Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:21

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-01-2022
Datum publicatie
07-01-2022
Zaaknummer
618491 HA ZA 21-421
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De man heeft kosten gedragen van verbouwing aan woning die eigendom is van de vrouw. Niet slechts op grond daarvan sprake van ongerechtvaardigde verrijking. Mogelijk wel als appartement door verbouwing in waarde is gestegen. Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

team haven en handel

zaaknummer: C/10/618491 HA ZA 21-421

vonnis van 5 januari 2022

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat: mr. R.F.J. Weisz-Hertsworm,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat: mr. N. Schuerman.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en [gedaagde] .

Verloop van de procedure

De rechtbank wijst vonnis op de volgende processtukken:

  1. de dagvaarding van 30 april 2021, met producties;

  2. de conclusie van antwoord, met producties;

  3. de akte overlegging producties en wijziging van eis van de zijde van [eiser] ;

  4. de akte van de zijde van [gedaagde] ;

  5. de aantekening van de griffier dat de zitting heeft plaatsgevonden op 23 november

2021.

Omschrijving van het geschil

De feiten

1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij hebben van begin 2019 tot medio 2020 samengewoond in het appartement van [gedaagde] aan de [adres] te Rotterdam (hierna: het appartement).

De vordering

2. [eiser] vordert na eiswijziging, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

[gedaagde] (primair) te veroordelen tot afgifte van,

3 kunststof rolcontainers (14.c), onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte daarvan voor iedere dag dat [gedaagde] na betekening van het te wijzen vonnis weigerachtig blijft de zaken aan [eiser] terug te geven, dan wel (subsidiair) [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.000,00 aan [eiser] , althans (meer subsidiair) tot teruggave van nader door u vast te stellen goederen en tot betaling van een nader door u te bepalen bedrag;

[gedaagde] (primair) te veroordelen tot afgifte van,

1 koppelingsband wasmachine-droger (14f) en 1 HP laptop met laptoptas (14i) onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte daarvan voor iedere dag dat [gedaagde] na betekening van het te wijzen vonnis weigerachtig blijft de zaken aan [eiser] terug te geven, dan wel (subsidiair) een verklaring van recht af te geven waaruit volgt dat de goederen (14.f en 14.i) eigendom zijn van [eiser] ;

[gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 4.210,00 aan [eiser] ,

welk bedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot de

datum van algehele voldoening daarvan, althans (subsidiair) [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een nader door u vast te stellen bedrag onder nader door u te bepalen voorwaarden;

[gedaagde] (primair) te veroordelen tot afgifte van de Dyson Cooltower aan

[eiser] onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte daarvan voor iedere dag dat [gedaagde] na betekening van het te wijzen vonnis weigerachtig blijft de Dyson Cooltower aan [eiser] af te geven, dan wel (subsidiair) [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 374,00 aan [eiser] , welk bedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot de datum van algehele voldoening daarvan, althans (meer subsidiair) [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een nader door u vast te stellen bedrag onder nader door u te bepalen voorwaarden;

[gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 37.921,26 aan [eiser] ,

welk bedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot de

datum van algehele voldoening daarvan, althans (subsidiair) [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een nader door u vast te stellen bedrag onder nader door u te bepalen voorwaarden, althans (meer subsidiair) [gedaagde] te veroordelen tot afgifte van de goederen genoemd in randnummer 33 van deze dagvaarding onder verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte daarvan voor iedere dag dat [gedaagde] na betekening van het te wijzen vonnis weigerachtig blijft de zaken aan [eiser] terug te geven.

[gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 333,50 aan [eiser] ,

welk bedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding

tot de datum van algehele voldoening daarvan, althans (subsidiair) [gedaagde] te

veroordelen tot betaling van een nader door u vast te stellen bedrag onder nader

door u te bepalen voorwaarden;

[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten

en alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding

tot aan de dag der algehele voldoening.

3. [eiser] stelt daartoe – samengevat – het volgende.

Er zijn na beëindiging van de relatie tussen partijen goederen in het appartement achter gebleven die eigendom van [eiser] zijn. Hij vraagt om afgifte daarvan ofwel een vergoeding in geld ofwel een verklaring voor recht dat de goederen eigendom van [eiser] zijn. Ook geldt dat [eiser] kosten heeft moeten maken in verband met zijn pogingen om buiten rechte afgifte van zijn eigendommen te verkrijgen. Hij vordert die kosten van [gedaagde] op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW. Het gaat om kosten voor juridische werkzaamheden van € 850,-- en (door toedoen van [gedaagde] onnodig gemaakte) verhuiskosten van € 3.360,--.

