Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:3107

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-04-2022
Datum publicatie
25-04-2022
Zaaknummer
ROT 20/249
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor bedrijfsgebouw met toepassing binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Het gebouw mag in de erfgrens worden gebouwd i.p.v. op 2,5 m uit de erfgrens. In het kader van de goede ruimtelijke ordening heeft verweerder de gevolgen voor het woon- en leefklimaat van eiser onvoldoende onderzocht en afgewogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/249


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2022 in de zaak tussen

[naam eiser], uit [woonplaats eiser], eiser

(gemachtigde: mr. E. Meijer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. E.A. van Dommelen).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: [naam vergunninghoudster], te [vestigingsplaats vergunninghoudster], vergunninghoudster (gemachtigde: [naam 1]).

Procesverloop

In het besluit van 6 juni 2019 (primair besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfsruimte aan de [adres 1].

In het besluit van 4 december 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser en verweerder hebben nadere stukken ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 2]. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend. Op 10 maart 2022 heeft de rechtbank een onderzoek ter plaatse gehouden. Hierbij waren eiser en de gemachtigde van verweerder aanwezig. Verweerder heeft tijdens het onderzoek ter plaatse nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Met toestemming van partijen is afgezien van een nadere zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een bedrijfsruimte aan de [adres 1]. Ter plaatse gelden de bestemmingsplannen “Dordtse Kil” en “Partiële herziening regeling parkeren in bestemmingsplannen Dordrecht”. Omdat het bouwplan niet geheel in overeenstemming is met deze bestemmingsplannen, heeft verweerder de aanvraag ook opgevat als aanvraag om een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Verweerder heeft toepassing gegeven aan binnenplanse afwijkingsbevoegdheden. Het gaat daarbij in het bijzonder om de situering van het gebouw op minder dan 2,5 m van de perceelsgrens.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daarbij is de motivering van het primaire besluit op enkele punten aangevuld of verbeterd.

2. Eiser woont aan de [adres 2]. De percelen grenzen aan elkaar. De bedrijfsruimte ligt in de perceelsgrens. Tussen het gebouw en de schuur en tuin van eiser ligt – op het perceel van eiser – alleen de brandgang. Eiser is het oneens met het bouwplan, vooral omdat dit volgens hem leidt tot schade en ernstige aantasting van zijn woon- en leefklimaat.

Wettelijk kader

3. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,
(…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…).


Uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo, voor zover hier van belang, volgt dat bij een aanvraag die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien sprake is van strijd met het Bouwbesluit, de Bouwverordening, het bestemmingsplan dan wel redelijke eisen van welstand.
In het tweede lid van artikel 2.10 is bepaald dat in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede wordt aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts wordt geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1°, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.

4. In het bestemmingsplan “Dordtse Kil” heeft het perceel [adres 1] de bestemming “Bedrijf”.

Op grond van artikel 4.2.2 van de planregels gelden voor het bouwen van gebouwen binnen die bestemming de volgende regels:
a. bouwen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
b. in afwijking van het bepaalde onder a. ligt de bouwgrens langs een niet in de verbeelding aangegeven weg, op een afstand van minimaal 11 m uit de langs die weg gelegen perceelsgrens;
c. voor niet aan de weg gelegen perceelsgrenzen geldt voor gebouwen een afstand van ten minste 2,5 m uit die perceelsgrens; (…)

In artikel 4.3, aanhef en onder b, van de planregels is bepaald dat burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning kunnen afwijken van het bepaalde in lid 4.2.2 onder c. voor het dichter bij de perceelsgrens bouwen, echter uitsluitend indien:
1. de ruimtelijke structuur, bebouwingskarakteristiek en/of gebruiksmogelijkheden niet onevenredig worden aangetast;
2. er geen brandtechnische problemen ontstaan.

