Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:3732

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-04-2022
Datum publicatie
16-05-2022
Zaaknummer
10/317211-21, 10/009081-22 en 10/230668-21 (gevoegd ttz)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het op grote schaal medeplegen van fraude via WhatsApp (zogenaamde ‘vriend-in-nood-fraude’) en het medeplegen van witwassen van het door fraude verkregen geld. Voorts heeft hij zich schuldig gemaakt aan het op twee verschillende tijdstippen dragen van een mes en het medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van een politieman in burger.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummers: 10/317211-21, 10/009081-22 en 10/230668-21 (gevoegd ttz)

Datum uitspraak: 7 april 2022

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] 2004 te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [postcode verdachte] te [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. O.J. Much, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 9 maart 2022 (inhoudelijke behandeling) en 7 april 2022 (sluiting van het onderzoek).

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De rechtbank heeft de feiten die in de dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien. Dit houdt de volgende nummering in:

onder parketnummer 10/230668-21 feit 1 (oplichting), feit 2 (witwassen), feit 3 (dragen van mes);

onder parketnummer 10/317211-21 feit 4 (bedreiging);

onder parketnummer 10/009081-22 feit 5 (dragen van mes).

De rechtbank zal die nummering in dit vonnis aanhouden.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 3, 4 en 5;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 6 maanden met aftrek
    van voorarrest, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar,

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 150 uur, subsidiair 75 dagen vervangende jeugddetentie.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Algemene overweging feit 1

De officier van justitie verdenkt de verdachte ervan dat hij samen met andere verdachten op grote schaal mensen heeft opgelicht via WhatsApp (zogenoemde ‘vriend-in-nood-fraude’). Tientallen mensen hebben aangifte gedaan. Uit deze aangiften en de andere bewijsmiddelen gaat de rechtbank op hoofdlijnen uit van de volgende werkwijze bij de ‘vriend-in-nood-fraude’. De aangever ontvangt via WhatsApp een bericht van een onbekend telefoonnummer. Deze persoon stelt de dochter of zoon (of ander familielid) te zijn van de aangever en een nieuw telefoonnummer te hebben, omdat de oude telefoon kapot is gegaan. Na het vertrouwen te hebben gewonnen van de aangever wordt gesteld dat op de nieuwe telefoon de betaal-app van de bank nog niet werkt, maar dat er wel dringend een rekening moet worden betaald. De aangever wordt gevraagd of hij deze rekening kan voorschieten, waarna een betaalverzoek (een tikkie) wordt gestuurd met een bedrag van 400 euro tot 2400 euro. Sommige aangevers hebben meerdere betaalverzoeken voldaan. Het geld van de betaalverzoeken werd telkens gestort op een Bunqbank-rekening. Hierbij zijn rekeningen gebruikt op naam van verschillende personen, zogenaamde geldezels of katvangers. De geldezels hebben op verzoek van anderen een Bunqbank-rekening geopend. De dossiers (Glaciers genaamd) in deze zaak zijn verdeeld op basis van de verschillende bankrekeningen. Een dossier kan dus meerdere aangiftes van fraude bevatten. Het geld is vervolgens weer doorgestort naar een andere rekening, opgenomen bij een geldautomaat van Euronet of gepind in een supermarkt. Hierdoor is het geld ook witgewassen.

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deze feiten.

4.2.

Partiële vrijspraak feit 1, Glacier 10 (deels), 18, 27 en 68

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft tot bewezenverklaring van het onder Glacier 10, 18, 27 en 68 tenlastegelegde gerekwireerd.

4.2.2.

Beoordeling

Van feit 1 zal de verdachte in een aantal zaken worden vrijgesproken.

De personen zoals genoemd in de zaaksdossiers 10, 18, 27 en 68 hebben aangifte gedaan van ‘vriend-in-nood-fraude’. De officier van justitie heeft het vermoeden dat de verdachte steeds bij deze fraude betrokken is, maar de rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende concrete feiten en omstandigheden uit het dossier naar voren komen op basis waarvan de conclusie kan worden getrokken dat de verdachte daadwerkelijk een rol heeft gespeeld bij de oplichting van deze aangevers. In deze deelonderzoeken is het vaak dat alleen door of via de aangifte een link lijkt te kunnen worden gelegd met de verdachte. Ander bewijs voor betrokkenheid van de verdachte ontbreekt in die gevallen en dat is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Hierna zal dit kort per zaak kort worden besproken.

Glacier 10:

De aangevers [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] hebben aangifte gedaan. Het dossier bevat diverse bewijsmiddelen voor betrokkenheid van een medeverdachte, zijnde de broer van de verdachte, bij deze aangiftes. De betrokkenheid van de broer van de verdachte is onvoldoende om (ook) voor de verdachte te komen tot voldoende bewijs voor deze aangiftes. Zijn betrokkenheid blijkt niet uit andere stukken. Het enkele feit dat de oplichting op dezelfde wijze en datum hebben plaatsgevonden als de oplichting van de andere aangevers in dit (deel)dossier is hiervoor onvoldoende.

Glacier 18

Door de aangevers [naam slachtoffer 3] , [naam slachtoffer 4] , [naam slachtoffer 5] en [naam slachtoffer 6] is aangifte gedaan.

Het dossier bevat diverse bewijsmiddelen voor betrokkenheid van een medeverdachte, ook weer de broer van de verdachte, bij de WhatsApp-oplichtingen van bovengenoemde aangevers. Het dossier bevat echter onvoldoende aanknopingspunten voor de betrokkenheid van de verdachte bij deze oplichtingen. Het enkele feit dat de broer en de verdachte in hetzelfde huis wonen is hiervoor onvoldoende.

Glacier 27

Door de aangevers [naam slachtoffer 7] , [naam slachtoffer 8] en [naam slachtoffer 9] is aangifte gedaan.

