Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:2806

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-04-2022
Datum publicatie
14-04-2022
Zaaknummer
10/960116-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek 26Sartell. Veroordeling tot 3 jaar gevangenisstraf (met toepassing art. 63 Sr) in verband met de grootschalige invoer van cocaïne (partij van ongeveer 4.000 kg). Uitgebreide overwegingen van de rechtbank over de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van de beschikbare data van PGPSafe, constatering daarbij van vormfout, en de nieuwe v.i. regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/960116-20

Datum uitspraak: 11 april 2022

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadslieden mr. M. van Stratum, advocaat te Nootdorp en mr. E.A. Blok, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 16 augustus 2021 (pro-forma), 20 september 2021 (regie), 15 november 2021 (regie), 1 december 2021, 19 januari 2022, 21 januari 2022, 21 februari 2022 en 28 maart 2022.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officieren van justitie mrs. B.S. van Unnik en S. Kubicz hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar.

4. Vooraf

4.1.

Leidende grondgedachte

De verdenking tegen de verdachte is voor een groot deel gebaseerd op zogenaamde PGPSafeberichten. Gezien het verweer van de verdediging zal de rechtbank de verkrijging en verwerking van de PGPSafedata beoordelen. Zij hanteert daarbij de navolgende grondgedachte.

Ons privéleven en onze privégegevens genieten een hoge mate van bescherming.

Dat uitgangspunt wordt gehanteerd in het Unierecht1, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)2, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)3, de Universele verklaring van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Universele verklaring) en komt ook in onze nationale wetten tot uitdrukking.

De rechter toetst weliswaar niet direct aan de Grondwet, maar ook daarin is het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (in artikel 10) en het briefgeheim (in artikel 13) vastgelegd.

Die bescherming is echter niet onbeperkt. Inperking is mogelijk, maar moet bij wet zijn voorzien en bovendien noodzakelijk, evenredig en proportioneel zijn. Daarbij geldt in zijn algemeenheid het adagium: hoe zwaarder de verdenking (zeer ernstige misdrijven, georganiseerd verband), hoe groter de inbreuk mag zijn. Anderzijds levert een zware verdenking an sich geen vrijbrief op voor het maken van die inbreuk.

Bovengenoemde uitgangspunten zijn verankerd in het nationaal wettelijk stelsel van strafvorderlijke bevoegdheden en de internationaalrechtelijke wet- en regelgeving waarop bijvoorbeeld rechtshulp is gebaseerd. Dit stelsel, dit complex aan regelgeving, moet het kader scheppen waarin opsporingsinstanties hun taak vervullen.

Nieuwe ontwikkelingen en technische vooruitgang, kunnen ervoor zorgen dat het stelsel soms wordt toegepast in situaties die op voorhand niet altijd zijn voorzien. Dat maakt de toepassing niet op voorhand in strijd met het recht, maar de toetsing daarvan is minder eenduidig en vatbaar voor discussie. Voorop staat in ieder geval dat binnen de grenzen van het legaliteitsbeginsel moet worden geacteerd en er moet zijn voorzien in een toetsing aan de beginselen van een behoorlijke rechtspleging.

Het voorgaande speelt in de onderhavige zaak bij de verwerving en verwerking van de data

van encrypted telecomdienst PGPSafe, ook wel een Over The Top-communicatiedienst

(OTT) genoemd, waarvoor in het Nederlandse stelsel geen zogenoemde aftapverplichting

bestaat4, waardoor de data daarvan door de opsporingsdiensten op andere wijze diende te

worden vergaard. Waar de verdediging stelt dat bij die andere wijze van vergaren sprake is

van bulkvergaring waarin ons wettelijk systeem niet voorziet en waarbij de (grond)rechten

van iedere gebruiker worden geschonden, stelt de officier van justitie daar tegenover dat

conform de wettelijke bepalingen en met eerbied voor de rechten van de verdachten is

gehandeld.

4.2.

Eerdere tussenbeslissingen

De rechtbank heeft zich in de beslissingen van 11 oktober 2021 (onder 5.5) en 19 november 2021 (onder 4.3) op basis van de toen beschikbare informatie (bij wijze van voorlopig oordeel) reeds uitgelaten over diverse PGPSafe gerelateerde onderwerpen. Nadien is door de verdediging en de officier van justitie nog aanvullende informatie in de strafzaken ingebracht. Deze informatie heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven om op die voorlopige oordelen terug te komen. Nu het onderzoek is afgerond, zal de rechtbank haar eindoordeel vellen op basis van het dossier zoals het nu voorligt.

De rechtbank zal eerst de feitelijke gang van zaken rondom de verkrijging, verwerking en de overdracht van de PGPSafeberichten vaststellen en daarna aan de hand van de juridische kaders een oordeel vellen over de rechtmatigheid daarvan, de betrouwbaarheid van de verkregen data en de eerlijkheid van het proces.

5. PGPSafe

De verdediging heeft zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat verkrijging en verwerking van de PGPSafedata onrechtmatig is wegens strijd met nationaal en internationaal recht. Daarenboven zijn de verkregen data onvolledig en onbetrouwbaar. De PGPSafedata dienen te worden uitgesloten van het bewijs, subsidiair dient strafvermindering plaats te vinden.

5.1.

Beoordeling

De rechtbank zal de gevoerde verweren hieronder bespreken. De rechtbank staat eerst stil bij de verkrijging van de PGPSafedata in het onderzoek 26Sassenheim en daarna bij de verkrijging en verwerking van de PGPSafedata in het onderzoek Sartell.

5.1.1.

Feitelijke gang van zaken

Op 4 april 2017 heeft de officier van justitie in het onderzoek 26Sassenheim een rechtshulpverzoek aan de bevoegde autoriteiten in Costa Rica gedaan tot onder meer het verrichten van een doorzoeking en het veilig stellen en kopiëren van servers die zich bevonden in het bedrijf [naam bedrijf 1] in [vestigingsplaats bedrijf 1], Costa Rica. Op deze servers bevond zich de BlackBerry Enterprise Server (BES) infrastructuur die ervoor zorgde dat emailberichten van gebruikers van PGPSafe.net-telefoons werden gerouteerd naar de juiste ontvangers en werden versleuteld5.

Op 8 mei 2017 heeft de rechter te Costa Rica een machtiging afgegeven en op 9 mei 2017 is binnengetreden in het datacentrum van [naam bedrijf 1] voor een doorzoeking ter vastlegging van gegevens. De BES infrastructuur bevond zich in twee serverkasten waarvan er één sinds 2012 en één sinds 2016 was verhuurd. Het onderzoek is beperkt tot de serverkast die was verhuurd sinds 2012.

De Costa Ricaanse autoriteiten hebben een medewerker van [naam bedrijf 1] bevolen de netwerkverbinding tussen de computerapparatuur in de twee serverkasten en het internet te verbreken. Hierdoor was gedurende de doorzoeking geen netwerverkeer mogelijk tussen de twee serverkasten en computersystemen die zich daarbuiten bevonden.

Tussen 9 mei 2017 te 18.00 uur en 11 mei 2017 te 09.00 uur zijn bestanden gekopieerd. Omdat de Costa Ricaanse autoriteiten de doorzoeking gingen beëindigen, is niet alles gekopieerd. In overleg met de Costa Ricaanse autoriteiten is bij het veiligstellen prioriteit gegeven aan de zich op die server bevindende virtuele machines met cryptografisch sleutelmateriaal en aan de virtuele machines met emailberichten.

In de perioden dat het kopiëren van de gegevens zonder de aanwezigheid van de Costa Ricaanse autoriteiten werd voortgezet zijn de serverkasten door de rechter verzegeld. De verzegeling is bij voortzetting van de doorzoeking steeds door de Costa Ricaanse autoriteiten gecontroleerd, waarbij geen doorbreking van de verzegeling is vastgesteld.

De datadragers, waarnaar de data zijn gekopieerd, zijn door de Costa Ricaanse autoriteiten verpakt en door de Costa Ricaanse rechter verzegeld.

Op 12 juni 2017 is van de Costa Ricaanse autoriteiten een pakket ontvangen met daarin een verzegelde reiskoffer en een enveloppe met de uitvoeringsstukken van het rechtshulpverzoek. In de reiskoffer bevonden zich harde schijven, te weten een Synology NAS met acht harde schijven en een losse harde schijf.

Van de losse harde schijf is een forensische kopie gemaakt, waarvan de integriteit softwarematig is vastgesteld6. De bestanden die zich op de NAS bevonden zijn eveneens naar het onderzoeksnetwerk van de politie gekopieerd. Van die bestanden zijn de hashwaardes berekend. De hashwaardes van de bron (de NAS) en de kopie van het onderzoeksnetwerk kwamen overeen.7

Met behulp van het door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) ontwikkelde forensische systeem Hansken zijn uit de Costa Rica data emailberichten ontsloten.

5.1.2. (

(On)rechtmatigheid verkrijging data

De rechtbank heeft zich eerst de vraag gesteld of de verkrijging van de PGPSafedate in onderzoek 26Sassenheim in deze zaak überhaupt ter toetsing voor ligt. De officier van justitie heeft betoogd dat dat niet het geval is vanwege (1) het interstatelijk vertrouwensbeginsel en (2) het feit dat de vergaring van de gegevens niet heeft plaatsgevonden in het voorbereidend onderzoek van Sartell (artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

Het interstatelijk vertrouwensbeginsel staat toetsing door de rechtbank aan de grondslag van het rechtshulpverzoek niet in de weg. Immers, betoogd is dat een onjuiste wettelijke basis voor het gedane rechtshulpverzoek is gehanteerd, te weten artikel 125i Sv in plaats van artikel 125la Sv. Dit is een verantwoordelijkheid van de Nederlandse opsporende instantie en niet die van de Costa Ricaanse rechter die het verzoek ontvangt.

Voor wat betreft de inhoudelijke toetsing voor de inzet van het opsporingsmiddel in Costa Rica, de rechtmatigheid, doelmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit staat het interstatelijk vertrouwensbeginsel toetsing van de beslissing van de Costa Ricaanse rechter wel in de weg. De inzet van het dwangmiddel heeft plaatsgevonden in Costa Rica, met machtiging van een Costa Ricaanse rechter en onder verantwoordelijkheid van de Costa Ricaanse autoriteiten. Het enkele feit dat de Nederlandse autoriteiten hulp hebben aangeboden van Nederlandse opsporingsambtenaren bij de uitvoering van hetgeen waarom verzocht is, welke hulp vervolgens is geaccepteerd, maakt dat niet anders. Dat de Nederlandse opsporingsambtenaren hiermee feitelijk de leiding over en de verantwoordelijkheid zouden hebben gehad voor de in Costa Rica uitgevoerde handelingen is daarmee niet gegeven. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zo dat het geval zou zijn geweest, wel alle servers zouden zijn gekopieerd.