In artikel 5.1 van de planregels van het bestemmingsplan “Partiële herziening regeling parkeren in bestemmingsplannen Dordrecht” is bepaald dat een bouwwerk waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht niet kan worden gebouwd wanneer op het bouwperceel niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden. Bij de beoordeling van een aanvraag van een omgevingsvergunning activiteit bouwen wordt aan de hand van de “Beleidsregels parkeren bij nieuwbouwprojecten” bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging.
In artikel 5.3 is bepaald dat burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning kunnen afwijken van het bepaalde in lid 1 en 2:
a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
b. voor zover op een andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

Toetsingskader

5. Uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo volgt dat een omgevingsvergunning voor bouwen slechts op een beperkt aantal gronden kan worden geweigerd. Eén van die gronden is strijd met het bestemmingsplan. Als een bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan en er geen andere weigeringsgronden zijn, moet de omgevingsvergunning worden verleend.

Voor de beoordeling van de omgevingsvergunning in deze zaak betekent dat het volgende. Eiser vindt de gevolgen voor zijn woon- en leefklimaat onaanvaardbaar, maar voor zover het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, kunnen de gevolgen voor het woon- en leefklimaat in deze procedure niet meer worden beoordeeld. Die beoordeling en afweging heeft namelijk al plaatsgevonden bij de vaststelling van het bestemmingsplan en bezwaren daartegen hadden in een beroepsprocedure tegen het bestemmingsplan kunnen worden aangevoerd. De rechtbank moet zich daarom bij de beoordeling van de gevolgen voor het woon- en leefklimaat beperken tot de punten waarop verweerder gebruik heeft gemaakt van een afwijkingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan. Daarbij kunnen alleen de ruimtelijke gevolgen van de afwijking zelf worden beoordeeld. Omdat het bestemmingsplan zelf al een bedrijfsgebouw van 9 m hoog mogelijk maakt tot 2,5 m uit de perceelsgrens, kan de rechtbank alleen nog een oordeel geven over de gevolgen van het verkorten van de afstand tot de perceelsgrens zoals dat met de omgevingsvergunning is toegestaan. De omgevingsvergunning maakt het mogelijk om aan de achterzijde van het perceel tot aan de perceelsgrens te bouwen. Aan de zijkant van het perceel mag niet tot aan de perceelsgrens worden gebouwd, maar de afstand tot de perceelsgrens is wel minder dan 2,5 m.

Het verlenen van een omgevingsvergunning door gebruikmaking van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid is een bevoegdheid van verweerder. Het discretionaire karakter van deze bevoegdheid brengt met zich dat het bestreden besluit door de rechter in zoverre terughoudend moet worden getoetst.

Bestemmingsplannen “Partiële herziening regeling parkeren in bestemmingsplannen Dordrecht” en “Dordtse Kil”

6. Eiser stelt dat het bestemmingsplan “Partiële herziening regeling parkeren in bestemmingsplannen Dordrecht” op de datum van de aanvraag nog niet onherroepelijk was.

6.1.

Zodra een bestemmingsplan in werking is getreden, kan de aanvraag om een omgevingsvergunning daaraan worden getoetst. Het bestemmingsplan hoeft daarvoor nog niet onherroepelijk te zijn. Het bestemmingsplan “Partiële herziening regeling parkeren in bestemmingsplannen Dordrecht” is vastgesteld op 9 mei 2018 en was op de datum van het primaire besluit in werking getreden. Verweerder heeft de aanvraag terecht getoetst aan dit bestemmingsplan. Het betoog slaagt niet.

7. Eiser stelt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 12 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:878) over het bestemmingsplan “Dordtse Kil” heeft overwogen dat geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat. Volgens eiser berustte die conclusie op een concreet bouwplan dat destijds voorlag. Het nieuwe bouwplan heeft andere afmetingen en daarom is de conclusie over het woon- en leefklimaat uit de uitspraak van 12 maart 2014 volgens hem niet meer van toepassing. Daarnaast stelt eiser dat de locatie nog steeds een gemengde bestemming heeft.

7.1.

