Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:9916

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
11-10-2021
Zaaknummer
10/101973-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Vrijspraak op vordering van de officier van justitie na wijzigingen in processen-verbaal door buitengewone opsporingsambtenaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/101973-20

Proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Rotterdam op 22 juni 2021.

Tegenwoordig als:

politierechter mr. J.L.M. Boek.,

officier van justitie mr. A.H.A. de Bruijne

griffier mr. P.E. van Tongeren.

De zaak tegen na te noemen verdachte wordt uitgeroepen.

De verdachte, op de terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de politierechter te zijn genaamd

[naam verdachte] ,

geboren te Curaçao op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] .

De politierechter heeft door deze ondervraging de identiteit van de verdachte vastgesteld.

Als raadsman van de verdachte is aanwezig mr. C.Y. Kekik, advocaat te Rotterdam.

De politierechter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden is verplicht.

De politierechter hervat het onderzoek na de schorsing op de terechtzitting van 10 juli 2020. Omdat een andere politierechter zitting houdt, wordt het onderzoek opnieuw aangevangen.

De officier van justitie draagt de zaak voor.

De politierechter deelt mondeling mede de korte inhoud van de stukken van het voorbereidend onderzoek en alle overige stukken van onderzoek, voor zover van belang met het oog op enige door de politierechter te nemen beslissing.

De verdachte verklaart:

U houdt mij de ten laste feiten voor. Ik was niet boos toen mijn vriend [naam vriend] geboeid op de grond lag, ik vroeg me alleen af waarom hij ook nog geschopt werd. Ik heb niet geroepen: “ik ga jou klappen”, ik had een normaal gesprek met de verbalisant. Er was op dat moment zoveel chaos. Toen mijn broertje erbij kwam moest ik hem sussen en rustig houden voordat het uit de hand zou lopen. Ik zei tegen mijn broer: “ik sla je broer, ik ben met deze mevrouw aan het praten”. Ik heb niemand tegengehouden of de weg versperd. Ik heb mijn auto weggezet op de parkeerplaats en zag toen mijn broertje wegrennen met de politie achter hem aan. Ik vroeg me toen sterk af wat er aan de hand was. Ik had weliswaar mijn armen wijd, maar niet om de agenten tegen te houden. Ik ben geduwd door de handhaver of politieagent. Ik heb het woord ‘kankerhomo’ nooit gebruikt. Ik praat met veel volume en gebruik daarbij veel gebaren.

De raadsman vult de verdachte aan:

Op de camerabeelden heb ik het woord ‘kanker’ niet gehoord. Ook heb ik het blokkeren van mijn cliënt niet gezien.

De politierechter merkt op dat de verdachte een manier van doen heeft dat – zoals te zien is op de camerabeelden – bedreigend over kan komen op anderen. Ook merkt de politierechter op dat op de camerabeelden te zien is dat de BOA’s zeer begaan zijn met de andere verdachte die geboeid op de grond ligt. Er wordt direct naar zijn toestand gevraagd en er wordt hem meermalen hulp geboden zodat hij op adem kan komen.

De politierechter merkt verder op dat hij op de camerabeelden heeft gezien dat aan het eind van de beelden die een boa met zijn bodycam heeft gemaakt. Een politieambtenaar staat, als de aangehouden medeverdachte door de boa’s aan de politie wordt overgedragen, met de armen over elkaar tegen een politieauto geleund en wekt door houding en woordkeus de indruk op dat moment al niet te spreken te zijn over het optreden van de boa’s. Of dat te maken heeft met afkeuring van het concrete optreden, met competentie-perikelen, met allebei, of om een andere reden, is uit de beelden niet op te maken.

De verdachte verklaart voorts:

Ik heb niemand aangeraakt; dat kan je zien op de beelden. Een collega van de verbalisant die mij arresteerde zei dat ik moest worden aangehouden, maar ik wilde enkel de boel sussen. Wat ik heb gezegd heb ik niet tegen de politie gezegd, maar tegen mijn broertje. U houdt mij voor dat ik nogal grote gebaren maak en hard praat. Dat klopt, zo ben ik. Maar ik bedreig niemand. Ik heb niemand bedreigd en ik heb niemand beledigd. Ik ben onschuldig en heb drie dagen voor niets vastgezeten. Ik wil graag een autowasbedrijf beginnen, maar ik ben fysiek beperkt door mijn rug.

De politierechter merkt op dat hij op de camerabeelden hoort dat de verdachte iets roept dat lijkt op: “ik ga jou klappen”.

De verdachte verklaart: Ik heb niet gezegd: “ik ga jou klappen”, ik heb geroepen: “waarom ga je hem klappen”? Ik bedoelde de man op de grond, waarvan ik zag dat hij door de handhavers werd geschopt.

