Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:2057

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-03-2022
Datum publicatie
28-03-2022
Zaaknummer
C/10/634701 / KG ZA 22-179
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG. Eisende partij vraagt verduidelijking van het arrest van hof Den Haag van 1 maart 2022 (zaaknummer 200.301.081/01) inzake een geschil over inbreuk op octrooirechten m.b.t. zonnepalen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/634701 / KG ZA 22-179

vonnis in kort geding van 15 maart 2022

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. drs. A.M.E. Verschuur te Amsterdam,

tegen

de vennootschap naar vreemd recht

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ( [land] ),

gedaagde,

advocaat mr. ir. T.M. Blomme te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 maart 2022, met 6 producties;

  • -

    de mondelinge behandeling op 11 maart 2022;

  • -

    de pleitnota van [eiseres] ;

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[gedaagde] maakt onderdeel uit van de [naam concern 1] , een Zuid-Koreaans concern dat zich onder meer toelegt op de ontwikkeling, vervaardiging en verhandeling van zonnepanelen.

2.2.

[eiseres] maakt onderdeel uit van de Chinese [naam concern 2] , die zich eveneens bezighoudt met de ontwikkeling, vervaardiging en verkoop van zonnepanelen.

2.3.

[gedaagde] houdt in een aantal Europese landen octrooi op een techniek die wordt gebruikt bij de vervaardiging van zonnepanelen. Dat octrooi is in Nederland niet van kracht.

2.4.

Partijen en/of hun zustervennootschappen binnen de [naam concern 1] respectievelijk de [naam concern 2] zijn verwikkeld (geweest) in meerdere gerechtelijke procedures in verschillende landen in het kader van de vraag of en in hoeverre vennootschappen behorend tot de [naam concern 2] met de handel in zonnepanelen inbreuk maken op het Europese octrooi van [gedaagde] .

2.5.

Bij beschikking van 1 juni (gewijzigd op 11 juni) 2021 heeft de voorzieningenrechter te Rotterdam aan [gedaagde] verlof verleend tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag en conservatoir beslag onder derden tot afgifte, ten laste van [eiseres] . [gedaagde] heeft die beslagen op 16 juni 2021 gelegd.

2.6.

Daarop heeft [eiseres] een kort geding jegens [gedaagde] aanhangig gemaakt teneinde de beslagen op te laten heffen. In die procedure heeft [gedaagde] voor het geval het afgiftebeslag zou worden opgeheven in voorwaardelijke reconventie (kort gezegd) een grensoverschrijdend octrooi-inbreukverbod gevorderd, met nevenvorderingen.

2.7.

Bij vonnis van 9 juli 2021 heeft de voorzieningenrechter te Rotterdam in conventie de vordering tot opheffing van het conservatoir bewijsbeslag afgewezen en het afgiftebeslag deels opgeheven. Bij vonnis van 19 juli 2021 is het dictum van het vonnis van 9 juli 2021 verduidelijkt. De behandeling en beslissing in reconventie zijn aangehouden.

Bij arrest van 17 september 2021 heeft het gerechtshof Den Haag in de procedure in conventie het bewijsbeslag in stand gelaten en het afgiftebeslag volledig opgeheven.

2.8.

Op 1 oktober 2021 heeft de voorzieningenrechter te Rotterdam vonnis in reconventie (ECLI:NL:RBROT:2021:9551) gewezen. Daarin is als volgt beslist:

“5.1. verbiedt [eiseres] met ingang van één werkdag na betekening van dit vonnis, om onrechtmatig jegens [gedaagde] te handelen door inbreuk op de gewijzigde conclusies van het Europees octrooi EP 2 220 689 B1 van [gedaagde] in België, Bulgarije, Duitsland, Frankrijk, Liechtenstein, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland met de [merknaam] -zonnepanelen met types Hi-M03, Hi-M03m, Hi-M04, Hi-M04m, Hi-M05 en Hi-M05m uit te lokken, te bevorderen, te faciliteren, en/of hiervan (bewust, stelselmatig en berekenend) te profiteren,

5.2.

veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van

€ 25.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, met een maximum tot € 5.000.000,00,

5.3.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.”

2.9.