Verweerder stelt dat het bouwplan waarvoor de vergunning is verleend wat betreft de hoogte en omvang voldoet aan het bestemmingsplan. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan zijn de planologisch relevante belangen afgewogen.

7.2.

In de uitspraak van 12 maart 2014 heeft de Afdeling naar aanleiding van het beroep van een van de buren van eiser geoordeeld over de planregeling voor [adres 1]. In de uitspraak staat hierover dat de Afdeling geen aanknopingspunten ziet voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een onaanvaardbare verslechtering van het woon- en leefklimaat, simpeler gezegd: de raad heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat het plan niet tot een onaanvaardbare verslechtering leidt. Anders dan eiser veronderstelt, is dat oordeel niet gebaseerd op een concreet voorliggend bouwplan, maar op de planregeling in haar algemeenheid. Voor zover het nu vergunde bouwplan in overeenstemming is met de eisen van het bestemmingsplan, kan daarom nog steeds worden uitgegaan van het oordeel over het woon- en leefklimaat uit de uitspraak van 12 maart 2014. De toepassing van de afwijkingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan, waarmee het bedrijfsgebouw dichter op de perceelsgrens kan worden gebouwd, beoordeelt de rechtbank hierna afzonderlijk.

7.3.

Het perceel [adres 1] heeft in het bestemmingsplan “Dordtse Kil” geen gemengde bestemming, maar de bestemming “Bedrijf”. Verweerder heeft toegelicht dat zowel de woningen als dit deel van het bedrijventerrein in het vorige bestemmingsplan, het bestemmingsplan “Dordtse Kil III” uit 1999, een gemengde bestemming hadden, omdat men langs de Rijksstraatweg bedrijfswoningen bij de bedrijven op het bedrijventerrein wilde bouwen. Later zijn hier alsnog reguliere woningen toegestaan en dat is overgenomen in het bestemmingsplan “Dordtse Kil” uit 2013. De bedrijfsbestemming en de daarbij behorende bouwmogelijkheden zijn bij de vaststelling van dat plan niet gewijzigd ten opzichte van het bestemmingsplan uit 1999. Dit blijkt uit de verbeelding en de planregels van de bestemmingsplannen.

Eiser heeft ook gewezen op een passage uit paragraaf 2.4 van de plantoelichting bij het bestemmingsplan “Dordtse Kil”, waaruit volgens hem volgt dat de (destijds) bestaande situatie niet mocht veranderen. In die passage staat voor zover hier van belang het volgende: “Het nieuwe bestemmingsplan gaat voor de uitgegeven locaties uit van de bestaande situatie. Voor de nog uitgeefbare gebieden, komt de bestemmingsregeling overeen met het huidige bestemmingsplan, zodat zoveel mogelijk op de wensen van nieuwe bedrijven kan worden ingespeeld.” Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat op de locatie [adres 1] geen bedrijfsgebouw kan worden toegestaan. De destijds nog niet benutte bouwmogelijkheden uit het bestemmingsplan “Dordtse Kil III” zijn overgenomen in het bestemmingsplan “Dordtse Kil”. Dat komt overeen met wat er in de plantoelichting staat over de nog uitgeefbare gebieden.

Uit hetgeen eiser heeft aangevoerd volgt daarom niet dat geen omgevingsvergunning kon worden verleend voor de bouw van een bedrijfsgebouw op deze locatie.

7.4.

De beroepsgrond slaagt niet.

Uitvoering bouwwerkzaamheden

8. Eiser voert aan dat bij de bouwwerkzaamheden schade aan zijn eigendommen is ontstaan en voorschriften uit de omgevingsvergunning niet zijn nageleefd. Verweerder heeft daar niet handhavend tegen opgetreden.

8.1.

Dit is geen aspect dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit over de vergunningverlening een rol kan spelen. De beroepsgrond kan daarom niet slagen.

Gebruik

9. Eiser voert aan dat de bedrijfsactiviteiten buiten het bestemmingsplan vallen en dat er geen rekening is gehouden met toekomstige aanpassingen in de bedrijfsvoering.