De raadsman merkt op: ik hoor wel klappen, maar niet: “ik ga jou klappen”. Wat hij voor ‘klappen’ zegt is niet goed te verstaan.

De officier van justitie houdt het requisitoir. Zij vordert dat de verdachte wordt vrijgesproken van feiten 1, 2 en 3 en geeft daarvoor de volgende toelichting.

Het incident wordt gekenmerkt door impopulaire coronamaatregelen. De situatie is uit de hand gelopen door het arresteren van een van de vrienden van de verdachte door een ongetraind team gemeentehandhavers (hierna: BOA’s). Er is mij bekend geworden dat bij de rechter-commissaris twee BOA’s als getuige hebben verklaard dat zij op aanwijzing van de politie in de debriefing hun proces-verbaal hebben aangepast en met de originele datum en het tijdstip hebben ondertekend. Wat nog kwalijker is, is het feit dat nog twee andere BOA’s bij de rechter-commissaris als getuige hebben verklaard hun proces-verbaal niet te hebben aangepast, terwijl dit wél gebeurd is. Ik vind dit een kwalijke zaak en hiermee is sprake van een ernstige schending van een strafvorderlijk rechtsbeginsel. Ik vorder, op grond van recente rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:1889) dat al deze processen-verbaal van het bewijs worden uitgesloten. Het essentiële belang van een proces-verbaal is dat deze op ambtseed is opgemaakt en dat er dient te worden beschreven wat er daadwerkelijk is gebeurd.

Ik ga er van uit dat het wijzigen van de processen-verbaal niet doelbewust en met grove veronachtzaming is gebeurd, nu deze geen structurele wijzigingen bevatten waardoor de verdachte in nadeel heeft geleden. Het had echter voorkomen kunnen worden door aanvullende processen-verbaal op te maken met een nieuwe datum.

Het vierde ten laste gelegde feit, de bedreiging, acht ik wettig en overtuigend bewezen. Ik vorder dat de verdachte voor dit feit wordt veroordeeld tot een geldboete van € 500,- met aftrek van voorarrest.

De raadsman krijgt het woord tot verdediging en voert aan:

De politie heeft mij naderhand verteld het niet eens te zijn geweest met de handelswijze van de handhavers. Ik krijg te horen dat in een debriefing door de politie opdracht zou zijn gegeven tot wijziging van de processen-verbaal, in de zin dat mijn cliënt duidelijker omschreven had moeten worden dan aanvankelijk was gebeurd. De handhavers dienen in de uitvoering van hun werkzaamheden uit hun herinnering op te schrijven wat er gebeurd is en niet achteraf een daad bij een verdachte zoeken of deze duidelijker te omschrijven. Een politieagent mag aan de handhavers aanwijzingen geven en vragen stellen, maar het op die manier achteraf wijzigen van de processen-verbaal en deze ondertekenen als het origineel is mijns inziens het doelbewust en met grove veronachtzaming schaden van de belangen van mijn cliënt. Op deze vormverzuimen dient dan ook de hoogste straf te staan; ik bepleit ten aanzien van alle feiten primair tot nietontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Voorts wil ik u te kennen geven dat als ik van het probleem geen werk had gemaakt, dit vormverzuim niet boven tafel was gekomen; er zullen namelijk zaken zijn waarbij dit onbesproken blijft. De integriteit van de politie wordt in het aangehaalde arrest door de Hoge Raad nogmaals benadrukt; de schending van die integriteit is reden om daar zware sancties aan te verbinden.

Subsidiair verzoek ik tot bewijsuitsluiting voor de feiten 1, 2 en 3. Ten aanzien van het vierde feit, de bedreiging, bepleit ik tot vrijspraak. De geuite bewoordingen waren niet tegen de handhaver gericht. Mocht u oordelen dat daar wel sprake van is, dan zijn de geuite bewoordingen niet aan te merken als een bedreiging met zwaar lichamelijk letsel, wat alsnog dient te resulteren in vrijspraak.

De officier van justitie wordt in de gelegenheid gesteld te repliceren. Zij maakt hiervan geen gebruik.

De verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken en verklaart:

Ik heb niemand aangeraakt en ik heb niemand iets misdaan. Ik wilde enkel helpen en de toestand sussen.

De politierechter verklaart het onderzoek gesloten en zegt terstond mondeling vonnis te zullen geven.

De politierechter spreekt het vonnis uit ter openbare terechtzitting.