De Costa Ricaanse rechter heeft, zo blijkt uit zijn beslissing, een uitvoerige belangenafweging gemaakt onder meer door te toetsen aan nationaalrechtelijke (grondwettelijke) bepalingen en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en de Universele verklaring van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Universele verklaring), alvorens een machtiging te geven voor de doorzoeking. Het is niet aan de Nederlandse rechter deze toetsing over te doen.

Het interstatelijk vertrouwensbeginsel staat in de weg aan de toetsing door de Nederlandse rechter waar het betreft de inzet van het dwangmiddel. De wijze waarop de resultaten daarvan vervolgens zijn verwerkt in het onderhavige dossier, ligt wel ter toetsing voor. De Nederlandse rechter dient immers te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van het buitenlandse onderzoek in de strafzaak gebruikt wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijke proces, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Grondslag van het rechtshulpverzoek en artikel 359a Sv

Zoals hiervoor overwogen staat het interstatelijk vertrouwensbeginsel de toetsing aan de grondslag van het rechtshulpverzoek in 26Sassenheim niet in de weg. De vraag die hierbij opkomt is of toetsing van het rechtshulpverzoek in onderzoek Sartell kan plaatsvinden. De rechtbank beantwoordt deze vraag als volgt.

Het rechtshulpverzoek heeft in onderzoek 26Sassenheim plaatsgevonden, derhalve niet in het voorbereidend onderzoek van Sartell. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit een toetsing aan de grondslag van het rechtshulpverzoek niet in de weg staat. Zoals volgt uit de arresten van de Hoge Raad van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1889 en 1890) kan toetsing aan de orde komen bij een onrechtmatige handeling jegens de verdachte begaan in een ander voorbereidend onderzoek, indien het vormverzuim van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of verdere vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit.

De rechtbank is van oordeel dat een eventuele onrechtmatige PGPSafedatavergaring en verwerking ten gevolge van een eventueel onrechtmatig rechtshulpverzoek ook onrechtmatig zou zijn jegens de gebruikers van PGPSafe. Immers, het zijn hun berichten die daarmee worden verkregen en ingezien en de bepalingen die dergelijke vergaring reguleren zien (mede) op de bescherming van de (privacy) belangen van de gebruikers.

Voorts moet worden vastgesteld dat de PGPSafedata die zijn verkregen op grond van het rechtshulpverzoek en in onderzoek Sartell zijn opgenomen, een omvangrijk deel van het Sartell dossier uitmaken. Voorafgaand aan de verkrijging van de PGPSafedataset in Sartell, waren de verdachten in de zaakdossiers Scan en Broer (met feiten afkomstig uit 2015 en 2016) voor het merendeel niet in beeld. Daar waar het de zaak Scan betreft waren de medeverdachten [naam medeverdachte 1] (hierna: [naam medeverdachte 1]) en [naam medeverdachte 2] (hierna: [naam medeverdachte 2]) weliswaar al eerder als verdachten in beeld, maar werden de zaken tegen hen wegens onvoldoende bewijs geseponeerd. Nadat de data in onderzoek Sartell werden opgenomen, kwamen de verdachten (al dan niet opnieuw) in beeld. De rechtbank is van oordeel dat de verkrijging van de PGPSafedataset naar aanleiding van het rechtshulpverzoek voor onderzoek Sartell (althans de zaaksdossiers Scan en Broer) van bepalende invloed is geweest. De bewijsconstructie van de officier van justitie ziet hier overigens ook grotendeels op.

Het voorgaande betekent niet dat de rechtbank het onderzoek 26Sassenheim als voorbereidend onderzoek naar de verdachten van zaaksdossier Scan en Broer in onderzoek Sartell beschouwt, het betekent uitsluitend dat zij reden ziet de rechtmatigheid van het rechtshulpverzoek tot de verkrijging van de PGPSafedataset te toetsen naar aanleiding van het door verdediging op dit punt gevoerde verweer.

Bevoegdheid

In dit kader heeft de rechtbank zich vervolgens de vraag gesteld of de officier van justitie bevoegd was tot het doen van het rechtshulpverzoek aan Costa Rica zoals dat op 4 april 2017 is gedaan. Meer toegespitst: is door de officier van justitie hierbij de juiste bevoegdheid aangewend?

De rechtbank overweegt in navolging van het vonnis in de Ennetcomzaak van 21 september 20218 dat het openbaar ministerie artikel 125la Sv – dat beperkingen voorschrijft in de vast te leggen gegevens die worden aangetroffen bij een doorzoeking op grond van artikel 125i Sv en bovendien een machtiging van de rechter-commissaris vergt – bij de doorzoeking in de serverruimte van [naam bedrijf 1] in [vestigingsplaats bedrijf 1] (Costa Rica), die te gelden heeft als doorzoeking bij PGPSafe, en ook bij de verkrijging van de PGPSafedata in acht had moeten nemen.

Dit omdat PGPSafe als ‘aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst’ als bedoeld in dit artikel heeft te gelden, hoewel de door PGPSafe aangeboden PGPfaciliteiten/functies maken dat deze zich onderscheidt van een reguliere serviceprovider of internetaanbieder.

Het begrip ‘aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of (…) openbare telecommunicatiedienst’ in artikel 125la Sv legt de rechtbank hier eveneens uit aan de hand van het begrip ‘aanbieder van een communicatiedienst’ als bedoeld in artikel 126la Sv(oud) thans 138g Sv. De emailberichten op de servers van PGPSafe komt hiermee dezelfde bescherming toe als het ‘briefgeheim’.

Deze bevoegdheid kon wel worden ontleend aan 125la Sv, mits aan de daarin genoemde voorwaarden werd voldaan, te weten (1) er mag slechts kennis worden genomen van berichten die niet van of voor de dienst bestemd zijn voor zover zij klaarblijkelijk van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn, op hem betrekking hebben of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend, ofwel klaarblijkelijk met betrekking tot die gegevens het strafbare feit is gepleegd en (2) er dient een voorafgaande schriftelijke machtiging te worden verleend door de rechter-commissaris.

Voor wat betreft de eerst genoemde voorwaarde is de rechtbank, anders dan door de verdediging is betoogd, van oordeel dat daaraan door de officier van justitie is voldaan. De verdenking van onder andere witwassen binnen onderzoek 26Sassenheim bood een heel ruime grondslag, in het kader waarvan ook de berichtgeving en de eventueel daaruit voortvloeiende hoedanigheid van de gebruikers van de PGPSafetelefoons relevantie had. De – al dan niet directe – link met het strafbare feit is daarmee gegeven.

Voor wat betreft de tweede genoemde voorwaarde is evident dat daaraan niet is voldaan. De officier van justitie heeft bij het opstellen/indienen van het rechtshulpverzoek op grond van de (letterlijke) tekst van de wet in de veronderstelling verkeerd dat hij een eigen bevoegdheid had en heeft dientengevolge geen voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris gevraagd.

Gevolgen vormverzuim

Het ontbreken van de voorafgaande machtiging door de rechter-commissaris levert een onherstelbaar vormverzuim op. Dit vormverzuim heeft zich weliswaar niet in het voorbereidend onderzoek jegens de verdachten in deze zaak voorgedaan maar wel zal moeten worden beoordeeld of dit vormverzuim tot consequenties moet leiden in dezen. Bij het verrichten van die beoordeling, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Het belang van het geschonden voorschrift is groot. Het betreft het ontbreken van een voorafgaande rechterlijk toets, die is ingegeven door de ernst van de inbreuk die wordt gemaakt door toepassing van het dwangmiddel. Door het ontbreken van de rechterlijk toets, heeft geen voorafgaande rechterlijke beoordeling van de rechtmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit in Nederland (voorafgaand aan het indienen van het rechtshulpverzoek) plaatsgevonden. Echter, in casu is die beoordeling wel gemaakt door de rechter in Costa Rica zoals blijkt uit het bevel van 8 mei 2017, waarbij de rechter zowel aan nationaal (grond)wettelijke bepalingen als aan internationaal recht (IVBPR en de Universele verklaring) heeft getoetst . Dit relativeert de ernst van het ontbreken van de voorafgaande rechterlijke toets in Nederland.

Voor wat betreft de ernst van het verzuim is van belang dat niet gebleken is van een bewust onjuist handelen van de officier van justitie. Eerst in september 2021 is door de rechtbank uiteen gezet dat en waarom het begrip ‘aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of (…) openbare telecommunicatiedienst’ in artikel 125la Sv uitgelegd moet worden aan de hand van het begrip ‘aanbieder van een communicatiedienst’ als bedoeld in artikel 126la Sv(oud) thans 138g Sv. De rechtbank is bovendien van oordeel dat, zo de officier van justitie om een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris zou hebben gevraagd, hij deze naar alle waarschijnlijkheid gekregen zou hebben, gezien de ernst van de verdenking en hetgeen uit tal van strafrechtelijke onderzoeken reeds bekend was over PGPSafe, namelijk dat deze aanbieder (wellicht niet alleen maar wel) bij uitstek werd gebruikt om communicatie over ernstige strafbare feiten geheim te kunnen houden, zoals ook uitvoerig uiteen is gezet in het rechtshulpverzoek. De rechtbank is het dan ook niet eens met de verdediging waar deze stelt dat ‘geen redelijk denkend rechter-commissaris een dergelijke machtiging zou hebben afgegeven’.

Het nadeel dat door het vormverzuim zou zijn geleden, mag volgens vaste jurisprudentie niet gelegen zijn in de ontdekking van een strafbaar feit. In het onderhavige geval kan als nadeel dan in algemene zin worden genoemd: een inbreuk op de privacy (al stellen de verdachten geen van allen dat zij inderdaad degenen zijn die aan de in beslag genomen communicatie hebben deelgenomen). Ook dit nadeel dient te worden gerelativeerd. Voor zover de rechtbank daar zicht op heeft gekregen, heeft deze communicatie voor het overgrote deel betrekking op strafbaar handelen. Gesprekken die de persoonlijke levens van de gespreksdeelnemers betreffen, zijn in dit dossier zeldzaam en zeer beperkt. Zeker kan niet worden gesteld dat met het kennisnemen van deze communicatie een min of meer compleet beeld van iemands persoonlijke leven wordt verkregen. De inbreuk kan daardoor als relatief gering worden bestempeld.

