Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:3869

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-03-2022
Datum publicatie
18-05-2022
Zaaknummer
C/10/633196 / KG ZA 22-104
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding – Vordering tot offline halen website, nakoming van aandeelhouders- en lidmaatschapsovereenkomst en schadevergoeding afgewezen. Onvoldoende aannemelijk dat gedaagden inbreuk op de overeenkomsten hebben gemaakt en eisers schade lijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/633196 / KG ZA 22-104

Vonnis in kort geding van 25 maart 2022

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam eiseres 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres 1] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam eiseres 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres 2] ,

3. [naam eiseres 3],

wonende te [woonplaats eiseres 3] ,

4. [naam eiser 1],

wonende te [woonplaats eiser 1] ,

5. [naam eiser 2],

wonende te [woonplaats eiser 2] ,

6. [naam eiseres 4],

wonende te [woonplaats eiseres 4] ,

eisers,

advocaat mr. A.C.G. Reezigt te Apeldoorn,

tegen

1. [naam gedaagde 1] ,

handelend onder de naam: [handelsnaam ] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 1] ,

2. [naam gedaagde 2] ,

handelend onder de naam: [handelsnaam ] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagden,

advocaat mr. E. Smid te Amsterdam.

Eisers worden hierna afzonderlijk [naam eiseres 1] (eiseres sub 1), [naam eiseres 2] (eiseres sub 2), [naam eiseres 3] (eiseres sub 3), [naam eiser 1] (eiser sub 4), [naam eiser 2] (eiser sub 5), [naam eiseres 4] (eiseres sub 6) en gezamenlijk [eisers] genoemd. Gedaagden worden hierna afzonderlijk [naam gedaagde 1] (gedaagde sub 1), [naam gedaagde 2] (gedaagde sub 2) en gezamenlijk [gedaagden] genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen van 17 en 22 februari 2022, met 22 producties;

  • -

    de brief van mr. Smid van 10 maart 2022, met 6 producties;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 11 maart 2022;

  • -

    de door mr. Smid ter zitting overgelegde productie;

  • -

    de pleitnota van mr. Reezigt;

  • -

    de pleitnota van mr. Smid.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

[naam eiseres 2] is een werkmaatschappij met één aandeelhouder, [naam eiseres 1] . [naam eiseres 1] is in 2017 opgericht en beoogt om met behulp van een website echtscheidingscliënten te werven en hen plaatselijke bemiddelaars of mediators aan te bieden met als doel de echtscheiding voor hen te regelen.

Op dit moment zijn [naam eiseres 3] , [naam eiser 1] , [naam eiser 2] en [naam eiseres 4] allen voor een/vierde aandeelhouder van [naam eiseres 1] . [gedaagden] zijn met ingang van 3 maart 2021 geen aandeelhouder meer. [naam eiseres 3] , [naam eiser 1] en [naam eiser 2] zijn tevens bestuurder van [naam eiseres 1] .

2.2.

De aandeelhouders van [naam eiseres 1] en [naam eiseres 4] zijn mediators. Zij werken samen en presenteren zich via de website [website 1] die landelijke dekking heeft en ook wel als het netwerk [netwerk] . Op die website worden de aandeelhouders van [naam eiseres 1] en [naam eiseres 4] , en andere bemiddelaars en mediators genoemd. Met die laatste zijn lidmaatschapsovereenkomsten aangegaan die tot doel hebben cliënten te werven en hen te ondersteunen op het gebied van marketing. De leden voeren voor eigen rekening en verantwoording een praktijk. De website biedt diverse doorklikmogelijkheden en toegang tot ondersteunende functionaliteiten, waaronder een kennisbank, en ondersteunende websites. De mediators en bemiddelaars betalen daarvoor een vergoeding aan [naam eiseres 1] .

2.3.

Voor de duur dat [gedaagden] aandeelhouder en statutair bestuurder waren van [naam eiseres 1] gold tussen de aandeelhouders van [naam eiseres 1] een aandeelhoudersovereenkomst. De aandeelhoudersovereenkomst is gesloten op 20 september 2019 en bepaalt voor zover van belang het volgende:

“(…)

Artikel 2.

