Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:209

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-01-2022
Datum publicatie
17-01-2022
Zaaknummer
10/132180-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor ontucht met aan de zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd (dochter van toenmalige partner).

Bewijsverweren verworpen: de verklaring van het slachtoffer is betrouwbaar en wordt ondersteund door ander bewijs.

Straf: gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Bijzondere voorwaarden o.a. ambulante behandeling, voor zover de reclassering dit noodzakelijk vindt. Anders dan door de officier gevorderd, wordt geen contactverbod opgelegd (artikel 38v Sr.)

Vordering benadeelde partij: gedeeltelijk toegewezen (met wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel). Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/132180-21

Datum uitspraak: 5 januari 2022

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] te ( [postcode verdachte] ) [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. O.J. Much, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 22 december 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Kort weergegeven wordt de verdachte verweten dat hij ontucht heeft gepleegd met de minderjarige dochter van zijn (toenmalige) partner.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. van Veen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest en oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht inhoudende een contactverbod met het slachtoffer en haar moeder.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verklaring van het slachtoffer, [naam slachtoffer] , onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. De verdachte heeft een alternatieve uitleg gegeven aan de WhatsAppberichten. Met de woorden ‘ik raak haar niet meer aan’ bedoelde hij dat hij [naam slachtoffer] niet meer zal helpen met het kammen van haar haren. Om die reden is sprake van een gebrek aan wettig bewijs.

Subsidiair is naar voren gebracht dat de vereiste overtuiging niet kan worden verkregen uit het wettige bewijs. De aangifte van de moeder van [naam slachtoffer] is niet geloofwaardig, gelet op de problemen die speelden tussen de verdachte en de moeder: zij kan [naam slachtoffer] woorden in de mond gelegd hebben.

De verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

4.1.2.

Beoordeling

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring, gelet op het volgende.

De politie heeft een studioverhoor afgenomen van [naam slachtoffer] . [naam slachtoffer] heeft in dat verhoor details gegeven over het ten laste gelegde feit die niet door haar moeder gedeeld zijn in de aangifte. Deze details maken de verklaring van [naam slachtoffer] authentiek en daarom betrouwbaar. In dit verhoor wordt geenszins steun gevonden voor de aanname van de verdediging dat de antwoorden van [naam slachtoffer] door haar moeder zouden zijn voorgezegd. De rechtbank ziet hier ook geen motief voor nu de verdachte tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft verklaard dat hij goed contact had met [naam slachtoffer] en haar moeder totdat aangifte werd gedaan van de ten laste gelegde feiten.

Aan het dossier is een printscreen toegevoegd van een Whatsappgesprek tussen de verdachte en de moeder van [naam slachtoffer] . Op de vraag van de moeder hoe zij moest verwerken wat de verdachte had gedaan met [naam slachtoffer] , antwoordde de verdachte ‘straf mij’ en ‘ik raak haar niet meer aan’. In deze context is evident, met name gelet op de woordkeuze ‘niet meer’, dat de verdachte doelde op aanraken in de zin van de ten laste gelegde handelingen. De uitleg die de verdachte zelf geeft aan zijn berichten in het WhatsAppgesprek, acht de rechtbank niet geloofwaardig.

4.1.3.

Conclusie

Het verweer wordt verworpen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 13 juni 2016 tot en met 30 juni 2020 te Rotterdam meermalen (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [naam slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2010, door meermalen haar te ontkleden en (over) haar schaamstreek te betasten en/of te wrijven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

ontucht plegen met een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Motivering straf

6.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

6.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft in een periode van tenminste vier jaar ontucht gepleegd met de dochter van zijn toenmalige partner door haar vagina te betasten. [naam slachtoffer] was pas zes jaar oud toen de ontuchtelijke handelingen begonnen. De verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijke en psyschische integriteit van [naam slachtoffer] op ernstige wijze geschonden. Ook heeft de verdachte de eigen seksuele ontwikkeling van [naam slachtoffer] , iets waar ieder kind recht op heeft, verstoord. Bovendien zag [naam slachtoffer] de verdachte als vader en vertrouwde zij hem. De verdachte heeft dit vertrouwen beschaamd en haar belangen volledig terzijde geschoven.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat [naam slachtoffer] een groot risico loopt op een post-traumatische stressstoornis als gevolg van de feiten. De afgelopen anderhalf jaar, sinds zij erover durft te praten, heeft ze last gehad van angsten en concentratieproblemen. Zij staat op een wachtlijst voor traumabehandeling. De verdachte lijkt echter tot op heden nog steeds geen inzicht te hebben in zijn eigen grensoverschrijdende gedrag en de nadelige gevolgen die zijn handelingen ook in de toekomst nog zullen hebben voor [naam slachtoffer] .

6.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

15 november 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

6.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten vindt de rechtbank dat het opleggen van een gevangenisstraf passend is. Bij de bepaling van de duur daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarbij wordt het stelselmatige karakter van de feiten als strafverzwarend meegewogen.

De reclassering heeft in onderhavige zaak geen advies uitgebracht. Gelet op de aard van de feiten en omdat de verdachte inmiddels een nieuwe partner met kinderen heeft, acht de rechtbank van belang dat de verdachte toezicht van de reclassering krijgt en hulp en begeleiding ontvangt, eventueel in de vorm van een ambulante behandeling. Daarom zal de rechtbank een deel van de straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Anders dan gevorderd door de officier van justitie, zal de rechtbank geen contactverbod in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Het doel van een dergelijk contactverbod zou zijn de bescherming van het slachtoffer. In deze zaak is echter geen reden om te vermoeden dat het slachtoffer nog gevaar loopt, nu de relatie tussen de verdachte en de moeder van het slachtoffer is verbroken.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering aan de orde is.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] als wettelijk vertegenwoordiger van het minderjarig slachtoffer [naam slachtoffer] . De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 7.000,- aan immateriële schade.

7.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering.

7.2.

Standpunt verdediging

Aangezien vrijspraak is bepleit, heeft de verdediging verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

7.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Zulks vloeit voort uit hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de gevolgen die het feit voor de benadeelde partij heeft gehad. De schade zal naar maatstaven van billijkheid worden begroot op € 4.000,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, met niet-ontvankelijk verklaring van hetgeen aan hoofdsom meer is gevorderd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 30 juni 2020.

7.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 4.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 .Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

2. de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd onder ambulante behandeling stellen, voor zover en voor zolang als de reclassering dit noodzakelijk vindt;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 4.000,- (zegge: vierduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 30 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam slachtoffer] te betalen € 4.000,- (hoofdsom, zegge: vierduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 4.000,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,

en mrs. A. van Luijck en F. Tosun, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.J. Voogel-van Buuren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 januari 2022.

De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 juni 2016 tot en met 30 juni 2020 te Rotterdam (meermalen) (telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind en/of met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [naam slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2010, door (meermalen) haar te ontkleden en/of (over) haar schaamstreek te betasten en/of te wrijven;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 juni 2016 tot en met 30 juni 2020 te Rotterdam (meermalen) (telkens) met [naam slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2010, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt,een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het (meermalen) ontkleden van haar en/of het betasten van en/of wrijven over haar schaamstreek.