De rechtbank ziet het voorgaande beschouwend geen aanleiding voor de conclusie dat niet met constatering van het vormverzuim kan worden volstaan.

De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, evenmin grond voor het oordeel dat sprake is geweest van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of beginsel waarbij toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk is als rechtsstatelijke waarborg en als middel om vergelijkbare verzuimen in de toekomst te voorkomen. Hiervoor is reeds overwogen en toegelicht dat en waarom de rechtbank het verzuim niet ziet als een bewust onjuist handelen van de officier van justitie.

Dat het openbaar ministerie moet worden aangemerkt als een (in de woorden van de verdediging) onverbeterlijke recidivist volgt de rechtbank niet.

Dit laat onverlet dat ook de rechtbank ziet dat opsporing, waarbij gebruik wordt gemaakt van zogenoemde bulkvergaring zoals dat is gebeurd bij PGPSafe (en naar bekend ook bij andere diensten) een vorm van opsporing betreft, die mogelijk niet is voorzien en waarmee dus de randen van de strafvorderlijke bevoegdheden worden opgezocht. Dat het openbaar ministerie hierbij inzake PGPSafe (want alleen daar ziet deze overweging op) de randen bewust is overgegaan, ziet de rechtbank niet.

De verstrekking van de data aan Sartell

De rechtbank heeft zich vervolgens de vraag gesteld of de PGPSafedata die in onderzoek 26Sassenheim waren verkregen, aan onderzoek Sartell mochten worden verstrekt.

Feitelijke gang van zaken

In een tweetal andere onderzoeken dan Sartell – te weten onderzoek Dobricic9 en onderzoek Rockaway10 – is informatie verkregen dat de in dat onderzoek relevante personen gebruik maakten van PGPSafe. De emailadressen die bij die personen hoorden zijn ten behoeve van de onderzoeken Dobricic en Rockaway11 verstrekt aan het onderzoeksteam 26Sassenheim en deze zijn door hen bevraagd in de dataset van 26Sassenheim.

Deze bevraging heeft geleid tot kennisname van berichten die betrekking leken te hebben op de invoer van een partij cocaïne in Rotterdam tussen 27 en 30 mei 201612. Dit kwam sterk overeen met de partij die in onderzoek Romp in beslag was genomen.

De resultaten zijn door het onderzoeksteam 26Sassenheim met toestemming van de officier van justitie verstrekt aan respectievelijk onderzoek Dobricic13 en Rockaway14.

In de loop van 2019 is de verkregen informatie ter beschikking gesteld aan onderzoek Sartell. Vanuit onderzoek Sartell is aan het onderzoeksteam 26Sassenheim gevraagd om de uit de hiervoor genoemde onderzoeken naar voren gekomen PGPsafe-emailadressen in de dataset te bevragen. De resultaten van het onderzoek zijn met toestemming van de officier van justitie op grond van artikel 126dd Sv gedeeld met onderzoek Sartell15.

Rechtmatigheid verstrekking

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat artikel 126dd Sv onvoldoende basis biedt voor de verstrekking van de data aan Sartell, zowel vanuit Dobricic en Rockaway als vanuit 26Sassenheim.

De verdediging heeft grote bezwaren geuit tegen de vergaring van en het kunnen putten uit de grote dataset zoals die in 26Sassenheim is veiliggesteld. De rechtbank acht in dat kader relevant dat uit de gang van zaken zoals die uit de diverse processen-verbaal duidelijk naar voren komt, dat niet blijkt dat de verschillende zaaksofficieren zelf de mogelijkheid hadden om vrijelijk te zoeken in de dataset van 26Sassenheim. De zoekslagen in de dataset zijn steeds via het onderzoeksteam 26Sassenheim gedaan.

Daarnaast komt duidelijk naar voren dat gezocht is in het kader van lopende strafrechtelijke onderzoeken waarin een ‘verdacht’ emailadres naar voren kwam. Er was sprake van een concrete verdenking van ernstige strafbare feiten – zoals invoer van grote partijen cocaïne – waarbij tijdens de bevraging van één adres een keten aan andere gesprekspartners naar voren kwam die concreet met elkaar leken te communiceren over de invoer van een grote partij cocaïne, waarvan de specificaties ook nog eens overeen leken te komen met een daadwerkelijk aangetroffen partij cocaïne. Van een fishing expedition of willekeurige zoekslagen op willekeurige emailadressen of een lijst met zoektermen is geen sprake geweest. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoeksteam in Sartell niet vrij stond om de bedoelde emailadressen te doen bevragen in de dataset van 26Sassenheim, noch dat hiermee een ongerechtvaardigde of disproportionele inbreuk zou worden gemaakt op de rechten van de gebruikers van deze emailadressen.

Equality of arms

De verdediging heeft uitvoerig betoogd dat geen sprake is van equality of arms. Ten onrechte zou de verdediging niet de beschikking hebben gekregen over de gehele PGPSafedataset (zoals verkregen in onderzoek 26Sassenheim).

Behalve de PGPSafeberichten die zich in het dossier bevinden (en dus zijn verstrekt aan rechtbank en verdediging), heeft de verdediging afzonderlijk nog de beschikking gekregen over de data van de PGPlijnen die aan de verdachte zelf worden toegeschreven. Daarnaast heeft de verdediging de mogelijkheid gekregen om de volledige Sartell dataset in te zien bij het NFI met gebruikmaking van Hansken. De officier van justitie in de zaak Sartell heeft niet meer data ter beschikking gehad.

De verdediging heeft gewezen op de onmogelijkheid om te controleren of er ontlastend materiaal in de 26Sassenheim dataset is te vinden en heeft gesteld dat zij daarom de beschikking had moeten krijgen over de volledige dataset, althans de gelegenheid had moeten krijgen die in te zien.

De rechtbank volgt de verdediging hierin niet. Hiervoor is reeds uiteengezet dat uit het dossier blijkt hoe de Sartell dataset tot stand is gekomen, namelijk door bevraging van een aantal concrete emailadressen. Emailadressen die naar voren zijn gekomen bij bevraging van verdachte adressen en het vervolgens stuiten op verdachte gesprekken over concrete strafbare feiten.

In zijn algemeenheid valt niet in te zien waarom de verdediging inzage zou moeten hebben op alle PGPSafedata die in onderzoek 26Sassenheim is verkregen. De verdediging heeft daarbij geen enkel concreet punt genoemd waaruit de relevantie van die data voor de zaak Sartell of een specifieke verdachte zou blijken.

De enkele stelling dat er mogelijk iets in te vinden is dat ontlastend zou kunnen zijn, is daarvoor onvoldoende. Van strijd met equality of arms is geen sprake, noch de rechtbank, noch de officier van justitie beschikken over de 26Sassenheim dataset.

De rechtbank ziet ook anderszins geen aanleiding voor de conclusie dat de procedure op dit punt niet fair of in strijd met de regels van een behoorlijk proces is geweest. Van schending van het gestelde in artikel 6 van het EVRM is dan ook naar het oordeel van de rechtbank op deze gronden geen sprake.

Schending artikel 8 EVRM

De verdediging heeft uitvoerig betoogd dat de PGPSafedatavergaring en – verwerking in strijd is met het recht op eerbiediging van het persoonlijke leven zoals gewaarborgd in artikel 8 van het EVRM. De rechtbank wijst op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, te weten dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel in de weg staat aan de toetsing van de beslissing van de Costa Ricaanse rechter tot inzet van het dwangmiddel. Daarbij merkt de rechtbank op dat de Costa Ricaanse rechter het recht op eerbiediging van persoonlijke leven uitdrukkelijk heeft betrokken in de belangenafweging. Getoetst is aan artikel 17 van het IVBPR. Daar waar is betoogd dat deze toets minder waarborgen inhoudt dan die voortvloeien uit artikel 8 van het EVRM deelt de rechtbank dit niet. De waarborg van artikel 8 van het EVRM is wel meer duidelijk geformuleerd doordat de beperkingsgronden in artikel 8 van het EVRM meer specifiek zijn aangegeven, terwijl ingevolge artikel 17 van het IVBPR elke beperking mag worden opgelegd mits deze niet van willekeur getuigt en niet onwettig is.

De rechtbank verwijst voorts naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de verwerking van de PGPSafedata in onderzoek Sartell. Anders dan de verdediging heeft gesteld, is dit gebeurd naar aanleiding van concrete verdenkingen.

Ieder verkrijgen, verwerken en analyseren van berichten die niet voor anderen bestemd zijn, levert een inbreuk op de privacy op. Echter, een inbreuk gebaseerd op een wettelijke grondslag met een gerechtvaardigd opsporingsbelang, behoeft geen strijd met artikel 8 van het EVRM op te leveren. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan, gezien de Costa Ricaanse machtiging en de concrete bevraging naar aanleiding van strafrechtelijke onderzoeken sprake geweest. Daar komt nog bij dat de inbreuk, zoals hiervoor ook reeds is betoogd, beperkt is gebleven tot kennisname van communicatie die vrijwel uitsluitend betrekking heeft op strafbare handelingen zonder dat daarbij een compleet beeld van het persoonlijke leven van de verdachte(n) is gekregen. Ook vanuit de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit bezien, levert de verwerking van de data in onderzoek Sartell naar het oordeel van de rechtbank derhalve geen strijd met het bepaalde in artikel 8 van het EVRM op.

Unierecht en ander internationaal recht

De verdediging heeft eveneens uitvoerig betoogd dat sprake is van strijd met het Unierecht. Daartoe is op de artikelen 7, 8, 11 en 52 van het Handvest gewezen die zakelijk weergegeven zien op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bescherming van persoonsgegevens en vrijheid van meningsuiting. Daarnaast is een beroep gedaan op artikelen 4 en 8 van Richtlijn 2016/680 en 15 van Richtlijn 2002/58, die kort gezegd zien op de wijze van verwerking van persoonsgegevens.

