Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:4103

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-05-2022
Datum publicatie
30-05-2022
Zaaknummer
9651795 \ CV EXPL 22-2628
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot ontbinding en ontruiming woonruimte afgewezen waarbij mede in aanmerking is genomen dat de verhuurder de verplichtingen uit hoofde van het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening niet heeft nageleefd. Vordering tot betaling huurachterstand toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 9651795 \ CV EXPL 22-2628

datum uitspraak: 27 mei 2022 (BIJ VERVOEGING)

Vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam

in de zaak van

de stichting Stichting Havensteder,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 20 januari 2022,

gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V. te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] h.o.d.n. [naam bewindvoerderskantoor],

kantoorhoudende te [plaats] ,

in zijn hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen van [persoon A] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

in persoon.

De partijen worden hierna ‘Stichting Havensteder’ en ‘ [persoon A] ’ of ‘ [naam bewindvoerderskantoor] ’ genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • -

    de dagvaarding met producties;

  • -

    de aantekeningen van het mondelinge antwoord van [persoon A] ter zitting van 1 februari 2022;

  • -

    het vonnis van 14 februari 2022 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de brief van 4 mei 2022 namens Stichting Havensteder met aangehecht de akte van 12 mei 2022 met één productie;

1.2.

Op 12 mei 2022 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen en de gemachtigde van Stichting Havensteder besproken.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.2.

Tussen Stichting Havensteder en [persoon A] bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de woning te Rotterdam aan de [adres] . Op grond van deze huurovereenkomst is [persoon A] een maandelijkse huur bij vooruitbetaling verschuldigd van thans € 570,31 per maand.

2.3.

Over de maanden december 2019 tot en met mei 2022 heeft [persoon A] een bedrag van € 8.540,90 aan huur onbetaald gelaten.

2.4.

Bij brief van 10 juni 2021 is [persoon A] aangemaand om binnen 15 dagen, nadat deze brief bij haar is bezorgd, de op dat moment openstaande huur van € 5.241,78 te voldoen. Hierbij is zij ook gewezen op het feit dat zij buitengerechtelijke incassokosten van € 770,88 (inclusief btw) verschuldigd is als zij de hoofdsom niet tijdig voldoet.

2.5.

Bij beschikking van 4 maart 2022 is [persoon A] onder bewind gesteld en is [naam bewindvoerderskantoor] benoemd tot bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [persoon A] .

3. De vordering

3.1.

Stichting Havensteder heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. te ontbinden voormelde tussen [persoon A] en Stichting Havensteder bestaande huurovereenkomst met veroordeling van [persoon A] om dat gehuurde met al de zich daarin bevindende personen en roerende zaken, voor zover deze laatste het eigendom van Stichting Havensteder niet zijn, te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels en alles wat verder tot het gehuurde behoort, in behoorlijke staat op te leveren en ter algehele beschikking van Stichting Havensteder te stellen;

[persoon A] te veroordelen aan Stichting Havensteder tegen behoorlijke kwijting te betalen:

Hoofdsom (huur t/m januari 2022) € 7.972,97

buitengerechtelijke (incasso)kosten € 770,88 (incl. btw)

gevorderd bedrag € 8.743,85

alsmede de wettelijke rente berekend over een bedrag van € 7.972,97, sedert de dag van dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening, alsmede een bedrag van € 570,31 per maand of gedeelte daarvan dat [persoon A] voormeld perceel(sgedeelte) na 31 januari 2022 in gebruik zal houden;

in ieder geval [persoon A] te veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen een bedrag aan salaris voor de gemachtigde van Stichting Havensteder.

3.2.

Aan haar vordering heeft Stichting Havensteder ten grondslag gelegd dat [persoon A] in gebreke is gebleven met de tijdige en volledige betaling van de huur en dat zij in verzuim is.

3.3.

Stichting Havensteder is op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW een bedrag van € 770,88 (incl. btw) aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.

3.4.

[persoon A] dient vanaf 1 februari 2022 de huur en vanaf de datum ontbinding tot aan het moment van de ontruiming een bedrag ter hoogte van de huur te betalen aan Stichting Havensteder voor het gebruik van de woning.

3.5.

Op grond van artikel 6:119 BW is [persoon A] wettelijke rente aan Stichting Havensteder verschuldigd.

4. Het verweer

4.1.