Bij vonnis van 5 november 2021 (ECLI:NL:RBROT:2021:11119) heeft de voorzieningenrechter te Rotterdam het dictum in het vonnis van 1 oktober 2021 aangevuld, in die zin dat r.o. 5.1. als volgt is komen te luiden:

“verbiedt [eiseres] met ingang van één werkdag na betekening van dit vonnis, om onrechtmatig jegens [gedaagde] te handelen door inbreuk op de gewijzigde conclusies van het Europees octrooi EP 2 220 689 B1 van [gedaagde] in België, Bulgarije, Duitsland, Frankrijk, Liechtenstein, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland met de [merknaam] -zonnepanelen met types Hi-M03, Hi-M03m, Hi-M04, Hi-M04m, Hi-M05 en Hi-M05m, voor zover in die producten aluminiumoxide aanwezig is op een oppervlak van de van het licht afgekeerde achterzijde van het siliciumsubstraat , uit te lokken, te bevorderen, te faciliteren, en/of hiervan (bewust, stelselmatig en berekenend) te profiteren,”

2.10.

Tegen het vonnis van 1 oktober en de aanvulling van 5 november 2021 (hierna: het vonnis) is hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 1 maart 2022 (zaaknummer 200.301.081/01, hierna: het arrest) heeft het gerechtshof Den Haag als volgt beslist:

vernietigt onderdelen 5.1, 5.4 en 5.5 van het vonnis en in zoverre opnieuw recht doende:

7.1

verbiedt [eiseres] om direct en/of indirect inbreuk te maken op het octrooi in België, Bulgarije, Duitsland, Frankrijk, Hongarije, Liechtenstein, Oostenrijk, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland;

7.2

beveelt [eiseres] om binnen twee weken na betekening van dit arrest aan [gedaagde] schriftelijke opgave te verstrekken van alle in België, Bulgarije, Duitsland, Frankrijk, Hongarije, Liechtenstein, Oostenrijk, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland gevestigde afnemers aan wie [merknaam] producten hebben aangeboden of verkocht, die vallen onder de beschermingsomvang van het octrooi;

7.3

beveelt [eiseres] om binnen twee weken na betekening van dit arrest aan ieder van de

hiervoor bedoelde afnemers een aangetekende brief te zenden in de landstaal van de betreffende afnemer met uitsluitend de navolgende inhoud en zonder bijschrift:

“Wij zijn verplicht u te informeren dat het Gerechtshof Den Haag, Nederland, heeft beslist dat de door ons op de markt gebrachte zonnepanelen van het type Hi-MO3, Hi-MO3m, Hi-MO4, Hi-MO4m, Hi-MO5 en Hi-MO5m inbreuk maken op Europees octrooi EP 2 220 689 van [gedaagde] , en dat deze producten derhalve niet langer mogen worden vervaardigd, gebruikt, ten verkoop aangeboden, verkocht of voor deze doeleinden ingevoerd. Wij verzoeken u hierbij om die door ons verkochte producten niet langer aan te bieden (op uw website, in brochures e. d.) en alle door ons verkochte exemplaren die zich onder u bevinden aan ons te retourneren. Wij zullen dan onmiddellijk de aankoopprijs en alle kosten in verband met de retournering van dergelijke producten aan u vergoeden”.

[naam en handtekening van een wettelijk vertegenwoordiger [eiseres] ]

een en ander onder de verplichting om gelijktijdige kopieën van alle te verzenden brieven te verschaffen aan [gedaagde] ;

7.4

beveelt [eiseres] aan [gedaagde] per overtreding van het in 7.1 bedoelde verbod en voor iedere niet (gehele c.q. deugdelijke) nakoming van de onder 7.2 en 7.3 bedoelde bevelen aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 25.000,-- (vijftig duizend Euro) dan wel, ter keuze van [gedaagde] , aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 5.000,-- (vijfentwintig duizend Euro) per betrokken product, of per dag, een gedeelte van een dag voor een gehele gerekend, dat het onder 7.1 bedoelde verbod en/of het onder 7.2 en 7.3 bedoelde bevelen na de betekening van dit arrest niet geheel en deugdelijk worden nagekomen, waarbij de dwangsommen verschuldigd zijn per niet (geheel en deugdelijk) nagekomen verbod of bevel;