In dit kader verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor reeds is opgemerkt. Immers ook in het Unierecht geldt dat rechten op bescherming van privacy en persoonsgegevens niet absoluut zijn. Vanuit dezelfde overweging als hiervoor gegeven bij de bespreking van artikel 8 van het EVRM is de rechtbank van oordeel dat voor zover al inbreuk gemaakt is op de persoonlijke levenssfeer bij de verwerking van de data, deze gerechtvaardigd is geweest en niet in strijd met eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.

Voor wat betreft de verwijzing naar de hiervoor genoemde richtlijnen, merkt de rechtbank nog het volgende op. Richtlijn 2016/680 is geïmplementeerd in de Wet Politiegegevens en de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens en de daaronder vallende besluiten. De verdediging heeft niet concreet gesteld dat in strijd met (één van) de bepalingen van deze wet- en regelgeving is gehandeld.

Met betrekking tot Richtlijn 2002/58 geldt dat deze, gelet op het bepaalde in artikel 1, derde lid, van deze Richtlijn niet van toepassing is op verwerking van de PGPSafedata door de politie. Maatregelen die inbreuk maken op het beginsel van vertrouwelijkheid van elektronische communicatie zonder dat daarbij verwerkingsverplichtingen worden opgelegd aan aanbieders van elektronische-communicatiediensten, vallen buiten het bereik van deze richtlijn16.

De door de verdediging gestelde strijdigheid met het Unierecht ziet de rechtbank niet, evenmin ziet de rechtbank strijdigheid met de ook nog door de verdediging genoemde bepalingen van het IVBPR (artikel 17), United Nationas Convention against Transnational Organized Crime (artikel 18) en het Cybercrimeverdrag (artikel 25, vierde lid).

Prejudiciële vragen

De verdediging heeft geopperd dat de rechtbank prejudiciële vragen stelt waar het de verenigbaarheid met het Unierecht betreft.

De rechtbank realiseert zich, zoals in de inleiding gezegd, dat een oordeel over de rechtmatigheid van het gebruik van de PGPSafedata aan principiële vragen raakt, ook op het gebied van het Unierecht en dat de rechtspraak op dit punt veelal nog voorlopige oordelen betreft. Dat zijn overwegingen die de rechtbank meeneemt. Maar het belangrijkste is dat de rechtbank zich na de inhoudelijke behandeling, bestudering van alle stukken en nadere bestudering van de jurisprudentie, waaronder die van het Hof van Justitie van de Europese Unie, voldoende voorgelicht acht en geen aanleiding ziet om die vragen in deze procedure te stellen.

5.1.3.

Betrouwbaarheid PGPSafedata

De verdediging heeft zich het standpunt gesteld dat de PGPsafedata, ook zonder dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, niet voor het bewijs gebruikt mogen worden. Er hebben zich namelijk onregelmatigheden voorgedaan die de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van die data wezenlijk hebben aangetast.

Voorafgaand aan de bespreking van de verweren van de verdediging merkt de rechtbank het volgende op ten aanzien van de aard en het karakter van het digitale bewijsmateriaal, waarvan hier sprake is.

De verdediging heeft met recht op de kwetsbaarheden bij het veiligstellen van digitaal bewijs gewezen. Onder ideale omstandigheden bestaat de mogelijk dit zo te doen dat de kans op corruptie van dat bewijs maximaal wordt uitgesloten.

De rechtbank ziet zich – nu de doorzoeking in Costa Rica voortijdig werd beëindigd in die zin dat op dat moment nog niet alle data van de servers waren gekopieerd – voor de vraag gesteld in hoeverre het voorliggende bewijs een getrouw beeld geeft van de (inhoud van de) emailwisselingen die met de betreffende PGPSafe-adressen, die toegeschreven worden aan de verdachten, is gevoerd.

Hierbij speelt de aard van die data een relevante en voor de beoordeling van de betrouwbaarheid daarvan wezenlijke rol. Het gaat hier namelijk om versleuteld emailverkeer dat tussen de gebruikers van PGPSafe heeft plaatsgevonden, encryptiesleutels en aan dat berichtenverkeer verbonden metadata.

Zoals ook al in het NFI rapport van september 2020, ‘mobiele telefoons met EncroChat’, ten aanzien van cryptografisch versleutelde berichten bij PGPtelefoons is vermeld, brengt bij het ontsleutelen van die berichten en notities een minimale verandering in de versleutelde data al mee dat een enorme verandering in het ontsleutelde resultaat optreedt. Het bericht wordt dan namelijk volstrekt onleesbaar (het zogenoemde lawine-effect). Dit brengt ook mee dat, wanneer uiteindelijk na het ontsleutelen van die data wél leesbare berichten zijn verkregen, de mogelijkheid dat daarin sprake is geweest van onvolkomenheden bij het kopiëren vanaf de bron (zijnde de oorspronkelijke server in Costa Rica) naar de uiteindelijke ontvanger (het onderzoeksnetwerk van de Nederlandse politie) vrijwel uitgesloten moet worden geacht.

Deze eigenschap van versleutelde data relativeert dan ook de invloed van mogelijke onvolkomenheden bij het veiligstellen van de berichten, mochten die zijn veiliggesteld zonder dat ten volle is voldaan aan de hedendaagse standaarden ten aanzien van het veiligstellen van digitale data. De vergelijking die de verdediging daarbij heeft gemaakt met de strikte waarborgen die gelden bij een onderzoek naar het alcoholgehalte in het bloed als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 gaat daarbij mank. Immers, wanneer in dat geval sprake is van foutieve verwerking van de digitale data kan dit een resultaat opleveren, waarvan de onjuistheid niet is af te lezen. Bij het verwerken van de versleutelde PGPSafeberichten ligt dit dus wezenlijk anders.

Nog afgezien van het feit dat de Standard Operating Procedures, de Guidelines en de good practises waarop de verdediging zich beroept ten tijde van het veiligstellen van de data in Costa Rica nog niet waren opgesteld en de verkrijging toen nog niet langs die lat gelegd had kunnen worden, brengt het niet integraal volgen van die richtlijnen niet zonder meer mee dat de PGPsafeberichten daarom zouden moeten worden uitgesloten van het bewijs.

De verdediging heeft evenwel ook nog op andere gronden uitsluiting van de PGPSafeberichten als bewijs bepleit. De rechtbank zal hierop nader ingaan.

a. De authenticiteit van de data

Het is juist dat in Costa Rica bij het kopiëren van de data de data op de server niet zijn gehasht. Die hashwaarde kan dus niet worden vergeleken met de hashwaarde van de data op de door de Costa Ricaanse autoriteiten aan de Nederlandse politie geleverde harde schijven. Dit valt het OM echter niet te verwijten aangezien dit toen geen Nederlandse aangelegenheid is geweest.

Hieraan behoeft echter evenmin een gevolg voor de betrouwbaarheid van die data verbonden te worden, nu van enige manipulatie van die data voordat deze bij de Nederlandse politie is aanbeland niet is gebleken. De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat met het verbreken van de verbinding tussen de servers en het internet, het verzegelen van de servers op het moment dat de Costa Ricaanse autoriteiten niet aanwezig waren en het verpakken en verzegelen van het gekopieerde materiaal, dat naar Nederland is gestuurd de kans dat die data toen zouden zijn gemanipuleerd uitermate klein kan worden geacht17. Het dossier biedt hiervoor ook overigens geen begin van aannemelijkheid.

Na ontvangst van de harde schijven uit Costa Rica zijn de data volgens de regelen der kunst gekopieerd naar het onderzoeksnetwerk van de Nederlandse politie18. Ook hierin ligt geen grondslag om de data voor het bewijs uit te moeten sluiten.

De selectie van de data op de servers in Costa Rica

Het is juist dat niet alle data op de door PGPSafe gehuurde servers in Costa Rica veiliggesteld konden worden. Vooropgesteld moet worden dat de duur van de doorzoeking niet het gevolg geweest is van een keuze van de Nederlandse opsporingsambtenaren, die daar slechts ter assistentie aanwezig waren, maar van de Costa Ricaanse rechter. Deze heeft immers op enig moment de doorzoeking beëindigd, voordat alle virtuele machines waren gekopieerd. Dit heeft verder buiten de macht van het Nederlandse onderzoeksteam gelegen.

Het feit dat de politie ervoor heeft gekozen om de door PGPSafe in 2012 gehuurde server als eerste te kopiëren is naar het oordeel van de rechtbank een begrijpelijke en gerechtvaardigde keuze geweest omdat de kans dat de voor het onderzoek naar PGPSafe relevante emailberichten zich op die server zouden vinden aanzienlijk groter was dan dat deze op de andere server zouden staan. Die laatste server was immers pas in 2016 gehuurd en in gebruik genomen. Het bewust of onbewust niet meenemen van ontlastend materiaal bij de doorzoeking is daarmee niet aannemelijk geworden. Evenmin geven de werkzaamheden die hebben plaatsgevonden in Costa Rica blijk van een doelbewuste selectie waarbij enkel belastende berichten zouden zijn gekopieerd.

Het feit dat men niet al het materiaal heeft kunnen veiligstellen komt ook bij reguliere doorzoekingen of andere opsporingsactiviteiten met regelmaat voor. Met het verstrekken van de “binder” Algemene achtergrondinformatie inzake Ennetcom data, PGPSafedata en de Hansken zoekmachine (hierna: de binder Ennetcom & PGPSafe) heeft de officier van justitie hierover ook steeds openheid van zaken betracht, zodat ook hierin geen reden ligt voor het uitsluiten van PGPSafe berichten voor het bewijs.

De selectie van de data in het onderzoek 26Sassenheim

De PGPSafedata zijn verstrekt op basis van de opgave van een lijst met PGP-adressen waarvan werd vermoed dat de gebruikers daarvan betrokken waren bij de invoer van partijen cocaïne zoals beschreven in de zaaksdossiers Broer en Scan. Alleen ten aanzien van die emailadressen bestond immers het vermoeden dat die voor de verweten feiten relevante informatie zouden kunnen bevatten. Hieruit kan niet worden afgeleid dat met die selectie aan de verdediging relevant ontlastend materiaal is onthouden. Het verweer dat met die selectie de betrouwbaarheid van het bewijs is geraakt volgt de rechtbank niet.

De kwaliteit van de PGPSafedata

De verdediging heeft aangevoerd dat van diverse emailwisselingen het individuele bericht zou ontbreken. De rechtbank begrijpt dat de verdediging hiermee doelt op het bericht wanneer dat voor de eerste keer is verzonden (en dan later nog zichtbaar kan zijn in de ketting van berichten die daarna zijn gevolgd).

