Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:9445

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
04-10-2021
Zaaknummer
C/10/618260 / JE RK 21-1260
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

OTS en verlenging MUHP

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Jeugdrecht

Zaaknummer: C/10/618260 / JE RK 21-1260

Datum uitspraak: 17 juni 2021

Beschikking ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,

betreffende

[naam kind],

geboren op [geboortedatum kind] 2018 te [geboorteplaats kind], hierna te noemen: [naam kind].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,

[naam moeder],

hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats moeder],

[naam vader],

hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats vader].

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoek met bijlagen van de Raad van 10 mei 2021, ingekomen bij de griffie op 10 mei 2021;

- het e-mailbericht van mr. R.H.P. Feiner van 16 juni 2021, ingekomen bij de griffie op 16 juni 2021.

Op 17 juni 2021 heeft de kinderrechter de zaak mondeling behandeld met gesloten deuren.

Verschenen zijn:

- de moeder;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. R.H.P. Feiner;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1];
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [naam 2] en [naam 3].

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de ouders.

[naam kind] verblijft in een neutraal crisispleeggezin.

Bij beschikking van 6 april 2021 is [naam kind] voorlopig onder toezicht gesteld tot 25 juni 2021. De kinderrechter heeft bij deze beschikking ook een machtiging tot uithuisplaatsing van

[naam kind] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van vier weken.

Bij beschikking van 6 april 2021 is de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 25 juni 2021.

Het verzoek

De Raad verzoekt [naam kind] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van twaalf maanden. Ook verzoekt de Raad de uithuisplaatsing van [naam kind] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De Raad handhaaft het verzoek. [naam kind] is getuige geweest van de vele ruzies en huiselijk geweld tussen de ouders. De vader werkt fulltime en is daarom niet volledig beschikbaar voor de opvoeding van [naam kind]. Bij de moeder is er sprake van psychische problematiek en middelengebruik. De moeder is overbelast en kan [naam kind] niet de structuur bieden die hij nodig heeft. Het is van belang dat de moeder eerst een detox-behandeling en gespecialiseerde individuele behandeling voor haar psychiatrische problematiek volgt. Nadat de detox-behandeling en de individuele behandeling van de moeder positief zijn afgerond, kan worden onderzocht of de moeder op de lange termijn kan bieden wat [naam kind] nodig heeft. Als dit het geval is, kan [naam kind] bij de moeder te worden geplaatst in een moeder-kindtraject. Totdat duidelijk is of de behandeling van de moeder is geslaagd en of [naam kind] kan worden teruggeplaatst bij de moeder, dient [naam kind] in een pleeggezin te verblijven.

De standpunten

De GI stemt in met het verzoek van de Raad. De moeder dient een detox-behandeling van drie weken bij Brijder te volgen. De GI is - anders dan de Raad - van mening dat [naam kind] direct nadat de moeder de detox-behandeling heeft afgerond, bij de moeder in het moeder-kindtraject van Brijder kan worden geplaatst. Brijder heeft aangegeven dat de psychische problematiek en het blowgedrag van de moeder geen contra-indicaties voor plaatsing in het moeder-kindtraject vormen. De individuele behandeling van de moeder kan tegelijkertijd met het moeder-kindtraject plaatsvinden. Wel moeten er voorafgaand aan de start van het traject nog een aantal praktische zaken worden geregeld, zoals een inkomen en woonadres voor de moeder. De GI staat ervoor open om te onderzoeken of [naam kind], als hij niet bij zijn huidige pleeggezin kan blijven, in afwachting van het moeder-kindtraject in een netwerkpleeggezin of bij de vader kan worden geplaatst, zoals voorgesteld door de vader. Op dit moment is het nog niet wenselijk om [naam kind] bij de vader te plaatsen, omdat de vader een behandeltraject bij Fivoor volgt. Deze behandeling dient eerst positief afgerond te zijn.

De vader stemt, mede bij monde van zijn advocaat, in met het verzoek van de GI. De vader hoopt dat [naam kind] spoedig bij de moeder in het moeder-kindtraject geplaatst kan worden. De vader vraagt zich af of de moeder tijdig aan de eisen van Brijder kan voldoen. Het is mede gezien de aanvaardbare termijn van drie maanden van belang dat de GI niet afwacht of het traject bij Brijder slaagt alvorens zij onderzoekt op welke alternatieve plekken [naam kind] geplaatst kan worden, mocht de plek bij zijn huidige crisispleeggezin komen te vervallen. De vader wenst dat [naam kind] in dat geval bij hem of anders in een netwerkpleeggezin geplaatst wordt. De vader heeft een stabiele thuissituatie, volgt een behandeling bij Fivoor en staat open voor opvoedondersteuning in de thuissituatie. Verder wenst de vader dat zolang [naam kind] in het crisispleeggezin verblijft, er vaker omgang plaatsvindt.