[persoon A] heeft bij antwoord de vorderingen van Stichting Havensteder gedeeltelijk betwist. [persoon A] heeft aangegeven dat bepaalde maanden niet als betaald zijn aangemerkt, terwijl zij die wel heeft betaald. Verder heeft [persoon A] gesteld dat zij als gevolg van omstandigheden die in de privésfeer zijn gelegen in betalingsproblemen is gekomen. Ook is een aanvraag voor beschermingsbewind ingediend.

5. De beoordeling

Onder bewindstelling

5.1.

Na het uitbrengen van de dagvaarding tegen [persoon A] is per 4 maart 2022 een bewind ingesteld over haar goederen. [naam bewindvoerderskantoor] is benoemd als bewindvoerder van [persoon A] . Uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2014:525) volgt dat Stichting Havensteder [naam bewindvoerderskantoor] (in hoedanigheid van bewindvoerder) in rechte dient te betrekken in een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed. Daarvan is hier sprake.

5.2.

Ter zitting is vastgesteld dat [naam bewindvoerderskantoor] thans als procespartij in de hoedanigheid van bewindvoerder van [persoon A] optreedt zodat dit vonnis wordt gewezen tussen Stichting Havensteder en [naam bewindvoerderskantoor] .

Vordering tot ontbinding

5.3.

Op grond van het bepaalde in artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij de toepassing van artikel 6:265 lid 1 BW kan rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Zo dient enerzijds rekening gehouden te worden met het belang van Stichting Havensteder om als (sociale) verhuurder (tijdig) de huur te ontvangen en anderzijds het belang van [persoon A] als huurder om het ingrijpende gevolg van ontbinding en ontruiming te vermijden. Het is aan de feitenrechter om te beoordelen of de tekortkoming, gelet op de omstandigheden van het geval, van voldoende gewicht is om de overeenkomst te ontbinden.

5.4.

Bij akte van 12 mei 2022 heeft Stichting Havensteder een actueel overzicht overgelegd van de huurachterstand. De huurachterstand berekend tot en met mei 2022 bedraagt € 8.540,90. Deze huurachterstand is ter zitting niet (langer) betwist. In rechte kan daarom van deze huurachterstand worden uitgegaan.

5.5.

Het gaat hier om een forse huurachterstand. Toch laat de kantonrechter het belang van [persoon A] in het onderhavige geval zwaarder wegen en zal hij niet overgaan tot ontbinding van de huurovereenkomst. De redenen van deze beslissing zijn als volgt.

5.6.

Per 1 januari 2021 is het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening in werking getreden (hierna: ‘het Besluit’). Voor de beoordeling in onderhavige zaak is met name artikel 2 (gegevensverstrekking huurachterstand) van het Besluit van belang, dat bepaalt:

“De verhuurder van een tot bewoning bestemde onroerende zaak verstrekt als er achterstand is in het betalen van de huur de contactgegevens van de huurder en de hoogte van de achterstand aan het college voor schuldhulpverlening (lees: de gemeente, ktr), als hij:

a. inspanning heeft geleverd om in persoonlijk contact te treden met de huurders om deze te wijzen op de mogelijkheden om betalingsachterstanden te voorkomen en te beëindigen;

b. de huurder gewezen heeft op de mogelijkheden voor schuldhulpverlening;

c. de huurder tenminste eenmaal een schriftelijke herinnering heeft gestuurd over de betalingsachterstand; en

d. bij die schriftelijke herinnering heeft aangeboden om met schriftelijke toestemming van de huurder zijn contactgegevens aan het college te verstrekken en de huurder daarop niet afwijzend heeft gereageerd.”

5.7.

Het Besluit is gebaseerd op de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (hierna: Wgs). In de Wgs is de mogelijkheid opgenomen om signalen van schuldeisers over het bestaan van betalingsachterstanden aan te wijzen op basis waarvan schuldhulpverleners zelf het initiatief moeten nemen voor een intakegesprek met inwoners met schulden (de zogenoemde ‘vroegsignalering’ van schulden). Daarvoor is het nodig dat de schuldhulpverleners meldingen ontvangen over die schulden. Het Besluit noemt een aantal gevallen waarin een verhuurder verplicht is om betalingsachterstanden te melden aan de gemeenten. Er is geen sanctie op niet melden en de verhuurder houdt de mogelijkheid om aan de rechter om ontbinding van de huurovereenkomst te vragen. Dat laat onverlet dat de rechter, gelet op het in r.o. 5.3 weergegeven toetsingskader, bij de afweging of ontbinding en ontruiming te rechtvaardigen is, kan meewegen of aan het bepaalde in dit Besluit is voldaan.

5.8.