Uit de binder Ennetcom & PGPsafe blijkt genoegzaam dat een dergelijk bericht in de database inderdaad kan ontbreken wanneer dat bericht bijvoorbeeld niet meer op de server in Costa Rica aanwezig is geweest, de verzender dat wellicht al verwijderd had of van het bericht geen encryptiesleutel is aangetroffen waarmee het leesbaar kan worden gemaakt. Het enkele feit dat een bericht ontbreekt, terwijl het als voorgaand omschreven in een ander bericht nog wel bestaat, doet aan het bestaan en de betrouwbaarheid van de inhoud van dat bericht op zich niet af.


Het is inderdaad altijd mogelijk dat een bericht bij het doorsturen naar een ander door diegene wordt gewijzigd. Dat zich dat bij het PGPSafe bewijs ook daadwerkelijk heeft voorgedaan heeft de verdediging niet gesteld en heeft de rechtbank niet gezien. Deze theoretische mogelijkheid beïnvloedt de betrouwbaarheid van het bewijs in deze zaak dan ook niet.

Datzelfde geldt ook ten aanzien van het feit dat veel berichten (vooralsnog) niet ontsleuteld hebben kunnen worden. Voor het ontsleutelen daarvan zijn passende encryptiesleutels nodig. Ontbreken die, dan komt er geen leesbaar bericht tot stand. Aan de waarde van de berichten die wel leesbaar zijn doet dat verder niet af. Voor zover de verdediging heeft bedoeld te stellen dat de inhoud van veel berichten onbekend gebleven kan dat zeker waar zijn. De rechtbank constateert echter ook dat de verdediging geen informatie heeft verstrekt welke concrete (ontlastende) berichten in de visie van de verdachte zouden ontbreken, waardoor een ander licht op het bestaande bewijs geworpen wordt.

De rechtbank zal dan ook de berichten, die zich wel in het dossier bevinden, zoals te doen gebruikelijk in de gegeven context op logica en betrouwbaarheid beoordelen.

De verdediging heeft voorts gesteld dat de onbetrouwbaarheid van de PGPSafeberichten onder meer blijkt uit de verschillen die zich soms voordoen bij de vermelding van de tijdstippen van verzending en ontvangst die aan die berichten zijn gekoppeld in de lijn van de verzender en die van de ontvanger. Het feit dat die verschillen zich kunnen voordoen is al in een eerder stadium door de deskundigen in de binder Ennetcom & PGPSafe onderkend. Echter, daaruit volgt nog niet dat de inhoud van het bericht daarmee onjuist is. Deze verschillen in tijdsaanduiding kunnen zich voordoen wanneer men zich bijvoorbeeld in verschillende tijdzones bevindt, het een doorgestuurd bericht betreft dat met het nieuwe bericht wordt opgeslagen op de server of de tijdsinstellingen van het toestel zelf anders zijn ingesteld. Hoewel dit meebrengt dat het tijdstip van verzenden respectievelijk ontvangen van een bericht altijd een kritische blik vereist, kan hieruit niet zonder meer en niet zonder nadere specifieke toelichting de onbetrouwbaarheid van de inhoud van die berichten afgeleid worden.

Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat niet alle berichten foutloos zijn vertaald, constateert de rechtbank dat de vertalingen hebben plaatsgevonden met behulp van een beëdigde tolk. De rechtbank gaat dan ook in beginsel uit van de juistheid van die vertaling.
Zo al sprake zou zijn van een foutieve vertaling in een belastend bericht mag van de verdediging ook verwacht worden dat dit bij de inhoudelijk behandeling daarvan geconcretiseerd wordt, anders dan dat een kantoorgenoot, die de desbetreffende vreemde taal eigen is, dit bemerkt heeft, zodat die vertaling alsnog gecontroleerd kan worden. Nu die situatie zich verder niet heeft voorgedaan, laat staan dat gesproken kan worden van een zodanige frequentie dat aan de kwaliteit van de vertaling getwijfeld moet worden, kan ook dit verweer niet slagen.

e. Controle van de databases

Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat zij onvoldoende mogelijkheden heeft gehad om de betrouwbaarheid van de PGPSafeberichten te controleren, met name omdat zij geen inzage hebben gehad in de volledige dataset van 26Sassenheim.

De rechtbank heeft zich hierover al in haar voorgaande overwegingen uitgelaten. Nog daargelaten dat de equality of arms hiermee niet in het geding zou komen, omdat het OM noch de rechtbank over die data beschikken, zou met het onbeperkt inzien van die dataset een ongerechtvaardigde inbreuk gemaakt worden op de privacy van personen, die verder geen relatie hebben met het onderzoek Sartell.

Ook de PGPSafedataset van het onderzoek Sartell stelt de verdediging onvoldoende te hebben kunnen controleren. De rechtbank volgt de verdediging ook daarin niet.
Hierbij neemt de rechtbank mee dat de gesprekken in het dossier staan uitgeschreven, de eigen lijnen en die van de medeverdachten digitaal aan de verdediging ter beschikking zijn gesteld en gelegenheid geboden is om met behulp van de Hansken software van het NFI die dataset te bevragen. Slechts twee raadslieden hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en hebben hun vragen ten aanzien van die data ook onmiddellijk kunnen voorleggen en beantwoord gezien.

Het feit dat na de eerste inzage bleek dat niet alle bij de politie beschikbare encryptiesleutels waren ingeladen, vindt de rechtbank een omstandigheid die te betreuren valt, maar deze omissie is nadien onmiddellijk hersteld en heeft de brondata zelf verder niet betroffen. Hierna is een nieuw inzage moment aangeboden.


Over het ontbreken van een deel van die encryptiesleutels hebben de politie en het NFI (in de persoon van [naam 1], die tevens als getuige ter zitting op verzoek van de verdediging is gehoord) nog nader uitleg gegeven. De rechtbank acht met die nadere uitleg het (in eerste instantie) bij de inzage ontbreken van een deel van die sleutels voldoende verklaard en ziet ook in het uiteindelijke verschil van vier unieke sleutelbestanden op een totaal van 872 geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de PGPSafedataset en de daarin opgenomen berichten te twijfelen of te oordelen dat de controlemogelijkheden voor de verdediging onvoldoende zijn geweest.

De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer van de verdediging en acht, alles samengenomen, geen gronden aanwezig om de PGPSafeberichten van het bewijs uit te sluiten. Evenmin is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zodanige onvolkomenheden in de vergaring, verwerking en controleerbaarheid van het bewijs dat hiermee niet langer sprake zou zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

5.1.4.

Conclusie ten aanzien van alle PGSafe verweren

De PGPSafedata kunnen gebruikt worden voor het bewijs en de rechtbank zal dat ook doen.

6. Identificatie

Aan de verdachte zijn door de politie drie emailadressen toegeschreven, te weten 27glow393@pgpclass.li, malaman@powerpgp.net en losangeles@pgpsafe.net.

De verdachte heeft verklaard geen PGP te hebben gebruikt.

De reden waarom de politie dit doet is in het dossier verantwoord in het proces-verbaal van identificatie. Deze identificaties zijn gebaseerd op de volgende feiten en omstandigheden:

- Binnen het onderzoek Gadolinium is in de woning van [naam 2] (hierna: [naam 2]) een PGP toestel aangetroffen waarin deze emailadressen als contacten staan opgenomen, met als bijnamen: [bijnaam 1], [bijnaam 2], [bijnaam 3].

- In het onderzoek Dobricic is de verdachte veroordeeld bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 februari 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:1295). De rechtbank heeft in die zaak onder meer vastgesteld dat de verdachte gedurende de periode 30 mei 2016 tot en met 17 april 2018 in een crimineel samenwerkingsverband samenwerkte met [naam 3] (hierna: [naam 3]), die werkzaam was bij de Belastingdienst. [naam 3] was in het bezit van een PGP telefoon waarin gesprekken zijn aangetroffen tussen hem en een persoon die hij aanduidt als ‘[naam 4]’ en ‘[naam 5]’. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de verdachte met de volgende namen werd aangeduid: [naam 6] en [naam 4] en in contact met [naam 3] ‘[naam 5]’. Ten aanzien van het contact met [naam 3] heeft de rechtbank vastgesteld dat hij als medewerker van de Belastingdienst in staat was om verschillende systemen van de belastingdienst te raadplegen en daarin opgeslagen gegevens leverde aan de verdachte.

- Onderdeel van voornoemde veroordeling is zaaksdossier Vlieg. In gesprekken die via het emailadres 27glow393@pgpclass.li in april 2016 worden gevoerd met het emailadres zemg845k@pgpsafe.net (toegeschreven aan [naam 3]), wordt het ‘vlieg gesprek’ besproken met [naam 3]. Hij stuurt de reactie van de gebruiker van het emailadres 27glow393@pgpclass.li door met de boodschap: “hieronder nog even de reactie van [naam 4]”.

- De gebruiker van 27glow393@pgpclass.li spreekt in april 2016 met het emailadres merida@pgpsafe.net (welk adres aan medeverdachte [naam medeverdachte 3] (hierna: [naam medeverdachte 3]) wordt toegeschreven) over een man/streep die een PGP moet krijgen en aan ons gebonden moet worden en die op rood moet gaan zetten.

- De gebruiker van het emailadres malaman@powerpgp.net krijgt eind mei 2016 een bericht van [naam 3] waarbij een bericht van Vlieg wordt doorgestuurd. Ze noemen elkaar [naam 5] en maken een afspraak elkaar te treffen.

- De gebruiker van het emailadres losangeles@pgpsafe.net krijgt medio april 2016 een bericht van het emailadres porsche911@firstclasspgp.com (welk adres aan [naam 7] (hierna: [naam 7]) wordt toegeschreven) waarin de gebruiker van losangeles@pgpsafe.net de bijnaam ‘[bijnaam 4]’ heeft. In het bericht wordt de gebruiker ‘[naam 4]’ genoemd.

6.1.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat genoemde emailadressen niet aan de verdachte kunnen worden toegeschreven. De naam [naam 8] is geen bekende bijnaam van de verdachte en bovendien is geen sprake van elkaar opvolgende emailadressen. De benaming [naam 8], [naam 9] is dan niet logisch als het om één persoon zou gaan. De getuige [naam 2] kan niet worden bevraagd in verband met zijn overlijden en gelet op het voorgaande zegt de informatie uit zijn telefoon niets. Bovendien zijn de onderliggende stukken uit onderzoek 26Gadolinium, waarin de telefoon van [naam 2] in beslag is genomen, niet aan het dossier toegevoegd zodat één en ander niet kan worden geverifieerd. Uit de stukken die wel in onderzoek Sartell zitten kan in ieder geval niet worden afgeleid dat deze telefoon daadwerkelijk contact heeft gehad met 27glow3939@pgpclass.li.

