Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:194

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-01-2022
Datum publicatie
14-01-2022
Zaaknummer
FT EA 21/1502 en FT EA 21/1503
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dwangakkoord toewijzen. Stichting Jongeren Perspectief Fonds

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]

uitspraakdatum: 13 januari 2022

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [adres]

[postcode] [woonplaats] ,

verzoekster.

1. De procedure

Verzoekster heeft op 1 december 2021, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeisers, te weten: Stichting Prokino, vertegenwoordigd door De Best & Partners Gerechtsdeurwaarders en Incasso (hierna: Prokino), die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Prokino heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.

Ter zitting van 6 januari 2022 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoekster;

  • -

    mevrouw [persoon A] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);

  • -

    mevrouw [persoon B] , werkzaam bij het Jongeren Perspectief Fonds (hierna: begeleidster).

De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift zeven schuldeisers, waarvan twee preferente en vijf concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 21.657,08 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 28 september 2021 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 18,54% aan de preferente schuldeisers en 9,27% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. Verzoekster volgt een BBL-opleiding als verzorgende op MBO2-niveau. Vervolgens wil zij doorstromen naar een MBO3 en uiteindelijk een

MBO4-opleiding tot verpleegkundige. Verzoekster is toegelaten tot een traject bij de Stichting Jongeren Perspectief Fonds (hierna: JPF) Verzoekster is erg gemotiveerd. Ze wil haar studie kunnen voltooien zonder de stressvolle afleiding van haar financieel ongunstige situatie. Zij wil graag stabiliteit en wil leren hoe zij zelf het beste kan omgaan met haar geld. Gedurende het te volgen traject wordt zij begeleid door een jongerenconsulent voor het behalen van haar doelstellingen uit het Jongeren Perspectief Plan en door het Expertise Team Financiën. Daarnaast wordt het budgetbeheer verzorgd door de Kredietbank en wordt verzoekster aangemeld voor een training ter vergroting van haar financiële zelfredzaamheid. Verzoekster ontvangt thans een Participatiewet-uitkering op de kostendelersnorm en wanneer zij begint met de opleiding (11 januari 2022) zal zij studiefinanciering ontvangen.

Het voornoemde traject is voornamelijk bedoeld om jongeren (van tussen de 18 en de 27 jaar), die zich in een problematische schuldensituatie bevinden, een perspectief te bieden met behulp van maatwerkoplossingen, zodat primair schulden sneller worden gesaneerd, secundair jongeren de kans krijgen om te werken naar een opleiding of een betaalde baan en ten slotte om jongeren middels een tegenprestatie te stimuleren om deel te nemen aan de samenleving.

In de brief waarin de schuldregeling is aangeboden, staat dat schuldhulpverlening een saneringskrediet ter beschikking heeft gesteld. Het aangeboden percentage zal dientengevolge in één keer aan de schuldeisers wordt uitgekeerd. Verzoekster zal het bedrag in natura terug moeten betalen, door gedurende een periode van twee jaar een tegenprestatie te leveren. Schuldhulpverlening heeft ter terechtzitting te kennen gegeven dat in het kader van het traject een hoger saneringskrediet dan gebruikelijk is verstrekt, te weten een saneringskrediet dat is gebaseerd op een afloscapaciteit van € 83,-- per maand (in plaats van € 53,-- per maand). Daarmee wordt de kans op een betaalde baan gedurende de komende drie jaren ingecalculeerd.

Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.

Zes schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Prokino stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 5.616,50 op verzoekster, welke 25,9% van de totale schuldenlast beloopt.

3. Het verweer

In haar verweerschrift heeft Prokino te kennen gegeven het aangeboden bedrag te laag te vinden. Het aanbod zou niet in verhouding staan met de totale schuldvordering. Prokino heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat zij de grootste weigerende schuldeiser is en een verzoek om de grootste schuldeiser te dwingen strookt niet met de achterliggende gedachte van artikel 287a Faillissementswet. In haar verweerschrift heeft Prokino tevens aangevoerd dat de aangeboden regeling niet goed is gedocumenteerd en dat deze onvoldoende financieel transparant is. In de visie van Prokino kan niet worden vastgesteld dat verzoekster het maximaal haalbare heeft aangeboden. De aangeboden regeling is immers gebaseerd op een Participatiewet-uitkering, terwijl de inkomenspositie van verzoekster de komende tijd nog zou kunnen verbeteren. Prokino wijst er in dit kader op dat onvoldoende gewaarborgd wordt dat verzoekster zich maximaal inspant. Bij een wettelijk schuldsaneringstraject zijn de verwachtingen aanzienlijk hoger, gezien de wettelijke waarborgen, zoals onder andere een inspanningsverplichting. Bovendien houden de bewindvoerder en de rechter-commissaris toezicht op nakoming van de verplichtingen.

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft Prokino geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4. De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Prokino bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Prokino in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van Prokino een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 25,9%.

Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk zes van de zeven schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.

De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten de Kredietbank Rotterdam. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.

Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster in de periode 2019-2020 in de financiële problemen is gekomen. Alhoewel zij misschien niet de meest verstandige beslissingen heeft genomen, is niet gebleken dat zij te kwader trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van de schulden.

Inmiddels neemt verzoekster deel aan het JPF. Zij heeft op 11 januari 2022 een gesprek voor de MBO2-opleiding en zal dan studiefinanciering ontvangen. Tijdens dit traject wordt zij in de gelegenheid gesteld haar studie af te ronden, zich op diverse gebieden te ontwikkelen, haar kansen op de arbeidsmarkt te vergroten en een positief toekomstperspectief tegemoet te gaan. Verzoekster is zeer gemotiveerd.

Ondanks het feit dat verzoekster vanwege deelname aan het traject de komende drie jaar niet beschikbaar is voor een voltijds betaalde baan, is de rechtbank van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Voldoende aannemelijk is geworden dat verzoekster de komende drie jaar, met een MBO1-opleiding maar geen relevante werkervaring, geen inkomen zal kunnen verwerven dat zal leiden tot een hogere uitkering aan de schuldeisers. De rechtbank betrekt hierbij dat aan schuldeisers een hogere uitkering is aangeboden dan op basis van het VTLB zou zijn uitgekeerd. Gebaseerd daarop acht de rechtbank het door verzoekster aangeboden akkoord het maximaal haalbare.

Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. In de wettelijke schuldsaneringsregeling bestaat de reële kans dat verzoekster niet de mogelijkheid zal hebben om de opleidingen, waarvan hier sprake is, voort te zetten, gezien de in die regeling geldende inspanningsplicht. Met een MBO1-opleiding en weinig tot geen relevante werkervaring is niet aannemelijk dat verzoekster meer dan het minimumloon zal verdienen. Daarbij zal de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden. Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van Prokino, die geweigerd heeft in te stemmen.

Het verzoek om Prokino te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

Prokino zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank:

- beveelt Prokino om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;

- veroordeelt Prokino in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van

mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2022. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.