[eiser] vordert voorts betaling van een bedrag van € 37.921,26. Primair geldt dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt doordat [eiser] dit bedrag heeft besteed aan het opknappen van het appartement, terwijl het eigendom bij [gedaagde] is gebleven. De investeringen van [eiser] zouden worden verrekend op het moment dat hij 50% mede-eigenaar van het appartement zou worden. [eiser] is echter geen eigenaar geworden en er is ook niet verrekend. Voorts geldt dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking omdat het appartement door de verbouwing in waarde is gestegen en het woongenot van [gedaagde] is verhoogd. Subsidiair geldt dat sprake is van onverschuldigde betaling door [eiser] . Meer subsidiair doet [eiser] een beroep op de redelijkheid en billijkheid. Nog meer subsidiair vordert [eiser] afgifte van door hem betaalde goederen die eenvoudig uit het appartement kunnen worden verwijderd.

Het verweer

4. [gedaagde] heeft als verweer het volgende aangevoerd.

De renovatie van het appartement is door [eiser] geïnitieerd. [gedaagde] heeft duidelijk te kennen gegeven dat zij dit niet nodig vond en dat zij daarvoor ook geen financiële middelen had. De kosten moeten dan ook voor rekening van [eiser] komen. Partijen zijn ook niet overeengekomen dat de investeringen zouden worden verrekend of dat [eiser] mede-eigenaar van het appartement zou worden. [eiser] heeft het initiatief genomen voor de waardebepaling. [gedaagde] heeft alleen opdracht gegeven als eigenaar. Zij betwist dat sprake is van een waardestijging door de renovatie. Er is slechts sprake van een waardestijging door de huidige marktwerking. De nog meer subsidiaire vordering tot afgifte van goederen moet worden afgewezen omdat deze goederen onlosmakelijk met het appartement zijn verbonden.

[gedaagde] heeft zoveel mogelijk meegewerkt aan de verhuizing van [eiser] . De door hem gemaakte kosten komen voor zijn eigen rekening.

De beoordeling

5. Ten aanzien van de vordering onder I wordt als volgt overwogen.

Voorafgaand aan de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de afgifte van een gedeelte van de goederen. [gedaagde] heeft de volgende goederen aan [eiser] afgegeven en [eiser] heeft zijn eis op deze punten verminderd:

  • -

    Verrekijker

  • -

    Altrex huishoudtrap

  • -

    Plantenklimrek

  • -

    Rolplateau diepvriezer tafelmodel

[eiser] heeft ter zitting zijn vordering voor wat betreft het zwarte kunststof ladekastje ingetrokken.

Partijen hebben op dit punt van de vordering dus slechts nog een geschil over de drie kunststof rolcontainers. Daarover heeft [eiser] aangevoerd dat hij er drie heeft meegenomen uit zijn oude appartement en dat [gedaagde] twee precies dezelfde had. [gedaagde] heeft aangevoerd dat ze alle vijf van haar zijn en dat ze altijd al onder haar bed hebben gestaan. Gelet op de betwisting van [gedaagde] op dit punt had het op de weg van [eiser] gelegen om aan te tonen, bijvoorbeeld door middel van een aankoopbewijs, dat de drie rolcontainers van hem waren. Dat heeft hij niet gedaan. Nu niet kan worden vastgesteld dat de drie rolcontainers van [eiser] zijn, zal de vordering op dit punt worden afgewezen.

6. [eiser] heeft in randnummer 14j van de dagvaarding nog een kast Pax Grimo genoemd, maar nu hij deze niet heeft opgenomen in zijn (gewijzigde) eis, zal hierover niet worden beslist.

7. Ten aanzien van de vordering onder II wordt als volgt overwogen.

[eiser] heeft ter zitting de vordering voor zover het de set chopsticks betreft ingetrokken.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij niet (meer) beschikt over de koppelingsband en de HP laptop met laptoptas. Zij kan dan ook niet worden veroordeeld tot afgifte daarvan. [gedaagde] heeft ter zitting erkend dat deze goederen van [eiser] zijn, zodat de subsidiaire vordering van [eiser] tot het afgeven van een verklaring van recht op dit punt zal worden toegewezen.

8. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de Dyson Cooltower (vordering onder IV) in die zin dat [gedaagde] deze behoudt en daarvoor een bedrag van € 200,-- aan [eiser] heeft voldaan. Ook op dit punt zal de vordering worden afgewezen.

9. [eiser] heeft ter zitting gesteld dat [gedaagde] het bedrag van € 333,50 (vordering onder VI) inmiddels aan [eiser] heeft voldaan, zodat de vordering op dit punt zal worden afgewezen.

10. Vervolgens komt de vordering onder III aan de orde. [eiser] meent dat [gedaagde] de juridische kosten en verhuiskosten moet betalen die hij heeft moeten maken in verband met de afgifte van zijn eigendommen.