Er zijn verder geen telefoons in beslag genomen, geen histo’s beschikbaar, geen reisbewegingen bekend, en ook is er geen sprake van berichten met persoonlijke informatie.

Dat er een telefoon met een zekere inhoud bij [naam 3] in beslag zou zijn genomen, blijkt niet zonder meer uit het dossier Sartell. De onderliggende processen-verbaal uit onderzoek Dobricic ontbreken. Eén en ander kan zo niet geverifieerd worden. De getuigen [naam 3] (tweeling broers) hebben zich op hun verschoningsrecht beroepen. Bij deze stand van zaken kan er niet vanuit worden gegaan dat [naam 3] via PGP contact heeft gehad met de verdachte.

De verdediging heeft daarnaast per emailadres nog het volgende gesteld.

Ten aanzien van losangeles@pgpsafe.net geldt dat slechts zes berichten zijn verzonden aan dit adres. Er zijn geen berichten van dit adres verzonden. De ontvanger wordt ‘[naam 4]’, ‘[naam 10]’ en ‘[naam 11]’ genoemd, bijnamen van zeer algemene aard. De contactnaam ‘[bijnaam 4]’ bij (tante) ([naam 7]) zegt niets nu niet duidelijk is waar ‘fr’ voor staat. Tante ([naam 7]) kan daarover niet meer als getuige worden bevraagd.

Ten aanzien van malaman@powerpgp.net geldt dat in de communicatie niet één keer de naam ‘[naam 4]’ voorkomt. De verdediging heeft dit met behulp van Hansken gecontroleerd en niet kunnen vinden. Gesteld wordt dat een gebruiker van het emailadres vwt311d@pgpsafe.net de gebruiker van malaman@powerpgp.net heeft opgeslagen als ‘[naam 4]’, maar het bewijs daarvoor ontbreekt. De namen ‘[naam 12]’, ‘[naam 13]’ en ‘[naam 14]’ volgen niet uit onderzoek Dobricic als behorend bij de verdachte. De naam ‘[naam 5]’ komt voor, maar is dermate algemeen dat dit niet per sé op de verdachte wijst.

Ten aanzien van 27glow393@pgpglow.li geldt dat dit adres bij [naam 3] als ‘[naam 15]’ zou zijn opgeslagen. Dat is niet de verdachte. De namen ‘[naam 5]’ en ‘[naam 4]’ zijn te algemeen van aard. Met name ‘[naam 4]’ is een veel voorkomende bijnaam.

6.2.

De beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat genoemde emailadressen aan de verdachte kunnen worden toegeschreven.

De verdachte heeft niet ontkend contact te hebben (gehad) met [naam medeverdachte 3], [naam 7] en [naam 2], zij het dat hij stelt dat dit in een wat latere periode plaats vond. Deze contacten komen ook terug in de PGPSafe berichten voor voornoemde adressen. In de contacten met [naam medeverdachte 3] heeft de gebruiker van 27glow393@pgpclass.li als contactnaam [naam 16] en het emailadres malaman@powerpgp.net (dat op 26 mei 2016 in gebruik wordt genomen) [naam 17]. De verdachte heeft ter zitting van 1 december 2021 beaamd [naam 6] te worden genoemd. Goed denkbaar is dat deze contactnamen een samentrekking zijn van de naam [naam 6] en het moment van ingebruikname van het emailadres. Voorts valt te lezen dat de gebruiker onder meer ‘[naam 4]’ en ‘[bijnaam 4]’ wordt genoemd. Uit de contactnamen die in het toestel van [naam 2] aan de emailadressen zijn gegeven, kan ook worden afgeleid dat er een connectie is tussen de drie emailadressen.

Met de vaststellingen die de rechtbank reeds in onderzoek Dobricic heeft gedaan en de veroordeling die is gevolgd, is vast komen te staan dat de verdachte een corruptief contact had dat hem allerlei informatie kon verschaffen. Ook dit komt terug in het berichtenverkeer evenals het contact met zemg845k@pgpgsafe.net (toegeschreven aan [naam 3]) en gesprekken die gerelateerd kunnen worden aan een zaaksdossier waarvoor de verdachte in Dobricic is veroordeeld (Vlieg). Gesprekken met [naam 3] vinden zowel via 27glow393@pgpclass.li plaats als later via malaman@powerpgp.net. Te zien is de gebruikers elkaar weer [naam 5] en [naam 5] noemen en verder gaan met hun conversatie.

Vastgesteld kan worden dat het de verdachte was die deze emailadressen gebruikte en dat het de verdachte was die de genoemde berichten verstuurde en ontving.

De rechtbank overweegt in aanvulling op het voorgaande dat in het onderzoek Sartell ten aanzien van de medeverdachten ook PGP(Safe)-adressen zijn geïdentificeerd. Omwille van de duidelijkheid neemt de rechtbank hieronder op welk emailadres of -account is toegeschreven aan welke verdachte:

Naam verdachte

PGP(Safe)

[naam medeverdachte 3]

jaba651z@pgpsafe.net ecatepec@pgpsafe.net

merida@pgpsafe.net

advocaat@pgpsafe.net

[naam medeverdachte 1]

jaba612j@pgpsafe.net

[naam verdachte]

27glow393@pgpclass.li

malaman@powerpgp.net

losangeles@pgpsafe.net

[naam medeverdachte 2]

champion@blackpgp.com

83mega826@pgpsafe.li

[naam medeverdachte 4]

jaja@pgpsafe.net

Bij vonnis van heden zijn ten aanzien van de verdachte en voornoemde medeverdachten deze identificaties vastgesteld. De rechtbank zal in het vervolg van dit vonnis de betreffende personen zoveel mogelijk bij naam noemen in plaats van de aanduiding per emailadres of accountnaam.

7. Zaaksdossier Scan

Op 1 juni 2016 is in de haven van Rotterdam een lading van 3.776 kg cocaïne inbeslaggenomen. De lading is aangetroffen in container [containernummer], welke container op 14 mei 2016 in Costa Rica is geladen op de [naam schip] en op 30 mei 2016 aan kwam in Rotterdam. De container was geladen met fresh pineapple, de importeur was [naam bedrijf 2] (hierna: [naam bedrijf 2]), de expediteur [naam bedrijf 3] (hierna: [naam bedrijf 3]) en de transporteur [naam bedrijf 4] ([naam bedrijf 4]).

Na het vrijgeven van de container (met daarin geplaatste monsters, dummymateriaal en opnameapparatuur) is de container op 3 juni 2016 in opdracht van [naam bedrijf 4] opgehaald en gebracht naar het terrein van [naam bedrijf 5] te [plaatsnaam].

Uit onderzoek is gebleken dat de container onderdeel uitmaakt van een serie van in totaal
16 containers met ananassen die op naam van [naam bedrijf 2] zijn besteld door [naam medeverdachte 2] bij dezelfde afnemer. [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 4], bedrijven van [naam medeverdachte 1], verzorgen daarbij steeds de afhandeling en het transport (al dan niet door inschakeling van een derde transporteur).

7.1.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat de verdachte iets met dit transport te maken heeft gehad. De verdachte komt nauwelijks in het onderzoek Scan voor. Hij had geen betrokkenheid in Costa Rica, bij de betrokken rechtspersonen of de logistiek. Evenmin had hij contact met [naam medeverdachte 1] of [naam medeverdachte 2] in de tenlastegelegde periode. Daar waar de officier van justitie in de bewijsconstructie leunt op het vonnis in het onderzoek Dobricic, geldt dat nu niet alle stukken hiervan zijn toegevoegd, de rechtbank daarvan geen compleet beeld heeft. Opmerkelijk is ook dat in de officier van justitie in het onderzoek Dobricic uitdrukkelijk heeft bevestigd dat [naam medeverdachte 3] en [naam 7] irrelevant waren voor de verdachte en er dus geen reden was hen als getuigen te horen. De geobserveerde ontmoetingen tussen de verdachte en [naam medeverdachte 3] en [naam 7] in 2017 hebben buiten de tenlastegelegde periode plaatsgevonden en zijn ook om die reden irrelevant. Dat de verdachte over een ‘streep’ zou kunnen beschikken om deze specifieke partij binnen te halen, blijkt uit niets. Dat is in het onderzoek Sartell niet vastgesteld. In de gesprekken deed de verdachte zich groter voor dan hij was. Een actieve significante bijdrage heeft hij echter niet geleverd. Er is geen sprake geweest van een strafbare uitvoeringshandeling en evenmin van een intellectuele bijdrage van enig gewicht. Dat de verdachte zou hebben ‘meegelopen’ met deze partij, blijkt ook nergens uit. Voor berichten die de verdachte eventueel na 30 mei 2020 zou hebben gekregen, geldt voorts dat de beweerdelijke invoer toen reeds heeft plaatsgevonden.

7.2.

De beoordeling

De rechtbank deelt het standpunt van de verdediging dat de verdachte niets met het onderhavige transport te maken heeft niet. De verdachte komt in de onderschepte PGPSafecommunicatie naar voren als een contact van [naam medeverdachte 3], die bij vonnis van heden eveneens wordt veroordeeld voor dit transport en als de hoofdorganisator daarvan wordt gezien. De verdachte blijkt een contact van laatstgenoemde waarmee belangrijke informatie over het cocaïnetransport wordt gedeeld. Hij is een contact dat ook een rol speelt bij het transport en een contact dat na afloop ter verantwoording wordt geroepen als de cocaïne blijkt te zijn onderschept. De rechtbank zal dat hieronder nader uiteenzetten aan de hand van (een deel van) de relevante berichtgeving.

In berichten van 20 april 2016 tussen de aan de verdachte toegeschreven PGPSafe-emailadressen en de PGPSafe-emailadressen die aan [naam medeverdachte 3] worden toegeschreven is te lezen dat de verdachte een telefoon van “ons” aan de man moet geven omdat hij aan hen moet worden gebonden. De man moet het gevoel krijgen goed bij hen te zitten en de verdachte moet de man inpakken en geld praat. Een dag later vraagt [naam medeverdachte 3] aan de verdachte of de ‘streep’ akkoord heeft gegeven en of dat hij ze op rood gaat zetten.

