Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:111

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-01-2022
Datum publicatie
13-01-2022
Zaaknummer
619802 HA ZA 21-500
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Vordering nakoming vaststellingsovereenkomsten. Stellige ontkenning handtekening onder de vaststellingsovereenkomsten. Benoeming handtekeningdeskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

Zaaknummer / rolnummer: C/10/619802 HA ZA 21-500

Vonnis van 12 januari 2022

in de zaak van

[eiseres]

,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat: mr. J.M. Visser,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats]

gedaagde,

advocaat: mr. K. Beumer.

Partijen zullen hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd worden.

1. De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van [eiseres] van 31 mei 2021, met producties;

- de conclusie van antwoord van [gedaagde] , met producties;

- aanvullende producties van [eiseres] ;

- de e-mail van de rechtbank aan partijen van 15 november 2021;

- de akte uitlaten partijen alsmede houdende het overleggen aanvullende producties van [eiseres] ;

- de akte uitlaten partijen van [gedaagde] .

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 november 2021. Aan de zijde van [eiseres] is [persoon A] verschenen. [eiseres] werd bijgestaan door haar advocaat. [gedaagde] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Ter zitting heeft [gedaagde] een paraaf gezet op een vel papier. Dit vel papier is toegevoegd aan het dossier. Ter zitting hebben partijen de volgende stukken overgelegd die zijn toegevoegd aan het dossier:

- de originele vaststellingsovereenkomsten, van de zijde van [eiseres] ;

- een envelop met het handschrift van [gedaagde] , van de zijde van [eiseres] ;

- een schriftelijke verklaring van [persoon A] , die hij ter zitting heeft voorgelezen.

Ter zitting heeft de rechtbank bepaald dat partijen zich op 15 december 2021 per akte kunnen uitlaten over origineel referentiemateriaal en tevens dit referentiemateriaal kunnen deponeren bij de griffie van de rechtbank.

1.3

De uitspraak van het vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2. De feiten

2.1

[eiseres] heeft in de periode van september 2018 tot oktober 2019 de administratie verzorgd van vijf vennootschappen van [gedaagde] en zijn toenmalig compagnon [persoon B] . Deze vennootschappen zijn inmiddels opgeheven of gefailleerd. Het gaat om de volgende vennootschappen:

- [naam vennootschap 1] ;

- [naam vennootschap 2] ;

- [naam vennootschap 3] ;

- [naam vennootschap 4] ;

- [naam vennootschap 5] ;

[eiseres] heeft in dezelfde periode ook de administratie verzorgd van [naam holding] , een vennootschap van [gedaagde] . Op 14 januari 2020 is [naam holding] in staat van faillissement verklaard. [eiseres] heeft daarnaast in dezelfde periode de administratie verzorgd van [naam vennootschap 6] , een vennootschap van [persoon B] .

2.2

[eiseres] heeft twee documenten overgelegd met het opschrift ‘VASTSTELLINGSOVEREENKOMST’ (hierna: de vaststellingsovereenkomsten). Het eerste document is gedateerd op 20 september 2019, het tweede op 11 oktober 2019. [eiseres] , [gedaagde] en de zeven hierboven genoemde vennootschappen, vertegenwoordigd door [gedaagde] worden in de aanhef van deze stukken genoemd als ondergetekenden. Op drie plaatsen op de vaststellingsovereenkomsten staat ‘De heer [gedaagde] ’, waarboven een handtekening is geplaatst.

2.3

[gedaagde] heeft op 25 juni 2021 aangifte gedaan van valsheid in geschrifte ten aanzien van de handtekeningen op de vaststellingsovereenkomsten.

2.4

Partijen hebben e-mailwisseling tussen hen beiden overgelegd. De inhoud daarvan wordt, voor zover relevant, hieronder opgenomen.

In zijn e-mail van 31 januari 2020 schrijft [gedaagde] aan [eiseres] :

“Heren,

(…)

Ik heb getekend dat alles betaald word. (…)”

In zijn e-mail van 25 februari 2020 schrijft [persoon C] (hierna: [persoon C] ) namens [eiseres] aan [gedaagde] :

“Beste [voornaam gedaagde] ,

Ik mail je even omdat ik begrijp dat er sinds december geen bedragen meer zijn overgemaakt naar onze rekening; ondanks de afspraak. Daarnaast reageer je niet op herhaaldelijke contactverzoeken van [voornaam persoon D] . Ook de actie om zonder enige vorm van contact de holding – waar ook nog een bedrag (bovenop de vaststellingsovereenkomst open staat van € 6.000) failliet laat verklaren – vind ik niet in lijn met wat er is afgesproken; elkaar informeren. Ook met [voornaam persoon E] (debiteurenbeheer) wordt niet gecommuniceerd. Ik weet dan ook niet wat ik hier mee aan moet.
Dan wordt het wel erg lastig om een goed gevoel te blijven houden. Daarnaast vind ik de toon in je mails ook niet echt opbouwend.