[eiser] grondt zijn vordering op artikel 6:96 lid 2 sub c BW, dat ziet op redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Niet vastgesteld kan worden dat deze kosten in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs zijn gemaakt, zodat dit gedeelte van de vordering alleen daarom al zal worden afgewezen.
Partijen hebben een geschil gekregen en hebben beiden juridische bijstand ingeschakeld. De kosten daarvan komen voor hun eigen rekening, mede gelet op hun relatie als ex-partners.

Niet ingezien wordt op welke grond [gedaagde] de verhuiskosten van [eiser] zou moeten betalen. Dat door toedoen van [gedaagde] hogere kosten zijn gemaakt dan had gehoeven, is door [gedaagde] betwist en ook overigens niet gebleken. Ook dit gedeelte van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

11. Ten aanzien van de vordering onder V wordt als volgt overwogen.

[eiser] heeft gesteld dat hij met [gedaagde] heeft afgesproken dat de door hem gedane investeringen in het appartement zouden worden verrekend doordat hij 50% eigenaar zou worden. Vast staat dat [eiser] de kosten van de verbouwing heeft voldaan en ook vast staat dat [eiser] geen (gedeeltelijk) eigenaar is geworden van het appartement. [gedaagde] heeft betwist dat een dergelijke afspraak is gemaakt. [eiser] heeft ter zitting nog aangevoerd dat hij een schriftelijk voorstel heeft gedaan met een uitgebreide berekening. [gedaagde] heeft daarover aangevoerd dat zij dat voorstel van [eiser] heeft ontvangen, maar niet heeft geaccepteerd. Gelet op de betwisting door [gedaagde] wordt [eiser] in de gelegenheid gesteld de door hem gestelde afspraak te bewijzen.

12. Volgens [eiser] is [gedaagde] ongerechtvaardigd verrijkt, omdat zij de investeringen niet heeft voldaan terwijl de baten bij haar zijn gebleven.

Van een ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde] kan sprake zijn indien de uitgaven ten behoeve van de verbouwing, ook als die verbouwing niet tot een waardestijging van het appartement heeft geleid, voor rekening van [eiser] zijn gekomen en [gedaagde] zich die uitgaven aldus heeft bespaard (HR 5 september 2008, LJN BD4745, NJ 2008/481).

Voor het oordeel dat [gedaagde] zich de kosten van de verbouwing heeft bespaard en aldus is verrijkt, is nodig dat, als [eiser] die kosten niet voor zijn rekening had genomen, [gedaagde] die kosten zelf zou hebben gemaakt of verplicht was te maken (HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707, NJ 2019/248).

In het onderhavige geval staat als onweersproken gesteld vast dat [gedaagde] zelf niet de financiële middelen had voor de verbouwing. Het is dan ook niet aannemelijk dat zij de kosten daarvan zelf zou hebben gemaakt. Niet gesteld of gebleken is dat sprake was van enige noodzaak om tot verbouwing over te gaan.

Er kan niet op de enkele grond dat [eiser] de kosten van de verbouwing voor zijn rekening heeft genomen geconcludeerd worden dat [gedaagde] zich de kosten daarvan heeft bespaard en dat zij aldus is verrijkt.

13. [eiser] heeft voorts gesteld dat [gedaagde] is verrijkt omdat het appartement in waarde is gestegen door de verbouwing. [gedaagde] heeft dat betwist; zij voert aan dat een eventuele waardestijging het gevolg is van marktwerking en niet van de verbouwing.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] is verrijkt indien en voor zover het appartement inderdaad in waarde is gestegen als gevolg van de door [eiser] bekostigde verbouwing.

Van belang is dus óf het appartement in waarde is gestegen door de verbouwing en zo ja, hoeveel. Ter zitting heeft [eiser] een kopie overgelegd van een verkoopadvies van Blijdorp Makelaardij (hierna: Blijdorp) zoals dat in opdracht van [gedaagde] is opgemaakt voorafgaand aan de verbouwing. Daarin is een reële marktwaarde opgenomen van € 370.000,-- tot

€ 385.000,--. Daarbij heeft Blijdorp het volgende vermeld: ‘conform verbouwingsplannen opgegeven door eigenaar, volgende werkzaamheden: nieuwe luxe keuken, deel van de badkamer vernieuwen, voorzien van strak renovliesbehang en de gehele vloer van PVC’.

In deze waardebepaling lijkt aldus te worden uitgegaan van een prijs ná de verbouwing. Van belang is te weten wat de waarde bedroeg vóór de verbouwing, zonder dat de marktwerking daarin is betrokken.

