Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:118

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-01-2022
Datum publicatie
13-01-2022
Zaaknummer
ROT 21/6368
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vovo, intrekking bijstand i.v.m. niet inleveren bankafschriften of bewijs van opheffing van de bankrekening. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 21/6368


uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 januari 2022 in de zaak tussen

[naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster

gemachtigde: mr. M. Raaijmakers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis, verweerder

gemachtigde: nog niet bekend.

Procesverloop

Met het besluit van 24 november 2021 heeft verweerder verzoeksters bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) ingetrokken per 28 juni 2021.

Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 januari 2022 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verzoekster ontving sinds 28 juni 2021 een bijstandsuitkering van verweerder. Bij haar aanvraag heeft zij verklaard niet te beschikken over een Nederlandse bankrekening en gebruik te maken van een prepaid BNG-pas. Verzoekster heeft verder verklaard dat zij geen Nederlandse bankrekening kan openen omdat zij op de EVA-lijst staat. Verweerder heeft op basis van door het UWV verstrekte informatie geconstateerd dat verzoekster mogelijk beschikt over een Duitse bankrekening. Bij brief van 30 september 2021 heeft verweerder verzoekster gevraagd een aantal stukken, waaronder bankafschriften van haar Duitse bankrekening of een bewijs van opheffing daarvan, voor 7 oktober 2021 in te leveren. Verzoekster heeft de gevraagde stukken niet ingeleverd, waarop verweerder het recht op bijstand per 1 oktober 2021heeft opgeschort. Daarbij heeft verweerder verzoekster gevraagd de stukken alsnog binnen zeven dagen in te leveren. Op dit verzoek heeft verzoekster niet gereageerd.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd. Verzoeksters recht op bijstand over de periode van 28 juni 2021 tot en met 30 september 2021 wordt ingetrokken omdat het recht op bijstand niet is vast te stellen als gevolg van een schending van de inlichtingenplicht. Per 1 oktober 2021 wordt verzoeksters recht op bijstand ingetrokken omdat zij niet binnen de daarvoor gestelde termijn de door verweerder gevraagde stukken heeft ingeleverd.

3. Verzoekster stelt dat zij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden en dat het recht op bijstand kan worden vastgesteld. Zij heeft geprobeerd de gevraagde stukken te krijgen, maar is hierin niet geslaagd. Daarnaast stelt verzoekster zich op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd is het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Verzoekster stelt verder dat sprake is van dringende redenen zodat verweerder op grond van artikel 16, van de Pw bijstand kan verlenen.

4. Op grond van vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, de Raad, van 26 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3293), staat in het kader van een op grond van artikel 54, vierde lid, van de Pw, genomen besluit uitsluitend ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. De verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

5. Verweerder heeft verzoekster verzocht bankafschriften in te leveren van haar bankrekening(en) met nummer DE8 1100 1100 1262 1079 297 over de periode van 28 maart 2021 tot en met oktober 2021, dan wel een bewijs van opheffing van deze rekening(en) te overleggen. Niet in geschil is dat verzoekster de door verweerder opgevraagde stukken niet binnen de in het opschortingsbesluit genoemde termijn heeft ingeleverd en dat deze gegevens van belang zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Ter beoordeling staat uitsluitend de vraag of verzoekster van het niet tijdig inleveren van de bankafschriften een verwijt kan worden gemaakt.

6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van het niet inleveren van de bankafschriften of een bewijs dat de bankrekening is opgeheven. Eiseres heeft de stelling dat zij geen contact kan opnemen met de bewuste bankinstelling N26 omdat haar rekening inmiddels is afgesloten, niet onderbouwd. De voorzieningenrechter heeft ter zitting geconstateerd dat op de website van N26 een aantal e-mailadressen is vermeld, zodat contact met deze bank mogelijk is. De voorzieningenrechter wijst verzoekster erop dat zij, zo nodig met hulp van een maatschappelijk werker, alsnog kan proberen langs deze weg de bankafschriften en/of het bewijs van opheffing op te vragen. Daarnaast is van belang dat verzoekster verweerder (met bewijsstukken) kan laten zien dat zij zich heeft ingespannen de gevraagde stukken alsnog te verkrijgen. Als dit verzoekster niet zou lukken, vraagt de voorzieningenrechter verweerder om met verzoekster mee te denken door bijvoorbeeld een afspraak bij hem op kantoor te maken zodat verzoekster daar op haar telefoon of een computer kan laten zien hoe ze contact zoekt (of probeert te zoeken) met N26 om bankafschriften en/of bewijs van opheffing van de bankrekening te krijgen.

7. Verzoeksters beroep op artikel 16, eerste lid, van de Pw, slaagt niet. Op grond van dit artikel kan bijstand worden verleend aan personen die niet behoren tot de kring van rechthebbenden als omschreven in paragraaf 2.2, indien daartoe zeer dringende redenen noodzaken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC7071). Verzoekster is niet uitgesloten van deze kring van rechthebbenden. Verzoeksters bijstandsuitkering is ingetrokken omdat zij de inlichtingenplicht heeft geschonden doordat zij heeft nagelaten voor de beoordeling van haar recht op bijstand benodigde stukken in te leveren. Op een dergelijke situatie ziet de uitzonderingsbepaling van artikel 16, eerste lid, van de Pw niet.

8. Verweerder heeft verzoekster twee keer de gelegenheid geboden de ontbrekende stukken in te leveren en heeft het bestreden besluit daarmee zorgvuldig voorbereid. Daarnaast blijkt uit het bestreden besluit op welke gronden de bijstandsuitkering van verzoekster wordt ingetrokken, zodat van strijd met het motiveringsbeginsel geen sprake is. Het bestreden besluit is ook niet strijdig met het evenredigheidsbeginsel. Hoewel de intrekking van de bijstand voor verzoekster aanzienlijke financiƫle consequenties heeft, mocht verweerder het belang dat hij heeft bij de rechtmatige verstrekking van bijstand laten prevaleren boven het belang van verzoekster bij voortzetting van haar bijstandsuitkering.

9. Verweerder was, gelet op het voorgaande, bevoegd om de bijstandsuitkering van verzoekster per 1 oktober 2021 op grond van artikel 54, vierde lid, van de Pw in te trekken. Niet gebleken is dat verweerder niet redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Voor wat betreft de intrekking van de bijstandsuitkering over de periode van 28 juni 2021 geldt dat verweerder hiertoe op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw gehouden was omdat eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door de gevraagde stukken niet in te leveren.

10. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in bezwaar stand zal kunnen houden.

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.E. Huis-Grondman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2022.

De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.