Ik beperk me tot de feiten.

  • -

    Graag de betaling van januari en februari alsnog uitvoeren (€ 2.000);

  • -

    Graag je akkoord voor het opnemen van de aanvullende openstaande posten ad € 6.000 op de bestaande vaststellingsovereenkomst;

Ik hoor graag van je.”

In zijn e-mail van 26 februari 2020 schrijft [gedaagde] aan [eiseres] :

“Je gaat er van uit dat we het onderling niet kunnen regelen schrijf je?

Vreemd!

Ik regel het WEL!”

In zijn e-mail van 26 februari 2020 schrijft [persoon C] namens [eiseres] aan [gedaagde] :

[voornaam gedaagde] ,
Dat was inderdaad een onderdeeltje van de mail…
Fijn om te horen dat je het WEL regelt. Mag ik dan verachten dat de betalingsregeling die we hebben afgesproken na wordt gekomen?

Uiteraard sta ik er altijd nog voor open om met je in gesprek te gaan.”

In zijn e-mail van 12 maart 2020 schrijft [persoon C] namens [eiseres] aan [gedaagde] :

“Goedemiddag [voornaam gedaagde] ,

Na 26 februari is het stil gebleven. Je gaf aan dat je het WEL regelt. Ik hoor graag deze week hoe. Ik zie namelijk nog geen betaling op de afgesproken betalingsregeling, daarentegen hoor ik ook helemaal niets.”

Op 13 maart 2020 volgt hierop een reactie van [gedaagde] :

Dag [voornaam persoon C] ,

(…) 26 februari schreef je me het bericht dat we onze betalingsregeling moeten nakomen. Echter deze is nog niet van kracht omdat [voornaam persoon B] nog steeds niet bereid is mee te tekenen. Dat ik het WEL regelt doelt op het feit dat ik achter [voornaam persoon B] aan zit om mee te tekenen. (…)
Ik heb de overeenkomst, zoals [persoon A] deze met mij en [persoon F] heeft besproken aan [voornaam persoon B] voorgelegd om deze samen te ondertekenen.
[voornaam persoon B] tekent niet. Als [voornaam persoon B] niet tekent, kan ik ook niet tekenen omdat we alleen samen tekenbevoegd zijn voor dergelijke bedragen. Ik kan en mag daarom niet zelfstandig tekenen voor de schulden van onze BV’s aan [eiseres] , hoe vervelend dit ook is voor jullie. Ik ben bereid met jullie een overeenkomst op te stellen voor mijn persoonlijke BV [naam holding] .

Ik heb zoals beloofd in mijn email van gisteren geprobeerd het nogmaals te regelen, maar [voornaam persoon B] tekent niet mee voor de schulden van de BV.

Dan is er nog het feit dat wanneer ik een overeenkomst zou ondertekenen, ik [eiseres] als schuldeiser een voordeel zou geven, dat in het faillissementsrecht strafbaar gesteld is.

Ik kan en zal daarom geen enkele verbintenis aangaan voor de totale openstaande schulden.

Omdat mijn Eigen BV niet failliet dreigt te gaan kunnen we wel hierover een afspraak maken.

Je zult begrijpen dat ik privé, nimmer zal tekenen voor schulden uit mijn persoonlijke BV of de onderliggende BV’s

Ook geef ik nogmaals aan dat de totale som, inclusief het BTW bedrag is, welke [eiseres] kan terug vorderen bij een faillissement.

Ik verneem graag hoe we afspraken kunnen maken over DFT.”

3. Het geschil

3.1

[eiseres] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld bij vonnis, indien mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot:

primair

- nakoming van zijn betalingsverplichting jegens [eiseres] uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst met aanhangsel d.d. 11 oktober 2019, althans om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag ad € 50.642,33 aan hoofdsom, zulks te vermeerderen met een bedrag ad € 5.059,25 aan contractuele rente ad 6% over de periode van 11 oktober 2019 tot en met 12 mei 2021 en een bedrag ad € 1.281,42 aan buitengerechtelijke kosten, derhalve in totaal een bedrag € 56.983,00, zulks te vermeerderen met de contractuele rente ad 6% vanaf 13 mei 2021 althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, althans enig bedrag in goede justitie te bepalen;

subsidiair

- nakoming van zijn betalingsverplichting jegens [eiseres] uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst met aanhangsel d.d. 20 september 2019, althans om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag ad € 44.015,09 aan hoofdsom, zulks te vermeerderen met een bedrag ad € 4.435,52 aan contractuele rente ad 6% over de periode van 20 september 2019 tot en met 12 mi 2021 en een bedrag ad € 1.215,15 aan buitengerechtelijke kosten, derhalve in totaal een bedrag € 49.665,76, zulks te vermeerderen met de contractuele rente ad 6% vanaf 13 mei 2021 althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, althans enig bedrag in goede justitie te bepalen;

primair en subsidiair

- betaling van de kosten van deze procedure;

- betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 163,00 aan nasalaris van de advocaat in geval van niet-betekening van het vonnis en een bedrag van € 248,00 aan nasalaris van de advocaat in geval van betekening van het vonnis, alle kosten te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf 2 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis tot de dag van algehele voldoening.

3.2

[eiseres] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. [eiseres] en [gedaagde] hebben vaststellingsovereenkomsten gesloten op 20 september 2019 en op 11 oktober 2019. [eiseres] vordert nakoming van de betalingsverplichting die is vastgelegd in de vaststellingsovereenkomsten.

3.3

[gedaagde] betwist dat de handtekeningen op de vaststellingsovereenkomst van 20 september 2019, het aanhangsel bij de vaststellingsovereenkomst van 20 september 2019 en het aanhangsel bij de vaststellingsovereenkomst van 11 oktober 2019 van hem zijn.

4. De beoordeling

Deskundigenbericht

4.1

De vaststellingsovereenkomsten van 20 september 2019 en 11 oktober 2019 zijn aan te merken als onderhandse akten in de zin van artikel 156 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Artikel 157 Rv bepaalt dat een onderhandse akte in beginsel dwingend bewijs oplevert van wat partijen daarin verklaren. Wanneer de partij tegen wie de akte wordt ingeroepen stellig ontkent dat hij de onderhandse akte heeft ondertekend, levert deze akte geen bewijs op zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is, aldus artikel 159 lid 2 Rv.

4.2

Aangezien [gedaagde] stellig ontkent dat de handtekeningen op de vaststellingsovereenkomst van 20 september 2019, het aanhangsel bij de vaststellingsovereenkomst van 20 september 2019 en het aanhangsel bij de vaststellingsovereenkomst van 11 oktober 2019 van hem zijn, leveren deze akten vooralsnog geen bewijs op. Om deze reden, mede gelet op het ontbreken van overig bewijs, kan vooralsnog niet worden geoordeeld dat [gedaagde] de overeenkomsten is aangegaan. Ter zitting is met partijen besproken dat een deskundigenbericht van een handschriftdeskundige in de rede ligt. Partijen zijn hiermee akkoord gegaan. Met partijen is ook de vraagstelling aan de deskundige besproken.

4.3

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank een deskundigenbericht gelasten ter beantwoording van de volgende vragen:

  1. Kunt u vaststellen of en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid, de handtekening op pagina 3 van de vaststellingsovereenkomst van 20 september 2019 boven “De heer [gedaagde] ” een authentieke handtekening is van [gedaagde] ?

  2. Kunt u vaststellen of en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid, de handtekening op het aanhangsel bij de vaststellingsovereenkomst van 20 september 2019 (pagina 4 van de vaststellingsovereenkomst) boven “De heer [gedaagde] ” een authentieke handtekening is van [gedaagde] ?

  3. Kunt u vaststellen of en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid, de handtekening op het aanhangsel bij de vaststellingsovereenkomst van 11 oktober 2019 (pagina 4 van de vaststellingsovereenkomst) boven “De heer [gedaagde] ” een authentieke handtekening is van [gedaagde] ?

  4. Kunt u uiteenzetten hoe u tot uw antwoord op de vragen 1, 2 en 3 bent gekomen en welk referentiemateriaal u hierbij heeft gebruikt?

  5. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?


Persoon van de deskundige

4.4

Voorafgaand aan de zitting heeft de rechtbank partijen per e-mail aangegeven dat zij ter zitting de benoeming van een deskundige zou bespreken en dat zij hierbij denkt aan het benoemen van de heer drs. [naam deskundige] , handelend onder de naam [handelsnaam] ( [afkorting handelsnaam] ) (hierna: [naam deskundige] ) als deskundige. Partijen zijn ter zitting in de gelegenheid gesteld zich over de voorgestelde deskundige uit te laten. Partijen zijn met de betreffende deskundige akkoord gegaan.