Beëindiging samenwerking geheel.

1. Initiatiefnemer zal de samenwerking met de Andere Partijen kunnen beëindigen door aan de Andere Partijen een aanbod tot koop van de Aandelen van de Andere Partijen uit te brengen (…).

2. De Andere Partijen hebben elk de keuze dit aanbod al dan niet te accepteren. Ieder van de Andere Partijen dient, eveneens Schriftelijk, gericht aan de woonplaatsen van Partijen, de Initiatiefnemer en de Andere Partijen van de keuze van de betreffende Partij in kennis te stellen binnen twee maanden na ontvangst van het hiervoor in lid 1 van dit artikel bedoelde aanbod tot koop.

3. A. Ingeval de Andere Partijen het aanbod accepteren dan wel geacht worden het aanbod te hebben geaccepteerd, zullen de Aandelen van de Accepterende Partijen, binnen één maand na afloop van de in lid 2 van dit artikel bedoelde termijn van twee maanden door de Accepterende Partijen aan Initiatiefnemer worden geleverd en door de Initiatiefnemer worden aanvaard.

B. Ingeval de Andere Partijen het aanbod niet accepteren, worden zij geacht, ieder voor een/vijfde gedeelte, de Aandelen van Initiatiefnemer, ieder voor een/vijfde gedeelte van de Koopprijs I te hebben gekocht en zijn zij verplicht om binnen één maand na afloop van de in lid 2 van dit artikel bedoelde termijn van twee maanden de levering van de Aandelen van Initiatiefnemer, ieder voor een/vijfde gedeelte te aanvaarden en is Initiatiefnemer verplicht deze Aandelen binnen die termijn aan de Niet Accepterende Partijen te leveren. (…)

Artikel 4.

Beëindiging samenwerking met twee van Partijen.

1. Initiatiefnemer zal de samenwerking met twee van Partijen kunnen beëindigen door aan de betreffende twee Partijen een aanbod tot koop van de Aandelen van de betreffende twee Partijen uit te brengen (…).

HOOFDSTUK III.

CONCURRENTIE EN GEHEIMHOUDING; BRONCODE EN LICENTIES.

Artikel 11.

1. a. Het is Partijen gedurende het directe of indirecte aandeelhouderschap in het kapitaal van de Vennootschap en gedurende een periode van twee jaren na het tijdstip waarop door Partijen niet direct of indirect als Aandeelhouder wordt deelgenomen in het kapitaal van de Vennootschap, verboden in welke vorm dan ook een onderneming, soortgelijk aan en/of concurrerend met die van de Vennootschap en de met die vennootschap verbonden ondernemingen, te drijven of te doen drijven, dan wel anderszins daarbij rechtstreeks of zijdelings betrokken te zijn of daar belang in te hebben, zulks op straffe van een door de desbetreffende partij onmiddellijk en zonder ingebrekestelling te verbeuren boete van eenduizend euro (€ 1.000,=) per dag of gedeelte van een dag, dat in strijd met dit verbod wordt gehandeld, zulks onverminderd het recht op volledige schadevergoeding.

Partijen constateren dat het ieder van hen vrijstaat een eigen praktijk te blijven voeren met een lidmaatschap van het concept [naam eiseres 2] ; deze eigen praktijken vallen aldus uitdrukkelijk buiten het bereik van dit artikel. (…)

b. i. Voorts is het elke Partij die geen Aandelen meer houdt gedurende een periode van drie jaar die aanvangt vanaf het moment dat die Partij geen Aandelen meer houdt verboden om (een) vergelijkebare (waaronder eveneens vergelijkbare filosofie en visie) contractsoftware te (laten) bouwen/gelijksoortige applicatie te (laten) ontwikkelen voor een concurrent van de Vennootschap, haar dochtermaatschappij(en) van de Vennootschap en/of andere Partijen. Onder concurrent wordt in dit verband verstaan: een organisatie die andere organisaties of personen faciliteert in de werkwijze ten aanzien van scheidingsbegeleiding alsmede een organisatie of persoon die werkzaamheden verricht voor begeleiding rond ome en scheiding van particulieren (…), alsmede eventuele toekomstige branche waar de Vennootschap of haar dochtermaatschappij(en) de contractsoftware vermarkt. (…)”

2.4.