9.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het gebruik van de bedrijfsruimte voor opslag van keukenapparatuur voor winkels en groothandel zoals snijmachines, werkbanken, vitrines, koelkasten en vriezers niet in strijd is met het bestemmingsplan. Dit gebruik is niet letterlijk genoemd in de Staat van bedrijfsactiviteiten, maar is volgens hem te vergelijken met een groothandel in hout en bouwmaterialen van minder dan 2000 m2 (categorie 2).

9.2.

Op grond van het bestemmingsplan “Dordtse Kil” zijn op het perceel [adres 1] bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 3.1 toegestaan. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de beoogde bedrijfsactiviteiten daarmee in strijd zijn. Als de bedrijfsactiviteiten in de toekomst zouden veranderen, blijft gelden dat op grond van het bestemmingsplan dat maximaal milieucategorie 3.1 is toegestaan. De beroepsgrond slaagt niet.

Parkeren

10. Eiser voert aan dat onvoldoende in de parkeerbehoefte wordt voorzien. Er zijn te weinig parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig en daardoor wordt het parkeerterrein van de bewoners van de Rijksstraatweg belast. Verweerder heeft volgens eiser onvoldoende onderzoek gedaan naar het gebruik van de acht openbare parkeerplaatsen in de omgeving.

10.1.

Uit artikel 5.1 van de planregels van het bestemmingsplan “Partiële herziening regeling parkeren in bestemmingsplannen Dordrecht” volgt dat bij de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen moet worden beoordeeld of in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Dat wordt bepaald aan de hand van de “Beleidsregels parkeren bij nieuwbouwprojecten” (de beleidsregels). In artikel D, lid 1, onder f, van de beleidsregels is het volgende bepaald:
“Het college kan (gedeeltelijke) ontheffing van de plicht tot realisatie van het in artikel C lid 5 bedoelde aantal parkeerplaatsen verlenen, indien:
(…) f. het aantal parkeerplaatsen dat dient te worden gerealiseerd meer dan drie bedraagt en het tekort aan parkeerplaatsen dat binnen het nieuwbouwproject ontstaat maximaal drie stuks bedraagt”.

10.2.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat toepassing is gegeven aan deze bepaling. Niet in geschil is dat het bouwplan een parkeerbehoefte heeft van vijf parkeerplaatsen en dat op eigen terrein in twee parkeerplaatsen is voorzien. De rechtbank stelt vast dat daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden uit artikel D, lid 1, onder f, van de beleidsregels. Dit betekent dat het bouwplan in overeenstemming is met artikel 5.1 van de planregels van het bestemmingsplan “Partiële herziening regeling parkeren in bestemmingsplannen Dordrecht”. Nu het bouwplan niet in strijd is met dat bestemmingsplan, hoeft niet te worden getoetst of is voldaan aan de voorwaarden van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in artikel 5.3 van de planregels. Daarom hoeft niet te worden beoordeeld of de acht parkeerplaatsen in het openbare gebied toereikend zijn om in de resterende parkeerbehoefte te voorzien. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er op dit punt geen reden was om de omgevingsvergunning voor bouwen te weigeren. De beroepsgrond slaagt niet.

Geluid

11. Eiser voert aan dat het bouwplan leidt tot onaanvaardbare geluidhinder. Ter zitting is gebleken dat eiser vooral vreest voor extra geluidhinder op de achtergevel van zijn woning doordat het bedrijfsgebouw verkeersgeluid dat afkomstig is van de A16 zal weerkaatsen.

11.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de geluidaspecten al zijn beoordeeld bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Daarbij is de maximale bouwhoogte van 9 m als uitgangspunt genomen. Die hoogte wordt niet overschreden.

11.2.