7.5

veroordeelt [eiseres] tot vergoeding van de proceskosten van [gedaagde] in beide instanties, begroot op een bedrag van in totaal (€, opm vzr) 231.439,-;

7.6

verklaart de onderdelen 7.1 tot en met 7.5 van dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

7.7

bekrachtigt onderdelen 5.2 en 5.3 van het vonnis, met dien verstande dat de daarin opgelegde dwangsom zijn grondslag heeft in en is verbonden aan inbreuk op het octrooi in België, Bulgarije, Duitsland, Frankrijk, Hongarije, Liechtenstein, Oostenrijk, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland en verschuldigd is bij overtreding(en) in de periode tot aan de betekening van dit arrest;

7.8

wijst het meer of anders gevorderde af.”

3. Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. de executie van 7.2, 7.3, 7.4 en 7.6 en 7.7 van het arrest te schorsen tot 1 (één) week na het te wijzen vonnis met betrekking tot alle hierna geformuleerde vorderingen;

B. te bepalen dat de tekst van de brief opgenomen in 7.3 van het arrest wordt verduidelijkt als volgt:

“Wij zijn verplicht u te informeren dat het Gerechtshof Den Haag, Nederland, in kort geding heeft beslist dat de door ons op de markt gebrachte zonnepanelen van het type Hi-M03, Hi-M03m, Hi-M04, Hi-M04m, HiM05 en Hi-M05m, met uitzondering van de producten waarin geen aluminiumoxide aanwezig is op een oppervlak van de van het licht afgekeerde achterzijde van het siliciumsubstraat (zoals de producten aangeduid met HIH, HIB en HIBD) , inbreuk maken op Europees octrooi EP 2 220 689 van [gedaagde] , en dat deze producten derhalve niet langer mogen worden vervaardigd, gebruikt, ten verkoop aangeboden, verkocht of voor deze doeleinden ingevoerd. Wij verzoeken u hierbij om die door ons verkochte producten niet langer aan te bieden (op uw website, in brochures e.d.) en alle door ons verkochte exemplaren, voor zover u deze nog daartoe in voorraad houdt , aan ons te retourneren. Wij zullen dan onmiddellijk de aankoopprijs en alle kosten in verband met de retournering van dergelijke producten aan u vergoeden”.

[naam en handtekening van een wettelijk vertegenwoordiger [eiseres] ]

C. te bepalen dat 7.2 en 7.3 van het arrest aldus moeten worden uitgelegd dat [eiseres] slechts gehouden is de betrokken gegevens en kopieën van brieven te verstrekken aan de advocaat van [gedaagde] , die omtrent de inhoud van de aldus verstrekte informatie jegens [gedaagde] geheimhouding zal betrachten;

D. te bepalen dat 7.4 van het arrest aldus moet worden uitgelegd dat de hoogte van de daarin opgelegde dwangsommen is vastgesteld op € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) per overtreding en € 5.000,00 (vijfduizend euro) per product of per dag (een gedeelte van een dag voor een gehele gerekend);

E. te bepalen dat de onder 7.4 van het arrest opgelegde dwangsommen worden gemaximeerd op een bedrag van € 250.000,00 althans een in goede justitie te bepalen maximum te verbinden aan voornoemde dwangsommen;

F. te beslissen dat 7.7 van het arrest aldus dient te worden uitgelegd in het licht van het vonnis dat dit dictumonderdeel zich niet mede uitstrekt tot overtredingen in Oostenrijk en Hongarije in de periode tot aan de betekening van het arrest; en

G. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding op de voet van artikel 1019h Rv, alsmede in de gebruikelijke nakosten (zowel zonder als met betekening), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van de uitspraak zonder dat daarvoor betekening is vereist.

3.2.

[gedaagde] voert tegen een deel van de vordering gemotiveerd verweer en concludeert in zoverre tot afwijzing, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten op de voet van artikel 1019h Rv.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.

In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of de voorzieningenrechter internationaal bevoegd is, aangezien partijen in Rotterdam respectievelijk Seoul zijn gevestigd.

4.2.

