Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:3208

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-04-2022
Datum publicatie
28-04-2022
Zaaknummer
C/10/623694 / HA ZA 21-731
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nakoming leningsovereenkomst. Bitcoins. Toewijzing. Afwijzing vordering in reconventie. Onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/623694 / HA ZA 21-731

Vonnis van 20 april 2022

in de zaak van

[naam eiser 1] ,

wonende te [woonplaats eiser],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. M. Dekkers te Amsterdam,

tegen

[naam gedaagde] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

woonplaats kiezend te [plaatsnaam],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. A. Quispel te Oud-Beijerland.

Partijen worden hierna [naam eiser 1] en [naam gedaagde] genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 17 februari 2021, met producties 1 tot en met 9;

  • -

    de incidentele conclusie houdende een exceptie van bevoegdheid en een verzoek tot verwijzing van [naam gedaagde];

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident;

  • -

    het vonnis in het incident van 1 juli 2021 van de kantonrechter van deze rechtbank, waarin deze de zaak heeft verwezen naar de handelskamer van deze rechtbank;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 8;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 10 en 11;

  • -

    de aanvullende producties 9 tot en met 14 van [naam gedaagde];

  • -

    de aanvullende producties 12 en 13 van [naam eiser 1];

  • -

    de mondelinge behandeling van 14 februari 2022.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Partijen zijn in de afgelopen jaren met elkaar in contact geweest over onder andere het minen van bitcoins en het mining park van [naam eiser 1].

2.2.

In een e-mail van 26 december 2017 schrijft [naam eiser 1] aan [naam gedaagde] – voor zover van belang – het volgende:

“Hola amigo

How are things,

I have been looking around,

Just around the corner:

(…)

around 1.300 EUR rent per month.

Its 153 m2.

Is this an option to start straight away? And from here, find something with more time to buy?

What is the idea about the total investment so I can calculate and keep it in mind..

We do both around 300.000 Euro or more?

Need discuss, electra, airco,

Order equipment.

I know someone for electra and airco if needed.

Contract wise.

Make up an contract,

I think it wisefull / transparant I sign some kind of loyalty agreement towards you,

Not sharing any knowledge or other information in future with anyone.

As Well a fair 50/50 agreement. Since we are in Holland, we can put all in my name with no problems (also future projects) but an official owner contract of 50% for you (or 51%) should be correct I guess.

(…)”

2.3.

In of omstreeks december 2018 heeft [naam eiser 1] een bedrag van € 2.500,00 overgemaakt naar [naam gedaagde].

2.4.

Op enig moment na december 2018 heeft [naam gedaagde] een bedrag van € 200,00 of € 300,00 (de precieze hoogte is in geschil) terug overgemaakt naar [naam eiser 1].

2.5.

Op 2 april 2019 hebben partijen elkaar telefonisch gesproken. In dat gesprek is door partijen – voor zover van belang – het volgende gezegd:

“(…)

[naam eiser 1]: Can I ask you one question? Just a very simple question, which you can answer with yes or no. I borrowed you two thousand five hundred euros, I borrowed you two bitcoins. Are you going to pay them back, yes or no?

[naam gedaagde]: Eh you have now hardware in your home.

[naam eiser 1]: The question, yes or no.

[naam gedaagde]: Do you have a hardware in your home from me? It's valuable also, it's not..

[naam eiser 1]: Okay, but I don't wanna.. I don't wanna do nothing with the hardware.

[naam gedaagde]: Let's forget the hardware, okay?

[naam eiser 1]: Yeah but

[naam gedaagde]: Because I gonna give you.. I gonna give you back! No worries, I give you back. But now you have a hardware, for twelve thousand euro and somebody comes for the hardware and pay you money. Pay you exactly the same money what cost a bitcoin, that they will just send it to me.

[naam eiser 1]: Yeah, perfect. Great.

(…)”

2.6.

In een op een later moment gevoerd telefoongesprek is door partijen het volgende gezegd:

“(…)

[naam eiser 1]: (…) if you are honest and you tell me that you are not a scammer.. If you are not a scammer (…)

[naam gedaagde]: (…) for the money I give you hardware. This is security (…)

[naam gedaagde]: you have hardware for twelve thousand euros. So I not steal your money. If I spend the (…) six thousand euro in total I will sell. Because I was needed euro to go back to Poland. I could not stay long in the Netherlands.”