De verdachte geeft aan dat hij het zou doen maar dat er de volgende keer een BL bij moet zitten. Op 22 april 2016 vraagt [naam medeverdachte 3] aan de verdachte: wat zeg jij als we die BL geven dan gaan die bakken op roodgroen zoals wij aangeven???? Als jij niet twijfelt … dan pak ik aan maat…zeg me”. De verdachte antwoordt daarop: Maat ik twijfel geen moment. Je kan wat mij betreft aanpakken ik ben 100% zeker van me zaak”. [naam medeverdachte 3] vraagt daarop: Wat loop jij mee? De verdachte antwoordt daarop: “Ik ga vol gas, 100 voor me zelf”.

Ook [naam 18] (hierna: [naam 18]) bericht [naam medeverdachte 3] op 24 april 2016 dat hij alle info heeft een ook een fotokopie BL en [naam medeverdachte 3] stuurt dit door naar de verdachte. De verdachte geeft aan de mensen gezien te hebben en uitgelegd. Op 25 april 2016 vraagt [naam medeverdachte 3] of hij de bootnaam kan geven die er volgende week is en bericht dat “als streep die boot afhandelt dan gaat hij onze bakken zien en kan hij ze op groen zetten. Alleen de BL zit tegen omdat de man van costa bedrijf op vakantie is”. De volgende dag bericht de verdachte aan [naam medeverdachte 3] ‘die gasten gezien te hebben maar niet blij zijn en die het raar vinden dat als je iedere week bakken stuurt maar geen ‘bl’ kan afgeven”. De verdachte geeft ook aan dat ze nu ook vragen of [naam medeverdachte 3] een afvaartdatum voor de “strp” heeft.

[naam medeverdachte 3] heeft ondertussen ook contact met [naam 18] die “tegenstribbelt” inzake het geven van een BL, maar [naam medeverdachte 3] geeft aan dit te zullen regelen. Hij geeft de verdachte vervolgens door: “Ik wil die test overslaan… gewoon gelijk erin trappen”, hetgeen de verdachte prima vindt. Vervolgens stuurt hij de verdachte daarop een bericht met bootnamen en data door waaronder de [naam schip], vertrek 14 mei, ETA 30 mei, met aanduiding Werk.

Op 28 april 2016 bericht de verdachte aan [naam medeverdachte 3] dat hij die maat van die “strp” net heeft gezien. “De werkdatum’s zijn sowieso goed.” Begin mei 2016 wordt er volgens de berichten een BL afgeven aan de verdachte.

Ondertussen blijkt uit de berichtgeving van [naam medeverdachte 3] dat hij een exacte administratie (beschrijving van pallets, hoeveelheden, droogstempels, verdeling, verpakking) heeft van de lading cocaïne zoals die in de in Romp gecontroleerde container in beslag is genomen.

Op 27 mei 2016 stuurt [naam medeverdachte 3] aan de verdachte het bericht dat hij exact wil weten allebei op groen of 1 op rood, 1 op groen. Deze vraag speelt de verdachte door naar een ander contact, die daarop antwoordt: “R heeft gezegd dat hij in de lijsten heeft gekeken en dat het groen was toch”. [naam medeverdachte 3] reageert daar als volgt op richting de verdachte: “Hij moet zeggen ja is groen.. nix zeggen…wat als zijn pgp eruit ligt wat als er wat anders is… ik wil geen mensen in de bajes…zeg ze…streep moet confirmeren…” De verdachte spreekt hier weer verder over met contacten genaamd [naam 19] en [naam 20]. Laatstgenoemd contact geeft richting de verdachte uiteindelijk aan: “Hij stond op groen. Hij heeft nog niks hoeven doen.”

Op 29 mei 2016 stuurt de verdachte aan [naam medeverdachte 3] nog een bericht: “Hoe is het maat? Ben nu met die vriend van de strp. Alles is ok voor morgen, dan weet je dat”. Op 30 mei 2016 krijgt de verdachte in de ochtend een bericht van [naam 19] dat alles nog goed staat, waarop de verdachte aan [naam medeverdachte 3] doorgeeft: “Krijg net nog een update dat alles ok is”.

Als op 30 mei 2016 in de middag blijkt dat er een blokkade op de container zit, wendt [naam 18] zich tot [naam medeverdachte 3] en deze wendt zich direct tot de verdachte: “Kerel, er zit een blokkade op de bak…wat is dit man?”. De verdachte koppelt dit op zijn beurt terug aan zijn contacten waaronder [naam 20]. De verdachte zegt tegen één van zijn contacten: “Ok vriend, eerst graag info van hoe de bakken stonden en hoe laat de tip is gekomen. Nu denkt de andere kant dat ik met informanten heb gewerkt pfff.” [naam 19] antwoordt hierop dat de streep alle info zoekt.

De verdachte bericht later die middag naar een contact: “Vriend die kankerbakken zijn allebei in de scan gevallen. We hebben iemand daar binnen en die zegt dat die bakken nog niet naar de scan zijn gegaan. En dat pas morgen gebeurt. We mogen die bakken nog niet ophalen. Ik maak me zorgen want als we die bakken ophalen morgen of overmorgen dan volgen ze die bak naar de loods en klappen ze naar binnen, en pakken onze jongen, ik heb stress [naam 10].”

In de nacht van 30 op 31 mei 2016 stuurt [naam medeverdachte 3] onder meer naar de verdachte diverse uithaalscenario’s.

Op 31 mei 2016 bericht de verdachte dat hij gaat kijken of hij die zegel kan laten controleren en hij gaat om een update vragen. Hij bericht ook dat hij een afspraak met “ze” heeft bij de Mac Donalds. Hij bericht vervolgens aan [naam medeverdachte 3]: “ok [naam 10] ik zit met die gasten. En ze zeggen 100% tip op het laatste moment binnengekomen, we krijgen later meer info van ze want die man werkt vandaag ook”. [naam medeverdachte 3] geeft aan dat de streep aan tafel moet komen. De verdachte gaat het zeggen.

Naar het oordeel van de rechtbank komt uit deze berichtgeving duidelijk naar voren dat de verdachte reeds voorafgaand aan het transport betrokken was bij de organisatie daarvan. Hij was een tussenschakel tussen [naam medeverdachte 3] en degenen die als “streep” en “de vriend van streep” worden aangeduid. Personen die, zoals blijkt uit de berichtgeving de mogelijkheid hadden om invloed uit te oefenen op het op rood of groen zetten van containers.
Voorafgaand aan de afvaart van de container wil [naam medeverdachte 3] zekerheid van de verdachte. Hij zegt op zijn beurt 100% zeker te zijn en ook voor 100 mee te doen. De rechtbank kan dit gesprek niet anders duiden dan dat de verdachte aangeeft zeker van zijn streep te zijn, dat het gaat lukken de container buiten de scan te kunnen houden en zelf met 100 stuks/100 blokken cocaïne mee te zullen lopen. Daarmee is zijn directe betrokkenheid bij de invoer van deze partij cocaïne gegeven.

Maar ook zonder de hiervoor genoemde meeloop ziet de rechtbank die betrokkenheid voorafgaand aan, tijdens en na afloop van het transport. [naam medeverdachte 3] communiceert voorafgaand aan het transport immers volop met de verdachte over de vraag of de streep wel of geen BL moet hebben en/of hij de container wel of niet op rood of groen kan zetten. Steeds is te zien dat de verdachte die vragen terugkoppelt aan zijn contacten en weer terugkomt bij [naam medeverdachte 3] met antwoord op zijn vragen. Op aangeven van de verdachte dat hij zeker is van zijn zaak besluit [naam medeverdachte 3] aan te gaan pakken (de rechtbank begrijpt: cocaïne aan te pakken om in de container te plaatsen).
koppelt op zijn beurt veelal terug naar [naam 18]. Er wordt ook op enig moment blijkens de berichten daadwerkelijk een BL aan de verdachte afgegeven. De verdachte krijgt desgevraagd de data van afvaart van de beoogde schepen door en koppelt terug dat de werkdata akkoord zijn. De beoogde dag van aankomst van de container krijgt de verdachte van zijn contacten door dat alles nog goed staat en geeft dat weer door. Als de container vervolgens geblokkeerd is, wordt direct door [naam medeverdachte 3] bij de verdachte aan de bel getrokken, gaat de verdachte volop navraag doen en koppelt weer terug. Uit de gesprekken met zijn contacten (onder andere [naam 19] en [naam 20]) blijkt duidelijk dat zij daadwerkelijk inside informatie hebben over het op rood of groen staan van containers en de reden van de controle van de onderhavige container. De verdachte maakt zich grote zorgen als alles dreigt mis te gaan, niet alleen omdat anderen zullen denken dat hij met informanten heeft gewerkt maar ook dat de politie zal binnenvallen in de loods als ze de bakken ophalen en dat ze “onze jongens” oppakken. De verdachte maakt op 30 en 31 mei 2016 ook fysieke afspraken met [naam medeverdachte 3] en wordt door hem betrokken bij de door hem bedachte uithaalscenario’s.

Anders dan de verdediging heeft betoogd, is er geen sprake van dat de verdachte pas na de invoer van de container bij de nasleep betrokken is geweest. Ook kan de rechtbank gezien het voorgaande de verdediging niet volgen in de stelling dat de verdachte slechts gebluft heeft. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte nauw en bewust met onder meer [naam medeverdachte 3] heeft samengewerkt aan de invoer van bovengenoemde partij cocaïne. Dat de partij uiteindelijk niet door de verdachten in ontvangst kon worden genomen, doet daar niet aan af.

8. Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van 14 april 2016 tot en met 1 juni 2016, te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 3776 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

9. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

10 .Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

11 .Motivering straf

11.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar.

11.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat – in het geval van een bewezenverklaring – de rol van de verdachte veel kleiner is dan de rol die het openbaar ministerie aan hem toebedeelt. In de strafeis is geen rekening gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, wat wel had gemoeten. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de redelijke termijn die geschonden is, omdat deze zaak veel eerder opgepakt had kunnen worden en gelijktijdig met de zaken in Dobricic had kunnen worden voorgelegd aan de rechtbank.