De bankrekening van de katvanger waarop door aangevers geld is overgemaakt is meermalen benaderd via het ip-adres van de woning van de verdachte en de medeverdachte tevens de broer van de verdachte. Meer bewijs dat wijst in de richting van de verdachte is er niet. De rechtbank constateert dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte betrokken is bij de zaken van aangevers.

Glacier 68:

Aangeefster [naam slachtoffer 10] heeft aangifte gedaan oplichting. De aangeefster heeft een bedrag overgemaakt naar bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [naam persoon] . Het dossier bevat echter geen overzicht van de bij- en afschrijvingen van het bankrekeningnummer [rekeningnummer] . Hierdoor is onbekend of de gestelde overschrijving daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Alleen de aangifte is onvoldoende om het wettelijke bewijsminimum te halen.

4.2.3.

Conclusie

Hetgeen dat is tenlastegelegd onder Glacier 10 (deels), 18, 27 en 68 is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.3.

Bewijswaardering feit 1, 2 en 3

4.3.1.

Standpunt verdediging ten aanzien van feit 1, 2 en 3.

De verdediging heeft primair bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, hetgeen zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting. Hiertoe is het volgende aangevoerd.

De verdachte is op 28 september 2020 onderworpen aan een fouillering enkel en alleen op basis van het gegeven dat hij in het bedrijfsprocessensysteem van de politie stond aangeduid als veiligheidsrisicosubject (VRS). Hierbij is zijn telefoon inbeslaggenomen en onderzocht. De gegevens die uit de telefoon zijn gekomen liggen ten grondslag aan verder onderzoek en aan de tenlastelegging. Tevens is op 28 september 2020 in de auto waarin de verdachte zat een mes aangetroffen. Ook de doorzoeking van de auto is enkel gebaseerd op de registratie als VRS.

De verdediging wijst op een arrest van het hof Den Haag van 28 december 2021 waaruit volgt dat enkel de aanwijzing als risicosubject de politie niet de bevoegdheid toekent om iemand te fouilleren en de auto te doorzoeken. De fouillering van de verdachte levert een forse aantasting van de persoonlijke levenssfeer op als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).

De fouillering is onrechtmatig geweest en dat levert een vormverzuim op. De schending van artikel 8 EVRM en het structurele karakter van het fouilleren van de verdachte leiden ertoe dat dit vormverzuim noodzakelijkerwijs een volledige bewijsuitsluiting tot gevolg moet hebben. Ook als er geen sprake zou zijn van registratie van de verdachte als risicosubject is de fouillering door de politie onrechtmatig geweest en zou dit tot bewijsuitsluiting moeten leiden.

De verdediging heeft subsidiair gesteld dat geen sprake is van oplichting, omdat de aangevers onvoldoende omzichtigheid hebben betrachten en zij de in de gedragingen van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken hadden moeten doorzien. De aangevers zijn zonder enige vorm van onderzoek overgegaan tot het doen van betalingen. Zij hadden moeten doorzien dat sprake was van bedrog. Er kan niet worden vastgesteld dat de aangevers door een onjuiste voorstelling van zaken zijn bewogen tot de afgifte van geld. De verdediging concludeert op grond hiervan tot vrijspraak.

4.3.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt dat het onjuist is dat de verdachte als VRS staat geregistreerd en dat geen sprake is van vormverzuim.

4.3.3.

Beoordeling

Bewijsuitsluiting

Uit het proces-verbaal van bevindingen [nummer proces-verbaal] blijkt dat de politie in de avond van 28 september 2020 een auto zag rijden zonder verlichting aan de voorzijde. Op basis van zijn legitimatie bleek de bestuurder te zijn medeverdachte [naam medeverdachte] . Naast de bestuurder zaten nog drie personen in het voertuig. Tijdens de controle van de bestuurder merkte de politie dat de personen achterin het voertuig druk aan het bewegen waren en iets onder de bestuurdersstoel probeerden te leggen.

Bij het verifiëren van de personalia van de bestuurder in het systeem van de politie trof de politie een registratie aan op naam van de bestuurder inhoudende handhavingsvoorschriften voor de politie bij het staande houden van de bestuurder. Deze voorschriften zagen op het dragen van een mes. Hierop heeft de politie de bestuurder aan een fouillering onderworpen en vervolgens de identiteit van de passagiers in het voertuig onderzocht door hen te vragen naar hun legitimatiebewijs. Ook ten aanzien van de verdachte (en een medeverdachte tevens broer van de verdachte) bleek dat dezelfde registratie stond vermeld als bij de bestuurder van het voertuig. Hierna zijn alle inzittenden aan een fouillering onderworpen. Bij twee van de inzittenden is een stapel bankbiljetten aangetroffen. Tijdens het onderzoek waren de inzittenden onrustig. De bestuurder sloot meerdere malen de ramen van de auto en zei dat hij de auto wilde afsluiten. De politie had het gevoel dat de bestuurder snel weg wilde, zodat de auto niet kon worden doorzocht. Hierna ging de politie over tot doorzoeking van de auto op grond van de Wet wapens en munitie (WWM). Daarbij is in de auto een mes aangetroffen in een tas waarvan de politie concludeerde dat deze aan de verdachte toebehoorde. Ook is een vuurwapen aangetroffen. De auto is vervolgens inbeslaggenomen. De verdachte is hierna aangehouden en de goederen die hij bij zich had - waaronder zijn telefoon - zijn inbeslaggenomen.

Voor een onderzoek aan de kleding van een persoon (fouillering) op grond van artikel 52, eerste lid, onder c, WWM en voor een doorzoeking van een voertuig op grond van artikel 51, eerste lid, onder c, van de WWM dient redelijkerwijs aanleiding te bestaan.

Dit houdt in dat voor het aanwenden van deze bevoegdheid er een concreet aanwijsbare aanleiding dient te bestaan om te veronderstellen dat de WWM wordt overtreden of dreigt te worden overtreden.

