Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:394

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-01-2022
Datum publicatie
24-01-2022
Zaaknummer
19.1012 EA en 19.1073 EA
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging van schuldsaneringsregeling. Te weinig informatie verstrekt aan de bewindvoerder.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

tussentijdse beëindiging

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 19 januari 2022

Bij vonnis van deze rechtbank van 17 oktober 2019 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[naam schuldenaar ] en [naam schuldenares],

[adres]

[woonplaats],

schuldenaars,

bewindvoerder: L. Hordijk.

1. De procedure

De bewindvoerder heeft de rechter-commissaris verzocht de schuldsaneringsregeling voor tussentijdse beëindiging voor te dragen. De rechter-commissaris heeft op 16 november 2021 met dit verzoek ingestemd. Op 4 januari 2022 heeft de bewindvoerder de rechtbank schriftelijk geïnformeerd over de laatste stand van zaken.

De bewindvoerder en schuldenaar, bijgestaan door zijn nicht [naam] die voor schuldenaar als tolk optreedt, zijn gehoord ter terechtzitting van 12 januari 2022.

Schuldenares is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. De standpunten

De bewindvoerder heeft zich, zowel in zijn voordracht tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling als in zijn laatste stand van zaken, op het standpunt gesteld dat voortzetting van de schuldsaneringsregelingen niet langer te verantwoorden is.

Ter toelichting heeft de bewindvoerder gesteld dat er sinds de aanvang van de schuldsaneringsregeling sprake is van ernstige tekortkomingen in de nakoming van de sollicitatieverplichting van beide schuldenaars. Voorts is er sprake van tekortkomingen in de nakoming van de informatieverplichting en is er is een boedelachterstand van € 794,27.

De rechtbank heeft bij brief d.d. 3 december 2020 schuldenaars gewezen op de tekortkomingen en het feit dat deze tekortkomingen dienen te worden hersteld. Zulks is ook aangegeven in de verslagen die de bewindvoerder heeft geschreven.

De bewindvoerder heeft er voorts op gewezen dat de onderliggende tekortkomingen zijn besproken tijdens het verhoor met de rechter-commissaris op 31 mei 2021 (waar schuldenares niet is verschenen, hoewel zij daartoe behoorlijk was opgeroepen). Schuldenaars zijn de tijdens het verhoor gemaakte afspraken niet nagekomen. Het proces-verbaal van het verhoor is op 2 juni 2021 aan schuldenaars per post verzonden.

Schuldenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld aan hem en schuldenares geen verwijt kan worden gemaakt betreffende de niet nakoming van de door de bewindvoerder gestelde tekortkomingen. Hiertoe heeft schuldenaar aangedragen dat het e-mailadres dat hij heeft opgegeven aan de bewindvoerder (ter correspondentie) aan een vriend van schuldenaar toebehoort. Die vriend heeft vervolgens bepaalde zaken niet goed gecommuniceerd naar schuldenaars waardoor zij niet op de hoogte waren van de verplichtingen die gelden binnen de schuldsaneringsregeling dan wel de tekortkomingen in de nakoming van die verplichtingen. Ook het proces-verbaal van het verhoor heeft schuldenaar aan deze kennis gegeven en sindsdien heeft hij niets meer van hem vernomen, aldus schuldenaar.

Voorts heeft schuldenaar aangegeven dat hij zich niet bewust was van het feit dat hij deelneemt aan een wettelijk schuldsaneringstraject en tot op heden in de veronderstelling verkeerde deel te nemen aan een gemeentelijk schuldsaneringstraject, waar geen informatie- of sollicitatieplicht zou gelden.

Voorts heeft schuldenaar aangegeven dat hij bereid is om zichzelf en schuldenares (voor zover hij namens haar kan spreken) onder beschermingsbewind te laten stellen.

3. De beoordeling

De schuldsaneringsregeling biedt een schuldenaar in een problematische schuldensituatie de mogelijkheid om na drie jaar een schone lei te verkrijgen. Dit betekent in de voorliggende regeling dat een groot deel van de schuld van € 51.245,47 niet langer opeisbaar is. Tegenover dit perspectief staat een aantal niet lichtvaardig op te vatten verplichtingen. Zo dient de schuldenaar gedurende de toepassing van de regeling onder meer de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd te informeren, zijn inkomen boven het vrij te laten bedrag af te dragen aan de boedelrekening en zich aantoonbaar tot het uiterste in te spannen om een fulltime dienstbetrekking te verkrijgen. Hiernaast mogen tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen bovenmatige nieuwe schulden ontstaan. Van de schuldenaar wordt een actieve houding verwacht bij het naleven van voornoemde verplichtingen. De rechtbank oordeelt dat schuldenaars toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de verplichtingen en overweegt daartoe als volgt.

Beide schuldenaars hebben tot op heden gedurende de schuldsaneringsregeling niet gewerkt en op beide schuldenaars rust dan ook een sollicitatieverplichting. De bewindvoerder heeft echter, vanaf aanvang regeling, nog geen enkele sollicitatie mogen ontvangen van schuldenaars. Medische rapporten, waaruit een mogelijke arbeidsongeschiktheid van (één van de) schuldenaars zou blijken, zijn niet overlegd hoewel de rechter-commissaris hier bij verhoor van 31 mei 2021 specifiek om heeft gevraagd.

Voorts hebben schuldenaars niet aan de informatieverplichting voldaan. Zo ontbreken (ander andere) de uitkeringsspecificaties vanaf mei 2021 en een mutatieoverzicht met daarop vermeld het begin- en eindsaldo van de bankrekeningen vanaf 9 mei 2021. Hierdoor kan de bewindvoerder de financiële positie van schuldenaars (en hun afdrachtsverplichting binnen de schuldsaneringsregeling) niet vaststellen.

Voorts is er sprake van een (geschatte) boedelachterstand van € 794,27. Vanaf aanvang regeling hebben schuldenaars geen enkele afdracht aan de boedel gedaan.

Dat bovengenoemde tekortkomingen schuldenaars niet te verwijten zijn, is onvoldoende aannemelijk geworden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat schuldenaars, in elk geval na de brief van de rechtbank 3 december 2020 en het verhoor door de rechter-commissaris op 31 mei 2021, van de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling goed op de hoogte moeten zijn geweest. De rechtbank neemt in dit kader voorts in aanmerking dat voornoemde stukken zijn gezonden naar het postadres van schuldenaars. Het had dan ook op de weg van schuldenaars gelegen om, zo dat nodig is, de juiste hulp te zoeken bij de interpretatie van die stukken.

Met betrekking tot de omstandigheid dat de communicatie vanuit de bewindvoerder richting schuldenaars tot op heden is verlopen via het e-mailadres van een kennis van schuldenaars, die hen vervolgens verkeerd geïnformeerd heeft, is de rechtbank van oordeel dat, nu schuldenaars dit e-mailadres hebben opgegeven aan de bewindvoerder, de verantwoordelijkheid voor de nakoming van de verplichtingen die gelden binnen de wettelijke schuldsaneringsregeling te allen tijde op schuldenaars rust en blijft rusten.

De toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, onder c, Faillissementswet (hierna: Fw).

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.

De rechtbank stelt vast dat er geen baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Er is daarom geen sprake van een faillissement van rechtswege zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde gaat.

4. De beslissing

De rechtbank:

- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;

- stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal € 1.746,88 per schuldenaar;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.T. Frima, rechter, en in aanwezigheid van mr. K. de Ridder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2022.1

De griffier is buiten staat dit vonnis

mede te ondertekenen

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.