Uit de stukken valt niet op te maken dat Stichting Havensteder het bepaalde in artikel 2 van het Besluit heeft nageleefd. Ter zitting heeft de gemachtigde van Stichting Havensteder desgevraagd verklaard dat zij denkt dat een brief is verzonden aan [persoon A] waarin [persoon A] is verwezen naar de Vraagwijzer. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarmee niet gebleken dat Stichting Havensteder aan haar verplichtingen als bedoeld in artikel 2 Besluit heeft voldaan, welke verplichtingen immers veel meer inhouden dan een enkele verwijzing naar de Vraagwijzer (zie 5.6). Het gevolg hiervan is dat geen vroegsignalering als bedoeld in het Besluit heeft plaatsgevonden en – in het verlengde daarvan – de mogelijkheid dat schuldhulpverlening na die melding contact had kunnen opnemen met [persoon A] niet is benut.

5.9.

In dit verband acht de kantonrechter het van belang dat [persoon A] na het uitbrengen van de dagvaarding – kennelijk op eigen initiatief – beschermingsbewind heeft aangevraagd en dat dit bewind vervolgens ook per 4 maart 2022 is uitgesproken. Ter zitting is door [naam bewindvoerderskantoor] aangegeven dat in juni 2022 naar verwachting alle schulden in kaart zullen zijn gebracht en dat vervolgens geprobeerd zal worden met alle schuldeisers een minnelijke regeling te treffen. [naam bewindvoerderskantoor] heeft voorts aangegeven dat de inkomsten van [persoon A] voldoende zijn om de lopende huur te voldoen en dat dit, zo begrijpt de kantonrechter, ook het geval is als [persoon A] onverhoopt haar inkomsten uit arbeid mocht verliezen en aangewezen is op een uitkering.

5.10

Tot slot is van belang dat [persoon A] ter zitting onweersproken heeft gesteld dat zij zwanger is en geen mogelijkheden heeft om elders onderdak te krijgen.

5.11.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan niet uitgesloten worden dat de huurachterstand niet zo hoog was opgelopen als Stichting Havensteder tijdig had voldaan aan haar verplichtingen uit hoofde van artikel 2 Besluit en schuldhulpverlening eerder was opgestart. Thans is sprake van beschermingsbewind en is voldoende gewaarborgd dat de lopende huur wordt betaald. De schulden zullen naar verwachting op korte termijn in kaart zijn gebracht waarna geprobeerd zal worden met alle schuldeisers een minnelijke regeling te treffen. Tegen deze achtergrond weegt het belang van [persoon A] bij voortzetting van de huurovereenkomst, mede gelet op r.o. 5.10, zwaarder dan het belang van Stichting Havensteder bij ontbinding en ontruiming. De hierop gerichte vorderingen van Stichting Havensteder worden dan ook afgewezen. Hierin ligt besloten dat ook de vordering tot betaling van de toekomstige termijnen ter hoogte van € 570,31 per maand of gedeelte daarvan dat de woning wordt verhuurd aan [persoon A] wordt afgewezen.

Betalingsachterstand

5.12.

De vordering tot betaling van € 8.540,90 (huurachterstand tot en met mei 2022) is, zoals hiervoor overwogen, niet (langer) betwist en wordt dan ook toegewezen.

Wettelijke rente

5.13.

De vordering tot betaling van de wettelijke rente over de bij dagvaarding gevorderde huurachterstand ter hoogte van € 7.972,97 (huurachterstand tot en met januari 2022) vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening, is niet weersproken en zal als op de wet gegrond worden toegewezen..

Buitengerechtelijke incassokosten

5.14.

Stichting Havensteder maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten komt voor toewijzing in aanmerking, nu met het versturen van de brief van 10 juni 2021 (zie 2.4) is voldaan aan de vereisten zoals neergelegd in artikel 6:96, zesde lid BW. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen voor het gevorderde bedrag van € 770,88 (incl. btw), dat jegens [naam bewindvoerderskantoor] redelijk is, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht.

Proceskosten

5.15.

Nu Stichting Havensteder deels in het ongelijk is gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd in de zin dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

5.16.

Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [naam bewindvoerderskantoor] om aan Stichting Havensteder tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 8.540,90 aan huurachterstand tot en met mei 2022, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 7.972,97, vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt [naam bewindvoerderskantoor] om aan Stichting Havensteder te betalen een bedrag van € 770,88 aan buitengerechtelijke incassokosten;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. Hage en in het openbaar uitgesproken.

52514