De rechtbank stelt vast dat uit het hiervoor omschreven proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de verdachte niet is staande gehouden en gefouilleerd omdat hij een zogenaamd VRS zou zijn. De politie is ook niet zonder meer overgegaan tot fouillering van de inzittenden en de doorzoeking van het voertuig. Na fouillering van de bestuurder is het nadere onderzoek verricht op basis van de omstandigheden van dat moment. Dit betrof de registratie van de bestuurder en de gedragingen van de inzittenden, te weten druk bewegen en proberen iets onder de bestuurdersstoel te leggen, en de registratie op naam van (onder andere) de verdachte. Hierna is overgegaan tot fouillering, waarbij een stapel bankbiljetten is aangetroffen. Na constatering van onrust bij de passagiers en het gedrag van de bestuurder - steeds de ramen dicht doen - vond de doorzoeking van het voertuig plaats.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit alles voldoende om te concluderen dat er voor de politie redelijkerwijs aanleiding bestond om tot de fouillering en de doorzoeking over te gaan. Er is geen sprake van een fouillering van de verdachte en doorzoeking van de auto - die overigens werd bestuurd door en geregistreerd stond op naam van een ander - (enkel) op basis van de aanwijzing van de verdachte als veiligheidsrisicosubject. Dat de verdachte op 28 september 2020 stond geregistreerd als veiligheidsrisicosubject is verder ook niet gebleken. Aan dit onderzoek ligt een wettelijke basis ten grondslag. Dit brengt met zich dat de aantasting van de verdachte van zijn persoonlijke levenssfeer niet onrechtmatig is. Hieraan doet niet af dat de verdachte, zoals door de verdediging gesteld, regelmatig staande wordt gehouden en aan een fouillering wordt onderworpen. De rechtbank kan zich enkel baseren op de aanvang van het onderzoek zoals dat uit het onderliggende dossier blijkt.

Dit alles leidt ertoe dat het verweer dat sprake is van een vormverzuim dat tot bewijsuitsluiting moet leiden, niet kan slagen. De rechtbank verwerpt dit verweer.

Oplichting

Of in een concreet geval een slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de afgifte van goederen, in dit geval geldbedragen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet aan de orde wanneer het slachtoffer - gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken - de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Van oplichting kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte zich een valse hoedanigheid heeft aangemeten om onverdiend vertrouwen te wekken en daarmee op bedrieglijke wijze gebruik heeft gemaakt van een in het maatschappelijk verkeer geldend verwachtingspatroon. Daarbij kan de kwetsbaarheid van het slachtoffer een rol spelen.

Naarmate de oplichting meer een inbreuk maakt op de persoonlijke leefomgeving van degene die wordt opgelicht, is eerder sprake van oplichting dan als de situatie verder van die leefomgeving afstaat. De omstandigheden in deze zaak omvatten steeds de situatie dat iemand zich via WhatsApp heeft voorgedaan als de zoon of dochter van degene die aangifte heeft gedaan. De aangever werd persoonlijk benaderd in zijn of haar rol en (verantwoordelijkheids)gevoel als ouder en vaak ook direct aangesproken met ‘pap’ of ‘mam’. Als de aangever doorvroeg, kwam er een antwoord waarbij toch vooral probleem van het tijdig moeten betalen van een of meer rekeningen op de voorgrond stond. De druk op de rol als ouder werd groter. Dit raakt in vergaande mate de persoonlijke leefwereld van de aangever. Onder deze omstandigheden kan worden geconcludeerd dat de aangevers door oplichting zijn bewogen tot afgifte van geldbedragen. Het verweer dat geen sprake is van oplichting wordt verworpen.

4.4.

Bewijswaardering feit 4.

4.4.1.

Standpunt verdediging ten aanzien van feit 4.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de bedreiging. De aangever heeft een verklaring afgelegd die niet wordt gesteund door andere bewijsmiddelen. De verdachte ontkent het feit te hebben gepleegd. Uit de feiten blijkt dat er sprake is geweest van een nogal hectische situatie. De omstandigheden laten de reële mogelijkheid open dat de aangever zich heeft vergist bij het aanwijzen van de verdachte als een van de jongens die hem zou hebben bedreigd. Nu er verder geen rechtstreeks bewijs is jegens de verdachte, afgezien van de verklaring van de aangever, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte dit feit zou hebben gepleegd.

4.4.2.

Beoordeling

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aangever, een politieagent in burger, door een groep jongens is bedreigd in aanwezigheid van zijn vriendin en zoontje. Dit gebeurde nadat de aangever deze groep jongens had aangesproken op de rommel die zij maakten rondom een auto. Toen de aangever een foto wilde maken van het kenteken van de auto, kwamen de inzittenden van de auto als groep op hem af en zijn er diverse woordelijke bedreigingen geuit. De aangever heeft drie jongens aangewezen, waaronder de verdachte, die deel uitmaakten van de groep en die bedreigingen hebben geuit. De rechtbank heeft geen reden om aan de gang van zaken zoals beschreven door de aangever en zijn vriendin te twijfelen en gaat er dan ook vanuit dat de verdachte deel uitmaakte van de groep jongens en dat de verdachte samen met anderen bedreigingen heeft geuit in de richting van de aangever.

4.4.3.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 18 juni 2020 heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van bedreiging van een politieagent in burger.