3. Het geschil

in conventie

3.1.

[naam eiser 1] vordert – samengevat en zakelijk weergeven – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [naam gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [naam eiser 1] van een bedrag van € 2.300,00 en de waarde die twee bitcoins vertegenwoordigt, op het moment van het wijzen van vonnis, conform https://btcdirect.eu/nl-nl/bitcoin-koers, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  2. [naam gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [naam eiser 1] van een bedrag van € 1.137,40 aan buitengerechtelijke incassokosten;

  3. [naam gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [naam eiser 1] van een bedrag van € 1.512,50 aan juridische bijstand;

  4. [naam gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, alsmede de nakosten.

3.2.

[naam eiser 1] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. Partijen hebben op 9 januari 2019 een leenovereenkomst gesloten waarbij [naam eiser 1] een bedrag van € 2.500,00 en twee bitcoins aan [naam gedaagde] heeft geleend. Het bedrag en de bitcoins moesten uiterlijk 28 februari 2019 worden terugbetaald. [naam gedaagde] heeft slechts een bedrag van € 200,00 terugbetaald. Uit hoofde van de overeenkomst is [naam gedaagde] nog betaling verschuldigd van een restantbedrag van € 2.300,00 en twee bitcoins. Daarnaast vordert [naam eiser 1] een bedrag van € 1.137,40 aan buitengerechtelijke kosten en een bedrag van € 1.512,50 aan juridische bijstand.

3.3.

[naam gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [naam eiser 1], uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

in reconventie

3.4.

[naam eiser 2] vordert – samengevat en zakelijk weergeven – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. Primair

- [naam verweerder] te veroordelen tot betaling aan [naam eiser 2] een bedrag gelijk aan

50% van de opbrengsten van het door [naam verweerder] geëxploiteerde mining park, te vermeerderen met de wettelijke rente en [naam verweerder] te veroordelen tot het in het geding brengen van alle relevante gegevens met betrekking tot de opbrengsten van het door hem geëxploiteerde mining park, waaronder in ieder geval overzichten van de cryptocurrency die met behulp van het mining park in de door de rechtbank te bepalen periode zijn gegeneerd, onder straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag dat [naam verweerder] hiermee in gebreke blijft;

Subsidiair

- [naam verweerder] te veroordelen tot betaling aan [naam eiser 2] van een redelijk loon, te vermeerderen met de wettelijke rente;

2. [naam verweerder] te veroordelen tot betaling aan [naam eiser 2] van een schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente;

3. [naam eiser 2] te veroordelen in de proceskosten.

3.5.

[naam eiser 2] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. Partijen hebben de afspraak gemaakt dat [naam eiser 2] 50% van de opbrengsten van het mining park van [naam verweerder] zou krijgen vanwege de werkzaamheden die hij in opdracht van [naam verweerder] heeft verricht. Subsidiair vordert [naam eiser 2] op grond van artikel 7:405 lid 2 BW een redelijk loon voor zijn verrichte werkzaamheden. Daarnaast heeft [naam verweerder] jegens [naam eiser 2] onrechtmatig gehandeld door het toe-eigenen van de hardware van [naam eiser 2].

3.6.

[naam verweerder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [naam eiser 2], uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4. De beoordeling

in conventie

4.1.

[naam eiser 1] stelt dat hij met [naam gedaagde] op 9 januari 2019 een leenovereenkomst heeft gesloten, op grond waarvan [naam eiser 1] een bedrag van € 2.500,00 en twee bitcoins heeft geleend aan [naam gedaagde]. De € 2.500,00 en de bitcoins moesten conform de overeenkomst uiterlijk op 28 februari 2019 worden terugbetaald. [naam gedaagde] heeft slechts een bedrag van € 200,00 terugbetaald wat maakt dat [naam gedaagde] nog gehouden is om een restantbedrag van € 2.300,00 en de twee bitcoins terug te betalen. [naam eiser 1] heeft [naam gedaagde] op 2 april 2019 telefonisch gesproken. Tijdens dit gesprek heeft [naam gedaagde] meerdere malen duidelijk aangegeven dat hij het geleende geld en de bitcoins zal gaan terugbetalen, maar dit is tot op heden niet gebeurd.