Aantekening van het mondeling vonnis

1 Inhoud van de tenlastelegging

Bij de dagvaarding is aan de verdachte ten laste gelegde dat

1
hij, op of omstreeks 12 april 2020 te Rotterdam, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [naam 1] (handhaver in dienst van Stadsbeheer van de gemeente Rotterdam), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door slaande bewegingen te maken en/of zijn armen aan te spannen, terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten verrekte pees van de hand en/of verrekte pink bij die [naam 1] ten gevolge heeft gehad;


2
hij, op of omstreeks 12 april 2020 te Rotterdam, opzettelijk enige handeling, gedaan door [naam 2] (verbalisant werkzaam bij de gemeente Rotterdam afdeling Stadsbeheer toezicht en handhaving) en/of [naam 3] (handhaver in dienst van Stadsbeheer van de gemeente Rotterdam), zijnde een ambtenaar belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, ondernomen ter uitvoering van het bepaalde in artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering ondernomen handeling(en), heeft belet, belemmerd en/of verijdeld, door de doorgang van die [naam 2] en/of [naam 3] te blokkeren;

3
hij, op of omstreeks 12 april 2020 te Rotterdam, opzettelijk een ambtenaar, te weten [naam 4] (handhaver in dienst van Stadsbeheer van de gemeente Rotterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "kankerhandhaving" en/of "kankerhomo's", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

4
hij, op of omstreeks 12 april 2020 te Rotterdam, [naam 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [naam 5] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je gewoon dood" en/of "Ik ga je ook klappen geven", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2 Beoordeling aangevoerde vormverzuimen en bewijsoverweging

Het verweer van de raadsman tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wordt verworpen. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Zoals hieronder zal blijken, is daarvan geen sprake.

Voor zover hier van belang bepaalt artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) wat de gevolgen zijn van een onherstelbaar vormverzuim door een opsporingsambtenaar, indien de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken. Het niet-naleven van de verbaliseringsplicht van artikel 152 Sv door de bijzondere opsporingsambtenaren zoals hierboven is gebleken, is een vormverzuim. De rechtsgevolgen blijken niet uit de wet. Daar staat tegenover dat het geen onherstelbaar verzuim is gebleken. Duidelijk is geworden wat in de processen-verbaal is veranderd en de officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit geen structurele veranderingen zijn geweest. De verdachte is er, aldus de officier van justitie, niet door benadeeld. Ook de politierechter is van oordeel dat de verdachte niet in zijn belangen is geschaad. Met name de processen-verbaal van uitwerking van de camerabeelden en de onderliggende camerabeelden zelf, geven een goed beeld van wat er is gebeurd en wat de bijdrage van de verdachte is geweest.

Naar het oordeel van de politierechter maakt de verdachte op de zitting een oprechte indruk, als hij zegt dat hij heeft geprobeerd te sussen. Hij heeft ontkend zich aan de ten laste gelegde feiten schuldig te hebben gemaakt. Vast staat wel dat het incident uit de hand is gelopen en de verdachte zich bij zijn aanhouding heeft verzet. Maar de officier van justitie heeft ten aanzien van de feiten één tot en met drie vrijspraak gerequireerd en dat standpunt weegt, tegen de achtergrond van het opportuniteitsbeginsel, zwaar mee. Alles afwegende zal de politierechter de verdachte van de feiten een tot en met drie vrijspreken.

Wat de tenlastelegging onder vier betreft heeft de officier van justitie tot bewezenverklaring gerequireerd. De politierechter is van oordeel dat de verdachte wel heeft gezegd, “ik ga jou klappen”, of woorden van gelijke strekking, maar dat dit geen bedreiging met zwaar lichamelijk letsel is. Niet is gebleken dat de woorden “doodmaken” als bedreiging tegen een handhaver zijn gericht. Ook van dit feit wordt de verdachte vrijgesproken.

De politierechter komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de verdachte integraal zal worden vrijgesproken.

3 Vorderingen benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft [naam 1] zich ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit in het geding gevoegd. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 25,04 aan materiële schade en een vergoeding van € 500,- aan immateriële schade.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.

Als benadeelde partij heeft [naam 5] zich ter zake van het onder 4 ten laste gelegde feit in het geding gevoegd. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 350,- aan immateriële schade.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.

Als benadeelde partij heeft [naam 3] zich ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit in het geding gevoegd. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 350,- aan immateriële schade.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.

Als benadeelde partij heeft [naam 4] zich ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit in het geding gevoegd. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 350,- aan immateriële schade.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.

Als benadeelde partij heeft [naam 2] zich ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit in het geding gevoegd. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 350,- aan immateriële schade.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.

4 Beslissing

De politierechter:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij [naam 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

verklaart de benadeelde partij [naam 5] niet-ontvankelijk in de vordering;

verklaart de benadeelde partij [naam 3] niet-ontvankelijk in de vordering;

verklaart de benadeelde partij [naam 4] niet-ontvankelijk in de vordering;

verklaart de benadeelde partij [naam 2] niet-ontvankelijk in de vordering;

Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de politierechter en de griffier.