Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:1535

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-03-2022
Datum publicatie
21-03-2022
Zaaknummer
9614534
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Geregelde ontbinding, verstoorde arbeidsverhouding, toepassing van artikel 7:671b lid 6 sub b BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0343
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 9614534 \ VZ VERZ 22-17

Uitspraak: 3 maart 2022

Beschikking van de kantonrechter,

in de zaak van

[autobedrijf A]

t.h.o.d.n. [handelsnaam A] ,

gevestigd in [plaats A] ,

verzoekster, verweerster in het zelfstandig tegenverzoek,

gemachtigde: mr. S.A. Jansen,

tegen

[persoon B] ,

wonend in [woonplaats B] , gemeente [gemeente B] ,

verweerder, verzoeker in het zelfstandig tegenverzoek,

gemachtigde: mr. C.M. de Wijs.


Partijen worden hierna verder aangeduid als ‘ [autobedrijf A] ’ en ‘ [persoon B] ’.

1. Het verloop van de procedure:

1.1.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  • -

    het verzoekschrift ex artikel 7:671b jo. 669 lid 3 sub g BW, met producties, ontvangen op de griffie op 4 januari 2022;

  • -

    de aanvullende producties van [autobedrijf A] , bij brief van 3 februari 2022;

  • -

    het verweerschrift ex artikel 7:671b jo. 669 BW, met een zelfstandig tegenverzoek ex artikel 282 Rv, met producties;

  • -

    de aanvullende producties van [persoon B] , bij brief van 14 februari 2022;

  • -

    de aanvullende producties van [autobedrijf A] , bij brief van 15 februari 2022;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 februari 2022, abusievelijk gedateerd op 17 februari 2021.

1.2.

De kantonrechter heeft bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

2. Het geschil

2.1.

[autobedrijf A] verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden met ingang van 1 juli 2022, op grond artikel 7:671b lid 1 sub a jo. 669 lid 3 sub g BW. Aan het verzoek heeft [autobedrijf A] ten grondslag gelegd dat sprake is van een zodanige verstoring van de arbeidsverhouding tussen partijen, dat van [autobedrijf A] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te laten duren, zonder dat aan [persoon B] hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Zij stelt verder dat herplaatsing van [persoon B] niet in de rede ligt.

2.2.

[persoon B] erkent dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en dat er geen mogelijkheden zijn voor herplaatsing. Hij heeft zich ten aanzien van het ontbindingsverzoek gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.

3. De beoordeling

3.1.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden opgezegd, als daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Die eisen gelden op grond van artikel 7:671b lid 2 BW ook voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter.

3.2.

Partijen zijn het er over eens dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding op grond waarvan van [autobedrijf A] niet kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst voort te laten duren, zonder dat [persoon B] hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Er is daarom sprake van een redelijke grond voor ontbinding, zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 1 sub a BW, in combinatie met artikel 7:669 lid 3 sub g BW. Partijen zijn het er ook over eens dat herplaatsing van [persoon B] in een andere passende functie niet in de rede ligt. In beginsel kan de kantonrechter daarom de arbeidsovereenkomst ontbinden, tenzij sprake is van een opzegverbod (artikel 7:671b lid 2 BW). In dat kader is het volgende van belang.

3.3.

[persoon B] is op dit moment al ruim twee jaar ziek, namelijk sinds 8 november 2019. De loondoorbetalingsverplichting van [autobedrijf A] , zoals bedoeld in artikel 7:629 BW, is echter nog niet geëindigd. Het UWV heeft namelijk een loonsanctie opgelegd aan [autobedrijf A] , op grond van artikel 25 Wet WIA. Dit betekent dat in beginsel sprake is van het opzegverbod tijdens ziekte, zoals bedoeld in artikel 7:670 lid 1 sub a jo. lid 11 sub c BW. Dit opzegverbod staat in dit geval echter niet in de weg aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Er is namelijk sprake van omstandigheden die van die aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen, zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 6 sub b BW. [persoon B] heeft namelijk tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat zijn gezondheidstoestand steeds verder is verslechterd als gevolg van de voortzetting van het dienstverband en dat het ook zijn verwachting is dat voortzetting in het vervolg een negatief effect zal hebben op zijn gezondheid en re-integratie. In die omstandigheid is [persoon B] naar het oordeel van de kantonrechter gebaat bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt daarom niet door het opzegverbod bij ziekte belet. Verder is niet gebleken dat sprake is van enig ander opzegverbod.

3.4.

Op grond van het voorgaande zal de kantonrechter de door [autobedrijf A] verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst toewijzen. Het einde van de arbeidsovereenkomst wordt daarbij, zoals door [autobedrijf A] verzocht, bepaald op 1 juli 2022.

3.5.

Het zelfstandige tegenverzoek van [persoon B] behoeft geen behandeling en beslissing meer, aangezien partijen op dit punt tijdens de zitting al overeenstemming hebben bereikt.

3.6.

Ook overigens hebben partijen overeenstemming bereikt over de financiële afwikkeling van het dienstverband, waaronder de transitievergoeding, zodat ook daarover niet meer afzonderlijk beslist hoeft te worden. De afspraken die partijen daarover hebben gemaakt zijn vastgelegd in het hiervoor genoemde proces-verbaal.

3.7.

Gelet op de aard van het geschil worden de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen.

4. De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2022;

verstaat dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de financiële afwikkeling van het dienstverband, zoals vastgelegd in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van
17 februari 2022, welk proces-verbaal abusievelijk is gedateerd op 17 februari 2021;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.

33394