4.5.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Feit 1

hij op tijdstippen in de periode van 30 juni 2020 tot en met 26 januari 2021 te Rotterdam, althans in Nederland en/of te Leuven in België, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), meermalen, althans eenmaal, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander, wederrechtelijk te bevoordelen door telkens het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels,

personen/aangevers, te weten de navolgende personen/ aangevers:

(Glacier 4)

- [naam slachtoffer 11] (500,- en 500,- euro) en

- [naam slachtoffer 12] (700,- en 500, euro) en

- [naam slachtoffer 13] (2.290,- euro) en

(Glacier 5)

- [naam slachtoffer 14] (1.200 euro) en

(Glacier 6)

- [naam slachtoffer 15] (1.988,61 euro) en

- [naam slachtoffer 16] (2.339,99 euro) en

(Glacier 7)

- [naam slachtoffer 17] (950,- en 1500,- euro) en

(Glacier 8)

- [naam slachtoffer 18] (2.441,89 euro) en

(Glacier 10)

- [naam slachtoffer 19] (2.000,77 euro) en

- [naam slachtoffer 20] (1.795,- en 2.500,- euro) en

- [naam slachtoffer 21] (1.200,- euro) en

- [naam slachtoffer 22] (1.200,- euro) en

- [naam slachtoffer 23] (1.488,- euro) en

(Glacier 43)

- [naam slachtoffer 24] (750,- en 650,- euro) en

- [naam slachtoffer 25] (650,- en 450,- euro) en

(Glacier 98)

- [naam slachtoffer 26] (2.500,- euro) en

(Glacier 99)

- [naam slachtoffer 27] (2.385,99 euro) en

(Glacier 124)

- [naam slachtoffer 28] (850,- en 1.100,- euro) en

(Glacier 132)

- [naam slachtoffer 29] (750,- euro) en

(Glacier 134)

- [naam slachtoffer 30] (1.893,62 euro),

telkens heeft bewogen tot de afgifte van voornoemde geldbedrag(en), ,

- door zich in een of meer whatsapp-berichten, verzonden naar die personen/ aangevers, tegenover die personen/aangevers voor te doen als zijnde de dochter of zoon, in elk geval een familielid van die personen/aangevers en

- daarbij/daarin aan die personen/aangevers mede te delen/te verzoeken - zakelijk weergegeven -

* dat zij of hij tijdelijk een nieuw en/of een ander 06-nummer heeft en

* dat zij of hij haar of zijn oude telefoon in de wc of wasbak, althans (in) het water, heeft laten vallen of is verloren en/of (dat de telefoon) kapot en/of niet volledig bruikbaar is en

* dat zij of hij, een of meer factu(u)r(en)/rekening(en) over het hoofd heeft gezien en/of openstaande factu(u)r(en)/rekening(en) heeft die per direct/met spoed voldaan moeten worden en zij of hij geen toegang krijgt tot het bank/betaalsysteem en/of haar of zijn internetbankieren en/of in geldnood zit en die personen/aangevers derhalve deze betalingen voor haar of hem kan voorschieten en

* (vervolgens) daartoe in meerdere whatsapp-berichten een of meer betaalverzoeken middels een link (een zogenoemde tikkie) en/of de te betalen bedragen inclusief het rekeningnummer en de naam van de crediteur, aan die personen/aangevers heeft verzonden, althans handelingen van soortgelijke strekking,

als gevolg waarvan die personen/aangevers werden bewogen tot afgifte/betaling van een of meer geldbedragen (tot een totaalbedrag van ongeveer 37.037,87 euro);

Feit 2

hij op tijdstippen in de periode van 30 juni 2020 tot en met 26 januari 2021 te Rotterdam, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (van) een voorwerp, te weten een geldbedrag van ongeveer 37.073,87 euro, althans een geldbedrag,

- de werkelijke aard, de herkomst, heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, was, en

- heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans gebruik heeft/hebben gemaakt,

door

een of meer medeverdachte(n) of ander(en)/katvangers te benaderen en te regelen dat bankrekeningnummersop naam van een ander dan verdachte en/of als katvanger beschikbaar werden gesteld aan en gebruikt konden worden door verdachte en/of zijn medeverdachte(n), terwijl die geldbedragen telkens op die bankrekeningnummers werden gestort, en (vervolgens) die geldbedragen heeft opgenomen en/of heeft doen/laten opnemen en/of ontvangen en/of uitgegeven,

terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;

Feit 3

hij op 28 september 2020 te Rotterdam op de openbare weg, te weten Dorpsweg, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie IV onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een mes waarvan het lemmet is voorzien van meer dan één snijkant, namelijk van twee snijkanten en gedeelte kartelkant heeft gedragen;

Feit 4

hij op 18 juni 2020 te Rotterdam tezamen met anderen een politieagent in burger zijnde [code politieagent] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht , door die [code politieagent] dreigend de woorden toe te voegen "loop maar naar je kankergezin, knuffel je zoontje nog maar een keer, want dat is het laatste wat je gaat doen vandaag" en "Zeg je zoontje maar gedag, dat is het laatste wat je doet" en "Ik sla je kankerkop in elkaar, Ik maak je af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Feit 5

hij op 20 december 2021 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van categorie IV, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een blank wapen, namelijk een survivalmes, waarvan het lemmet meer dan een snijkant had heeft gedragen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1.

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

Feit 2.

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;

Feit 3.

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Feit 4.

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Feit 5.

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich gedurende een periode van een aantal maanden in 2020 schuldig gemaakt aan een groot aantal oplichtingen in de vorm van zogenoemde vrienden-in-nood-fraude (VIN-fraude) of WhatsAppfraude. Hij was toen 16 jaar oud.

Via WhatsApp is een groot aantal slachtoffers benaderd. In WhatsAppberichten deed men zich (meestal) voor als zoon of dochter van de slachtoffers die in geldnood zat en/of openstaande facturen moest betalen voor een bepaalde dag en tijd. Door flink op het gemoed van de slachtoffers in te spelen en door stevig aan te blijven dringen als de slachtoffers minder welwillend waren of argwaan hadden, wisten zij de slachtoffers (uiteindelijk) te bewegen veelal forse geldbedragen over te maken naar bankrekeningnummers van katvangers via betaalverzoeken of betaallinken die zij naar de slachtoffers stuurden. De katvangers in kwestie betroffen veelal kwetsbare personen die onder valse voorwendselen of tegen een geringe beloning werden overgehaald of gedwongen een bankrekening bij de Bunq Bank of andere internetbank te openen.