[eiser] zal in de gelegenheid worden gesteld zijn stelling te bewijzen dat het appartement in waarde is gestegen door de verbouwing en wel door overlegging van een waardebepaling waaruit de waarde van het appartement blijkt van voor en na de verbouwing en waarin de marktwerking niet is betrokken. Het lijkt praktisch daartoe Blijdorp aan te zoeken, waarbij ook kan worden geverifieerd of de voornoemde reële marktwaarde van € 370.000,-- tot

€ 385.000,-- inderdaad geldt als waarde ná de verbouwing. Voor zover een waardebepaling niet aan [eiser] wordt verstrekt omdat hij geen eigenaar van het appartement is, wordt [gedaagde] opgedragen haar medewerking te verlenen in die zin dat zij de opdracht daartoe verstrekt. De kosten dienen in beide gevallen door [eiser] te worden voorgeschoten.

14. De stelling van [eiser] dat [gedaagde] is verrijkt omdat sprake is van een verhoogd woongenot heeft hij onvoldoende onderbouwd. Dat [gedaagde] op grond daarvan gehouden zou zijn enige vergoeding aan [eiser] te betalen, is niet gebleken. Bovendien heeft [gedaagde] betwist dat haar woongenot is verhoogd.

15. Voor zover geen sprake zou zijn van een waardestijging en dus ook niet van een (ongerechtvaardigde) verrijking van [gedaagde] , wordt ten aanzien van de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen nog als volgt overwogen.

16. De subsidiaire stelling van [eiser] dat sprake zou zijn van onverschuldigde betaling heeft hij onvoldoende onderbouwd, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.

17. [eiser] stelt voorts dat hij recht heeft op een vergoeding op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid. Daartoe voert hij aan dat het appartement in waarde is gestegen, dat het woongenot van [gedaagde] is verhoogd en dat de beëindiging van de relatie een onvoorziene omstandigheid betreft. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dit geen omstandigheden die moeten leiden tot een vergoeding door [gedaagde] aan [eiser] op grond van de redelijkheid en billijkheid, zodat ook hieraan voorbij zal worden gegaan.

18. [eiser] heeft tenslotte, meer subsidiair, afgifte gevorderd van door hem betaalde goederen die volgens hem eenvoudig uit het appartement kunnen worden verwijderd. Het gaat om de kookplaat en afzuigkap en om gordijnen, vitrage en een lamellenhordeur. [gedaagde] heeft daartegen verweer gevoerd en aangevoerd dat deze zaken onlosmakelijk met de woning zijn verbonden. Voorts heeft zij aangevoerd dat de gordijnen en vitrage op maat zijn gemaakt.

[gedaagde] heeft haar verweer onvoldoende onderbouwd. Deze goederen zijn zonder al te veel moeite te demonteren en het al dan niet op maat gemaakt zijn maakt daarbij geen verschil.

19. Samenvattend geldt dat:

  • -

    een verklaring voor recht zal worden gegeven dat de koppelingsband en de HP laptop met laptoptas, partijen welbekend, eigendom van [eiser] zijn;

  • -

    voor het overige de vorderingen onder I, II, III, IV en VI (bij eindvonnis) – voor zover niet ingetrokken of verminderd – zullen worden afgewezen;

  • -

    [eiser] wordt toegelaten te bewijzen dat:

o hij met [gedaagde] de afspraak heeft gemaakt dat de door hem betaalde kosten van de verbouwing zouden worden verrekend als hij (50%) eigenaar van het appartement zou worden;

o het appartement in waarde is gestegen door de verbouwing en zo ja, wat die waardestijging is.

20. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart voor recht dat de koppelingsband en de HP laptop met laptoptas, partijen wel bekend, eigendom van [eiser] zijn;

laat [eiser] toe te bewijzen dat hij met [gedaagde] de afspraak heeft gemaakt dat de door hem betaalde kosten van de verbouwing zouden worden verrekend als hij (50%) eigenaar van het appartement zou worden;

laat [eiser] toe te bewijzen dat het appartement in waarde is gestegen door de verbouwing, door het overleggen van een waardebepaling van voor en na de verbouwing van het appartement, waarbij bij de op te maken waardebepaling geen rekening moet worden gehouden met de huidige marktwerking en waarbij [gedaagde] wordt opgedragen haar medewerking te verlenen in die zin dat als [eiser] de waardebepaling niet verkrijgt omdat hij geen eigenaar van het appartement is, [gedaagde] daartoe opdracht geeft evenwel met de uitdrukkelijke vermelding dat [eiser] de kosten dient voor te schieten;

verwijst de zaak naar de openbare terechtzitting van 2 februari 2022 teneinde [eiser] in de gelegenheid te stellen schriftelijk – bij akte – getuigen op te geven c.q. anderszins bewijs te leveren;

verzoekt beide partijen hun verhinderdata over de maanden maart tot en met mei 2022 eveneens uiterlijk op voormelde zitting schriftelijk mede te delen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

2436