Uit artikel 6 lid 1 van de Brussel I bis-Verordening (1215/2012) vloeit voort dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter moet worden vastgesteld aan de hand van het Nederlandse procesrecht. In dit geval, waar het gaat om een executiegeschil, geldt dat de voorzieningenrechter te Rotterdam bevoegd is van de vorderingen van [eiseres] kennis te nemen op grond van artikel 438 leden 1 en 2 Rv.

Vordering B.

4.3.

Vordering B. ziet op verduidelijking van de tekst van de recall-brief opgenomen in 7.3 van het arrest, op drie verschillende plekken.

4.4.

Tegen de gewenste aanvulling met de – feitelijk juiste – zinsnede “in kort geding” heeft [gedaagde] geen bezwaar. De voorzieningenrechter oordeelt dat [eiseres] voldoende belang heeft bij deze verduidelijking, mede gelet op de veelheid aan procedures. Het hof heeft geen uit het arrest kenbare reden gehad om deze vermelding van de aard van de procedure achterwege te laten. Dit deel van de vordering zal worden toegewezen.

4.5.1

Dat ligt anders voor de gevorderde aan te vullen zinsnede “met uitzondering van de producten waarin geen aluminiumoxide aanwezig is op een oppervlak van de van het licht afgekeerde achterzijde van het siliciumsubstraat (zoals de producten aangeduid met HIH, HIB en HIBD)”.

[gedaagde] onderschrijft dat de tekst van het arrest, gelet op de verschillende door [eiseres] verhandelde panelen, niet glashelder is, maar heeft tegen voormelde aanvulling bezwaar. Zij heeft voorgesteld uitsluitend de volgende tekst toe te voegen: “met uitzondering van zonnepanelen die worden aangeduid met HIH, HIB of HIBD”.

4.5.2

Tussen partijen staat vast dat panelen met aanduiding HIH, HIB en HIBD daadwerkelijk op de markt zijn en geen inbreuk maken. Dat zijn voorts de enige panelen waarvan dat voorshands tussen partijen buiten kijf staat.

[eiseres] stelt dat haar belang bij de gevorderde aanvulling is gelegen in het feit dat zij continu nieuwe producten ontwikkelt en dat het voor afnemers duidelijk moet zijn dat, als [eiseres] zonnepanelen ontwikkelt met een ander typenummer (dan HIH, HIB of HIBD) die geen aluminiumoxide bevatten, die zonnepanelen geen octrooi-inbreuk maken en dus zonder problemen kunnen worden afgenomen. De voorzieningenrechter begrijpt daaruit dat het belang van [eiseres] uitsluitend te maken heeft met toekomstige ontwikkelingen. [gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat de verlangde aanvulling suggereert dat er buiten de types HIH, HIB en HIBD op dit moment ook nog andere niet-inbreukmakende types zijn, hetgeen dus niet het geval is. Het woord “zoals” is dan ook onnodig vaag en ruim geformuleerd, hoewel de gevorderde aanvulling in technische zin klopt.

4.5.3

Van groot belang is dat, blijkens de door het hof toegewezen vordering, deze brief bedoeld is om afnemers die reeds panelen van [eiseres] hebben betrokken op de hoogte te stellen van het inbreukmakende karakter daarvan en voorts op te roepen om deze terug te sturen (kort gezegd: recall). De recall-brief is dus niet bedoeld (en evenmin geschikt) voor situaties die zien op de afname van thans nog niet op de markt gebrachte typen panelen.

4.5.4

Gelet op het voorgaande en op de terughoudende toets die in dit geding moet worden toegepast acht de voorzieningenrechter de aanvulling zoals die door [gedaagde] is voorgesteld toewijsbaar. De tekst zoals die in het arrest is geformuleerd schept teveel onduidelijkheid die in het belang van de afnemers (en van partijen) weggenomen moet worden; die beperkte aanvulling is daartoe, mede gelet op de standpunten van partijen, geschikt en voldoende.

4.6.

Ten aanzien van de vordering om de zinsnede “die zich onder u bevinden” te vervangen door de zinsnede “voor zover u deze nog daartoe in voorraad houdt” ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om in te grijpen.

