Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:2969

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-04-2022
Datum publicatie
21-04-2022
Zaaknummer
FT EA 22/86
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek toepassing schuldsaneringsregeling met hardheidsclausule (art. 284, 288 lid 3 Fw). Beschermingsbewind. Omstandigheden voldoende veranderd ten goede. Verlenging regeling bij aanvang regeling.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Faillissementswet 284
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

toepassing schuldsaneringsregeling

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 7 april 2022

[verzoekster] ,

[adres] ,

[postcode] [woonplaats] ,

verzoekster.

1. De procedure

Verzoekster heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster is gehoord ter terechtzitting van 7 april 2022. Mevrouw L. van de Sluis was hierbij aanwezig als haar beschermingsbewindvoerder.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. De beoordeling

Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Verzoekster verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden. Er is geen, althans onvoldoende grond gebleken voor afwijzing van het verzoek.

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Voorts dient voldoende aannemelijk te zijn dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan de verzoekster dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin verzoekster kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoekster voor wat betreft haar inspanningen de schulden te voldoen of acties harerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.

In het bijzonder heeft de rechtbank gekeken naar de schuld van verzoekster aan Kinderopvang [naam kinderopvang] ter hoogte van € 30.346,22 met ontstaansdatum 6 november 2019. Verzoekster heeft destijds de facturen van deze kinderopvang onbetaald gelaten. Dit terwijl zij wel kinderopvangtoeslag heeft ontvangen van de Belastingdienst als tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvang. Deze schuld is daarom naar haar aard niet te goeder trouw ontstaan althans onbetaald gelaten en staat in beginsel aan toelating in de weg.

Het verzoek kan ingevolge artikel 288, derde lid Fw, ondanks het ontbreken van goede trouw, wel worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster de omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie sprake is. Verzoekster heeft inmiddels een beschermingsbewindvoerder en laat sindsdien geen nieuwe schulden ontstaan. Volgens verzoekster en haar beschermingsbewindvoerder loopt het beschermingsbewind goed. Verzoekster is bezig met haar opleiding als verzorgende (MBO niveau 3), die zij naar verwachting in februari 2023 zal afronden. Naast haar opleiding werkt verzoekster sinds kort parttime bij de Stichting Aafje. Verzoekster erkent haar verantwoordelijkheid voor het ontstaan van de schulden en laat zien dat haar situatie voldoende is gestabiliseerd. Door bovenstaande is bij de rechtbank het vertrouwen ontstaan dat verzoekster de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen.

De rechtbank merkt op dat het aannemelijk is dat afronding van de opleiding er toe zal leiden dat verzoekster zich een (beter) betaalde baan kan verwerven, zodat haar afloscapaciteit ten behoeve van de schuldeisers wordt verhoogd. De rechtbank zal verzoekster daarom in de gelegenheid stellen om haar opleiding af te ronden. Tot en met februari 2023 zal verzoekster worden vrijgesteld van de verplichting om fulltime te werken of naar een fulltime baan te solliciteren. Deze vrijstelling geldt onder de voorwaarde dat verzoekster zich tot het uiterste zal inspannen om haar opleiding vóór de genoemde datum succesvol af te ronden. Nu een deel van de schuldsaneringsperiode niet kan worden benut ten gunste van de schuldeisers, zal dit worden gecompenseerd door de duur van de schuldsaneringsregeling bij aanvang op vier jaar te stellen. Verzoekster heeft ter terechtzitting met deze verlengde duur van de regeling ingestemd.

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.

3. De beslissing

De rechtbank:

- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. B.A. Cnossen

en tot bewindvoerder R.I. de Jong,

gevestigd te Postbus 2022,

4200 Gorinchem;

- bepaalt dat schuldenares tot en met februari 2023 is vrijgesteld van de verplichting om fulltime te werken of naar een fulltime baan te solliciteren, mits verzoekster zich tot het uiterste zal inspannen om haar opleiding vóór maart 2023 succesvol af te ronden;

- bepaalt dat de schuldsaneringsregeling van toepassing zal worden verklaard voor een termijn van vier jaar en derhalve zal duren tot 7 april 2026;

- kent toe, voor zover de boedel dit toelaat, een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder van een telkens aan het eind van de maand opeisbaar bedrag. Dit bedrag is gelijk aan 1/37e deel van de overeenkomstig artikel 2 van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2013, 308) te berekenen vergoeding, verhoogd met de verschuldigde omzetbelasting;

- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van
M. Melissant, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 april 2022.