Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:9656

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-09-2021
Datum publicatie
11-10-2021
Zaaknummer
9238691 HA VERZ 21-61
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

verzoek ontbinding op g-grond. Werknemer heeft uitspraken gedaan onder invloed van psychose. Als dit al tot verstoring heeft geleid, kan niet worden gezegd dat die ernstig en duurzaam is. Verzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1282
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9238691 \ HA VERZ 21-61

uitspraak: 3 september 2021

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FNsteel B.V.,

gevestigd: Alblasserdam,

verzoekster,

gemachtigde: mr. C.P. Kuijer te Rotterdam,

tegen

[verweerder],
woonplaats: [woonplaats verweerder],

verweerder,

gemachtigde mr. E.A.C. Sietsma te Assen.

Partijen worden hierna mede aangeduid als FNsteel en [verweerder].

1. Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift, ter griffie ontvangen op 26 mei 2021;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Kuijer;

  • -

    de overgelegde producties.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 juli 2021. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden.

2. De vaststaande feiten

2.1

[verweerder] is op 1 maart 2018 bij FNsteel in dienst getreden als [functie 1]. Zijn laatstgenoten salaris bedraagt € 7.237,- bruto per maand, exclusief emolumenten. De arbeidsovereenkomst is thans een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Metalektro van toepassing.

2.2

FNsteel heeft door Lloyd’s Register een assessment laten uitvoeren in het kader van ISO-certificering. Lloyd’s heeft dit assessment uitgevoerd op 14 en 15 januari 2020. Naar aanleiding hiervan is vervolgens door Lloyd’s een rapport opgesteld. Lloyd’s concludeert in dat rapport dat het managementsysteem van FNsteel niet voldoet aan de vereisten van de normen en dat sprake is van diverse non-conformiteiten. Om die reden heeft Lloyd’s in april 2020 een opvolgende audit gepland.

2.3

Op 27 januari 2020 was naar aanleiding van de uitkomsten van het rapport van Lloyd’s een gesprek gepland tussen [naam 1] ([functie 2]) van FNsteel en [verweerder]. Tijdens dat gesprek is [verweerder] onwel geworden. FNsteel heeft [verweerder] naar huis gebracht en het alarmnummer 112 gebeld. [verweerder] is vervolgens per deze datum arbeidsongeschikt gemeld. Nadien is vastgesteld dat [verweerder] op deze dag in een psychose verkeerde.

2.4

Bij brief van 9 april 2020 heeft FNsteel onder meer het volgende bericht aan [verweerder]:

In het kader van de re-integratie hebben wij jou de vraag voorgelegd hoe je de verdere toekomst ziet en of je het – gelet op hetgeen heeft plaatsgevonden – realistisch vindt om terug te keren in je eigen werk.

Naar aanleiding van deze vraag gaf je aan eerst te willen werken aan jouw verdere herstel. Vervolgens aan jouw functioneren binnen het gezin om daarna weer terug te kunnen keren in het arbeidsproces. De medici geven aan dat je weer helemaal kunt herstellen.

In reactie hierop heeft [naam 2] aangegeven dat op basis van de gebeurtenissen en los van de medische problematiek er wel iets is gebeurd waardoor het vertrouwen op een indringende manier is geschaad.

(...)

2.5

Met ingang van 1 mei 2021 is [verweerder] hersteld gemeld.

3. Het verzoek

3.1

FNsteel verzoekt de tussen haar en [verweerder] bestaande arbeidsovereenkomst zo spoedig mogelijk te ontbinden, wegens de daarvoor aangevoerde redelijke grond (de g-grond) en bij deze ontbinding rekening te houden met de proceduretijd, als bedoeld in artikel 7:671b lid 9 onder a BW. Voorts verzoekt FNsteel aan [verweerder] een transitievergoeding toe te kennen van € 9.031,36 bruto.

Tot slot verzoekt FNsteel om [verweerder] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Zij voert ter onderbouwing van haar verzoek – samengevat – het volgende aan.

3.2

Tijdens het gesprek op 27 januari 2020 heeft [verweerder] tegen [naam 1] gezegd dat hij tijdens de audit bewust zaken verkeerd heeft laten lopen, waardoor Lloyd’s tekortkomingen heeft geconstateerd. Hierna heeft hij nog beschuldigingen geuit en is vervolgens onwel geworden. Deze gebeurtenissen hebben het vertrouwen van FNsteel in [verweerder] als [functie 1] ernstig geschaad. Daar komt nog bij dat partijen hebben gesproken over een beëindigingsregeling. In het kader van die onderhandelingen heeft [verweerder] verwijten gemaakt aan FNsteel, die de verhoudingen nog meer hebben verslechterd.

3.3

FNsteel is bereid de verschuldigde transitievergoeding te betalen aan [verweerder].

4. Het verweer

4.1

[verweerder] verzoekt om de gevraagde ontbinding af te wijzen. Voor het geval wordt geoordeeld dat ontbinding wel geïndiceerd is, verzoekt hij deze uit te spreken, rekening houdend met de geldende opzegtermijn en daarbij aan hem een transitievergoeding, een billijke vergoeding van € 42.580,56 en een immateriële schadevergoeding van € 5.000,-, althans in goede justitie te bepalen aanvullende vergoedingen, toe te kennen.

