Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:4397

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-05-2022
Datum publicatie
07-06-2022
Zaaknummer
632451 FT RK 22-85
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

faillietverklaring. Verweerster is meermaals in de gelegenheid gesteld betalingsregelingen na te komen. Lopende verplichtingen zijn echter niet nagekomen, waardoor hoofdsom nagenoeg gelijk is gebleven, de betalingsregelingen ten spijt. Het belang van verzoekster bij de faillietverklaring is mede dat zij thans mogelijk nog (gedeeltelijk) aanspraak kan maken op de loongarantieregeling. Daarom volgt alsnog faillietverklaring.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

Insolventienummer: [nummer]

Uitspraak: 31 mei 2022

VONNIS op het op 1 maart 2022 ingekomen verzoekschrift, met bijlagen, van:

de stichting

STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR HET BEROEPSVERVOER OVER DE WEG,

statutair gevestigd te Amsterdam,

te dezer zake domicilie kiezende aan de Boteyken 199,

3453 PD te De Meern,

verzoekster,

advocaat: mr. J.A. Trimbach,

strekkende tot faillietverklaring van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B&S TRANSPORT B.V.,

kantoorhoudende te Molenvliet 43,

3335 LH Zwijndrecht,

statutair gevestigd te Zwijndrecht,

verweerster,

advocaat: mr. M.W. Huijzer.

1 De procedure

De rechtbank heeft met toepassing van de Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbanken vanwege de bijzondere omstandigheden door de Coronacrisis (hierna: TARIC), verzoekster en verweerster op 1 maart 2022 schriftelijk geïnformeerd over de behandeling van onderhavig verzoekschrift ter zitting van 22 maart 2022 onder toezending van een formulier waarop verzoekster en verweerster hun standpunt naar voren konden brengen, met de mededeling dat dit formulier uiterlijk voor 14:00 uur op de dag voorafgaande aan de behandeling door de griffie dient te zijn ontvangen.

Verzoekster heeft bij e-mailberichten van 18 maart 2022 en 21 maart 2022 aan de rechtbank aanvullende stukken toegezonden. Bij laatstgenoemd e-mailbericht, dat tevens aan verweerster is toegezonden, heeft verzoekster het TARIC-formulier verstrekt.

Verweerster heeft bij e-mailbericht van 21 maart 2022 aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden met bijvoeging van het telefoonnummer voor de zitting conform TARIC.

Ter zitting van 22 maart 2022 zijn, conform TARIC, telefonisch gehoord:

- mr. J.A. Trimbach, advocaat van verzoekster,

- mr. M.W. Huijzer, advocaat van verweerster.

De voortzetting van de behandeling is door de rechtbank ter zitting van 22 maart 2022 bepaald op 24 mei 2022.

Verzoekster en verweerster hebben respectievelijk bij e-mailberichten van 23 mei 2022 en 24 mei 2022 aan de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.

Ter zitting van 24 mei 2022 zijn, conform TARIC, telefonisch gehoord:

- mr. J.A. Trimbach, advocaat van verzoekster,

- mr. M.W. Huijzer, advocaat van verweerster.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Standpunten van partijen

2.1

Standpunt verzoekster

Verzoekster heeft in haar inleidend verzoekschrift gesteld dat zij een opeisbare vordering heeft op verweerster van € 186.364,26 uit hoofde van niet-betaalde pensioenpremies exclusief rente en kosten. Er zijn – sinds 2019, dus nog voor de coronacrisis - eerder betalingsregelingen met verzoekster overeengekomen, maar nu verweerster daaraan geen - volledig - gevolg heeft gegeven, stelt verzoekster zich op het standpunt dat die zijn komen te vervallen. Dat verweerster na de zitting van 22 maart 2022 drie betalingen van ruim € 5.200,- (in de maanden maart, april en mei 2022) heeft gedaan, doet daaraan niets af. Daarnaast zijn de lopende betalingsverplichtingen in die periode niet nagekomen. Verzoekster heeft thans een opeisbare vordering op verweerster van ruim € 185.000,- exclusief rente en kosten. Verzoekster stelt geen vertrouwen meer te hebben in de toezeggingen van verweerster, nu er nog steeds geen concreet zicht is op volledige betaling, terwijl de hoofdsom nagenoeg gelijk is gebleven. Verzoekster stemt dan ook niet meer in met een betalingsregeling, temeer nu andere werkgevers in de sector, die wel premie betalen, benadeeld worden. Verzoekster heeft belang bij het uitspreken van het faillissement, omdat zij dan nog gedeeltelijk kan terugvallen op de loongarantieregeling van het UWV. De steunvordering bestaat uit een vordering van Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Beroepsgoederenvervoer over de weg (SOOB) van € 7.773,88. Nu er op korte termijn geen zicht is op betaling van de vordering van verzoekster, en er sprake is van een steunvordering, verkeert verweerster in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Verzoekster persisteert derhalve in haar verzoek tot faillietverklaring.