De moeder verzet zich niet tegen het verzoek van de GI. De moeder wenst te laten zien dat zij [naam kind] zelf kan opvoeden zonder hulp van instanties. Zij wil aan alle noodzakelijke hulpverlening meewerken, maar betwijfelt of zij deze hulp echt nodig heeft. De meeste problemen die in het raadsrapport worden genoemd zijn niet langer aanwezig, aangezien de relatie tussen de moeder en de vader verbroken is. De ouders hebben nu een goede band in het belang van [naam kind]. De moeder stelt dat zij niet veel cannabis gebruikt en dat haar psychische problematiek niet is op te lossen door middel van hulpverlening.

De beoordeling

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

[naam kind] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Bij de moeder is er sprake van psychiatrische problematiek en middelengebruik. Er zijn zorgen over de leerbaarheid van de moeder. Daarnaast beschikt de moeder niet over een inkomen en een woonruimte. De moeder is overbelast in de zorg voor [naam kind] en erkent dat zij deze zorg op dit moment niet kan dragen. De vader heeft een belast verleden en wenst de opvoeding van [naam kind] niet volledig te dragen vanwege zijn werk. Tussen de ouders is er sprake van ruzies, spanningen en huiselijk geweld waarvan [naam kind] getuige is geweest. De relatie tussen de ouders is inmiddels verbroken. [naam kind] vertoont zorgelijk gedrag. Hij vraagt continu aandacht, kan niet zelfstandig spelen en vertoont continu negatief aandacht vragend gedrag. Daarnaast maakt hij opvallend en te gemakkelijk contact met vreemden en loopt zijn taal- en spraakontwikkeling achter.

De afgelopen periode heeft hulpverlening in het vrijwillig kader een onvoldoende positief effect gehad. In het verleden is Ambulante Spoed Hulp ingezet in de thuissituatie. De ouders hebben zich onvoldoende gehouden aan de hieruit voortvloeiende veiligheidsafspraken. Daarnaast is de moeder onvoldoende in staat gebleken om te profiteren van hulpverlening zoals een detox-opname of een poliklinische behandeling bij de GGZ. De vader ondergaat op eigen initiatief een behandeling bij Fivoor voor het uiten van zijn emoties en het omgaan met zijn verleden.

De komende periode is het van belang dat duidelijk wordt of de moeder in staat is om voor [naam kind] te zorgen. Zij dient een behandeling te ondergaan voor haar middelengebruik en psychiatrische problematiek, welke behandeling door Brijder kan worden geboden. Alvorens zij aan deze behandeling kan beginnen, dient zij echter wel te beschikken over huisvesting en inkomen. Daarnaast is het van belang dat de vader blijft werken aan zijn persoonlijke problematiek. Ook dienen de ouders te werken aan de spanningen en ruzies in hun onderlinge relatie.

Tijdens de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat het onzeker is hoelang [naam kind] nog in zijn huidige pleeggezin kan blijven wonen. Hoewel [naam kind] zich positief ontwikkelt bij het pleeggezin, is het met het oog op de aanvaardbare termijn van drie maanden van belang dat er meer duidelijkheid komt over zijn perspectief. De vader en de moeder hopen dat [naam kind] bij de moeder in een moeder-kindtraject van Brijder kan worden geplaatst. Op dit moment is het echter nog onzeker of dit gaat lukken. De kinderrechter is met de vader van mening dat de GI het verloop van het moeder-kindtraject van Brijder niet moet afwachten alvorens de mogelijkheden tot plaatsing in een netwerkpleeggezin of bij de vader – zoals voorgesteld door vader – worden onderzocht.

Gelet op al het voorgaande zal de kinderrechter [naam kind] onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van [naam kind] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b van het BW. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van zes maanden.

De beslissing

De kinderrechter:

stelt [naam kind] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 17 juni 2021 tot 17 juni 2022;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 25 juni 2021 tot 25 december 2021;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2021 door mr. L. Amperse, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. de Leeuw, als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 1 juli 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.