Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:9486

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
04-10-2021
Zaaknummer
ROT 20/4395 tussenuitspraak
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

EMG, proces-verbaal is incompleet, motiveringsgebrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/4395

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht van 22 juni 2021 in de zaak tussen


[naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,

en

De algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder,

(gemachtigde: S. Sheikchote ).

Procesverloop

In het besluit van 29 mei 2020 (primair besluit) heeft verweerder eiser een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) opgelegd.

In het besluit van 15 juli 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2021. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft eiser naar aanleiding van een mededeling van de politie, eenheid Rotterdam, van 19 mei 2020 een EMG opgelegd. In deze mededeling staat dat de politie het vermoeden heeft dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van categorieën AM/B van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven. Dit vermoeden is gebaseerd op gedrag van eiser dat blijk heeft gegeven van een gebrekkige rijvaardigheid.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat uit gegevens van de politie Rotterdam blijkt dat eiser op 19 mei 2020 heeft voldaan aan één of meer van de criteria van artikel 131 Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994) en artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (Regeling). Er is sprake van een incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer, dit blijkt uit onnodig remmen en stoppen. Ook is sprake van gedrag dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens, dit blijkt uit de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden. Hierdoor heeft eiser tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen verricht als genoemd in de bij de Regeling behorende Bijlage I, onder A, onderdeel III. Op grond van de artikelen 130 tot en met 134a van de WVW1994, gelezen in verbinding met artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a van de Regeling, is verweerder gehouden om een EMG aan eiser op te leggen. Verweerder ziet geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van het proces-verbaal van overtreding (proces-verbaal) van 19 mei 2020. Verweerder acht hetgeen eiser heeft aangevoerd onvoldoende om te concluderen dat de waarneming van de verbalisant niet juist of niet betrouwbaar is. Verweerder stelt zijn besluit te hebben mogen baseren op de informatie van de politie.

3. De voor deze zaak toepasselijke wet- en regelgeving zijn opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage.

4.1

Eiser voert aan dat het proces-verbaal van 19 mei 2020 onvoldoende aanknopingspunten biedt om hem een EMG op te kunnen leggen. Eiser heeft geen slingerende bewegingen gemaakt en is niet naar voren geschoten om vervolgens hard te remmen. Ter onderbouwing daarvan voert eiser aan dat op de weg waar hij reed hoge drempels aanwezig waren, waardoor hij stapvoets, ongeveer zeven kilometer per uur (km/u) reed. Dit maakt het onmogelijk om slingerende bewegingen te maken. De verbalisant heeft de snelheid van eiser niet gemeten, waardoor verweerder er niet van uit mocht gaan dat hij harder reed.

4.2

Voldoende voor het opleggen van een EMG zijn feiten en omstandigheden die een vermoeden rechtvaardigen dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven. De feiten en omstandigheden die dit vermoeden ondersteunen kunnen blijken uit gegevens van de politie, zoals het proces-verbaal. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) mag een bestuursorgaan, in dit geval de algemeen directeur van het CBR, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3640). Dat geldt evenzeer voor de rechter tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Het is niet vereist dat verweerder een eigen onderzoek doet naar de juistheid van de door de politie gemelde feiten, tenzij verweerder objectieve redenen heeft om aan de juistheid daarvan te twijfelen.

4.3

De rechtbank stelt vast dat het proces-verbaal van 19 mei 2020 op ambtsbelofte is opgemaakt, zodat in beginsel van de juistheid ervan mag worden uitgegaan. In dit proces-verbaal is – onder meer – vermeld dat de verbalisant heeft geconstateerd dat eiser op 19 mei 2020 op een blauwe quad vanaf de parkeerplaats gelegen aan Buiten de Waterpoort in Gorinchem reed. De verbalisant hoorde een luid geluid, dit geluid dempte weer en werd vervolgens weer luider. Hieruit leidde de verbalisant af dat een motorvoertuig accelereerde. De verbalisant zag de bestuurder van de blauwe quad slingerend over de weg rijden. De quad schoot steeds naar voren (onnodig accelereren) en kwam daarna weer bijna stil te staan (onnodig remmen). De bestuurder van de quad keek een paar keer richting de verbalisant. De verbalisant constateerde dat er door het gedrag van de bestuurder van de quad een gevaarlijke situatie ontstond voor de voetgangers en fietsers en de mensen die langs de weg zaten. Bij het proces-verbaal zijn foto’s van de weg en de verkeerssituatie toegevoegd. Hieruit blijkt dat op de bebording staat aangegeven dat er voetgangers over de rijbaan lopen en er stapvoets moet worden gereden. Er staat een maximale snelheid van vijf km/u aangegeven en het wegdek is voorzien van drempels.