4.2.

[naam gedaagde] betwist dat hij het geld en de bitcoins van [naam eiser 1] heeft geleend. [naam gedaagde] is niet bekend met de door [naam eiser 1] als productie 1 overgelegde overeenkomst en de handtekening die op de overeenkomst staat is niet zijn handtekening. [naam gedaagde] heeft een bedrag van € 2.500,00 van [naam eiser 1] betaald gekregen voor de werkzaamheden die [naam gedaagde] heeft verricht en de kosten die hij heeft gemaakt in verband met het onderhouden van het mining park van [naam eiser 1]. [naam gedaagde] heeft gedurende 1,5 maand reparaties aan het mining park verricht en daarna heeft hij nog 6 maanden het technische functioneren van het mining park verzorgd en technische en financiële adviezen verstrekt aan [naam eiser 1]. [naam gedaagde] heeft een bedrag van € 300,00 op verzoek van [naam eiser 1] terugbetaald, omdat [naam eiser 1] aangaf krap bij kas te zitten. [naam gedaagde] heeft nooit twee bitcoins van [naam eiser 1] ontvangen. Het wallet adres dat in de door [naam eiser 1] overgelegde overeenkomst staat genoemd is ook niet van [naam gedaagde].

4.3.

De rechtbank oordeelt als volgt. Van de door [naam eiser 1] gestelde gesprekken zijn geluidsopnames en transcripties daarvan (zie 2.5. en 2.6.) overgelegd. De geluidsopnames zijn tijdens de zitting afgespeeld en bij die gelegenheid is door [naam gedaagde] bevestigd dat op de geluidsopnames de stemmen van [naam eiser 1] en [naam gedaagde] te horen zijn. Aldus is ter zitting vastgesteld dat de door [naam eiser 1] gestelde gesprekken daadwerkelijk tussen partijen hebben plaatsgevonden op de wijze zoals in 2.5. en 2.6. vermeld.

4.4.

In het opgenomen telefoongesprek heeft [naam eiser 1] tegen [naam gedaagde] gezegd dat hij ([naam eiser 1]) € 2.500,00 en twee bitcoins aan [naam gedaagde] heeft geleend. In datzelfde gesprek heeft [naam gedaagde] dit niet weersproken, terwijl dit wel voor de hand had gelegen indien (zoals door [naam gedaagde] in deze procedure is gesteld) de betaling van € 2.500,00 zou hebben gezien op verrichte werkzaamheden voor het mining park van [naam eiser 1]. Integendeel, [naam gedaagde] heeft in het telefoongesprek desgevraagd geantwoord dat hij zou terugbetalen. Op basis hiervan wordt vastgesteld dat de € 2.500,00 en de twee bitcoins aan [naam gedaagde] zijn geleend en dat, anders dan door [naam gedaagde] is gesteld, de verrichte betaling van € 2.500,00 geen vergoeding betrof voor verrichte werkzaamheden ten behoeve van het mining park van [naam eiser 1]. Bij dit oordeel heeft ook meegewogen dat [naam gedaagde] geen stukken heeft overgelegd die zijn stelling met betrekking tot dit laatste punt ondersteunen.

4.5.

Nu op basis van de geluidsopname reeds wordt vastgesteld dat sprake is van een leenovereenkomst tussen partijen, kunnen de kwestie van de schriftelijke overeenkomst en de vraag of de daarop geplaatste handtekening al dan niet van [naam gedaagde] is, buiten beschouwing worden gelaten. Aan verdere bewijsvoering wordt niet toegekomen nu [naam gedaagde] geen uitleg heeft gegeven die afdoet aan de (niet in geschil zijnde) inhoud van de telefoongesprekken.

4.6.