Nadat het geld door de slachtoffers was overgemaakt op de door de verdachte en/of zijn medeverdachte(n) opgegeven bankrekeningen, werd het geld snel opgenomen bij pinautomaten, zodat het niet meer te traceren was. Met het geld werden vervolgens onder meer luxe goederen gekocht, zoals is gebleken bij doorzoekingen in de slaapkamer van de verdachte waar de nodige (facturen van) dure kleding, schoenen, telefoons en een Apple watch werden aangetroffen.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij doelbewust nietsvermoedende ouders op bovengenoemde wijze financieel heeft benadeeld en misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen en de hulp die ouders hun kind in de regel zullen geven als hun kind zegt in de problemen te zitten. Daarnaast wordt door deze vorm van oplichting het vertrouwen ondermijnd dat door consumenten moet kunnen worden gesteld in het betalingsverkeer en het bankwezen.

Met de door de verdachte gepleegde VIN-fraude heeft de verdachte laten zien dat hij alleen maar uit is geweest op zijn eigen financieel gewin. De verdachte heeft op geen enkel moment stil gestaan of willen staan bij de gevolgen die zijn handelen voor de slachtoffers heeft gehad. Hij dacht alleen maar aan het geld dat hij over de ruggen van de slachtoffers (en ook over de rug van een aantal katvangers) kon verdienen. De rechtbank neemt dit de verdachte zeer kwalijk.

Door het plegen van de VIN-fraude heeft de verdachte zich ook, samen met zijn anderen, schuldig gemaakt aan witwassen. Hierbij heeft de verdachte bankrekeningen op de naam van katvangers gebruikt om de met de oplichting afhandig gemaakte bedragen daar naartoe over te boeken en het geld vervolgens snel na de overmaking(en) contant van die rekeningen op te nemen.

De verdachte heeft ook samen met medeverdachten een aangever in aanwezigheid van zijn vriendin en zoontje met de dood bedreigd. Zij deden dit nadat de aangever hen had aangesproken op de rommel die zij maakten rondom hun auto. Toen de aangever vervolgens een foto wilde maken van het kenteken van de auto, kwam de verdachte samen met andere jongens als groep op de aangever af en bedreigden zij hem meermalen met de dood. De situatie waarin deze bedreigingen zijn geuit was zo heftig dat zijn vrouw en kind zijn gevlucht. Deze bedreiging heeft bij de aangever serieuze gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt, zoals ook uit zijn aangifte en de schriftelijke toelichting van zijn vordering tot schadevergoeding naar voren is gekomen. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.

Verder heeft de verdachte, naast de hier bovengenoemde feiten op twee momenten, in 2020 en in 2021, op de openbare weg een verboden mes gedragen. Het op deze wijze met zich dragen van een dergelijk mes levert een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen op. Ook dit neemt de rechtbank de verdachte kwalijk.

Alle genoemde, door de verdachte gepleegde, strafbare feiten betreffen zeer ernstige feiten waarvoor een forse straf op zijn plaats is.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

19 januari 2022 op naam van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 2 maart 2022. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Het dynamisch risicoprofiel wordt ingeschat als heel laag. Er komen veel beschermende factoren naar voren. De moeder is betrokken bij de verdachte, er zijn geen zorgsignalen over de thuissituatie en hij zet zich in voor zijn opleiding. Omdat de verdachte zich beroept op zijn zwijgrecht is er uit het onderzoek onvoldoende zicht gekomen op de relaties van de verdachte, zijn vrijetijdsbesteding, houding, vaardigheden, agressie en drugsgebruik.

Als de verdachte schuldig wordt bevonden aan de verdenkingen ziet de Raad op de

genoemde domeinen risico’s voor de kans op herhaling van delictgedrag. Daarbij maakt de Raad zich zorgen over zijn gewetensontwikkeling. Door zich op zijn zwijgrecht te beroepen neemt hij geen verantwoordelijkheid voor zijn aandeel bij de feiten.

Gezien de aard en de ernst van de verdenking van de verschillende strafbare feiten en de impact van de verdenkingen voor de slachtoffers, adviseert de Raad toezicht van de jeugdreclassering. Doel is om zicht te krijgen op de relaties van de verdachte, passende vrijetijdsbesteding en zijn onlinegedrag. De verdachte kan gewenst sociaal gedrag laten zien. Indien nodig wordt passende begeleiding geadviseerd. De Raad vindt dat begeleiding door de jeugdreclassering nodig is over een langere periode. Dit om zicht te houden op de ontwikkeling van de verdachte. De Raad adviseert om dit toezicht te verbinden aan een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Straffen

Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie, gezien de nog jonge leeftijd van de verdachte en het feit dat hij first offender is.

De rechtbank is van oordeel dat de eis van de officier van justitie recht doet aan de bewezenverklaring en passend is. De rechtbank zal daarom de eis overnemen en de verdachte een geheel voorwaardelijke jeugddetentie opleggen. Anders dan de Raad heeft geadviseerd zal de rechtbank aan de voorwaardelijke straf geen bijzondere voorwaarden verbinden aangezien de verdachte daarvan de noodzaak niet ziet en hij hiervoor niet gemotiveerd is. Het is daardoor de verwachting dat hij dan ook niet van toezicht en begeleiding van de jeugdreclassering zal kunnen profiteren.

Gezien de ernst van de feiten zal de rechtbank naast de voorwaardelijke jeugddetentie een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 150 uren opleggen.

Algemene afsluiting

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vorderingen benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregelen

8.1.

Benadeelde partijen feit 1.

In de onderhavige strafzaak heeft zich een groot aantal aangevers gesteld als benadeelde partij. Hun namen staan vermeld in bijlage III bij dit vonnis. Zij vorderen, ieder voor zich, de bedragen genoemd in bijlage III, kolom C (materiële schadevergoeding). Alle benadeelde partijen vorderen wettelijke rente.

8.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd, in de zaken waarin wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte deze feiten heeft gepleegd, de vorderingen van de benadeelde partijen ten aanzien van de materiële schade toe te wijzen en deze te vermeerderen met wettelijke rente en (vooralsnog op nihil te begroten) proceskosten. Ook heeft de officier van justitie gevorderd de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het de overige gevorderde kosten betreft.

