincode de container ophalen. Vervolgens wordt de container naar een plek gebracht waar de verdovende middelen kunnen worden uitgehaald. In de situaties dat de container na het uithalen alsnog naar het beoogde legitieme afleveradres wordt gebracht, blijkt vaak dat de zegel ontbreekt of dat er een vervalste zegel op de container zit.

Tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven modus operandi acht de rechtbank in de onderhavige zaak de navolgende feiten en omstandigheden van belang.

Op 4 januari 2022 hebben verbalisanten naar aanleiding van een ANPR-hit de vrachtwagen met kenteken [kentekennummer 1] gevolgd. Achter de vrachtwagen hing een leeg containerchassis met een ongeldig kenteken. De vrachtwagen reed eerst in de richting van de Maasvlakte en vervolgens weer terug naar Rotterdam, nog steeds zonder container op de oplegger. Uiteindelijk is de vrachtwagen gedurende ongeveer vier uur geparkeerd geweest op een afgelegen industrieterrein, op ongeveer vijftien minuten van de containerterminals. Vervolgens is de vrachtwagen het terrein van de Rotterdam World Gateway-terminal (RWG) aan de Amoerweg (Rotterdam Maasvlakte), opgereden. Om omstreeks 20:55 uur reed de vrachtwagen weer richting de N15; de oplegger was ditmaal geladen met een container voorzien van nummer [containernummer]. Een Volkswagen Polo met kenteken [kentekennummer 2] reed gedurende de tijd dat de vrachtwagen op het RWG-terrein was, diverse keren langzaam over de Amoerweg. Toen de vrachtwagen het RWG-terrein verliet, reed de Volkswagen Polo direct achter de vrachtwagen aan. Dit voertuig bleef vanaf de uitgang van de terminal kilometers lang zowel direct voor als direct achter de vrachtwagen rijden, met een snelheid van 80 tot 85 kilometer per uur. Dit terwijl er verder nauwelijks verkeer reed.

De bestuurder van de vrachtwagen bleek de verdachte te zijn. De verdachte heeft ter plaatse verklaard dat hij geen documenten van de lading bij zich had. Door verbalisanten is vervolgens waargenomen dat de zegel, die op de deuren van de container zat, vermoedelijk vals was. De bestuurder van de Volkswagen Polo bleek te zijn genaamd: [naam medeverdachte] (hierna: de medeverdachte).

De container met nummer [containernummer] was afkomstig uit Costa Rica en op 4 januari 2022 om 17:41 uur gelost op de RWG-terminal. Naast pallets met ananassen zijn er in de container pakketten aangetroffen met daarin in totaal ongeveer 500 kilogram cocaïne.

Namens [naam bedrijf] B.V. (KGF) is aangifte gedaan van diefstal van de container met nummer [containernummer]. De container is op 4 januari 2022 omstreeks 20:55 uur door een voor haar onbekende en onbevoegde chauffeur onrechtmatig opgehaald bij de RWG-terminal. KGF wilde deze pas op 6 januari 2022 door haar eigen chauffeur laten ophalen en had daarom nog geen vooraanmelding in Portbase gedaan of een pincode verstrekt. Het is onbekend wie de vooraanmelding heeft gedaan en de pincode aan de verdachte heeft verstrekt. De originele verzegeling bleek te zijn vervangen door een zegel met een ander nummer.

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte beschikte over de juiste pincode om de container uit te halen, terwijl de pincode hem niet door of namens de eigenaar was verstrekt. Ook heeft de bestuurder geen vervoersopdracht van of namens de eigenaar van de container verkregen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de container met nummer [containernummer] op 4 januari 2022 door pincodefraude oftewel met behulp van een valse sleutel heeft weggenomen.

Wetenschap/opzet verdachte

De vraag is of de verdachte opzet heeft gehad op de diefstal van de container door middel van pincodefraude en opzet heeft gehad op de (verlengde) invoer van cocaïne.

De verdachte heeft hier zelf geen enkele verklaring over afgelegd. Dat het voor de verdachte duidelijk is geweest dat sprake was van pincodefraude ten behoeve van de uithaal van cocaïne leidt de rechtbank evenwel af uit het gebruik van een vals kenteken op het containerchassis, het ontbreken van ladingdocumenten en de voor verbalisanten direct zichtbare valse zegel op de container. Juist de verdachte moet door genoemde omstandigheden hebben geweten dat het niet om een regulier en legaal containertransport ging, gelet op zijn verklaring dat hij reeds twintig jaar werkzaam is als vrachtwagenchauffeur.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er sprake was van pincodefraude en dat de container cocaïne zou bevatten. Er is geen bewijs dat de verdachte op de hoogte was van de exacte hoeveelheid cocaïne, zodat hij wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde hoeveelheid van 500 kilogram.

Uit artikel 1 lid 4 van de Opiumwet blijkt dat onder het invoeren van verdovende middelen niet alleen binnen het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen zelf wordt begrepen, maar ook het verrichten van handelingen gericht op het verdere vervoer, de opslag en de aflevering van verdovende middelen (de zogenaamde ‘verlengde invoer’). Aldus heeft de verdachte ten minste voorwaardelijk opzet gehad op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne.