[naam gedaagde] is dus gehouden tot terugbetaling van het geleende geld en de waarde van de bitcoins. Nu [naam eiser 1] niet heeft gereageerd op de stelling van [naam gedaagde] dat hij € 300,00 heeft terugbetaald (en niet de € 200,00 die [naam eiser 1] in de dagvaarding noemde), gaat de rechtbank ervan uit dat er nog een bedrag van € 2.300,00 (en de waarde van de bitcoins) open staat.

4.7.

[naam gedaagde] zal dus worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.200,00 en de waarde van twee bitcoins, conform https://btcdirect.eu/nl-nl/bitcoin-koers, op 20 april 2022 om 10.00 uur (Nederlandse tijd). De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf 1 maart 2019 tot aan de dag van de voldoening nu dit niet door [naam gedaagde] is betwist.

4.8.

[naam eiser 1] maakt daarnaast aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden, en dat [naam eiser 1] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag van € 1.137,40 aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

4.9.

Verder vordert [naam eiser 1] een bedrag van € 1.512,50 aan kosten voor juridische bijstand. Voor zover deze vordering ziet op kosten die in aanloop naar onderhavige procedure zouden zijn gemaakt, dan worden deze kosten geacht inbegrepen te zijn bij de hierboven besproken buitengerechtelijke incassokosten. Voor zover de kosten zien op tijdens onderhavige procedure verleende juridische bijstand, dan worden deze kosten geacht inbegrepen te zijn bij de vergoeding van de proceskosten (salaris advocaat) conform het liquidatietarief zoals hieronder is vermeld. Door [naam eiser 1] is ook niet onderbouwd waarom het bedrag van € 1.512,50 bovenop de standaard vergoedingen aan buitengerechtelijke incassokosten en/of proceskosten voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

4.10.

[naam gedaagde] zal als de in conventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam eiser 1] worden begroot op:

- dagvaarding € 108,22

- betaald griffierecht € 952,00

- salaris advocaat € 2.228,00 (2 punten × tarief € 1.114,00)

Totaal € 3.288,22

4.11.

De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

in reconventie

4.12.

[naam eiser 2] stelt dat partijen de afspraak hebben gemaakt dat [naam eiser 2] 50% van de opbrengsten van het mining park van [naam verweerder] zou krijgen vanwege de werkzaamheden die [naam eiser 2] in opdracht van [naam verweerder] heeft verricht. Deze afspraak is niet schriftelijk vastgelegd maar blijkt volgens [naam eiser 2] wel uit de e-mail van [naam verweerder] van 26 december 2017, waarin [naam verweerder] schrijft dat de afspraak in een overeenkomst dient te worden vastgelegd. De werkzaamheden die [naam eiser 2] heeft verricht bestonden uit het doen van reparaties aan het mining park, de verzorging van het technische functioneren van het mining park en het verstrekken van technische en financiële adviezen, aldus [naam eiser 2].

4.13.

[naam verweerder] betwist dat een dergelijke afspraak is gemaakt. Wel hebben partijen gesproken over het opstarten van een gezamenlijk project (de huur van een bedrijfsruimte voor het minen van bitcoins) en de daarvoor vereiste investering. Dit idee is echter niet van de grond gekomen en er is dus ook geen overeenkomst tot stand gekomen. Daarnaast betwist [naam verweerder] dat [naam eiser 2] (reparatie)werkzaamheden ten behoeve van zijn mining park heeft verricht en dat [naam eiser 2] technische of financiële adviezen aan [naam verweerder] heeft verstrekt.

4.14.

De rechtbank oordeelt als volgt. Gelet op de gemotiveerde betwisting had het op de weg van [naam eiser 2] gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen. In de e-mail van 26 december 2017 (zie 2.2.) wordt door [naam verweerder] gesproken over het huren van een bedrijfsruimte, het investeren van € 300.000,00 de man, het opstellen van een contract en een ‘50/50 agreement’. Uit de email volgt echter niet zozeer dat partijen hierover al concrete en definitieve afspraken hadden gemaakt, maar veeleer dat de gesprekken over een zakelijke samenwerking zich nog in een verkennende fase bevonden. Door [naam eiser 2] zijn verder geen voldoende concrete feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat aan hetgeen in de e-mail wordt gesproken daadwerkelijk gevolg is gegeven en partijen dienaangaande tot een definitieve overeenkomst zijn gekomen. Daar komt nog bij (1) dat in de e-mail überhaupt niet gesproken wordt over door [naam eiser 2] te verrichten werkzaamheden en (2) dat in die email ook wordt gesproken over een initiële investering door beide partijen en [naam eiser 2] niet stelt dat zij die investering ook daadwerkelijk hebben gedaan.

