Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2022:10066

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-11-2022
Datum publicatie
22-11-2022
Zaaknummer
10/045177-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich ten aanzien van de drie aangevers, die als werknemer werkzaam waren in zijn bedrijf, schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Het grensoverschrijdend gedrag van de verdachte vond plaats gedurende een periode van meerdere jaren. De verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn positie als werkgever en hij heeft het vertrouwen dat aangevers in hun werkgever zouden moeten kunnen hebben op ernstige wijze geschaad.

Taakstraf van 50 uur subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis en gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/045177-21

Datum uitspraak: 17 november 2022

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte01] ,

geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1949,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres01] [postcode01] [plaats01] ,

raadsman mr. J.C. Spigt, advocaat te Capelle aan den IJssel.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 3 november 2022.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J.B. Wooldrik heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

Het verwijt en het beschikbare bewijsmateriaal

De verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat hij drie mannen, de aangevers, heeft aangerand en dat hij daarbij misbruik heeft gemaakt van zijn positie als directeur van het bedrijf waar de aangevers werkzaam waren. De aanranding zou, voor zover hier van belang, hebben bestaan uit het onverhoeds knuffelen en zoenen en uit het onverhoeds betasten van buik, rug en billen en in het kruis grijpen. Van een van de mannen zou hij ook de broek naar beneden hebben getrokken en hij zou hem daarna hebben gepijpt.

De aanrandingen door de verdachte zouden over een lange periode hebben plaatsgevonden van respectievelijk acht, zes en twee jaar. Op een na, waarover later meer, zouden alle aanrandingen hebben plaatsgevonden in het bedrijf waar de verdachte directeur was en de aangevers en getuigen medewerkers.

Het beschikbare belastende bewijsmateriaal bestaat uit de aangiften en (latere) verklaringen van de aangevers en verklaringen van een aantal getuigen. Anders dan door de ontkenning van de verdachte worden die verklaringen niet rechtstreeks tegengesproken.

Wel zijn de belastende verklaringen op bepaalde punten inconsistent, bijvoorbeeld over het aantal keren dat de verdachte een aangever in zijn kruis heeft gegrepen. Verder wijken de belastende verklaringen onderling op onderdelen van elkaar af. De belastende verklaringen zijn verder veelal algemeen van aard omdat de aangevers en de getuigen vaak niet meer weten wanneer bepaalde voorvallen hebben plaatsgevonden.

Uit het bewijsstelsel als omschreven in de artikelen 338 en verder van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) vloeit voort dat de tenlastelegging, met uitzondering van het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar, slechts kan worden bewezen verklaard als het bewijs uit meer dan een bewijsmiddel voortvloeit, waarbij het om verschillende bronnen dient te gaan. Deze zogenoemde eis van dubbele bevestiging betreft echter alleen de tenlastelegging in zijn geheel. Indien het bewijs van een onderdeel van de tenlastelegging voortvloeit uit twee unieke bronnen, dan kan de tenlastelegging in zijn geheel worden bewezenverklaard, ook als de bewezenverklaring van de overige onderdelen slechts uit een bewijsmiddel voortvloeit. Daarbij past wel grote terughoudendheid, in het bijzonder wanneer het constitutieve onderdelen betreft, dat wil zeggen die onderdelen die de strafbaarheid bepalen.

De rechtbank is, alles afwegende en mede gelet op de beperkingen in de verklaringen zoals hierboven beschreven, van oordeel dat die onderdelen van de tenlastelegging die op zichzelf een aanranding beschrijven en derhalve steeds constitutief zijn, alleen kunnen worden bewezen verklaard voor zover het bewijs voortvloeit uit meer dan een unieke bron, dus: verklaringen van minimaal twee verschillende aangevers of getuigen. Met inachtneming van dat uitgangspunt komt de rechtbank tot de onderstaande bewezenverklaringen.

Bewezenverklaring

Kort samengevat wordt van de tenlastegelegde feiten 1 tot en met 3 bewezenverklaard dat de verdachte de aangevers onverhoeds en met misbruik van zijn positie als directeur heeft geknuffeld, gekust en betast.