Medio 2020 hebben [gedaagden] aan de overige aandeelhouders laten weten uit [naam eiseres 1] te willen stappen. Zij hebben zich vervolgens uitgeschreven als statutair bestuurder van [naam eiseres 1] .

2.5.

[gedaagden] zijn in overleg met de overige aandeelhouders van [naam eiseres 1] overeengekomen dat zij hun aandelen in [naam eiseres 1] zouden overdragen aan de overige aandeelhouders.

2.6.

De aandelenoverdracht heeft op 3 maart 2021 plaatsgevonden. Partijen zijn aanvullend, voor zover van belang, nog het volgende overeengekomen:

5. Het is de twee uittredende aandeelhouders (zulks in afwijking van het bepaalde in de aandeelhoudersovereenkomst) na uittreding als aandeelhouder uit de Vennootschap toegestaan om activiteiten te verrichten in het kader van online-scheiden, zulks in de ruimste zin des woords.”

2.7.

[gedaagden] hebben met ingang van 1 januari 2021 een VIP lidmaatschap met [naam eiseres 2] afgesloten. [gedaagden] zijn in dat kader overeengekomen om voor de duur van een jaar tegen een gereduceerd tarief als externe mediator verbonden te blijven aan het netwerk en de bijbehorende website. In de lidmaatschapsovereenkomst is voor zover van belang het volgende opgenomen:

Afspraken en uitgangspunten

  • -

    Ieder lid van het netwerk [netwerk] zal vanuit een eigen juridische entiteit en voor eigen rekening en verantwoording zijn/haar activiteiten ten aanzien van scheidingsbegeleiding en mediation uitoefenen. Het lid van het netwerk is dus geheel zelfstandig en voert zijn praktijk naar beste kunnen en inzicht uit binnen de afspraken die gemaakt zijn in deze overeenkomst. (…)

  • -

    Zolang het lidmaatschap voortduurt zal een lid van het netwerk [netwerk] zich altijd naar cliënten/de buitenwereld presenteren als lid van het netwerk [netwerk] en zal er niet onder een andere naam naar buiten worden treden dan met [naam gedaagde 2] en/of [naam bedrijf 2] met de toevoeging lid van het netwerk [netwerk] .

(…)

Organisatie

(…)

[naam gedaagde 1] , [naam gedaagde 2] alsmede aandeelhouders [naam eiseres 3] , [naam eiser 2] en [naam eiser 1] verklaren om in het bijzijn van andere lid of leden zich niet negatief uit te laten over elkaar dan wel omtrent de diverse B.V. ’s. Opmerkingen en/of vragen dienen ter alle tijde rechtstreeks aan elkaar gesteld te worden zonder het bijzijn van een ander lid of leden zoals bij ledenbijeenkomsten.

Indien een van de leden samenwerkt met een lokale netwerkpartner en deze samenwerking is schadelijk, onverenigbaar of anderszins voor een van de overige initiatiefnemers/leden, dan zal dit schriftelijk kenbaar worden gemaakt aan het betreffende lid.

Deze zal de samenwerking met de lokale netwerkpartner dan beëindigen en de lokale netwerkpartner hiervan schriftelijk op de hoogte brengen.