4.6.1

[eiseres] meent dat het niet de bedoeling van het arrest kan zijn dat de recall (terugroepactie) ook geldt voor zonnepanelen die door grote eindafnemers zijn gekocht, zijn geïnstalleerd en (in de eigen onderneming) in gebruik zijn genomen, bijvoorbeeld energieleveranciers die de panelen hebben geïncorporeerd in zonneparken. Het gaat immers, gelet op artikel 46 TRIPs en artikel 10 lid 1 sub a van de Handhavingsrichtlijn om terugroeping uit het handelsverkeer en deze producten zijn niet langer in het handelsverkeer. Bovendien stuit een en ander op grote juridische en technische problemen. De panelen in een zonnepark zijn door natrekking onroerend geworden en behoren toe aan de eigenaar van het zonnepark, die niet noodzakelijkerwijs de afnemer van [eiseres] is. Zij raken ook gemakkelijk beschadigd als zij losgemaakt moeten worden.

4.6.2

Dit standpunt wordt niet gevolgd. Uit artikel 53 lid 1 sub a ROW volgt dat ook professionele afnemers die de inbreukmakende producten voor de eigen onderneming gebruiken, in beginsel inbreuk maken op het recht van de octrooihouder, nu blijkens die bepaling immers alleen de octrooihouder het recht heeft het geoctrooieerde voortbrengsel in of voor zijn bedrijf te (…) gebruiken. Het hof heeft dat kennelijk tot uitgangspunt genomen door te beslissen dat in de tekst van de recall-brief tevens moet worden vermeld: “dat deze producten derhalve niet langer mogen worden vervaardigd, gebruikt, ten verkoop aangeboden…”.

[gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat [eiseres] haar inhoudelijke verweer op dit punt in de procedure bij het hof had moeten voeren. Ter zitting bleek dat partijen het erover eens zijn dat dit niet is gebeurd. Wat daarvan de reden is geweest, doet niet ter zake. Het arrest, en in het bijzonder de toewijzing van de vordering op dit punt, kan tegen die achtergrond niet anders begrepen worden dan dat het hof bewust ook het gebruik door eindafnemers als verboden activiteit heeft willen aanmerken. Van een kennelijke fout van het hof is geen sprake. De door [eiseres] voorgestane ‘verduidelijking’ zou leiden tot een wijziging van de reikwijdte van het dictum en kan niet in een executiegeschil worden toegewezen.

4.6.3

De (betwiste) stelling van [eiseres] dat de zonnepanelen bij verwijdering schade zullen oplopen en de vraag of de zonnepanelen roerende zaken zijn dan wel door natrekking onroerend zijn geworden zijn (wat daarvan, naar het toepasselijke recht, zij) voor het onderhavige geschil niet relevant, nu het slechts gaat om de tekst van de door [eiseres] aan de afnemers te sturen brief, die niet bestemd of geschikt is om op alle eventuele complicaties voor afnemers te preluderen.

4.7.

Het voorgaande leidt ertoe dat de tekst van de recall-brief als volgt zal worden verduidelijkt:

“Wij zijn verplicht u te informeren dat het Gerechtshof Den Haag, Nederland, in kort geding heeft beslist dat de door ons op de markt gebrachte zonnepanelen van het type Hi-MO3, Hi-MO3m, Hi-MO4, Hi-MO4m, Hi-MO5 en Hi-MO5m – met uitzondering van zonnepanelen die worden aangeduid met HIH, HIB of HIBD – inbreuk maken op Europees octrooi EP 2 220 689 van [gedaagde] , en dat deze producten derhalve niet langer mogen worden vervaardigd, gebruikt, ten verkoop aangeboden, verkocht of voor deze doeleinden ingevoerd. Wij verzoeken u hierbij om die door ons verkochte producten niet langer aan te bieden (op uw website, in brochures e. d.) en alle door ons verkochte exemplaren die zich onder u bevinden aan ons te retourneren. Wij zullen dan onmiddellijk de aankoopprijs en alle kosten in verband met de retournering van dergelijke producten aan u vergoeden”.

[naam en handtekening van een wettelijk vertegenwoordiger van [eiseres] ]

Vordering C.

4.8.