De rechtbank merkt in dit verband op dat de tenlastelegging is opgebouwd uit twee delen. In het eerste deel staan handelingen van seksuele aard beschreven, meestal met de toevoeging dat deze onverhoeds hebben plaatsgevonden en in het tweede deel handelingen die een nadere omschrijving beogen te zijn van, kort gezegd, dwingen met een feitelijkheid. Deze tenlastelegging is in zoverre onevenwichtig, dat het onverhoeds verrichten van een seksuele handelingen naar vaste rechtspraak ook dwingen met een feitelijkheid is. De verdediging heeft daarover echter geen verweer gevoerd en de tenlastelegging is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk. De rechtbank zal het onderdeel “onverhoeds” lezen als een nadere feitelijke omschrijving van dwingen met een feitelijkheid.

Partiële vrijspraak feit 1

De aangever [slachtoffer01] heeft verklaard dat de verdachte hem in zijn woning heeft gepijpt nadat zij samen een parasol in de auto van de verdachte hadden gelegd. De verdachte heeft verklaard dat de aangever [slachtoffer01] inderdaad bij hem thuis is geweest om te helpen om een parasol te dragen maar dat er verder niets is gebeurd. Ten laste is gelegd dat de verdachte de aangever [slachtoffer01] “in zijn woning (…) heeft gepijpt”. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van dit onderdeel. Het constitutieve onderdeel is het pijpen van de aangever [slachtoffer01] door de verdachte en bewijs voor dit onderdeel vloeit alleen voort uit de verklaring van de aangever [slachtoffer01] . Hoewel laatstgenoemde in zijn aangifte spontaan details heeft opgenomen die de geloofwaardigheid van zijn verklaring ten goede komen, zoals hoe de verdachte een stoel heeft gepakt om op te zitten voordat hij de penis van de aangever [slachtoffer01] in zijn mond nam, zal de rechtbank na ampel beraad toch vrijspreken van dit onderdeel, nu niet wordt voldaan aan het hierboven beschreven bewijsminimum.

4.1.1.

Conclusie

Met inachtneming van het voorgaande acht de rechtbank het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.
hij in de periode van 1 december 2018 tot en met
24 juni 2020, te Bleiswijk, gemeente Lansingerland,


door een andere feitelijkheid ,

[slachtoffer01] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten het

- knuffelen van die [slachtoffer01] en daarbij onverhoeds kussen in en likken van de nek van die [slachtoffer01] en
- het onverhoeds betasten en/of aanraken van de rug en
- het onverhoeds leggen van zijn, verdachtes, hand op/tegen het geslachtsdeel van die [slachtoffer01]
en bestaande die andere feitelijkheid uit

-
het misbruik maken van zijn, verdachtes, overwicht en/of de feitelijke machtsverhouding vanwege zijn, verdachtes, positie als werkgever/baas van die [slachtoffer01] 2.
hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 6 juli 2020, te Bleiswijk, gemeente Lansingerland, door een andere feitelijkheid ,

[slachtoffer02] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handeling, te weten het

-
het onverhoeds betasten en/of aanraken van de buik van die [slachtoffer02]

en bestaande die andere feitelijkheid uit

-
het misbruik maken van zijn, verdachtes, overwicht en/of de feitelijke machtsverhouding vanwege zijn, verdachtes, positie als werkgever/baas van die [slachtoffer02] 3.

hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met
8 oktober 2020, te Bleiswijk, gemeente Lansingerland,

door een andere feitelijkheid ,

[slachtoffer03] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het

-
knuffelen van die [slachtoffer03] en daarbij- onverhoeds op de mond zoenen van die [slachtoffer03] en- het onverhoeds betasten en/of aanraken en/of strelen van de billen en rug en het geslachtsdeel van die [slachtoffer03] ,

en bestaande die andere feitelijkheid en uit
- het misbruik maken van zijn, verdachtes, overwicht en/of de feitelijke machtsverhouding vanwege zijn, verdachtes, positie als werkgever/baas bij [bedrijf01]

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De onder 1, 2 en 3 bewezen feiten leveren op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd .

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich ten aanzien van de drie aangevers, die als werknemer werkzaam waren in zijn bedrijf, schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Het grensoverschrijdend gedrag van de verdachte vond plaats gedurende een periode van meerdere jaren. De verdachte is volgens eigen zeggen “een fysiek persoon” die graag zijn waardering toont naar bepaalde werknemers door hen een knuffel te geven. Na verloop van tijd vonden er naast het knuffelen echter ook handelingen plaats die, gelet op bovenstaande bewezenverklaring en kwalificatie, als strafbare ontuchtige handelingen gelden. De verdachte dwong aangevers tot het ondergaan van handelingen zoals het onverhoeds zoenen, betasten van rug, billen en/of buik en het betasten van het geslachtsdeel. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan aanranding van de drie aangevers. Hij heeft daarbij het maatschappelijk betamelijke overschreden en blijk gegeven van een gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit van aangevers. De verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn positie als werkgever en hij heeft het vertrouwen dat aangevers in hun werkgever zouden moeten kunnen hebben op ernstige wijze geschaad.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 mei 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd

24 augustus 2021. De reclassering concludeert dat zij geen rol voor zichzelf ziet weggelegd, nu zij geen risicofactoren heeft kunnen ontdekken waarop behandeling en/of begeleiding dient te worden ingezet.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Bij het bepalen van de soort straf en de hoogte ervan heeft de rechtbank gekeken naar wat in het verleden in vergelijkbare zaken is opgelegd. Nu de rechtbank minder bewezen verklaart dan de officier van justitie bewezen acht, zal een lagere straf worden opgelegd dan door de officier van justitie is geëist. Alles afwegend wordt een taakstraf van na te noemen duur passend en geboden geacht.

8. Vorderingen benadeelde partijen/schadevergoedingsmaatregelen

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer02] ter zake van onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 3.500,- aan immateriële schade.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer03] , ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 10.601,85 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van beide vorderingen, met dien verstande dat [slachtoffer02] ten aanzien van de vordering van de materiële schade op de eigen bijdrage na niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.

Beoordeling

benadeelde partij [slachtoffer02]

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 100,-.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering thans ontbreken. Nader onderzoek naar de gegrondheid van de vordering en de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van het resterende deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 6 juli 2020.

benadeelde partij [slachtoffer03]

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 750,-.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering thans ontbreken. Nader onderzoek naar de gegrondheid van de vordering en de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van het resterende deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 8 oktober 2020.

8.1.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [slachtoffer02] een schadevergoeding betalen van € 100,- vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De verdachte moet de benadeelde partij [slachtoffer03] een schadevergoeding betalen van

€ 750,- vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren , waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 48 (achtenveertig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 24 dagen ;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer02] , te betalen een bedrag van € 100,- (zegge: honderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 6 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [slachtoffer02] te betalen € 100,-- (hoofdsom, zegge: honderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 100,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 2 dagen ; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer03] , te betalen een bedrag van € 750,- (zegge: zevenhonderdvijftig euro) , bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf

8 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [slachtoffer03] te betalen € 750,-- (hoofdsom, zegge: zevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 750,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 15 dagen ; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. A. Bonder en J. van de Klashorst, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.G. Kuijs, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat het vonnis te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 2018 tot en met
24 juni 2020, te Bleiswijk, gemeente Lansingerland,


door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid,

[slachtoffer01] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het

- knuffelen van die [slachtoffer01] en/of (daarbij) onverhoeds kussen in en/of likken van de nek van die [slachtoffer01] en/of
- het onverhoeds betasten en/of aanraken en/of strelen van en/of over de borsten en/of tepels en/of billen en/of buik en/of rug en/of kuiten en/of
- het onverhoeds leggen van zijn, verdachtes, hand op/tegen het geslachtsdeel van die [slachtoffer01] en/of tikken op en/of kietelen van het geslachtsdeel van die [slachtoffer01] en/of
- met die [slachtoffer01] mee gaan naar het toilet en/of aldaar het geslachtsdeel van die [slachtoffer01] aan te tikken en/of aan te raken en/of
- onverhoeds in de woning van verdachte naar beneden trekken van de broek van die [slachtoffer01] en/of vervolgens het pijpen van die [slachtoffer01] ,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit

-
het misbruik maken van zijn, verdachtes, overwicht en/of de feitelijke machtsverhouding vanwege zijn, verdachtes, positie als werkgever/baas van die [slachtoffer01] en/of
- het creëren van een bedrijfscultuur waarbij een of meer werknemers dagelijks door verdachte werden geknuffeld/omhelsd en/of
- het verhogen van het salaris van die [slachtoffer01] en/of daarmee creëren van een afhankelijkheidsrelatie ten opzichte van verdachte en/of het bedrijf en/of
- het schelden en/of kleineren van en/of ruzie maken met die [slachtoffer01] wanneer niet aan zijn, verdachtes, wensen werd voldaan en/of
- het zeggen dat er niet over gepraat mag worden en/of
- het voorbijgaan aan de verbale en/of non-verbale signalen en/of fysieke handelingen van protest/weerstand en/of aan de waarschuwing van die Clemens, die tegen verdachte heeft gezegd dat hij hetgeen hij, verdachte, deed ongewenst was;

2.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 6 juli 2020, te Bleiswijk, gemeente Lansingerland,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid,

[slachtoffer02] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het

-
knuffelen van die [slachtoffer02] en/of (daarbij) onverhoeds kussen in de nek, althans achter het oor, van die [slachtoffer02] en/of
- het onverhoeds betasten en/of aanraken en/of strelen van de buik van die [slachtoffer02] en/of
- onverhoeds proberen op de mond te zoenen van die [slachtoffer02] en/of
- onverhoeds proberen die [slachtoffer02] bij zijn geslachtsdeel aan te raken en/of te pakken,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit

-
het misbruik maken van zijn, verdachtes, overwicht en/of de feitelijke machtsverhouding vanwege zijn, verdachtes, positie als werkgever/baas van die [slachtoffer02] en/of
- het creëren van een bedrijfscultuur waarbij een of meer werknemers dagelijks door verdachte werden geknuffeld/omhelsd en/of
- het schelden op en/of kleineren van en/of ruzie maken met die [slachtoffer02] en/of dreigen met ontslag wanneer niet aan zijn, verdachtes, wensen werd voldaan en/of
- het voorbijgaan aan de verbale en/of non-verbale signalen en/of fysieke handelingen van protest/weerstand van die [slachtoffer02] ;

3.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2012 tot en met
8 oktober 2020, te Bleiswijk, gemeente Lansingerland,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere
feitelijkheid,

[slachtoffer03] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het

-
knuffelen van die [slachtoffer03] en/of (daarbij)
- onverhoeds op de mond zoenen van en/of tongzoenen met die [slachtoffer03] en/of
- onverhoeds likken in de nek, althans achter het oor van die [slachtoffer03] en/of
- het onverhoeds betasten en/of aanraken en/of strelen van en/of over de billen en/of buik en/of rug en/of het geslachtsdeel van die [slachtoffer03] ,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit
- het misbruik maken van zijn, verdachtes, overwicht en/of de feitelijke machtsverhouding vanwege zijn, verdachtes, positie als werkgever/baas bij [bedrijf01] en/of
- het creëren van een bedrijfscultuur waarbij een of meer werknemers dagelijks door verdachte werden geknuffeld/omhelsd en/of
- het schelden op en/of kleineren van en/of ruzie maken met die [slachtoffer03] wanneer niet aan zijn, verdachtes, wensen werd voldaan en/of
- het voorbijgaan aan de verbale en/of non-verbale signalen en/of fysieke handelingen van protest/weerstand en/of aan de waarschuwing van die [slachtoffer03] ;