Het is als lid of als aangesloten organisatie zowel tijdens als na het einde van de overeenkomst verboden leden van het netwerk [netwerk] of de organisatie van [naam eiseres 2] en/of personen die op enig moment in een periode van 3 jaar direct voorafgaande aan het einde van de overeenkomst aangesloten waren bij de organisatie het netwerk [netwerk] of [naam eiseres 2] te benaderen en/of weg te lokken van de organisatie. En het is een lid zowel tijdens als na het einde van de overeenkomst eveneens verboden vermelde leden/personen aan te zetten om aan te sluiten bij derden of bij het lid zelf, een door het lid op te richten onderneming daaronder begrepen. Indien het lid handelt in strijd met bovenstaande van het bij dit artikel bepaalde, verbeurt hij/zij, zonodig in afwijking van artikel 7:650 leden 3, 4, 5 BW overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:650 lid 1 BW, aan de organisatie, zonder enige ingebrekestelling vereist is, voor iedere overtreding een boete ten bedrage van € 15.000,-, vermeerder met € 1.000,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van [naam eiseres 2] om in plaats daarvan volledige schadevergoeding te vorderen, zulks met inachtneming van artikel 7:651 BW en onverminderd het recht van [naam eiseres 2] om nakoming van dit bedrag en stopzetting van (de) overtreding(en) te vorderen. (…)”

2.8.

Bij brief van 27 augustus 2021 hebben [naam eiser 2] , [naam eiser 1] en [naam eiseres 3] het volgende aan [naam gedaagde 2] bericht:

“Zoals al via de mail gecommuniceerd zeggen wij hierbij het samenwerkingsverband tussen [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] / [naam gedaagde 2] op per 01 januari 2022 en zal per deze datum het lidmaatschap van [naam gedaagde 2] handelend onder de naam “ [naam bedrijf 2] ” worden geroyeerd.

Vanaf 01 januari 2022 zullen onze wegen zich gaan scheiden.”

2.9.

[naam gedaagde 1] heeft hierna uit eigen beweging de lidmaatschapsovereenkomst met [naam eiseres 2] opgezegd per 1 januari 2022.

2.10.

Op 10 september 2021 hebben [gedaagden] , ieder afzonderlijk, de handelsnaam [handelsnaam ] vastgelegd in het register van de Kamer van Koophandel.

2.11.

Na 1 januari 2022 hebben [eisers] geconstateerd dat [gedaagden] met de website [website 2] naar buiten treden.

2.12.

Bij e-mailbericht van 13 januari 2022 heeft mr. Reezigt namens [eisers] voor zover van belang het volgende aan [gedaagden] bericht:

“(…) U bent beiden in 2021 verbonden gebleven aan cliënte, zulks op grond van de lidmaatschapsovereenkomst, u wel bekend. Voormelde overeenkomsten zijn met ingang van 1 januari 2022 geëindigd. Vanaf dat tijdstip exploiteert u gezamenlijk de website [website 2] .

Zoals u weet werft cliënte via [website 1] echtscheidingcliënten ten behoeve van de aangesloten professionals, onder wie mediators. Via uw website [website 2] geschiedt precies hetzelfde. (…)

Uw gezamenlijke exploitatie van de website [website 2] is in strijd met beide bedingen, zoals hiervoor weergegeven. Ook via [website 2] immers worden echtscheidingcliënten geworven om zich te melden bij één van de aangesloten mediators die hen dienaangaande van dienst kan zijn. Nogmaals, met uw exploitatie via [website 2] wordt aldus op identieke wijze aan het economisch verkeer deelgenomen, zoals cliënte dat doet met [website 1] .

Mede in het belang van de bij haar aangesloten overige mediators wenst cliënte dat u zich in het vervolg onthoudt van het deelnemen aan het economische verkeer met de website [website 2] . Het staat u ieder voor zich vrij om uw praktijk als mediator te voeren, maar op de wijze waarop dat thans geschiedt via [website 2] handelt u in strijd met beide bedingen van non-concurrentie, zoals hiervoor weergegeven.

Het belang van cliënte en de bij haar aangesloten mediators wordt geschaad door de onrechtmatige concurrentie zoals volgt uit de website [website 2] . Cliënte sommeert u dan ook om uw deelname aan het economische verkeer via [website 2] per direct te staken. De website [website 2] dient zo spoedig als mogelijk offline te worden gehaald.(…)”

In het e-mailbericht wordt aanspraak gemaakt op een bedrag van € 12.000,00 aan verbeurde boetes die staan op overtreding van het verbod van non-concurrentie.

2.13.