Ook heeft hij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. De officier van justitie heeft hierbij gevorderd dat bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte per vordering vervangende jeugddetentie zal worden opgelegd van 1 dag per 50 euro schadevergoeding. Hierbij wijst de officier van justitie op de aard van de feiten (financieel gewin) waardoor hij meent dat het een verkeerd signaal zou zijn om geen gijzeling op te leggen en vindt hij dat het niet past om de staat te laten opdraaien voor de schade die de verdachte moedwillig met zijn handelen heeft aangericht.

8.1.2.

Standpunt verdediging

De verdediging verzoekt ten aanzien van alle vorderingen primair deze niet-ontvankelijk te verklaren gelet op het feit dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van alle feiten.

Subsidiair verzoekt de verdediging de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren omdat zij onvoldoende onderbouwd zijn. Hiertoe wordt aangevoerd dat uit de ingediende vorderingen niet of onvoldoende blijkt of en in hoeverre de benadeelde partijen door de bank of de verzekeringsmaatschappij zijn gecompenseerd.

Omdat deze informatie ontbreekt en het een onevenredige belasting van het strafproces zou zijn om de zaak hiervoor aan te houden, zouden de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.

8.1.3.

Beoordeling

De rechtbank zal hierna allereerst ingaan op de niet ontvankelijkheid van een aantal benadeelde partijen. Daarna zal de rechtbank, ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen die wel ontvankelijk zijn, ingaan op het gevoerde verweer en op een aantal aspecten die gelden voor meerdere benadeelde partijen.

8.1.3.1 Niet ontvankelijkheid benadeelde partijen

Een aantal benadeelde partijen zal niet ontvankelijk worden verklaard in hun vordering

omdat de verdachte zal worden vrijgesproken van de zaken waarin zij zich als benadeelde partij hebben gesteld. Dit betreft de benadeelde partijen: [naam slachtoffer 1] , [naam slachtoffer 2] , [naam slachtoffer 4] , [naam slachtoffer 5] , [naam slachtoffer 6] , [naam slachtoffer 7] , [naam slachtoffer 8] , [naam slachtoffer 9] en [naam slachtoffer 10] .

De beslissingen ten aanzien van bovengenoemde benadeelde partijen is in Bijlage III in kolom G vermeld.

8.1.3.2 Ontvankelijkheid benadeelde partijen

Geen onevenredige belasting voor het strafproces

Vorderingen van benadeelde partijen kunnen in het strafproces alleen meegenomen worden in de beoordeling als zij geen onevenredige belasting voor dat proces zijn.

Inhoudelijk vormen de vorderingen van de benadeelde partijen - voor zover ontvankelijk - ieder voor zich geen te grote belasting voor het strafproces. Er wordt steeds een bedrag gevorderd wat door oplichting afhandig is gemaakt. Het feit dat een aantal benadeelde partijen in hun vordering niet heeft aangegeven of er schade is vergoed, maakt niet dat de vordering daarmee niet voldoende is onderbouwd en (daarmee) een onevenredige belasting van het strafgeding vormt. Voor zover in de vorderingen van de benadeelde partijen niets is opgenomen over vergoeding van schade door de bank of verzekeringsmaatschappij, moet het er dan ook voor gehouden worden dat dit niet heeft plaatsgevonden. De vorderingen zijn dan ook voldoende onderbouwd en kunnen in het strafgeding worden meegenomen.

Toewijzing vorderingen

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen: [naam slachtoffer 11] , [naam slachtoffer 12] , [naam slachtoffer 14] , [naam slachtoffer 15] , [naam slachtoffer 16] , [naam slachtoffer 31] , [naam slachtoffer 18] , [naam slachtoffer 20] , [naam slachtoffer 21] / [naam slachtoffer 32] , [naam slachtoffer 22] , [naam slachtoffer 23] , [naam slachtoffer 24] , [naam slachtoffer 25] , [naam slachtoffer 27] , [naam slachtoffer 28] en [naam slachtoffer 29] door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vorderingen ten aanzien hiervan genoegzaam zijn onderbouwd, zullen deze, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen voor zover deze materiële schade (mede) door toedoen van de verdachte is ontstaan.

De benadeelde partijen zullen in het deel van hun vordering dat niet toegewezen wordt, niet ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Hoofdelijke aansprakelijkheid

Nu de verdachte in alle zaken van feit 1 wordt veroordeeld voor het medeplegen van oplichting is hij met betrekking tot die feiten samen met anderen jegens de benadeelde partijen hoofdelijk aansprakelijk voor de daardoor geleden schade.

Daar waar de betreffende vorderingen worden toegewezen, betreft dit dan ook steeds een hoofdelijke veroordeling. Indien en voor zover anderen de benadeelde partijen in die zaken betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichting bevrijd. Het is aan de verdachte om eventueel door hem betaalde bedragen te verhalen op mededaders.

Proceskosten

Alle benadeelde partijen vorderen in algemene zin een vergoeding van proceskosten.

De verdachte zal in de proceskosten van ieder van de benadeelde partijen worden veroordeeld. Die kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Wettelijke rente

Ieder van de benadeelde partijen heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank zal bepalen dat de te betalen schadebedragen elk vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de oplichting jegens de betreffende benadeelde partij is gepleegd. In bijlage III in kolom H wordt deze datum vermeld.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank acht, in de zaken waarin de vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen, oplegging van de schadevergoedingsmaatregel passend en geboden.

Oplegging vervangende jeugddetentie

De verdachte heeft de oplichting van de benadeelde partijen bewust en moedwillig gepleegd met als doel in betrekkelijk korte tijd en op een gemakkelijke manier veel geld te verdienen. Daarbij heeft hij zich niets aangetrokken van de gevolgen die zijn handelen voor de benadeelde partijen zou hebben, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat het passend en geboden is aan de schadevergoedingsmaatregel wél de mogelijkheid van oplegging van vervangende jeugddetentie aan de verdachte te verbinden, voor het geval de verdachte in gebreke blijft aan zijn betalingsverplichtingen jegens de benadeelde partijen te voldoen.

