Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:196

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-01-2022
Datum publicatie
14-01-2022
Zaaknummer
FT EA 17/1312
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

TBE toewijzen. Budget instabiel. Inwonende kinderen dragen niet bij.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

tussentijdse beëindiging

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 13 januari 2022

Bij vonnis van deze rechtbank van 18 september 2017 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[schuldenares] ,

[adres]

[postcode] [woonplaats] ,

schuldenares,

bewindvoerder: N.T. van den Deijssel.

1. De procedure

De bewindvoerder heeft de rechter-commissaris verzocht de schuldsaneringsregeling voor tussentijdse beëindiging voor te dragen. De rechter-commissaris heeft op 6 december 2021 met dit verzoek ingestemd.

De bewindvoerder heeft op 31 december 2021 een laatste stand van zaken aan de rechtbank doen toekomen.

De bewindvoerder, mevrouw N.T. van den Deijssel en de beschermingsbewindvoerder, mevrouw N. Yerlikaya, zijn gehoord ter terechtzitting van 6 januari 2022.

Schuldenares is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering niet ter terechtzitting verschenen. De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat schuldenares wel op de hoogte was van de zitting.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. De standpunten

Als grond voor de voordracht tot tussentijdse beëindiging is door de bewindvoerder aangevoerd dat schuldenares diverse nieuwe schulden heeft laten ontstaan voor een totaalbedrag van € 3.650,15. Daarnaast is er sprake van een boedelachterstand van

€ 3.551,85. In de laatste stand van zaken verwijst de bewindvoerder naar de voordracht. Sindsdien hebben er geen wijzigingen plaatsgevonden.

De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat het inkomen van schuldenares niet toereikend is om de vaste lasten te kunnen betalen en af te lossen op de nieuwe schulden en de boedelachterstand. Dit komt mede doordat schuldenares gekort wordt op haar uitkering vanwege haar inwonende meerderjarige zoons. Bovendien heeft schuldenares per september 2021, vanwege voornoemde reden, tevens geen recht meer op huurtoeslag.

Eén van haar zoons was bereid om € 222,00 per maand over te maken naar de beheerrekening, dit is echter slechts tweemaal gebeurd. Eén keer is een lager bedrag overgemaakt. Sindsdien zijn de betalingen weer gestopt. Dit geld is aangewend om de nieuwe schuld aan Woonplus af te lossen. Daar de bijdrage echter niet structureel binnenkomt, is sprake van een instabiel budget.

3. De beoordeling

De schuldsaneringsregeling biedt een schuldenaar in een problematische schuldensituatie de mogelijkheid om na drie jaar een schone lei te verkrijgen. Dit betekent in de voorliggende regeling dat een groot deel van de schuld van € 35.332,25 niet langer opeisbaar is. Tegenover dit perspectief staat een aantal niet lichtvaardig op te vatten verplichtingen. Zo dient de schuldenaar gedurende de toepassing van de regeling onder meer de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd te informeren, zijn inkomen boven het vrij te laten bedrag af te dragen aan de boedelrekening en zich aantoonbaar tot het uiterste in te spannen om een fulltime dienstbetrekking te verkrijgen. Hiernaast mogen tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen bovenmatige nieuwe schulden ontstaan. Van de schuldenaar wordt een actieve houding verwacht bij het naleven van voornoemde verplichtingen.

De rechtbank oordeelt dat schuldenares toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen en overweegt daartoe als volgt.

Schuldenares heeft nieuwe schulden laten ontstaan voor een totaalbedrag van € 3.650,15. Daarnaast heeft schuldenares een boedelachterstand laten ontstaan van € 3.551,85. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat het budget van schuldenares instabiel is, waardoor er geen ruimte is om schulden af te lossen of de boedelachterstand in te lopen. Er zijn tot op heden namelijk geen structurele afspraken gemaakt met de inwonende zoons van schuldenares inzake een formele bijdrage in de vorm van kostgeld, althans die afspraken worden niet nagekomen. De bijdrage zou op de beheerrekening gestort moeten worden om te compenseren voor het feit dat schuldenares gekort wordt op haar uitkering en geen recht meer heeft op huurtoeslag.

Schuldenares is bovendien zonder bericht van verhindering niet ter zitting verschenen. De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat schuldenares op de hoogte was van de zitting en dat zij hierover gesproken hebben. Het komt voor rekening en risico van schuldenares dat zij niet ter zitting is verschenen.

Dat bovengenoemde tekortkomingen schuldenares niet te verwijten zijn, is onvoldoende aannemelijk geworden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat schuldenares, in elk geval na de waarschuwingsbrief van de rechter-commissaris van 28 mei 2018, het verhoor door de rechter-commissaris op 22 maart 2019, de behandeling van de eerdere voordracht tot tussentijdse beëindiging op 19 september 2019 en de behandeling van het hoger beroep op 5 november 2019, van de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling goed op de hoogte moet zijn geweest.

De toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, onder c Faillissementswet (hierna: Fw).

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.

De rechtbank stelt vast dat er geen baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Er is daarom geen sprake van een faillissement van rechtswege zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde gaat.

4. De beslissing

De rechtbank:

- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;

- stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal € 4.170,05;

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van

mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2022.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.