Bij e-mailbericht van 14 januari 2022 heeft mr. Smid namens [gedaagden] aan mr. Reezigt bericht dat geen sprake is van inbreuk op of schending van een overeenkomst, noch van onrechtmatige concurrentie door [gedaagden] en dat zij de website [website 2] , die niet wordt geëxploiteerd maar feitelijk een digitaal visitekaartje is, blijven voeren ten behoeve van hun eigen praktijk als mediator.

2.14.

Naar aanleiding van de sommaties van mr. Reezigt hebben [gedaagden] de website [website 2] op enkele punten aangepast. Het kopje ‘locaties’ is veranderd in het kopje ‘wie is [handelsnaam ] ’, onder welk kopje de verdeling tussen de rayons Noord-Nederland, Midden-Nederland en Zuid-Nederland is veranderd in de vestigingsplaats met vermelding ‘en omstreken’.

2.15.

Tussen de advocaten van partijen is daarna nog uitvoerig gecorrespondeerd.

3. Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [gedaagden] hoofdelijk te gebieden om binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis de website [website 2] offline te halen, althans van internet te verwijderen, zulks op straffe van een dwangsom;

  2. [gedaagden] te gebieden tot onverkorte nakoming van artikel 11 van de aandeelhoudersovereenkomst, op straffe van een dwangsom;

  3. [gedaagden] te gebieden tot onverkorte nakoming van het beding van non-concurrentie zoals weergegeven bij het negende bulletpoint onder het onderdeel ‘organisatie’ van de lidmaatschapovereenkomsten, op straffe van een dwangsom;

  4. [naam gedaagde 1] te veroordelen tot het voldoen van een bedrag van € 30.000,00 ter zake van voorschot op verbeurde boetes;

  5. [naam gedaagde 2] te veroordelen tot het voldoen van een bedrag van € 30.000,00 ter zake van voorschot op verbeurde boetes;

  6. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

3.2.

[gedaagden] voeren gemotiveerd verweer dat strekt tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Een vordering in kort geding, waar slechts het treffen van een voorlopige voorziening aan de orde is, is slechts toewijsbaar indien met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat de vordering in een bodemprocedure wordt toegewezen. Voor dit kort geding betekent dit dat de vraag moet worden beantwoord of aannemelijk is dat [gedaagden] in strijd handelen met het verbod van non-concurrentie zoals opgenomen in de aandeelhoudersovereenkomst en de lidmaatschapsovereenkomst.

4.2.

Op grond van de aandeelhoudersovereenkomst is het [gedaagden] verboden om gedurende een periode van twee jaar na het uittreden als aandeelhouders van [naam eiseres 1] in welke vorm dan ook een onderneming soortgelijk aan en/of concurrerend met die van [naam eiseres 1] te drijven of te doen drijven. De lidmaatschapsovereenkomst verbiedt [gedaagden] om zowel tijdens als na het einde van de overeenkomst leden van het netwerk [netwerk] die op enig moment in een periode van drie jaar direct voorafgaande aan het einde van de overeenkomst aangesloten waren bij de organisatie te benaderen en/of weg te lokken bij de organisatie.

4.3.

[eisers] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [gedaagden] met de exploitatie via [website 2] op identieke wijze deelnemen aan het economische verkeer als zij dat doen met behulp van de website [website 1] . Met hun samenwerkingsverband drijven [gedaagden] een onderneming die soortgelijk en concurrerend is aan die van de onderneming van [naam eiseres 1] en [naam eiseres 2] omdat zij net als [eisers] een landelijke dekking proberen te realiseren. [gedaagden] handelen hiermee in strijd met de bedingen van non-concurrentie uit de aandeelhoudersovereenkomst en de lidmaatschapsovereenkomst. De belangen van de aangesloten bemiddellaars en mediators bij [website 1] worden hierdoor geschaad.

4.4.