Als strafverlichtende factor heeft de verdediging nog aangevoerd dat de verdachte een slechte gezondheid heeft en al langere tijd met psychische problemen kampt. Voor hem is detentie dus extra zwaar. Bovendien mist hij door deze zaak de detentiefasering bij de tenuitvoerlegging van het strafvonnis in de zaak Dobricic. Bij een eventuele strafoplegging voor deze oude zaak dient wel in zijn voordeel rekening te worden gehouden met de inwerkingtreding van de Wet beschermen en straffen op 1 juli 2021.

Gelet op het vorengaande dient de strafeis van het openbaar ministerie gematigd te worden dan wel dient te worden volstaan met toepassing van artikel 9a Sr.

11.3.

De beoordeling

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 februari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de invoer van 3.776 kg cocaïne. Uit de onderschepte PGPberichten blijkt dat verdachte veelvuldig contact had met [naam medeverdachte 3] en diverse andere personen over de mogelijkheden voor de invoer van verdovende middelen. De verdachte had daarbij een faciliterende en voor drugsimporteurs onmisbare rol. Hij gaf informatie over de status van de containers, te weten of deze op groen of rood stonden, en zou volgens de berichten een “streep” hebben. [naam medeverdachte 3] deelde met hem waardevolle informatie, zoals de beschrijving van pallets, hoeveelheden, droogstempels, de verdeling en de verpakking van de verdovende middelen en als het dan toch misgaat ook diverse uithaalscenario’s. Het delen van deze cruciale informatie wijst er op dat de verdachte nauw betrokken was bij de organisatie van het transport en dat hij zich hoog in de hiërarchie bevond. Daarnaast was hij ook (mede)investeerder in de partij drugs.

Met zijn handelen heeft de verdachte een belangrijke bijdrage geleverd aan de (instandhouding van) de handel in cocaïne, een verslavende en voor de gezondheid schadelijke stof. Er gaat buitengewoon veel geld om in de drugshandel, waardoor de (financiële) belangen van daders vaak groot zijn. Boven- en onderwereld raken zo ook steeds meer met elkaar vermengd. Er worden grote sommen crimineel geld geïnvesteerd in activiteiten, die voor mensen die op een eerlijke manier hun geld verdienen nagenoeg onbereikbaar zijn. Maar bovendien worden ook medewerkers van op zichzelf bonafide bedrijven omgekocht en ingezet voor de handel in drugs. Ook in deze zaak is gebleken dat werknemers van havenbedrijven en zelfs van de douane onder andere door toedoen van de verdachte hun medewerking zouden verlenen aan het doorlaten en uithalen van cocaïne die voor de criminele groepering van verdachte en zijn medeverdachten bestemd was. Deze vormen van corruptie tasten het onderlinge vertrouwen binnen de samenleving in hoge mate aan en ondermijnen daarmee onze democratische rechtsstaat. Dit is bijzonder ernstig, maar de verdachte en zijn medeverdachten hebben zich hieraan niets gelegen laten liggen. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet meer dan terecht dat er voor de georganiseerde handel in cocaïne lange, onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. Enerzijds dient dit als vergelding voor de ontwrichting waar verdachte (in)direct aan heeft bijgedragen. Anderzijds heeft het opleggen van zware straffen tot doel om anderen ervan te weerhouden zich met de georganiseerde drugscriminaliteit in te laten.

De rechtbank heeft in ogenschouw genomen dat de verdachte bij vonnis van 17 februari 2020 tot een gevangenisstraf van negen jaar is veroordeeld in het onderzoek Dobricic. Het betrof hier deels vergelijkbare feiten gepleegd in de periode die min of meer direct volgt op het bewezenverklaarde transport in deze zaak. De rechtbank begrijpt dat het de verdachte erg tegenvalt dat hij voor deze oudere zaak nu alsnog is vervolgd, anderzijds gaat het om een dermate groot transport dat – ongeacht die eerdere veroordeling – niet kan worden volstaan met een rechterlijk pardon zoals door de verdediging betoogd. Wel wordt uiteraard rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 Sr, nu deze zaak toen niet cumulatief ten laste is gelegd en hiermee voorkomen wordt dat de verdachte hierdoor benadeeld wordt bij de strafoplegging.

De overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals door de raadsman naar voren gebracht, zijn voor de rechtbank geen aanleiding om de op te leggen straf te matigen. De verdachte heeft immers bewust de keuze gemaakt om strafbare feiten te plegen en de consequenties daarvan zijn dan ook voor hemzelf.

De voorwaardelijke invrijheidstelling

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat zij in de wijziging van de v.i.-regeling geen aanleiding ziet om lagere straffen te eisen dan die volgen uit de op de strafbare feiten toepasselijke richtlijnen. Ook de door de verdediging aangehaalde uitspraken19 en de omstandigheid dat bepaalde feiten ouder zijn (maar waarbij overschrijding van de redelijke termijn niet aan de orde is) doen dat niet. Dat de nieuwe v.i.-regeling, zoals deze geldt onder de Wet straffen en beschermen, die in werking is getreden op 1 juli 2021, een kortere v.i.-duur met zich meebrengt is geen omstandigheid waarmee rekening dient te worden gehouden bij het bepalen van de op te leggen straf. Onder de oude regeling was het ook geen zekerheid dat slechts tweederde deel van de opgelegde straf moest worden ondergaan. De officier van justitie heeft tot besluit gewezen op de omstandigheid dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest dat de rechtspraak na 1 juli 2021 lagere straffen zou gaan opleggen dan die voor 1 juli 2021 voor soortgelijke feiten werden opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de ouderdom van een aantal feiten in dit dossier op zichzelf al een dempend effect op de strafmaat zou moeten hebben. Dat de officier van justitie hier bij het formuleren van de strafeis geen rekening mee heeft gehouden, acht de verdediging onjuist.

De verdediging heeft de rechtbank voorts verzocht om rekening te houden met de per 1 juli 2021 gewijzigde v.i.-regeling. De verdediging in de zaak van de verdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] heeft er op gewezen dat het onderzoek Scan (onder de naam Romp) al in 2016 is gestart. Was de strafzaak tegen hen toen doorgezet in plaats van geseponeerd, dan was de strafeis anders ingekleed en – zo er al een gevangenisstraf zou zijn opgelegd – was die straf al uitgezeten.

Met de nieuwe v.i.-regeling zijn de regels van het spel wel veranderd. De verdediging voorziet dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) daar te zijner tijd iets mee gaat doen, gezien artikel 7 van het EVRM (en de rechtspraak van de Grote Kamer van het EHRM inzake Scoppola versus Italië). Deze verdragsbepaling komt onherroepelijk in het gedrang bij de executie van een gevangenisstraf volgens de nieuwe v.i.-regels, voor feiten gepleegd voor die wetswijziging.

De beoordeling ten aanzien van de v.i.-regeling

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de enkele ouderdom van sommige ten laste gelegde feiten niet zonder meer een lagere straf rechtvaardigt. Dat de behandeling van de zaak nu pas plaatsvindt wordt niet (enkel) ingegeven door omstandigheden buiten de schuld van de verdachte.

In het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX5063) heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat wijzigingen in regelingen die betrekking hebben op de executie van een opgelegde straf niet kunnen worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of strafdreiging. Dit oordeel is nadien herhaald.

De nieuwe v.i.-regeling heeft naar het oordeel van de rechtbank betrekking op de executie van een opgelegde gevangenisstraf. De invoering van deze regeling kan dus niet worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging die door de rechter wordt toegepast. Dit wordt ingegeven door het feit dat met de nieuwe v.i.-regeling de hoogte van de duur van de oorspronkelijke vrijheidsstraf niet ten nadele van de verdachte wordt verhoogd, maar het mogelijk maakt dat strengere voorwaarden worden verbonden aan (onder meer de ingangsdatum van) de invrijheidstelling van de verdachte. Het (verdragsrechtelijke) legaliteitsbeginsel staat hieraan niet in de weg.

De Hoge Raad heeft ten aanzien van de (inmiddels vervallen) regeling inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling (die in de plaats kwam van de daarvoor bestaande, automatisch toegepaste, vervroegde invrijheidstelling) geoordeeld dat deze direct kon worden toegepast, maar ook werd gezien als een factor waarmee de rechter rekening kan houden bij de strafoplegging. De rechtbank beziet de nieuwe v.i.-regeling ook op laatstgenoemde wijze.

Tenuitvoerlegging

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.

12 .Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

13 .Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

14 .Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,

en mrs. C. Laukens en D. van der Sluis, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. M.A. Koreneef en V.E. Scholtens, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

(zaaksdossier Scan, art 10 OW)

hij in of omstreeks de periode van 14 april 2016 tot en met 1 juni 2016, te

Rotterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht,

ongeveer 3776 kilogram cocaïne,

in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

althans cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 5 Opiumwet

1 in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (2000/C 364/01) (Handvest) (en in artikel 11)

2 in artikel 8

3 in artikel 17

4 Brief van de Minister van Justitie en Veiligheid aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal 11 maart 2021 met kenmerk 3251441.

5 p. 170 e.v. binder Ennetcom & PGPSafe

6 p. 175 e.v. binder Ennetcom & PGPSafe

7 p. 185 e.v. binder Ennetcom & PGPSafe

8 ECLI:NL:RBROT:2021:9085

9 proces-verbaal [procesverbaalnummer 1], p. 1 e.v. van zaaksdossier Scan

10 proces-verbaal [procesverbaalnummer 2], p. 123 e.v. van zaaksdossier Scan

11 p. 140 e.v. van zaaksdossier Scan

12 p. 11 e.v. van zaaksdossier Scan

13 p. 5 van zaaksdossier Scan

14 p. 144 van zaaksdossier Scan

15 p. 1013 en 1015 van zaaksdossier Scan

16 ECLI:NL:HR:2022:475, r.o. 6.2.1

17 PV 1569 26sassenheim /[procesverbaalnummer 3] Proces verbaal van bevindingen Beschrijving werkzaamheden Costa Rica

18 PV 1654 26sassenheim /[procesverbaalnummer 3] Proces verbaal van veiligstellen Ontvangst Costa Rica data

19 Rechtbank Rotterdam 17 februari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:1295, Rechtbank Oost-Brabant 13 februari 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:742, Rechtbank Rotterdam 16 oktober 2018, ECLI:NL:RBROT:8543, Rechtbank Rotterdam 16 oktober 2018, ECLI:NL:RBROT:8626 en Rechtbank Oost-Brabant 6 september 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:4716