4.4

De rechtbank is van oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat het proces-verbaal op relevante punten incompleet is. Eiser beroept zich ter bestrijding van de constateringen in het proces-verbaal nadrukkelijk op die ontbrekende punten. Het gaat eiser om de snelheid van de quad (stapvoets) en het feit, dat op de weg ter plaatse verkeersdrempels waren aangebracht. De rechtbank acht deze aanvullende omstandigheden relevant voor de vraag of is voldaan aan de criteria van artikel 131 van de WVW1994 en artikel 14 van de Regeling en Bijlage I, onder A, onderdeel III bij de Regeling. De verkeersdrempels vormen mogelijk een genoegzame verklaring voor optrekken en remmen en voor een zigzaggende koers (het onvoldoende de plaats op de weg houden), het stapvoets rijden beperkt de mogelijkheid om te slingeren en is van betekenis voor de vraag of sprake was van een situatie waarin de verkeersveiligheid in het geding kon komen.

Het ontbreken in het proces-verbaal van iedere aanduiding van de snelheid van de quad en van de verkeersdrempels maakt het proces-verbaal naar het oordeel van de rechtbank ongeschikt om zonder nadere motivering, die verweerder niet heeft gegeven, vast te stellen, dat voldaan is aan bedoelde criteria.

4.5

Voor het opleggen van een EMG behoeft slechts een vermoeden van ongeschiktheid te worden vastgesteld. Dit vermoeden wordt gebaseerd op feiten en omstandigheden die zijn genoemd in Bijlage I bij de Regeling. Om een vermoeden van ongeschiktheid aan te nemen is niet van belang dat de verkeersveiligheid door de gedragingen daadwerkelijk in gevaar is gebracht. Hierbij bestaat geen ruimte voor een belangenafweging (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:385). Dit juridische kader doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan haar oordeel dat verweerder zijn vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid onvoldoende heeft gemotiveerd.

5. Hieruit volgt dat het besluit op bezwaar geen stand kan houden wegens een motiveringsgebrek, zodat het beroep daartegen gegrond is.

6. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te (laten) herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om met toepassing van artikel 8:51a Awb verweerder met het oog op een finale afdoening van de voorliggende zaak in de gelegenheid te stellen om binnen zes weken na de datum van bekendmaking van deze uitspraak het gebrek in de besluitvorming te herstellen. Om het gebrek te herstellen moet verweerder het bestreden besluit nader motiveren zodanig dat de gebreken genoemd in punt 4.4 worden weggenomen.

7. Als verweerder gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek in de besluitvorming te herstellen, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken schriftelijk te reageren op de wijze waarop verweerder het gebrek heeft hersteld. In beginsel zal de rechtbank vervolgens het onderzoek sluiten en zonder nadere zitting uitspraak doen. Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, dient hij dit binnen twee weken na verzending van deze uitspraak schriftelijk kenbaar te maken. In dat geval zal de rechtbank het onderzoek sluiten en zonder nadere zitting uitspraak doen.

8. In de einduitspraak zal worden beslist over proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen 6 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.C.W. van der Feltz, rechter, in aanwezigheid van mr. F. van Ommeren , griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2021.

de griffier is buiten staat de rechter is verhinderd te tekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak

Bijlage: juridisch kader

De Wegenverkeerswet 1994 luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

Artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:

a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of

(…)

Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.

(…)

3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid.

(…)

De Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

Artikel 2

1. Een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage.

(…)

Artikel 3

1. Feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 2 kunnen blijken uit:

a. eigen waarneming en gegevens afkomstig van de politie;

b. gegevens afkomstig van de officier van justitie, of

c. door de politie nagetrokken gegevens uit andere bron.

(…)

Artikel 14

1. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel gedrag en verkeer indien:

a. betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag;

(…)

Bijlage 1, onder A, onderdeel III

(…)

3. Incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer, dat blijkt uit:

(…)

b. onnodig remmen en stoppen;

(…)

4. Duidelijk een gedrag tentoonspreiden dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens ter zake van:

a. de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden;

(…)