Voorschot

4.5

De rechtbank heeft [naam deskundige] benaderd met de vraag of hij in staat en bereid zou zijn om tot deskundige te worden benoemd. [naam deskundige] heeft de rechtbank laten weten dat hij bereid en in staat is om als deskundige in de onderhavige zaak op te treden. [naam deskundige] heeft geen banden met partijen. Hij verwacht dat het onderzoek maximaal 21 uur in beslag zal nemen. Gelet op zijn uurtarief van € 100,- exclusief btw zal het voorschotbedrag € 2.100,- exclusief btw (€ 2.541,- inclusief btw) bedragen.

4.6

De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen om desgewenst binnen twee weken na dit vonnis per e-mail bij de griffier van deze rechtbank bezwaar te maken tegen deze begroting. Dit kan via het e-mailadres d.de.groot-magnin@rechtspraak.nl . Indien niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag van € 2.541,- inclusief btw (€ 2.100,- exclusief btw). Indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing.

4.7

[gedaagde] is in de verschillende e-mails die partijen hebben overgelegd op zijn minst onduidelijk over het al dan niet tekenen van de vaststellingsovereenkomst(en). Op 31 januari 2020 schrijft [gedaagde] dat hij zou hebben getekend dat alles betaald wordt. Wat [gedaagde] met zijn uitspraak bedoelde heeft hij ter zitting onvoldoende uitgelegd. Vast staat dat op dat moment [naam holding] al in staat van faillissement was verklaard. Daar komt bij dat [eiseres] in de e-mail van 25 februari 2020 expliciet spreekt over het bestaan van een vaststellingsovereenkomst. Pas op 13 maart 2020 – nadat er over en weer nog meerdere e-mails zijn gestuurd – ontkent [gedaagde] stellig dat hij de vaststellingsovereenkomst(en) heeft getekend.

Gelet op deze omstandigheden van het geding zal [gedaagde] , in afwijking van de hoofdregel van artikel 195 Rv, het voorschot op de kosten van de deskundige moeten betalen.

Referentiemateriaal
4.8 In zijn e-mail van 10 december 2021 geeft de deskundige het volgende aan:

“Om te kunnen onderzoeken of de betwiste handtekeningen voor de heer [gedaagde] op de in het geding zijnde overeenkomsten al dan niet door gedaagde zijn geplaatst, heb ik - afgezien van het origineel van deze overeenkomsten - ook een aantal onbetwiste en op verschillende data door gedaagde geplaatste referentiehandtekeningen nodig, waaronder ten minste enkele uit dezelfde periode als waarin de in het geding zijnde overeenkomsten zouden zijn getekend (2019 en voorafgaande jaren). Ook van het referentiemateriaal heb ik ten minste enkele originelen nodig. Kopieën kunnen hierop een waardevolle aanvulling vormen, mits deze van goede kwaliteit zijn.”

4.9

Ter zitting heeft [eiseres] de originele vaststellingsovereenkomsten inclusief aanhangsels overgelegd. De rechtbank zal deze stukken ter beschikking stellen aan de deskundige.

Ter zitting is gesproken over verschillende andere documenten die als referentiemateriaal zouden kunnen dienen. Beide partijen hebben een aantal kopieën van stukken met handtekeningen in het geding gebracht als producties. Van de volgende stukken heeft [gedaagde] ter zitting zonder voorbehoud erkend dat hierop zijn handtekening staat:

  • -

    productie 1b van de zijde van [gedaagde] ;

  • -

    productie 3 van de zijde van [gedaagde] ;

  • -

    productie 13 van de zijde van [eiseres] .

Van de volgende stukken heeft [gedaagde] ter zitting verklaard dat de handtekeningen die daarop staan zijn handtekening zouden kunnen zijn:

  • -

    productie 9 van de zijde van [eiseres] ;

  • -

    productie 10 van de zijde van [eiseres] , waar [gedaagde] bij de tweede handtekening heeft opgemerkt dat deze mogelijk digitaal is gezet en bij zowel de tweede als de derde handtekening heeft opgemerkt dat deze lijkt af te wijken van de eerste handtekening op deze productie;

  • -

    productie 11 aan de zijde van [eiseres] ;

  • -

    productie 14 aan de zijde van [eiseres] ;

  • -

    productie 15 aan de zijde van [eiseres] ;

  • -

    productie 16 aan de zijde van [eiseres] ;

Gelet op het feit dat de deskundige aangeeft dat kopieën een waardevolle aanvulling kunnen vormen op het onderzoek, zal de rechtbank de bovengenoemde stukken ook aan de deskundige ter beschikking stellen.