De rechtbank stelt voorop dat de gevolgen voor de geluidbelasting al bij de vaststelling van het bestemmingsplan zijn beoordeeld en afgewogen. Door de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid mag het bedrijfsgebouw tot in de perceelsgrens worden gebouwd in plaats van op een afstand van 2,5 m uit de perceelsgrens. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat door de verkorting van de afstand tot de perceelsgrens een toename van de geluidbelasting is te verwachten. Daarbij is van belang dat de afstand tot de A16 ongeveer 300 m bedraagt, dat er bebouwing aanwezig is tussen de A16 en de Rijksstraatweg en dat de woning van eiser zelf een afschermende werking heeft. De beroepsgrond slaagt niet.

Luchtkwaliteit

12. Eiser voert aan dat het bouwplan leidt tot een toename van uitstoot van stikstof en fijnstof. Hij wijst in dat verband ook op andere ontwikkelingen in de omgeving, namelijk een nieuw klaverblad, de verbreding van de A16 en de ontwikkeling van bedrijventerrein Dordtse Kil IV. Volgens eiser zijn bovendien geen deugdelijke onderzoeken overgelegd waaruit blijkt dat de stikstofdepositie nu en in de toekomst binnen de gestelde grenzen blijft, ook als de bedrijfsvoering verandert.

12.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de stikstofdepositie van het bouwplan in de aanlegfase en de gebruiksfase verwaarloosbaar is. Daarom kan op voorhand worden uitgesloten dat het bouwplan afzonderlijk of in combinatie met andere plannen significante negatieve gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied “De Biesbosch”. Verweerder baseert zich hierbij op een memo van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid van 21 oktober 2019.

12.2.

Voor zover de beroepsgrond betrekking heeft op de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden overweegt de rechtbank het volgende. De afstand tussen de woning van eiser en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “De Biesbosch” is zo groot dat er naar het oordeel van de rechtbank geen verwevenheid bestaat van het individuele belang van eiser bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving met de algemene belangen die de Wet natuurbescherming beoogt te beschermen. Het relativiteitsvereiste dat in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is neergelegd staat daarom in de weg aan een inhoudelijke bespreking van dit betoog.
Voor zover eiser betoogt dat de luchtkwaliteit bij zijn woning onaanvaardbaar verslechtert, stelt de rechtbank voorop dat deze gevolgen bij de vaststelling van het bestemmingsplan zijn beoordeeld en afgewogen. Door de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid mag het bedrijfsgebouw tot op de perceelsgrens worden gebouwd in plaats van op een afstand van 2,5 m uit de perceelsgrens. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat zich hierdoor meer dan verwaarloosbare gevolgen voor de luchtkwaliteit bij het perceel van eiser zullen voordoen. De beroepsgrond slaagt niet.

Toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in artikel 4.3, onder b, van de planregels

13. In het primaire besluit is toepassing gegeven aan de afwijkingsbevoegdheid in artikel 4.3, onder b, van de planregels van het bestemmingsplan “Dordtse Kil”. Hiermee is voor de achtergevel en de zijgevel van het bedrijfsgebouw afgeweken van de afstand van 2,5 m tussen de bebouwing en de perceelsgrens die in artikel 4.2.2, onder c, van de planregels is voorgeschreven.

13.1.

Eiser is het niet eens met de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid. Hij voert in de eerste plaats aan dat het bouwplan de ruimtelijke structuur en de groenstructuur aantast. Het uitzicht op de groenstructuur gaat verloren, de ruimtelijke structuur wordt aangetast en de gebruiksmogelijkheden worden ernstig beperkt. Daarnaast voert eiser aan dat de vergunde situatie niet brandveilig is. Verweerder heeft hier volgens hem te weinig onderzoek naar gedaan. Volgens eiser is er door de geringe afstand kans op brandoverslag naar zijn schuur.