Vordering C. houdt in dat 7.2 en 7.3 van het arrest zo moeten worden uitgelegd dat [eiseres] de schriftelijke opgave van haar afnemers en kopieën van de recall-brief aan diezelfde afnemers, alleen verstrekt aan de advocaat van [gedaagde] , die omtrent de inhoud van die informatie geheimhouding jegens [gedaagde] zal betrachten.

4.9.

Het hof heeft geen bijzondere overweging aan dit aspect besteed, hoewel [eiseres] hier wel verweer tegen had gevoerd. Overwogen wordt dat de in 7.2 en 7.3 geformuleerde bevelen er blijkens de structuur van het arrest (tegen de achtergrond van de regelgeving en de vorderingen) uitsluitend toe strekken [gedaagde] in staat te stellen om te controleren of en in hoeverre [eiseres] zich houdt aan die bevelen. Het is kennelijk niet de bedoeling van het arrest dat [gedaagde] langs deze weg de vrije beschikking krijgt over de klantgegevens van [eiseres] , en daarvan, als haar rechtstreekse concurrent, dan kan profiteren. [gedaagde] heeft niet gesteld dat zij er belang bij heeft dat de betreffende stukken, behalve naar de juridische afdeling van [gedaagde] en haar advocaten, nog aan anderen in haar organisatie worden verstrekt. Tegen die achtergrond ziet de voorzieningenrechter voldoende grond om het arrest zo uit te leggen dat de groep aan wie de betreffende informatie moet worden verstrekt, wordt beperkt tot de advocaten en de juridische afdeling van (het) [gedaagde] (concern), die van die informatie geheimhouding dienen te betrachten jegens de overige afdelingen van [gedaagde] .

Vordering D.

4.10.

De in letters weergegeven bedragen onder 7.4 van het arrest stemmen niet overeen met de weergave in cijfers, en uit een overweging in het arrest (6.81) blijkt dat het hof de dwangsommen heeft bedoeld te matigen. De vermeldingen in letters (de hogere bedragen) betreffen dus kennelijke verschrijvingen. [gedaagde] verzet zich niet tegen deze vordering. Partijen zijn het derhalve eens over de uitleg van 7.4 van het arrest ter zake van de hoogte van de dwangsommen. Weliswaar had [eiseres] ook een verzoek ex artikel 31 Rv kunnen doen, maar dat is geen exclusieve rechtsgang en de inschatting dat daarmee meer tijd gemoeid zou zijn geweest dan met dit geding is niet voorshands onredelijk. De vordering zal worden toegewezen.

Vordering E.

4.11.

In het kader van dit executiegeschil kan deze vordering niet worden toegewezen. Er is een (in 6.81 van het arrest) met redenen omklede beslissing van het hof op dit punt die niet als een evidente misslag is aan te merken. Niet gebleken is dat het hof, zoals [eiseres] stelt, uitging van een foute feitelijke vaststelling. In 6.81 is door het hof immers uitdrukkelijk verwezen naar 6.7 waarin is vastgesteld dat het in Duitsland opgelegde verbod was opgelegd aan een zustervennootschap van [eiseres] . Het hof heeft kennelijk dat gedrag van die zustervennootschap redengevend geacht voor zijn beslissing om de dwangsommen niet te maximeren, zoals hem vrij stond.

Op dit onderdeel ingrijpen zou een inhoudelijke beoordeling van de juistheid van die beslissing meebrengen, wat valt buiten het kader van een executie kort geding. Van een (dreigende) noodtoestand als gevolg van die beslissing is geen sprake.

Vordering F.

4.12.

Gelet op de inhoud van het onder rov. 2.8 hiervoor bedoelde vonnis, dat ten dele – ten aanzien van 5.2. en 5.3. – wordt bekrachtigd, en de in die onderdelen van het dictum daarvan genoemde landen, is duidelijk dat het hof bij vergissing Oostenrijk en Hongarije in de opsomming heeft vermeld. [gedaagde] verzet zich niet tegen toewijzing van deze vordering. Partijen zijn het derhalve eens over de uitleg van 7.7 van het arrest. Hetgeen onder rov. 4.10 hiervoor is overwogen over artikel 31 Rv geldt ook hier. Dit deel van de vordering is toewijsbaar.