2.2

Standpunt verweerster

Verweerster heeft bij monde van haar advocaat het volgende aangevoerd. Zij betwist het vorderingsrecht van verzoekster en de steunvordering van SOOB niet. Door omstandigheden konden eerdere betalingsregelingen niet worden nagekomen, onder andere door de coronacrisis en de gevolgen daarvan voor de transportsector en doordat de bestuurder maanden uit de roulatie is geweest vanwege medische problemen. In het verweerschrift en ter zitting van 22 maart 2022 is door verweerster aangevoerd dat er tegemoetkoming vaste lasten (TVL) in aanvraag is, waaruit verzoekster een substantiële eerste betaling zou kunnen ontvangen. Desgevraagd geeft de advocaat van verweerster ter zitting van 24 mei 2022 aan dat begin mei 2022 bericht is ontvangen dat de aanvraag nog steeds in behandeling is. Verweerster is bereid in termijnen op de vordering af te betalen, conform het voorstel dat in januari 2022 namens verzoekster is gedaan. Zij heeft die bereidheid laten zien door na de zitting van 22 maart 2022 drie deelbetalingen van € 5.200,- te verrichten. Verzoekster heeft volgens verweerster betere vooruitzichten op betaling als de regeling wordt voortgezet. Verweerster wil dan ook de betalingsregeling vervolgen.

3. De beoordeling

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.

Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen, indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.

Op basis van het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verweerster de opeisbare vordering van verzoekster niet betwist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het vorderingsrecht van verzoekster summierlijk is gebleken.

Voorts heeft verzoekster voldoende gemotiveerd gesteld dat er sprake is van een steunvordering van SOOB. De verschuldigdheid van deze vordering wordt door verweerster niet weersproken. Aldus is van het bestaan van een steunvordering summierlijk gebleken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers.

Verweerster is meerdere keren en gedurende geruime tijd door verzoekster in de gelegenheid gesteld betalingsregelingen na te komen. Verweerster is vervolgens de lopende verplichtingen niet nagekomen, waardoor die voorstellen (in ieder geval de voorgestelde regeling van november 2021) onweersproken zijn komen te vervallen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat het aanbod van 7 januari 2022 eveneens is komen te vervallen en dat zij ook niet wenst verder te praten over een regeling. Na de zitting van 22 maart 2022 heeft verweerster niettemin drie deelbetalingen verricht conform hetgeen ter zitting van 22 maart 2022 is besproken. Onvoldoende weersproken is echter, dat na de zitting van 22 maart 2022 wederom de lopende verplichtingen onbetaald zijn gebleven (waaronder in ieder geval de factuur van 25 maart 2022). Onvoldoende gemotiveerd is ook weersproken, dat de hoofdsom van de vordering van verzoekster sinds de indiening van het verzoekschrift nagenoeg gelijk is gebleven, de deelbetalingen ten spijt. Ook is niet voldoende aannemelijk geworden dat er op korte termijn nog een substantiële deelbetaling kan worden gedaan aan verzoekster. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende aannemelijk geworden dat verzoekster verkeert in een toestand dat zij heeft opgehouden te betalen.

Het belang van verzoekster bij de faillietverklaring is bovendien voldoende aannemelijk gemaakt, mede gelet op het feit dat zij thans mogelijk nog (gedeeltelijk) aanspraak kan maken op de loongarantieregeling van het UWV.

Een en ander leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring zal toewijzen.

3 De beslissing

De rechtbank,

- verklaart B&S TRANSPORT B.V. voornoemd in staat van faillissement;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Snel-van den Hout, lid van deze rechtbank;

- stelt aan tot curator mr. P.J.E.M. Nuiten, advocaat te Rotterdam;

- geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van

mr. T. Mulder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2022 te 10:00 uur.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.