Verder voert eiser ook in verband met de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid aan dat er ernstige gevolgen zijn voor zijn woon- en leefklimaat. Het gaat vooral om verlies van uitzicht, vermindering van lichtinval en bezonning en hittestress. Meer in het bijzonder voert eiser aan dat geen rekening is gehouden met het burenrecht, er geen onderzoek is gedaan naar de bezonning en geen rekening is gehouden met artikel 3.74 van het Bouwbesluit 2012. Daarnaast stelt eiser dat zijn woning in waarde vermindert. Verweerder heeft volgens hem te weinig aandacht besteed aan deze gevolgen.

13.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat is voldaan aan de voorwaarden voor afwijking. Bij de voorbereiding van het primaire besluit is advies gevraagd aan een stedenbouwkundige en een brandveiligheidsdeskundige. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is de afwijking aanvaardbaar. Daarbij heeft verweerder overwogen dat er voldoende ruimte overblijft om de naastgelegen groenstructuur te ervaren en dat het bouwplan binnen de grenzen van het bouwvlak blijft. Bij het aanhouden van 2,5 m afstand komt de gevel niet in één lijn met de naastgelegen bebouwing te liggen. De bezonning is volgens verweerder al in het kader van het bestemmingsplan beoordeeld. Verweerder wijst er ook op dat het bestemmingsplan variatie in de hoogte van gebouwen mogelijk maakt en dat het zicht op de groenstructuur vergelijkbaar is met de situatie die het bestemmingsplan bij recht mogelijk maakt. Verweerder stelt verder dat de brandveiligheid niet verslechtert. De gevels van het gebouw worden voldoende brandwerend uitgevoerd en dat is gelijkwaardig aan het op 2,5 m afstand van de perceelsgrens bouwen.

13.3.

Uit artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1°, van de Wabo volgt dat met toepassing van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid alleen een omgevingsvergunning kan worden verleend als wordt voldaan aan de afwijkingsregels uit het bestemmingsplan en de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid daarnaast in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

13.4.

Naar het oordeel van de rechtbank is de omgevingsvergunning niet in strijd met de afwijkingsregels uit artikel 4.3, onder b, van de planregels van het bestemmingsplan “Dordtse Kil”.

De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de ruimtelijke structuur, de bebouwingskarakteristiek en de gebruiksmogelijkheden wezenlijk verslechteren doordat het bedrijfsgebouw op minder dan 2,5 m van de perceelsgrens mag worden gebouwd. Daarbij benadrukt de rechtbank dat de situatie vergeleken moet worden met wat het bestemmingsplan al rechtstreeks mogelijk maakt. Wat eiser op dit punt heeft aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ruimtelijke structuur, bebouwingskarakteristiek en/of gebruiksmogelijkheden niet onevenredig worden aangetast. Het bouwplan is daarom niet in strijd met artikel 4.3, aanhef en onder b, onderdeel 1, van de planregels.

Er is door een brandveiligheidsdeskundige advies uitgebracht over de brandveiligheid. Wat eiser heeft aangevoerd geeft onvoldoende aanleiding om aan de juistheid van dat advies te twijfelen. Verweerder kon op grond van het advies dan ook tot de conclusie komen dat er door het bouwen tot aan de perceelsgrens geen brandtechnische problemen ontstaan en dat het bouwplan daarom niet in strijd is met artikel 4.3, aanhef en onder b, onderdeel 2, van de planregels.

De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.

13.5.

Het beroep op artikel 3.74 van het Bouwbesluit 2012 kan niet slagen. Artikel 3.74 van het Bouwbesluit 2012 gaat namelijk over de daglichttoetreding in het bouwwerk zelf en niet bij de omwonenden.

13.6.