Vordering A.

4.13.

[eiseres] vraagt om een schorsing van een deel van het arrest tot een week na de datum van dit vonnis. Zij voert daartoe aan dat zij door de misslagen en onduidelijkheden op dit moment niet weet wat haar verplichtingen voortvloeiende uit het arrest zijn, terwijl de dwangsommen zijn gekoppeld aan de betekening van het arrest, die al heeft plaatsgevonden.

4.14.

Wat betreft de op te stellen recall-brieven, waarvan de tekst woordelijk juist moet zijn en in diverse talen juist moet worden vertaald, is aannemelijk dat [eiseres] naar aanleiding van dit vonnis meer tijd nodig heeft. [gedaagde] heeft dat ook onderkend en zij heeft ter zitting verklaard er geen bezwaar tegen te hebben om aan [eiseres] een termijn tot en met maandag 21 maart 2022 te geven om kopieën van de recall-brieven te verstrekken. [eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat die termijn niet afdoende is, nu zij vanzelfsprekend reeds sedert kennisname van het arrest voorbereidingen heeft kunnen en moeten treffen voor de verzending. De voorzieningenrechter zal daarom de executie van 7.3 van het arrest schorsen tot en met 21 maart 2022.

4.15.

Voor de overige punten heeft [eiseres] haar belang bij schorsing onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Vordering G.

4.16.

[eiseres] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Partijen hebben verklaard met elkaar te zijn overeengekomen dat voor wat betreft het salaris aansluiting wordt gezocht bij de Indicatietarieven octrooizaken voor een eenvoudig kort geding, zijnde € 10.000,00.

De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden daarom begroot op:

- griffierecht € 676,00

- salaris advocaat € 10.000,00

Totaal € 10.676,00

4.17.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

schorst de executie van 7.3 van het arrest tot en met maandag 21 maart 2022;

5.2.

bepaalt dat de tekst van de brief, opgenomen in 7.3 van het arrest, wordt verduidelijkt als volgt:

“Wij zijn verplicht u te informeren dat het Gerechtshof Den Haag, Nederland, in kort geding heeft beslist dat de door ons op de markt gebrachte zonnepanelen van het type Hi-MO3, Hi-MO3m, Hi-MO4, Hi-MO4m, Hi-MO5 en Hi-MO5m – met uitzondering van zonnepanelen die worden aangeduid met HIH, HIB of HIBD – inbreuk maken op Europees octrooi EP 2 220 689 van [gedaagde] , en dat deze producten derhalve niet langer mogen worden vervaardigd, gebruikt, ten verkoop aangeboden, verkocht of voor deze doeleinden ingevoerd. Wij verzoeken u hierbij om die door ons verkochte producten niet langer aan te bieden (op uw website, in brochures e. d.) en alle door ons verkochte exemplaren die zich onder u bevinden aan ons te retourneren. Wij zullen dan onmiddellijk de aankoopprijs en alle kosten in verband met de retournering van dergelijke producten aan u vergoeden”.

[naam en handtekening van een wettelijk vertegenwoordiger van [eiseres] ]

5.3.

bepaalt dat 7.2 en 7.3 van het arrest aldus moeten worden uitgelegd dat [eiseres] slechts gehouden is de betrokken gegevens en kopieën van brieven te verstrekken aan de advocaten en de juridische afdeling van [gedaagde] , die omtrent de inhoud van de aldus verstrekte informatie jegens de overige afdelingen van [gedaagde] geheimhouding zullen betrachten;

5.4.

verstaat dat 7.4 van het arrest aldus moet worden uitgelegd dat de hoogte van de daarin opgelegde dwangsommen is vastgesteld op € 25.000,00 (vijfentwintig duizend euro) per overtreding en € 5.000,00 (vijf duizend euro) per product of per dag (een gedeelte van een dag voor een gehele gerekend);

5.5.

verstaat dat 7.7 van het arrest aldus dient te worden uitgelegd dat dit dictumonderdeel zich niet mede uitstrekt tot overtredingen in Oostenrijk en Hongarije in de periode tot aan de betekening van het arrest;

5.6.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 10.676,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.7.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat er betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2022.

2091 / 106