[gedaagden] stellen zich op het standpunt dat het gebruik van de handelsnaam [handelsnaam ] niet onrechtmatig is. De naam wordt uitsluitend gebruikt door [gedaagden] in het kader van hun eigen mediation praktijken en is feitelijk niet meer dan een door hen beide gebruikt uithangbord waarmee ieder van hen de markt betreedt. Zij nemen niet gezamenlijk deel aan het economisch verkeer en voeren geen gezamenlijke onderneming. Dat [gedaagden] als mediators niet met elkaar mogen samenwerken is nooit overeengekomen. Zij maken dan ook geen inbreuk op de lidmaatschapsovereenkomst of op de aandeelhoudersovereenkomst. De gevorderde boetes zijn om die reden evenmin toewijsbaar.

4.5.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Alle vorderingen zijn door alle eisende partijen ingesteld. Daarbij wordt geen onderscheid in grondslag en positie gemaakt. Het lag echter op de weg van eisende partijen om ten aanzien van ieder van hen toe te lichten in welke hoedanigheid en op welke grondslag die partij vordert. Dat is het geval omdat [naam eiseres 1] volgens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel een financiële holding is en zelf geen onderneming voert. [naam eiseres 1] , [naam eiseres 2] en [naam eiseres 4] zijn geen partij bij de aandeelhoudersovereenkomst en kunnen hun vorderingen daar dan ook niet op gronden. Ten slotte zijn [naam eiseres 1] , [naam eiseres 3] , [naam eiser 1] , [naam eiser 2] en [naam eiseres 4] geen partij bij de lidmaatschapsovereenkomst.

4.6.

Dat [gedaagden] met hun website [website 2] in strijd handelen met de aandeelhoudersovereenkomst en de lidmaatschapsovereenkomst is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk. Dat [gedaagden] met hun website iets anders doen dan reclame maken en de website gebruiken als gezamenlijk uithangbord blijkt vooralsnog nergens uit. Datzelfde geldt voor een gezamenlijke deelname aan het economisch verkeer. Uit de producties van [gedaagden] blijkt nou juist dat [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] onafhankelijk van elkaar een eigen praktijk runnen. Dat [gedaagden] hetzelfde proberen te bereiken met hun website als [eisers] met de website [website 1] is evenmin aannemelijk. De naam [handelsnaam ] lijkt ook in de verste verten niet op de naam van [netwerk] en de functionaliteiten, het gebruik en de doelgroep van de website verschillen zichtbaar van elkaar. De website van [gedaagden] kent nauwelijks functies en heeft minder diepte dan de website [website 1] . Zo heeft de website van [gedaagden] geen doorklikmogelijkheden naar ondersteunende functionaliteiten die een mediator nodig heeft en blijkt nergens uit dat de website van [gedaagden] wordt gebruikt voor een landelijk netwerk van aangesloten leden of er op gericht is een dergelijk netwerk op te zetten. Ook qua uiterlijk zijn de websites niet identiek aan elkaar. Bovendien zijn partijen ten tijde van de aandelenoverdracht, in afwijking van het bepaalde in de aandeelhoudersovereenkomst, overeengekomen dat het [gedaagden] is toegestaan om activiteiten te verrichten in het kader van online-scheiden, zulks in de ruimste zin van het woord. Dat [eisers] schade ondervinden door het handelen van [gedaagden] , en waar die schade precies uit bestaat, buiten de vrees voor precedentwerking, concretiseren en onderbouwen [eisers] ook niet. Dit had, zeker nu niet duidelijk is wie wat in welke hoedanigheid en op welke grondslag vordert, van hen wel verwacht mogen worden.

4.7.

Daar waar niet aannemelijk is dat er sprake is van inbreuk op de aandeelhoudersovereenkomst of de lidmaatschapsovereenkomst en evenmin duidelijk is dat en welke schade [eisers] lijden als gevolg van (onrechtmatig) handelen van [gedaagden] bestaat er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. De vorderingen worden om die reden afgewezen. Op de specifieke positie van ieder van eisers hoeft dan niet meer te worden ingegaan.

4.8.

[eisers] worden als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht € 2.277,00

- salaris advocaat € 1.016,00

Totaal € 3.293,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 3.293,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2022.

2180/2009