De rechtbank concludeert dat de verdachte, door de container op te halen met gebruik van een pincode waartoe hij niet gerechtigd was, de container heeft gestolen. Door zijn handelen heeft de verdachte welbewust het risico aanvaard dat de pincode niet door hem mocht worden gebruikt. Anders dan de verdediging is de rechtbank ook van oordeel dat het ophalen van de container op 4 januari 2022 een voltooide diefstal oplevert. De verdachte heeft, door de container op het containerchassis te plaatsen en weg te rijden van de terminal, de container volledig onttrokken aan de beschikkingsmacht van de rechtmatige eigenaar. Op dat moment was de diefstal voltooid. Het feit dat de container de eindbestemming nog niet had bereikt, doet daar niet aan af.

Medeplegen

Gelet op het complexe logistieke proces rondom de invoer van containers, kan niet anders worden geoordeeld dan dat de verdachte voor de invoer van een hoeveelheid cocaïne en het onrechtmatig ophalen van de container nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen.

4.1.3.

Conclusie

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 4 januari 2022 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 4 januari 2022 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (van de RWG-terminal, gelegen

aan de Amoerweg ) heeft weggenomen container [containernummer] (inhoudende

ananassen), toebehorende aan [naam bedrijf]

, waarbij verdachte en zijn mededader(s) het weg te nemen goed onder

hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten

door met een (valselijk verkregen) pincode , die hij, verdachte en

zijn mededader(s) niet gerechtigd waren te gebruiken, die container (met

ananassen) van de RWG-terminal op te halen en weg te voeren.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

2. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de (verlengde) invoer van een hoeveelheid cocaïne. Om de partij verdovende middelen tot zijn beschikking te krijgen, heeft de verdachte door middel van pincodefraude een container gestolen. Door het plegen van deze strafbare feiten was de verdachte een onmisbare schakel bij de invoer van verdovende middelen.

De invoer van harddrugs is een ernstig feit. Harddrugs zoals cocaïne bevatten immers stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid en sterk verslavend zijn. Daarnaast ontstaat door de handel schade en overlast voor de samenleving, en in dit geval ook voor de eigenaar van de container. De strafbaarheid en de grote winstgevendheid ervan brengt mee dat de georganiseerde handel in cocaïne een ontwrichtende invloed heeft op de samenleving. Zo is een aanzienlijk deel van de vermogensdelicten te relateren aan de behoefte van verdovende middelen van gebruikers. Verder zijn veel liquidaties die in het criminele circuit worden gepleegd direct of indirect het gevolg van conflicten in de onderwereld met betrekking tot grootschalige drugshandel. Ook brengt de handel in harddrugs mee dat een zwartgeldcircuit ontstaat met alle gevolgen van dien.

Door als vrachtwagenchauffeur zijn medewerking te verlenen aan de verlengde import van cocaïne, levert hij een belangrijke bijdrage aan deze ernstige vorm van criminaliteit en is hij er mede verantwoordelijk voor dat dit in stand kan blijven. Immers, zonder hulp vanuit de haven, het bedrijfsleven en/of de transportsector zal het succesvol invoeren van cocaïne een stuk ingewikkelder en daarmee onaantrekkelijker worden.

De rechtbank neemt het de verdachte dan ook kwalijk dat hij hieraan zijn medewerking heeft verleend, vermoedelijk om er zelf veel geld aan te verdienen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 maart 2022, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Overig

De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van hetgeen de verdachte ter zitting over zijn persoonlijke omstandigheden naar voren heeft gebracht, te weten dat hij – zijnde een veteraan – PTSS heeft en hard heeft gewerkt om zijn leven weer op te bouwen en schuldenvrij te raken.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De verdediging heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, indien nodig vermeerderd met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. De ernst van de strafbare feiten en de cruciale rol van de verdachte staan dit echter niet toe. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden.

Gelet op duur van de gevangenisstraf die zal worden opgelegd, zal het verzoek van de verdediging tot opheffing van de voorlopige hechtenis worden afgewezen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering aan de orde is.

8. In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen oplegger en vrachtauto terug te geven aan de rechthebbende.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.

8.3.

Beoordeling

Ten aanzien van de in beslag genomen oplegger en vrachtauto met kenteken [kentekennummer 1] zal een last worden gegeven tot teruggave aan de degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van:

* 1 STK oplegger;

* 1 STK vrachtauto ([kentekennummer 1]).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.A. Hut, voorzitter,

en mrs. C. Laukens en I. Tillema, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.C. Wennekes, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 4 januari 2022 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, waaronder zoals

bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer500 kilogram, in

elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op of omstreeks 4 januari 2022 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (van de RWG-terminal, gelegen

aan de Amoerweg 80) heeft weggenomen container [containernummer] (inhoudende

ananassen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam bedrijf]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte,

en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten

door met een (valselijk verkregen) pincode en/of TAR-code, die hij, verdachte en/of

zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren te gebruiken, die container (met

ananassen) van de RWG-terminal op/uit te halen en/of weg te voeren.