Wat betreft de goede ruimtelijke ordening overweegt de rechtbank het volgende. Het bestemmingsplan maakt bij recht omvangrijke bebouwing mogelijk op korte afstand van het perceel van eiser. Met de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid is die afstand aan de achterzijde van het perceel nog eens met 2,5 m verkort. De bebouwing komt daar tot aan de perceelsgrens. Ook aan de zijkant van het perceel is met de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid een afstand toegestaan van minder dan 2,5 tot de perceelsgrens, maar het gebouw raakt daar de perceelsgrens niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de besluitvorming te weinig aandacht gehad voor gevolgen hiervan voor het woon- en leefklimaat van eiser. Gelet op de omvang van het perceel van eiser is 2,5 m een relevante afstand. De belangrijkste reden voor de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid is geweest dat de achtergevels van de nieuwe en de bestaande bebouwing in één lijn komen te liggen. Van volledige eenheid in de bebouwing is daarmee echter geen sprake, omdat het nieuwe bedrijfsgebouw veel hoger is dan de bestaande bebouwing. Dit verschil is vooral aan de achterkant duidelijk te zien, omdat de bestaande (andere) bebouwing aan die kant een schuin oplopend dak heeft. Tegenover dit belang staan de belangen van eiser. De rechtbank heeft met het onderzoek ter plaatse vastgesteld dat het bedrijfsgebouw een aanzienlijke invloed heeft op het woon- en leefklimaat van eiser. In het bijzonder neemt het gebouw vanaf het perceel van eiser het uitzicht weg, is er vanuit de woning vrijwel geen zicht meer op de lucht en is het gebouw van invloed op de lichtinval in de woning en de bezonning. Deze effecten zijn er voor een groot deel ook als het bedrijfsgebouw op 2,5 m van de perceelsgrens wordt gebouwd, maar zijn ernstiger door het bouwen in de perceelsgrens. De beleving van de impact van het gebouw is daardoor objectief nog indringender. Uit het primaire besluit en het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder de belangen van eiser volledig heeft onderkend en deze belangen heeft afgewogen tegen het belang dat met de afwijking van het bestemmingsplan wordt gediend, namelijk het op één lijn brengen van de achtergevels van de bedrijfsgebouwen. Verweerder had dat in het kader van de goede ruimtelijke ordening wel moeten doen, omdat de gevolgen voor eiser naar het oordeel van de rechtbank door het verkorten van de afstand tot de perceelsgrens verder zijn verergerd. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Welstand

14. Eiser voert aan dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Hij stelt dat de adviezen van de welstandscommissie niet zijn opgevolgd.

Eiser heeft een tegenonderzoek ingebracht. Dit is het onderzoek “Second opinion realiseren bedrijfsruimten [adres 1]” van Dorp, Stad & Land van 29 mei 2020. In de second opinion wordt geconcludeerd dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Volgens de second opinion is vanwege de hoogte van 9 m, direct zicht op de achtergevel vanaf de openbare weg en vanuit de achtergelegen woningen, de korte afstand tot de belendende bebouwing en het volledig gesloten gevelvlak in stalen profielplaten geen sprake van een zorgvuldige inpassing dan wel een goede vormgeving. Dit is volgens de second opinion in strijd met het Document beeldvorming Dordtse Kil III van 13 juli 1999. Verder wordt volgens de second opinion niet voldaan aan de gebiedsgerichte criteria en de basiscriteria uit de gemeentelijke welstandsnota, onder meer omdat het gebouw vanwege een hoogteverschil in de gootlijn en het type dak niet past bij de architectonische eenheid van het gebouwencomplex en niet zorgvuldig is ingepast in de omgeving.

14.1.

Bij de voorbereiding van het primaire besluit heeft verweerder advies gevraagd aan de welstandscommissie. De welstandscommissie heeft een positief advies gegeven, waarbij de voorwaarde is gesteld dat de twee raampartijen in de zijgevel met elkaar worden verbonden door middel van een raampartij. Daarnaast heeft de welstandscommissie aanbevolen om, mede als geste naar de bewoners van de nabijgelegen woningen, de achtergevel te laten begroeien en de zilverkleurige gevelbeplating niet reflecterend uit te voeren. Verweerder stelt zich op basis van het advies van de welstandcommissie op het standpunt dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van geluid.