De rechtbank zal daarbij, iets anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, bepalen dat ten aanzien van elke toegewezen vordering aan de verdachte voor elke 500 euro die hij moet betalen aan de betreffende benadeelde partij een dag vervangende jeugddetentie zal worden opgelegd.

In bijlage III in kolom I is het aantal dagen vervangende jeugddetentie per toegewezen vordering van de betreffende benadeelde partij vermeld.

8.1.4.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoedingen van de benadeelde partijen: [naam slachtoffer 1] , [naam slachtoffer 2] , [naam slachtoffer 4] , [naam slachtoffer 5] , [naam slachtoffer 6] , [naam slachtoffer 7] , [naam slachtoffer 8] , [naam slachtoffer 9] en [naam slachtoffer 10] geen inhoudelijke beslissing genomen.

De verdachte moet de benadeelde partijen: [naam slachtoffer 11] , [naam slachtoffer 12] , [naam slachtoffer 14] , [naam slachtoffer 15] , [naam slachtoffer 16] , [naam slachtoffer 31] , [naam slachtoffer 18] , [naam slachtoffer 20] , [naam slachtoffer 21] / [naam slachtoffer 32] , [naam slachtoffer 22] , [naam slachtoffer 23] , [naam slachtoffer 24] , [naam slachtoffer 25] , [naam slachtoffer 27] , [naam slachtoffer 28] en [naam slachtoffer 29] de in bijlage III in kolom G vermelde bedragen betalen, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Voor zover de gevorderde bedragen niet aan de benadeelde partijen zijn toegewezen - uitgezonderd de reeds vergoede schade -, worden deze niet-ontvankelijk verklaard. De betreffende benadeelde partijen kunnen desgewenst hun vordering voor dat deel bij de civiele rechter aanhangig maken.

Tevens wordt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht voor de bedragen genoemd in bijlage III in kolom G met vervangende jeugddetentie zoals genoemd in bijlage III in kolom I.

8.2.

Benadeelde partij feit 4.

In deze zaak heeft de politieagent die wordt aangeduid met het nummer [code politieagent] zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. De benadeelde partij vordert een bedrag van

€ 719,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tevens verzoekt hij de verdachte hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de totale schade.

8.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 500,00.

8.2.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair bepleit dat de benadeelde niet ontvankelijk is in zijn vordering, omdat de verdachte moet worden vrijgesproken. Subsidiair is bepleit de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van immateriële schade.

8.2.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Het is standaard jurisprudentie van de Hoge Raad dat een onderbouwing van de psychische schade niet noodzakelijk is, indien de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer maken dat deze schade kan worden aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat in onderhavig geval van die situatie sprake is. De schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 500,00, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, met afwijzing van hetgeen aan hoofdsom meer is gevorderd.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 18 juni 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank acht oplegging van de schadevergoedingsmaatregel passend en geboden. Hierbij zal de rechtbank de vervangende jeugddetentie bepalen op nul (0) dagen.

8.2.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 285, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 10/317211-21, 10/009081-22 en 10/230668-21 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 6 (zes) maanden,

bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uur, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 140 (honderdveertig) uur te verrichten werkstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 70 dagen;

bepaalt dat de vervangende jeugddetentie ten uitvoer kan worden gelegd als vervangende hechtenis, indien de veroordeelde bij aanvang van de eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt;

verklaart de benadeelde partijen

[naam slachtoffer 1] , [naam slachtoffer 2] , [naam slachtoffer 4] , [naam slachtoffer 5] , [naam slachtoffer 6] , [naam slachtoffer 7] , [naam slachtoffer 8] , [naam slachtoffer 9] en [naam slachtoffer 10] niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader(s) om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partijen:

[naam slachtoffer 11] , [naam slachtoffer 12] , [naam slachtoffer 14] , [naam slachtoffer 15] , [naam slachtoffer 16] , [naam slachtoffer 31] , [naam slachtoffer 18] , [naam slachtoffer 20] , [naam slachtoffer 21] / [naam slachtoffer 32] , [naam slachtoffer 22] , [naam slachtoffer 23] , [naam slachtoffer 24] , [naam slachtoffer 25] , [naam slachtoffer 28] , [naam slachtoffer 27] en [naam slachtoffer 29]

te betalen de in bijlage III kolom G genoemde bedragen aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de data zoals genoemd in bijlage III kolom H tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vorderingen voor zover dat niet is toegewezen overeenkomstig bijlage III, kolom G en niet op andere wijze is vergoed; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partijen te betalen de bedragen zoals in de bijlage III kolom G genoemde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de data zoals in bijlage III kolom H genoemd tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsommen zoals in bijlage III kolom G niet mogelijk blijkt, vervangende jeugddetentie kan worden toegepast voor de duur van het aantal dagen zoals ten aanzien van elke vordering in bijlage III kolom I vermeld;

toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de betalingsverplichting niet op;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [code politieagent] , te betalen een bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [code politieagent] te betalen € 500,00 (hoofdsom, zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Verweij, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. J. Montijn en T. van den Akker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.E. Boekholtz, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 april 2022.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

parketnummer 10/230668-21

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Feit 1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 juni 2020 tot en met 26 januari 2021 te Rotterdam, althans in Nederland en/of te Leuven in België, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,(telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander,

wederrechtelijk te bevoordelen door (telkens) het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

een of meerdere perso(o)n(en)/aangever(s), onder wie de navolgende perso(o)n(en)/ aangever(s):

(Glacier 4)

- [naam slachtoffer 11] (500,- en/of 500,- euro) en/of

- [naam slachtoffer 12] (700,- en/of 500, euro) en/of

- [naam slachtoffer 13] (2.290,- euro) en/of

(Glacier 5)

- [naam slachtoffer 14] (1.200 euro) en/of

(Glacier 6)

- [naam slachtoffer 15] (1.988,61 euro) en/of

- [naam slachtoffer 16] (2.339,99 euro) en/of

(Glacier 7)