4.10

Partijen hebben op 15 december 2021 akten ingediend over origineel referentiemateriaal. Uit deze akten blijkt dat originele stukken met referentiehandtekeningen zich bevinden bij mr. [naam curator]1, de curator van (onder meer) [naam holding] [gedaagde] erkent dat de handtekeningen op deze stukken van hem zijn. De curator heeft zich bereid verklaard om de aangetroffen stukken af te geven dan wel ter hand te stellen aan de deskundige. De rechtbank verzoekt de curator de originele stukken ter hand te stellen aan de deskundige, zodra deze hierom verzoekt.

Bij de curator bevinden zich eveneens kopieën van stukken waarop de handtekening van [gedaagde] is geplaatst. Gelet op het feit dat de deskundige aangeeft dat kopieën een waardevolle aanvulling kunnen vormen, verzoekt de rechtbank dat de curator ook deze stukken ter hand stelt aan de deskundige, zodra deze hierom verzoekt.

Schuldigerkenning

4.11

De rechtbank merkt tot slot op dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling schuldig heeft erkend het op pagina 2 van productie 2 bij de dagvaarding vermelde bedrag van € 7.349,16.

4.12

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

  1. Kunt u vaststellen of en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid, de handtekening op pagina 3 van de vaststellingsovereenkomst van 20 september 2019 boven “De heer [gedaagde] ” een authentieke handtekening is van [gedaagde] ?

  2. Kunt u vaststellen of en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid, de handtekening op het aanhangsel bij de vaststellingsovereenkomst van 20 september 2019 (pagina 4 van de vaststellingsovereenkomst) boven “De heer [gedaagde] ” een authentieke handtekening is van [gedaagde] ?

  3. Kunt u vaststellen of en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid, de handtekening op het aanhangsel bij de vaststellingsovereenkomst van 11 oktober 2019 (pagina 4 van de vaststellingsovereenkomst) boven “De heer [gedaagde] ” een authentieke handtekening is van [gedaagde] ?

  4. Kunt u uiteenzetten hoe u tot uw antwoord op de vragen 1, 2 en 3 bent gekomen en welk referentiemateriaal u hierbij heeft gebruikt?

  5. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

5.2

benoemt tot deskundige:

de heer drs. [naam deskundige] , h.o.d.n. [handelsnaam] ,

Postbus [postbusnummer 1] , 1070 EA Amsterdam,

e-mail: [e-mailadres 1]

het voorschot

5.3

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van € 2.541,- inclusief btw, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij e-mail aan de griffier van deze rechtbank, mr. D. de Groot-Magnin (d.de.groot-magnin@rechtspraak.nl) met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij e-mail aan de griffier van deze rechtbank met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval de rechtbank op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

5.4

bepaalt dat [gedaagde] het voorschot dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak;

5.5

draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot;

het onderzoek

5.6

draagt de griffier op om de volgende stukken aan de deskundige te doen toekomen:

  1. De originele vaststellingsovereenkomst van 20 september 2019 met aanhangsel;

  2. De originele vaststellingsovereenkomst van 11 oktober 2019 met aanhangsel;

  3. productie 1b van de zijde van [gedaagde] ;

  4. productie 3 van de zijde van [gedaagde] ;

  5. productie 13 van de zijde van [eiseres] ;

  6. productie 9 van de zijde van [eiseres] ;

  7. productie 10 van de zijde van [eiseres] ;

  8. productie 11 aan de zijde van [eiseres] ;

  9. productie 14 aan de zijde van [eiseres] ;

  10. productie 15 aan de zijde van [eiseres] ;

  11. productie 16 aan de zijde van [eiseres] .

5.7

bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats;

5.8

wijst de deskundige er op dat:

  • -

    de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie);

  • -

    de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen;

  • -

    de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn;

5.9

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek;

het schriftelijk rapport

5.10

draagt de deskundige op om uiterlijk vier maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie;

5.11

wijst de deskundige er op dat uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken en/of eigen onderzoek het oordeel van de deskundige is gebaseerd;

5.12

bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren;

overige bepalingen

5.13

bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van woensdag 8 juni 2022;

5.14

draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen:

  • -

    indien het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen aan beide zijden op een termijn van twee weken of

  • -

    na ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht: voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van [eiseres] op een termijn van vier weken;

5.15

verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad;

5.16

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters. Het is ondertekend door de rolrechter en door deze uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2022.

3426

1 Contactgegevens: dhr. mr. [naam curator] , e-mailadres: [e-mailadres 2], correspondentieadres: Postbus [postbusnummer 2] , 3006AH ROTTERDAM.