Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:2899

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-04-2022
Datum publicatie
19-04-2022
Zaaknummer
10/175290-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 6 WVW. De verdachte is door rood gereden en heeft vervolgens een overstekende fietsster geschept. Het slacht heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte gedurende langere tijd onoplettend is geweest. Hierbij is in aanmerking genomen dat uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat het stoplicht al 7.6 seconden rood was toen de verdachte het passeerde en dat zij na het passeren van het stoplicht nog tientallen meters heeft afgelegd voordat zij bij het punt kwam waar het slachtoffer aan het oversteken was. Deze vaststellingen brengen mee dat niet kan worden gezegd dat sprake was van een enkel moment van onoplettendheid. Geconcludeerd wordt dat het rijgedrag van de verdachte zodanig is geweest dat dat kan worden gekwalificeerd als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Aan haar wordt opgelegd een taakstraf van 90 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/175290-20

Datum uitspraak: 14 april 2022

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte],

raadsvrouw mr. J. van Veelen-de Hoop, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 31 maart 2022.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.L. van Prooijen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde feit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte een ogenblik niet goed heeft opgelet en daardoor het rode verkeerslicht niet heeft opgemerkt, maar dat deze enkele verkeersfout onvoldoende is voor een bewezenverklaring van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).

Beoordeling

Vast staat dat de verdachte op 22 juni 2019 in haar auto op de Doklaan in Rotterdam reed, dat zij op de kruising met de Wolphaertsbocht door rood is gereden en dat zij ongeveer 65 meter daarna een overstekende fietsster, [naam slachtoffer] (hierna: het slachtoffer), die groen licht had, heeft aangereden. Het slachtoffer heeft door deze aanrijding zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

De rechtbank dient te beoordelen of de verdachte schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW. Bij de vraag of sprake is van 'schuld' aan een verkeersongeval in genoemde zin komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij is van belang dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat strafrechtelijk sprake is van schuld zoals hiervoor bedoeld.

Door de verdachte is verklaard dat zij daar vaker reed, dat haar snelheid 40-50 km/u moet zijn geweest en dat zij zowel het (rode) verkeerslicht als het slachtoffer niet heeft gezien. De vraag is of, zoals betoogd, sprake is van slechts één verkeerovertreding, namelijk een enkel moment van onoplettendheid. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de verdachte gedurende langere tijd onoplettend is geweest. Hierbij is in aanmerking genomen dat uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat het stoplicht al 7.6 seconden rood was toen de verdachte het passeerde en dat zij na het passeren van het stoplicht nog tientallen meters heeft afgelegd voordat zij bij het punt kwam waar het slachtoffer aan het oversteken was. Deze vaststellingen brengen mee dat niet kan worden gezegd dat sprake was van een enkel moment van onoplettendheid. Dat de verdachte niet harder reed dan de toegestane maximumsnelheid maakt dat niet anders. Zij had namelijk haar snelheid moeten aanpassen aan de situatie, zodat zij in ieder geval tijdig had kunnen remmen om een aanrijding met het slachtoffer te voorkomen.

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het rijgedrag van de verdachte zodanig is geweest dat dat kan worden gekwalificeerd als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en dat daarom sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW. Het primair ten laste gelegde wordt dus bewezen verklaard.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij op 20 juni 2019 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),

daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de

Doklaan en de kruising van de Doklaan met de Wolphaertsbocht,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk, onvoorzichtig

en onoplettend te rijden op die weg/die kruising,

welk onoplettend, onvoorzichtig rijgedrag hierin

heeft bestaan dat verdachte toen daar

- in strijd met een voor haar, verdachtes, rijrichting geldend rood licht uitstralend

verkeerslicht voornoemde kruising is opgereden, en

- haar aandacht daarbij niet voortdurend op de weg en op het verkeer voor haar

heeft gehouden, en

-(daarbij) haar snelheid niet zodanig heeft aangepast dat zij in staat was haar

voertuig tijdig af te remmen of tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover

zij, verdachte, de weg/kruising kon overzien en waarover deze vrij was, en

- ( aldus rijdend) niet of niet tijdig heeft opgemerkt dat een voor haar, verdachte, van