- [naam slachtoffer 17] (950,- en/of 1500,- euro) en/of

(Glacier 8)

- [naam slachtoffer 18] (2.441,89 euro) en/of

(Glacier 10)

- [naam slachtoffer 1] (1.576,89 en/of 1.803,39 en/of 1.355,89 en/of 944,- euro) en/of

- [naam slachtoffer 2] (1.050,- en/of 1.200,- euro) en/of

- [naam slachtoffer 19] (2.000,77 euro) en/of

- [naam slachtoffer 20] (1.795,- en/of 2.500,- euro) en/of

- [naam slachtoffer 21] (1.200,- euro) en/of

- [naam slachtoffer 22] (1.200,- euro) en/of

- [naam slachtoffer 23] (1.488,- euro) en/of

(Glacier 18)

- [naam slachtoffer 3] (749,51 euro en/of 981,78 euro) en/of

- [naam slachtoffer 4] (540,25 euro en/of 500,- euro) en/of

- [naam slachtoffer 5] (1.485,78 en/of 1.268,57 euro) en/of

- [naam slachtoffer 6] (756,83 euro) en/of

(Glacier 27)

- [naam slachtoffer 7] (2.127,- euro) en/of

- [naam slachtoffer 33] (711,- euro) en/of

- [naam slachtoffer 9] (1.300,- euro) en/of

(Glacier 43)

- [naam slachtoffer 24] (750,- en/of 650,- euro) en/of

- [naam slachtoffer 25] (650,- en/of 450,- euro) en/of

(Glacier 68)

- [naam slachtoffer 10] (1.496,36 euro) en/of

(Glacier 98)

- [naam slachtoffer 26] (2.500,- euro) en/of

(Glacier 99)

- [naam slachtoffer 27] (2.385,99 euro) en/of

(Glacier 124)

- [naam slachtoffer 28] (850,- en/of 1.100,- euro) en/of

(Glacier 132)

- [naam slachtoffer 29] (750,- euro) en/of

(Glacier 134)

- [naam slachtoffer 30] (1.893,62 euro),

(telkens) heeft bewogen tot de afgifte van voornoemde geldbedrag(en), in elk geval enig geldbedrag, althans enig goed,

- door zich in een of meer whatsapp-berichten, verzonden naar die perso(o)n(en)/ aangever(s), tegenover die perso(o)n(en)/aangever(s) voor te doen als zijnde de dochter en/of zoon, in elk geval een familielid en/of kennis, van die perso(o)n(en)/aangever(s) en/of

- daarbij/daarin aan die perso(o)n(en)/aangever(s) mede te delen/te verzoeken - zakelijk weergegeven -

* dat zij en/of hij tijdelijk een nieuw en/of een ander 06-nummer heeft en/of

* dat zij en/of hij haar en/of zijn oude telefoon in de wc en/of wasbak, althans het water, heeft laten vallen en/of is verloren en/of kapot en/of niet volledig bruikbaar is en/of

* dat zij en/of hij, een of meer factu(u)r(en)/rekening(en) over het hoofd heeft gezien en/of openstaande factu(u)r(en)/rekening(en) heeft die per direct/met spoed voldaan moeten worden en/of zij en/of hij geen toegang krijgt tot het (bank/betaal)systeem en/of haar en/of zijn internetbankieren en/of in geldnood zit

en/of die perso(o)n(en)/aangever(s) derhalve deze betalingen voor haar en/of hem kan voorschieten en/of

* (vervolgens) daartoe in meerdere whatsapp-berichten een of meer betaalverzoeken middels een link (een zogenoemde tikkie) en/of de te betalen bedragen inclusief het rekeningnummer en de naam van de crediteur, aan die perso(o)n(en)/aangever(s) heeft verzonden, althans handelingen van soortgelijke strekking,

als gevolg waarvan die perso(o)n(en)/aangever(s), werden bewogen tot afgifte/betaling van een of meer geldbedragen (tot een totaalbedrag van ongeveer 56.921,12 euro);

Feit 2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 juni 2020 tot en met 26 januari 2021 te Rotterdam, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (van) een voorwerp, te weten een geldbedrag van ongeveer 56.921,12 euro, althans een geldbedrag,

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, was, en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, voorhanden heeft/hebben gehad, en/of

- heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans gebruik heeft/hebben gemaakt,

door

een of meer medeverdachte(n) of ander(en)/katvanger(s) te benaderen en/of te regelen dat een of meerdere bankrekeningnummer(s) (op naam van een ander dan verdachte en/of als katvanger) beschikbaar werd(en) gesteld aan en/of gebruikt konden worden door verdachte en/of zijn medeverdachte(n), terwijl dat/die geldbedrag(en) (telkens) op die bankrekeningnummer(s) werd(en) gestort, en/of (vervolgens) dat/die geldbedrag(en) heeft opgenomen en/of heeft doen/laten opnemen en/of ontvangen en/of uitgegeven,

terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;

Feit 3.

hij op of omstreeks 28 september 2020 te Rotterdam op de openbare weg, te weten Dorpsweg, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie IV onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een mes waarvan het lemmet is voorzien van meer dan één snijkant, namelijk van twee snijkanten en gedeelte kartelkant heeft gedragen.

parketnummer 10/317211-21

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Feit 4

hij op of omstreeks 18 juni 2020 te Rotterdam tezamen met één of meer ander(en), althans alleen (een politieagent in burger zijnde) [code politieagent] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [code politieagent] dreigend de woorden toe te voegen "loop maar naar je kankergezin, knuffel je zoontje nog maar een keer, want dat is het laatste wat je gaat doen vandaag" en/of "Zeg je zoontje maar gedag, dat is het laatste wat je doet" en/of "Ik sla je kankerkop in elkaar, Ik maak je af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

parketnummer 10/009081-22

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Feit 5

hij op of omstreeks 20 december 2021 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van categorie IV, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een blank wapen, namelijk een survivalmes, waarvan het lemmet meer dan een snijkant had heeft gedragen.