4.15.

Gelet op het voorgaande is de door [naam eiser 2] gestelde afspraak met betrekking tot de verdeling van de opbrengsten van het mining park niet komen vast te staan. Aan bewijsvoering wordt niet toegekomen omdat [naam eiser 2] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht. De primaire vordering zal daarom worden afgewezen. Ook de subsidiaire vordering tot betaling van een redelijk loon zal worden afgewezen, nu [naam eiser 2] zijn (door [naam verweerder] gemotiveerd betwiste) stelling dat hij werkzaamheden in opdracht van [naam verweerder] heeft verricht, niet althans onvoldoende heeft onderbouwd. Ook hier wordt niet aan bewijsvoering toegekomen.

4.16.

[naam eiser 2] vordert daarnaast een schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van [naam verweerder]. [naam eiser 2] stelt dat [naam verweerder] hardware van [naam eiser 2] uit zijn garage heeft weggenomen en zich de hardware heeft toegeëigend. De hardware bestond uit een voorraad moederboorden, processors, een rack en drie miners. De waarde van de hardware was aanvankelijk € 25.000,00 maar is door verloop van tijd sterk verminderd, aldus [naam eiser 2].

4.17.

[naam verweerder] betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld. [naam verweerder] heeft op verzoek van [naam eiser 2] de hardware bij een kennis van hem opgehaald. In de telefoongespreken heeft [naam eiser 2] aangegeven dat de hardware dient als zekerheid voor de terugbetaling van de lening, maar [naam verweerder] wil(de) de hardware niet houden. [naam eiser 2] kon (en kan nog altijd) de hardware komen ophalen bij [naam verweerder]. Overigens is de hardware volgens [naam verweerder] hooguit € 500,00 waard.

4.18.

De rechtbank oordeelt als volgt. [naam eiser 2] stelt dat [naam verweerder] zich de hardware heeft toegeëigend, maar dit is door [naam verweerder] betwist. Vaststaat in ieder geval dat [naam verweerder] tijdens het hiervoor onder 2.5. bedoelde telefoongesprek tegen [naam eiser 2] heeft gezegd dat hij de hardware niet wil hebben. Bij deze stand van zaken valt zonder nadere onderbouwing, die [naam eiser 2] niet heeft gegeven, niet in te zien dat [naam verweerder] jegens [naam eiser 2] onrechtmatig heeft gehandeld. De vordering zal daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

4.19.

In reconventie zal [naam eiser 2] eveneens als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden aan de zijde van [naam verweerder] begroot op € 1.114,00 (2 punten × factor 0,5 × tarief € 1.114,00).

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie:

5.1.

veroordeelt [naam gedaagde] om aan [naam eiser 1] te betalen een bedrag van € 2.200,00 en een bedrag dat de waarde van twee bitcoins vertegenwoordigt op 20 april 2022 om 10.00 uur (Nederlandse tijd) conform https://btcdirect.eu/nl-nl/bitcoin-koers, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over deze bedragen met ingang van 1 maart 2019 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [naam gedaagde] om aan [naam eiser 1] te betalen een bedrag van € 1.137,40 aan buitengerechtelijke kosten,

5.3.

veroordeelt [naam gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [naam eiser 1] tot op heden begroot op € 3.288,22,

5.4.

veroordeelt [naam gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, indien [naam gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie:

5.6.

wijst de vorderingen af,

5.7.

veroordeelt [naam eiser 2] in de proceskosten, aan de zijde van [naam verweerder] tot op heden begroot op € 1.114,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de veertiende dag na de datum van dit vonnis,

in conventie en in reconventie:

5.8.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. Doorduijn en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2022.

3304/2438/1876