Op de motivering van zijn verweren wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1

FNSteel vraagt ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Als grondslag voor dat verzoek voert zij aan dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder g BW. Om een arbeidsovereenkomst op deze grond te kunnen ontbinden, dient sprake te zijn van een dusdanige verstoring van de verhouding dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bovendien dient herplaatsing van de werknemer niet meer mogelijk te zijn of in de rede te liggen.

5.2

FNsteel stelt dat zij door de gebeurtenissen op 27 januari 2020 haar vertrouwen in [verweerder] als [functie 1] is verloren.

Dat de gang van zaken tijdens en na het gesprek dat op 27 januari 2020 tussen [verweerder] en [naam 1] heeft plaatsgevonden opmerkelijk is geweest, staat wel vast. [verweerder] heeft over deze dag tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd verklaard dat hij de grip op de realiteit kwijt was. Die dag handelde hij namelijk – naar later duidelijk is geworden – vanuit een psychose. Hij kan daardoor nu niet meer goed terughalen wat er die dag is gezegd en gebeurd. Zo weet hij ook niet meer of hij tegen [naam 1] heeft gezegd dat hij tijdens de audit zaken bewust verkeerd heeft laten lopen. [verweerder] sluit echter niet uit dat hij dit gezegd heeft. Als hij dit al gezegd heeft, berust die uitspraak volgens [verweerder] niet op de waarheid.

5.3

[verweerder] heeft voorts tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij niet de indruk heeft dat bij hem tijdens de audit, dus op 14 en 15 januari 2020, al sprake was van een psychose of een aanloop daarnaartoe. Voor aanvang van het assessment was er al sprake van verbeterpunten voor FNsteel. Ter onderbouwing van die stelling heeft hij onder meer verslagen van ARBO-beleidsvergaderingen en een voorgaand rapport van Lloyd’s in het geding gebracht (producties 7 en 8 aan de zijde van [verweerder]).

Volgens [verweerder] zijn ten behoeve van de audit verschillende medewerkers van FNsteel geïnterviewd. Tijdens zijn interview heeft hij eerlijk antwoord gegeven op de door Lloyd’s gestelde vragen.

Tegenover deze stellingen van [verweerder] heeft FNsteel niets in het geding gebracht waaruit blijkt dat [verweerder] op 14 en 15 januari 2020 daadwerkelijk opzettelijk de audit verkeerd heeft laten lopen en ter zitting heeft FNsteel desgevraagd verklaard dat zij geen aanwijzingen heeft dat [verweerder] daadwerkelijk uitlatingen heeft gedaan die de audit negatief hebben beïnvloed.

5.4

Het komt er al met al dus op neer dat FNsteel de door haar gestelde verstoorde arbeidsverhouding voornamelijk baseert op het feit dat [verweerder] tijdens het gesprek op 27 januari 2020 heeft gezegd dat hij enkele weken eerder opzettelijk een audit in de soep heeft laten lopen, niet dat [verweerder] dat ook daadwerkelijk gedaan heeft. Tussen partijen staat voorts niet ter discussie dat [verweerder] deze en eventuele andere vreemde of ongepaste uitlatingen heeft gedaan onder invloed van een psychose en dat hem daar geen enkel verwijt van kan worden gemaakt. Zo er hierdoor al een verstoorde arbeidsverhouding zou zijn ontstaan, kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden gezegd dat van FNsteel in verband hiermee in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat FNsteel op 27 januari 2020 niet wist wat er met [verweerder] aan de hand was, doet aan het voorgaande niet af.

5.5

Ten overvloede wordt nog overwogen dat FNsteel aan haar ontbindingsverzoek (uitdrukkelijk) niet ten grondslag heeft gelegd dat de mogelijkheid dat [verweerder] op enig moment opnieuw in een psychose zou kunnen geraken, hem – kort gezegd – ongeschikt maakt voor zijn werkzaamheden. Het namens [verweerder] aangevoerde argument van de ‘reflexwerking van het opzegverbod tijdens ziekte’ c.q. het verboden onderscheid tussen gezonde en zieke werknemers kan daarom onbesproken blijven.

5.6

Voor zover FNsteel nog heeft gesteld dat de verhoudingen tijdens de onderhandelingen over een eventuele beëindiging van de arbeidsovereenkomst verder zijn verslechterd, is daarvan niet gebleken. De enkele stelling van [verweerder] dat zijn arbeidsongeschiktheid mede is veroorzaakt door zijn werksituatie is onvoldoende om een dergelijke verslechtering aan te nemen.

5.7

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is op dit moment niet gebleken dat sprake van is van een ernstige en duurzame verstoring van de verhouding van partijen als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW, die niet hersteld kan worden. Dat betekent dat het verzoek van FNsteel wordt afgewezen wegens het ontbreken van een redelijke grond, zoals hiervoor omschreven.

5.8

FNsteel wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek van FNsteel af;

veroordeelt FNsteel in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [verweerder] begroot op € 747,- aan salaris voor zijn gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

783