In zijn reactie op de second opinion stelt verweerder dat er ten onrechte van is uitgegaan dat het beeldkwaliteitsplan Dordtse Kil III deel uitmaakt van het beleid waaraan moet worden getoetst. Verweerder wijst erop dat een welstandsadvies zich in beginsel dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt, dan wel de bouwmogelijkheden waaraan het college planologische medewerking wil verlenen. Het bouwvlak en de maximale bouwhoogte van 9 m zijn in het bestemmingsplan opgenomen. Het bestemmingsplan bevat geen maximum goothoogte en geen maximum bebouwingspercentage. Bij de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid is beoordeeld of de ruimtelijke structuur, bebouwingskarakteristiek en de gebruiksmogelijkheden niet onevenredig worden aangetast. De welstandscommissie heeft deze bouwmogelijkheden meegewogen in haar advies. De second opinion gaat daar volgens verweerder aan voorbij.

14.2.

De welstandscommissie heeft aanbevelingen heeft gedaan over de begroeiing en de uitvoering van de beplating, maar heeft het opvolgen van deze aanbevelingen niet als voorwaarde gesteld voor een positief welstandsadvies. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder de inhoud van de aanbevelingen in de vergunning had moeten vastleggen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling dient de welstandstoets zich in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Uit het algemeen karakter van het welstandsvereiste vloeit voort dat bij de welstandstoets de voor de grond geldende bebouwingsmogelijkheden als uitgangspunt dienen te worden gehanteerd (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3082). De rechtbank stelt vast dat in de second opinion niet is uitgegaan van de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt, bijvoorbeeld wat betreft de bouwhoogte van 9 m en het hoogteverschil tussen het bedrijfsgebouw en de aangrenzende bestaande bebouwing. Het advies van de welstandscommissie richt zich wel naar de bouwmogelijkheden van het geldende bestemmingsplan. Nu de second opinion niet uitgaat van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, ziet de rechtbank daarin geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet had mogen baseren op het advies van de welstandscommissie. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand en dat er in zoverre geen reden was om de omgevingsvergunning voor bouwen te weigeren.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

15. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder moet daarom een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder in overweging om daarbij te bezien of hij alsnog tot een rechtmatig besluit kan komen door aan eiser een financiële compensatie te (laten) bieden voor het nadeel dat voor hem is ontstaan door de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 4.3, onder b, van de planregels van het bestemmingsplan “Dordtse Kil”.

15.1.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

15.2.

Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend.

De bijstand door een gemachtigde levert 2.0 punten op (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 1.

Eiser heeft verzocht om vergoeding van verletkosten. De rechtbank beperkt deze vergoeding tot 6 uur voor het bijwonen van de zitting en het onderzoek ter plaatse tegen het door eiser vermelde uurtarief van € 88 per uur. Dit leidt tot een vergoeding van € 528,-.

Daarnaast heeft eiser verzocht om vergoeding van de kosten voor drie deskundigenrapporten over respectievelijk geluid, welstand en bezonning. In de overwegingen 11.2 en 14.2 van deze uitspraak is geoordeeld dat de beroepsgronden over geluid en welstand niet slagen. De beroepsgrond die wel slaagt, houdt geen verband met de rapporten over geluid en welstand. De kosten voor die rapporten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2505). Het rapport over bezonning houdt wel verband met de beroepsgrond die slaagt. De kosten voor dat rapport (€ 387,20) komen daarom voor vergoeding in aanmerking.

De kosten voor het opvragen van archiefstukken bij de gemeente Dordrecht (€ 54,60) moeten eveneens worden vergoed.

Verder heeft eiser verzocht om vergoeding van kosten die in het kader van andere procedures, zoals het verzoek om voorlopige voorziening, zijn gemaakt. Deze kosten komen in deze procedure niet voor vergoeding in aanmerking. Eiser heeft ook verzocht om vergoeding van kosten die in de bezwaarfase zijn gemaakt. Daarover zal verweerder in de nieuwe beslissing op bezwaar een beslissing moeten nemen.

In totaal wordt toegekend € 2.487,80.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.487,80.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Teuben, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2022.

De rechter en griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.