rechts komende fietsster, die groen licht had, inmiddels voornoemde kruising op

was gereden, en

- aldus rijdend tegen die fietsster is aangebotst of aangereden,

waardoor bij die fietsster (genaamd [naam slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een

gecompliceerde beenbreuk en een gebroken ellepijp en een gebroken rib, is ontstaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft onvoldoende haar aandacht op de weg gehouden waardoor zij met haar auto door rood is gereden en vervolgens tientallen meters verder een overstekende fietsster niet heeft gezien. Zij heeft de fietsster aangereden die daardoor zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het slachtoffer heeft op zitting verteld welke ernstige lichamelijke en ook geestelijke gevolgen de aanrijding voor haar heeft. Dat het onoplettende rijgedrag van de verdachte dit leed heeft veroorzaakt, wordt haar aangerekend.

De rechtbank heeft in een uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 oktober 2021 gezien dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Gezien de aard en de ernst van het feit wordt aanleiding gezien een taakstraf op te leggen. Bij de bepaling van de duur daarvan is gekeken naar straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Ook is gekeken naar de oriëntatiepunten voor dit soort feiten. Als er sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout, waardoor bij een ander zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt, gaan die oriëntatiepunten uit van een taakstraf voor de duur van 120 uur en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

De rechtbank komt echter uit op een lagere straf. Daarbij speelt mee het blanco strafblad van de verdachte en het feit dat de verdachte contact heeft gezocht met het slachtoffer. Dat dat contact voor het slachtoffer niet heeft gebracht wat zij ervan had verwacht, is natuurlijk spijtig, maar doet niet af aan de goede intenties van de verdachte. Verder is rekening gehouden met het tijdsverloop. In dat tijdsverloop wordt ook aanleiding gezien om geen voorwaardelijke rijontzegging op te leggen.

Een en ander overziend wordt een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 90 uur passend en geboden geacht.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 45 (vijfenveertig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.F. Milders, voorzitter,

en mrs. M.J.M. van Beckhoven en F.J.E. van Rossum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A-L.H. Wilkens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 20 juni 2019 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Doklaan en/of de kruising van de Doklaan met de Wolphaertsbocht,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig

en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van

de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op die weg/die kruising,

welk onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam en/of onzorgvuldig rijgedrag hierin

heeft bestaan dat verdachte toen daar

- in strijd met een voor haar, verdachtes, rijrichting geldend rood licht uitstralend

verkeerslicht voornoemde kruising is opgereden, en/of

- haar aandacht daarbij niet voortdurend op de weg en op het verkeer voor haar

heeft gehouden, en/of

-(daarbij) haar snelheid niet zodanig heeft aangepast dat zij in staat was haar

voertuig tijdig af te remmen of tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover

zij, verdachte, de weg/kruising kon overzien en waarover deze vrij was, en/of

- ( aldus rijdend) niet of niet tijdig heeft opgemerkt dat een voor haar, verdachte, van

rechts komende fietsster, die groen licht had, inmiddels voornoemde kruising op

was gereden, en/of

- aldus rijdend tegen die fietsster is aangebotst of aangereden,

waardoor die fietsster (genaamd [naam slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een

gecompliceerde beenbreuk en/of een gebroken ellepijp en/of een gebroken rib, of

zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij op of omstreeks 20 juni 2019 te Rotterdam

als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de

Doklaan, en/of de kruising van de Doklaan met de Wolphaertsbocht,

- in strijd met een voor haar, verdachtes, rijrichting geldend rood licht uitstralend

verkeerslicht voornoemde kruising is opgereden, en/of

- haar aandacht daarbij niet voortdurend op de weg en het verkeer voor haar heeft

gehouden, en/of

-(daarbij) haar snelheid niet zodanig heeft aangepast dat zij in staat was haar

voertuig tijdig af te remmen of tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover

zij, verdachte, de weg/kruising kon overzien en waarover deze vrij was, en/of

- ( aldus rijdend) niet of niet tijdig heeft opgemerkt dat een voor haar, verdachte, van

rechts komende fietsster, die groen licht had, inmiddels voornoemde kruising op

was gereden, en/of

- en aldus rijdend tegen die fietsster is aangebotst en/of aangereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd.