Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:1787

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-03-2022
Datum publicatie
16-03-2022
Zaaknummer
C/10/613343 / HA ZA 21-142
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vraag wie opdrachtgever is. Bestuurdersaansprakelijkheid ten aanzien van een deel van de vordering. Bestuurder heeft vermogensbestanddelen overgeheveld en vervolgens de vennootschap ontbonden, waardoor de vordering op de vennootschap onbetaald bleef.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/613343 / HA ZA 21-142

Vonnis van 9 maart 2022

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ETNOLIFE SERVICES B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. G.C. Haulussy te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HODE HOLDING B.V.,

gevestigd te Bergschenhoek,

2. [persoon A],

wonende te [woonplaats A] ,

gedaagden,

advocaat mr. R.P.R. Nolten te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna Etnolife, Hode Holding en [persoon A] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 1 februari 2021, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de brief van de rechtbank van 12 augustus 2021, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de aanvullende producties 20 tot en met 27 van Etnolife;

  • -

    de door Hode Holding en [persoon A] gezonden jaarrekening 2017 van [bedrijf C] .;

  • -

    de mondelinge behandeling op 18 januari 2022, van welke behandeling geen proces-verbaal is opgemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Etnolife en Hode Holding hebben een offerte ondertekend met betrekking tot administratieve dienstverlening door Etnolife, gedateerd op 4 oktober 2013. In deze offerte (hierna: de overeenkomst) is, onder meer, het volgende vermeld:

“Hierbij doen wij u toekomen ons voorstel inzake de administratieve dienstverlening ten

behoeve van onderstaand weergegeven rechts- en natuurlijke perso(o)n(en) vanaf 2013:

- Hode Holding B.V.

- [bedrijf A] .

- [bedrijf C] .

In deze offerte treft u de oplossing welke Etnolife Services BV kan bieden, onderverdeeld

naar type werkzaamheden.

(…)

Financiële consequenties

Wij kunnen de genoemde werkzaamheden aanbieden tegen de volgende condities, op basis

van een inschatting van de werkzaamheden per jaar. Wij werken vanuit een totaaloplossing

waardoor wij op basis van gemiddeld geschatte inzet een totaalbedrag hanteren voor genoemde werkzaamheden.

Werkzaamheden

1. Administratieve werkzaamheden

(…)

2. Aangiften

(…)

3. Samenstellen jaarrekening

(…)

TOTAAL: € 3.400,00

De totale kosten van de vaste werkzaamheden zullen € 3.400,00 per jaar bedragen. (…)

Hoogachtend Voor akkoord

Etnolife Services BV HoDe Holding B.V.”

2.2.

[bedrijf C] . (hierna: [bedrijf C] ) en [bedrijf A] . (hierna: [bedrijf A] ) zijn ontbonden in 2017 respectievelijk 2020. [persoon A] was – ten aanzien van [bedrijf A] tezamen met [persoon B] – van beide vennootschappen bestuurder.

2.3.

Enig bestuurder en aandeelhouder van [holding D] is [persoon A] .

2.4.

Etnolife heeft uit hoofde van de overeenkomst vanaf 2013 werkzaamheden verricht voor Hode Holding, [bedrijf A] en [bedrijf C] .

2.5.

Etnolife heeft Hode Holding, [bedrijf A] en [bedrijf C] ieder separaat gefactureerd. Een deel van de facturen (met name die zien op de loonaangiften) is voldaan, een deel is niet voldaan. Er zijn onbetaald gebleven facturen aan Hode Holding voor in totaal € 7.695,15, aan [bedrijf A] voor in totaal € 11.094,67 en aan [bedrijf C] voor in totaal € 7.478,09. Etnolife heeft aan [persoon A] verschillende keren lijsten van openstaande facturen gezonden met het verzoek de facturen te voldoen.

2.6.

Bij e-mail van 18 juni 2020 heeft de heer [persoon E] (hierna: [persoon E] ), de huidige accountant van Hode Holding, onder meer, aan de heer [persoon F] (hierna: [persoon F] ) van Etnolife, met c.c. aan bemiddelaar [persoon G] , bericht:

“Vandaag heb jij met [persoon G] een afspraak gemaakt over de nog openstaande declaraties.

Per heden staat aan nog niet door [bedrijf A] betaalde facturen aan Etnolife Services BV open € 10.768,00.

De afspraak is dat [bedrijf A] € 5.000 ex btw (incl. btw 6.050) betaalt tegen finale kwijting. Na betaling van dit bedrag heeft Etnolife Services BV niets meer te vorderen van [bedrijf A] .

Etnolife Services BV stuurt een creditfactuur van € 4.718 aan [bedrijf A] .

(…)

Graag ontvangen wij van jou en van diegene die namens Etnolife Services BV bevoegd is een bevestiging van deze afspraak. Na ontvangst van jullie bevestiging en de creditfactuur zal [bedrijf A] € 6.050 overmaken aan Etnolife Services BV.”

2.7.

Bij e-mail van 24 juni 2020 heeft [persoon F] daarop als volgt gereageerd.

“Ik heb alles met mevrouw [persoon H] [bestuurder van Etnolife; toevoeging rechtbank] van Etnolife Services [BV] besproken. De goedkeuring is onder de voorwaarde dat de openstaande vorderingen van Hode Holding BV en [bedrijf C] worden betaald zoals vermeld in het bestandje welke aan [voornaam persoon H] [ [persoon A] ; toevoeging rechtbank] is gezonden.

(…)

Graag akkoord op bovenstaande dan kan e.e.a. getekend terug.”

2.8.

Bij e-mail van diezelfde dag heeft [persoon G] daarop als volgt gereageerd.

“Onderstaande voorwaarde is nieuw voor mij. Toen we [bedrijf A] afsloten op 5K ex BTW. Is geen spraken geweest van extra voorwaarden.”

2.9.

Etnolife heeft laatstelijk bij brief van 25 november 2020 van haar advocaat verzocht om betaling van de in 2.5 genoemde bedragen. De bedragen zijn onbetaald gebleven.

3. Het geschil

3.1.

Etnolife vordert – samengevat – dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, Hode Holding en [persoon A] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van:

I. € 26.267,91, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, vanaf de vervaldata van de facturen, tot de dag van volledige betaling;

II. € 3.940,09, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, vanaf 20 november 2020, althans vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling;

III. de kosten van deze procedure, waaronder de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het vonnis.

3.2.

Hode Holding en [persoon A] voeren verweer. Het verweer strekt tot afwijzing van de vorderingen van Etnolife met veroordeling van Etnolife, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om de onbetaalde facturen die Etnolife heeft verzonden aan Hode Holding, [bedrijf A] en [bedrijf C] .

4.2.

De eerste vraag die beantwoord moet worden, is wie de opdrachtgever is van Etnolife. Etnolife stelt dat Hode Holding de enige opdrachtgever is, Hode Holding en [persoon A] stellen dat Hode Holding, [bedrijf A] en [bedrijf C] ieder voor zich opdrachtgever zijn. Partijen twisten over de vraag hoe de onder 2.1 geciteerde overeenkomst moet worden uitgelegd. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

4.2.1.

Welke uitleg aan de overeenkomst moet worden gegeven, moet worden bepaald aan de hand van het zogeheten Haviltex-criterium. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de taalkundige betekenis van de tekst, maar ook naar wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden.

4.2.2.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de overeenkomst niet separaat is ondertekend door [bedrijf A] en [bedrijf C] , maar enkel door ( [persoon A] namens) Hode Holding. Dat is op zich een aanwijzing dat Hode Holding heeft te gelden als enig opdrachtgever van Etnolife. Ook het feit dat er in de overeenkomst één basisbedrag is opgenomen voor de dienstverlening aan de drie vennootschappen, wijst daarop. De vraag is of die aanwijzingen sterk genoeg zijn.

4.2.3.

Op zitting is gebleken dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst niet concreet hebben gesproken over de vraag wie de opdrachtgever was van Etnolife. Er zijn daarom geen verklaringen uit die periode die relevant kunnen zijn voor de uitleg van de overeenkomst. Dat neemt niet weg dat ook omstandigheden na het sluiten van de overeenkomst relevant kunnen zijn voor de uitleg van de overeenkomst.

4.2.4.

Etnolife heeft – naar niet in geschil is – altijd aan de drie vennootschappen separaat gefactureerd, ieder voor het deel dat de desbetreffende vennootschap zelf aangaat. Verder blijkt uit de correspondentie zoals weergegeven onder 2.6 tot en met 2.8 dat beide partijen er in 2020 vanuit gingen dat sprake was van te onderscheiden vorderingen op de verschillende vennootschappen. Dat Hode Holding en [persoon A] daarvan uitgingen, blijkt uit het feit dat [persoon E] in zijn e-mail zoals weergegeven onder 2.6 spreekt van “nog niet door [bedrijf A] betaalde facturen” en “dat [bedrijf A] € 5.000 ex btw (…) betaalt”. Dat ook Etnolife daarvan uitgaat, blijkt uit het feit dat [persoon F] in zijn e-mail zoals weergegeven onder 2.7 niet weerspreekt dat de deal zou worden gedaan met [bedrijf A] en dat hij daarnaast spreekt van: “de openstaande vorderingen van Hode Holding BV en [bedrijf C] ”.

4.2.5.

Kortom, de overeenkomst bevat aanwijzingen dat Hode Holding de enige opdrachtgever is, maar uit het handelen van partijen na het sluiten van de overeenkomst, blijkt dat zij zijn uitgegaan van drie separate opdrachtgevers. Die feitelijke gang van zaken weegt het zwaarst. Hieruit blijkt immers het meest concreet wat partijen in de loop van de jaren voor ogen heeft gestaan. Er moet dus per opdrachtgever worden geoordeeld of de in 2.5 genoemde bedragen nog openstaan en zo ja, of Hode Holding en [persoon A] aansprakelijk zijn voor de betaling daarvan.

Ten aanzien van de aan Hode Holding gefactureerde bedragen

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat Etnolife voor Hode Holding werkzaamheden heeft verricht. Het verweer van Hode Holding, dat zij niet is gehouden tot betaling van de aan haar gefactureerde bedragen, omdat Etnolife jegens haar is tekortgeschoten in de verplichtingen onder de overeenkomst, is een bevrijdend verweer; de stelplicht en de bewijslast daarvan rust op Hode Holding. Hode Holding verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar een verklaring van [persoon E] , waarin – kort weergegeven – is vermeld dat hem bij het opstellen van de jaarrekening 2019 van Hode Holding is gebleken dat de werkzaamheden van Etnolife op enkele punten gebrekkig zijn uitgevoerd. Dit is tijdens de mondelinge behandeling door Etnolife betwist. Daarnaast heeft [persoon A] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij al eerder dan 2019 klachten had over de dienstverlening van Etnolife en die ook jegens haar heeft geuit en zijn de uren die ten grondslag liggen aan de desbetreffende werkzaamheden door Hode Holding betwist. Ook dit is door Etnolife weersproken.

4.3.1.

Hode Holding heeft niet (nader) onderbouwd waar de tekortkoming van Etnolife uit bestond met betrekking tot de werkzaamheden die eerder zijn uitgevoerd dan de werkzaamheden die [persoon E] noemt en waarvoor vanaf 2014 is gefactureerd. Bovendien heeft Hode Holding bij de mondelinge behandeling desgevraagd niet concreet kunnen maken of de vermeende tekortkoming schade heeft veroorzaakt, en zo ja welke schade. Zij heeft ter zitting een bewijsaanbod gedaan, maar gelet op het ontbreken van een nadere onderbouwing van de stelling van Hode Holding in dit kader wordt aan bewijslevering op dit punt niet toegekomen. Dit alles maakt dat Hode Holding onvoldoende heeft aangevoerd waarom zij de facturen van Etnolife niet hoeft te betalen.

4.4.

De vordering op Hode Holding voor het gedeelte van € 7.695,15 zal dus worden toegewezen. De gevorderde wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW wordt over dit bedrag toegewezen als gevorderd.

4.5.

Etnolife heeft geen argumenten aangevoerd waarom [persoon A] in persoon zou moeten betalen voor de openstaande facturen van Hode Holding. [persoon A] zal dus niet worden veroordeeld om deze facturen te betalen.

Ten aanzien van de aan [bedrijf A] gefactureerde bedragen

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat Etnolife voor [bedrijf A] werkzaamheden heeft verricht. Voor zover Hode Holding en [persoon A] hebben bedoeld te stellen dat Etnolife daarbij fouten zou hebben gemaakt, hebben zij deze stelling onvoldoende onderbouwd. De accountant van Hode Holding heeft op zitting verklaard dat de klachten over de door Etnolife verrichtte werkzaamheden met name zagen op Hode Holding en Hode Holding en [persoon A] hebben verder niets gesteld over tekortkomingen van Etnolife in de werkzaamheden verricht voor [bedrijf A] .

4.7.

Dat gezegd zijnde, gaat de discussie tussen partijen over de aan [bedrijf A] verzonden facturen over twee punten: (1) is er een regeling getroffen over deze facturen en (2) zijn Hode Holding en [persoon A] aansprakelijk voor de betaling ervan?

4.8.

De rechtbank overweegt het volgende over de vraag of er een regeling is getroffen.

4.8.1.

Hode Holding en [persoon A] stellen dat in een gesprek tussen [persoon G] en [persoon F] een betalingsregeling met betrekking tot de aan [bedrijf A] gefactureerde bedragen is overeengekomen tussen [bedrijf A] en Etnolife voor een bedrag van € 5.000,00 exclusief btw, waarbij [persoon A] persoonlijk zou zorgdragen voor betaling. Etnolife heeft dit betwist en verwijst daarvoor naar de in 2.6 tot en met 2.8 weergegeven emails. Dit verweer van Hode Holding en [persoon A] is een bevrijdend verweer; de stelplicht en de bewijslast daarvan rust op hen.

4.8.2.

Vaststaat dat tussen [persoon F] en [persoon G] een bespreking heeft plaatsgevonden, waarin is gesproken over de betaling van de aan [bedrijf A] gefactureerde bedragen. Na die bespreking heeft [persoon G] aan [persoon F] verzocht om een bevestiging van de bestuurder van Etnolife van de betalingsafspraak die zou zijn gemaakt tijdens die bespreking. Uit de reactie van [persoon F] volgt dat de bestuurder van Etnolife enkel akkoord is met de betalingsregeling van € 5.000,00 indien aan nadere voorwaarden wordt voldaan. Tussen partijen staat vast dat aan die voorwaarden niet is voldaan. De stelling van Hode Holding en [persoon A] dat [persoon F] bevoegd was om betalingsafspraken zonder voorbehoud te maken namens Etnolife, is, mede gelet op het feit dat [persoon E] in de email, zoals weergegeven in 2.6, nadrukkelijk verzoekt om bevestiging “van diegene die namens Etnolife Services BV bevoegd is”, onvoldoende onderbouwd.

4.8.3.

Gelet op het voorgaande hebben Hode Holding en [persoon A] onvoldoende onderbouwd gesteld dat er een betalingsregeling is overeengekomen. Daarom kan dit verweer niet slagen. Dat betekent dat het bedrag van de facturen van € 11.094,67 nog openstaat.

4.9.

Vervolgens dient te worden geoordeeld of Hode Holding en [persoon A] aansprakelijk zijn voor de betaling van het bedrag van € 11.094,67.

4.9.1.

Uitgangspunt is dat een vennootschap alleen zelf aansprakelijk is voor de nakoming van haar verplichtingen tegenover een schuldeiser, niet haar bestuurders en aandeelhouders. Dat is (voor zover hier relevant) alleen anders, als een bestuurder of aandeelhouder onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de schuldeiser.

4.9.2.

Vaststaat dat [bedrijf A] haar activa te gelde heeft gemaakt voordat zij werd ontbonden. [bedrijf A] heeft, zo verklaart [persoon A] zelf, een pand, waarvan zij deels eigenaar was, verkocht en het deel van de opbrengst dat aan haar toekwam, direct overgemaakt naar Hode Holding. Ook staat vast dat de vordering van Etnolife op [bedrijf A] niet is betaald.

4.9.3.

Etnolife verwijt [persoon A] dat hij toegelaten heeft dat [bedrijf A] is leeggehaald en nu geen verhaal meer biedt. [persoon A] betwist dat hem hiervan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Hij stelt dat hij erop mocht vertrouwen dat met Etnolife een betalingsregeling was overeengekomen. De rechtbank is, met verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 4.8, van oordeel dat [persoon A] uit de e-mail van [persoon F] , zoals weergegeven onder 2.7 had moeten begrijpen dat Etnolife niet akkoord ging met een betalingsregeling zoals voorgestaan door [persoon A] . De rechtbank neemt bij dat oordeel mede in aanmerking dat [persoon A] het bedrag van € 5.000,00 nooit aan Etnolife heeft betaald. Hij wist dus dat de met Etnolife besproken regeling in ieder geval niet was uitgevoerd. Toch heeft hij ondanks die kennis met de hiervoor genoemde overheveling van vermogensbestanddelen naar Hode Holding en het vervolgens ontbinden van [bedrijf A] bewerkstelligd dat de vordering van Etnolife op [bedrijf A] onbetaald bleef. Dat is onrechtmatig jegens Etnolife.

4.9.4.

De rechtbank is verder van oordeel dat de kennis van [persoon A] aan Hode Holding moet worden toegerekend. [persoon A] was immers bestuurder van Hode Holding. Hode Holding heeft, door te profiteren van de onrechtmatige daad van [persoon A] , ook onrechtmatig jegens Etnolife gehandeld.

4.10.

De conclusie is dat Hode Holding en [persoon A] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling van het aan [bedrijf A] gefactureerde bedrag van € 11.094,67 en dat dit gedeelte van de vordering jegens hen wordt toegewezen.

4.11.

Voor de gevorderde rente geldt het volgende. [bedrijf A] was wettelijke handelsrente verschuldigd over de openstaande factuurbedragen. Als gevolg van het leeghalen van [bedrijf A] biedt zij ook daarvoor geen verhaal. De gevorderde wettelijke handelsrente wordt daarom toegewezen vanaf de factuurdata.

Ten aanzien van de aan [bedrijf C] gefactureerde bedragen

4.12.

Ook ten aanzien van de aan [bedrijf C] gefactureerde bedragen geldt dat Hode Holding en [persoon A] voor de betaling van dit bedrag enkel aansprakelijk kunnen zijn als zij onrechtmatig jegens Etnolife hebben gehandeld. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

4.13.

Hetgeen is overwogen in 4.6 ten aanzien van de aan [bedrijf A] gefactureerde bedragen, geldt eveneens voor de aan [bedrijf C] gefactureerde bedragen.

4.14.

Tussen partijen staat vast dat ook [bedrijf C] voorafgaand aan haar liquidatie vermogensbestanddelen heeft overgeheveld aan Hode Holding, nu ter zitting door Hode Holding en [persoon A] is verklaard dat het geld van [bedrijf C] voorafgaand aan de ontbinding naar Hode Holding is overgebracht en door hen niet is weersproken de stelling van Etnolife dat dit ook geldt voor de activa van [bedrijf C] . Hode Holding en [persoon A] voeren aan dat het volledig aan Etnolife te wijten is dat haar vordering door de ontbinding van de vennootschap onverhaalbaar is geworden, nu Etnolife zelf de ontbinding van [bedrijf C] heeft begeleid. Etnolife heeft hiertegen aangevoerd dat [bedrijf C] is leeggehaald, omdat er een claim van een derde dreigde, hetgeen door Hode Holding en [persoon A] op zichzelf niet gemotiveerd is betwist.

4.15.

De rechtbank stelt vast dat de discussie tussen partijen op dit punt een hoog ‘de pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet’ gehalte heeft. Wat er ook zij van de individuele rol van beide partijen, Etnolife heeft onvoldoende gesteld voor toewijzing van haar vordering op dit punt. Etnolife heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van causaal verband tussen het leeghalen van [bedrijf C] en de schade van Etnolife. Het is de rechtbank niet duidelijk dat Etnolife wel betaald zou zijn als [bedrijf C] niet was leeggehaald. Er was immers sprake van een claim van een derde op [bedrijf C] . Etnolife heeft daarover niets gesteld, zodat moet worden geoordeeld dat haar vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd.

4.16.

Uit het voorgaande volgt dat het gedeelte van de vordering van € 7.478,09 wordt afgewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.17.

Etnolife maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, zijnde 15% van de hoofdsom, gebaseerd op de algemene voorwaarden die door haar zijn overgelegd. De toepasselijkheid van die algemene voorwaarden is echter in geschil. Hode Holding voert aan dat de algemene voorwaarden buiten toepassing moeten blijven, nu Etnolife aan haar niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden de algemene voorwaarden in te zien. Het had gezien die betwisting op de weg van Etnolife gelegen om haar stellingen hieromtrent nader te onderbouwen. Nu zij dat niet heeft gedaan, is niet vast komen te staan dat de algemene voorwaarden op enig moment aan Hode Holding ter hand zijn gesteld en evenmin dat één van de andere situaties als bedoeld in artikel 6:234 BW zich heeft voorgedaan. Bij de beoordeling van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten kunnen de algemene voorwaarden waarop Etnolife een beroep doet dus geen rol spelen.

4.18.

De rechtbank stelt vast dat, in ieder geval, uit de brief van 25 november 2020 blijkt dat er van de zijde van Etnolife wel incassowerkzaamheden zijn verricht die vergoeding door Hode Holding en [persoon A] rechtvaardigen. De rechtbank veroordeelt op basis van de wettelijke regels met betrekking tot buitengerechtelijke incassokosten Hode Holding en [persoon A] dan ook hoofdelijk tot een bedrag van € 885,95, uitgaande van een hoofdsom van € 11.094,67, en daarnaast Hode Holding tot betaling van € 759,76, uitgaande van een hoofdsom van € 7.695,15.

4.19.

Etnolife vordert tevens wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten. Niet gesteld of gebleken is echter dat Etnolife deze kosten al daadwerkelijk aan haar advocaat heeft betaald of met de betaling daarvan in verzuim verkeert en als zodanig vermogensschade heeft geleden. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden afgewezen.

Beslagkosten

4.20.

Etnolife vordert Hode Holding en [persoon A] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. De vordering is, gelet op het bepaalde in art. 706 Rv, toewijsbaar. De beslagkosten worden als volgt begroot:

- salaris: € 563,00 (1 rekest × tarief II)

- griffierecht: € 667,00

- exploot bankbeslag: € 359,72 (2x € 179,86)

- overbetekening Hode Holding en [persoon A] : € 145,30 (2x € 72,65)

- overbetekening bank: € 145,30 (2x € 72,65)

totaal: € 1.880,32

4.21.

De over de beslagkosten gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

Proceskosten

4.22.

Hode Holding en [persoon A] zullen als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Etnolife worden begroot op:

- dagvaarding € 92,47

- griffierecht € 1.409,00

- salaris advocaat € 1.126,00 (2,0 punten × tarief € 563,00)

Totaal € 2.627,47

4.23.

De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

4.24.

Tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring is geen verweer gevoerd, terwijl Etnolife geacht moet worden daarbij belang te hebben, zodat deze wordt toegewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt Hode Holding om aan Etnolife te betalen een bedrag van € 7.695,15 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over dit bedrag vanaf de vervaldata van de facturen, tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt Hode Holding en [persoon A] hoofdelijk om aan Etnolife te betalen een bedrag van € 11.094,67 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over dit bedrag vanaf de vervaldata van de facturen tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Hode Holding en [persoon A] hoofdelijk tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 885,95,

5.4.

veroordeelt Hode Holding tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 759,76,

5.5.

veroordeelt Hode Holding en [persoon A] hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 1.880,32 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na heden tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt Hode Holding en [persoon A] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Etnolife tot op heden begroot op € 2.627,47, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na heden tot de dag van volledige betaling,

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. Doorduijn. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2022.

3242/1876