Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:9368

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-09-2021
Datum publicatie
30-09-2021
Zaaknummer
C/10/621947 / KG ZA 21-605
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding – Executiegeschil. Vordering wordt afgewezen. Gedaagde heeft een in redelijkheid te respecteren belang bij gebruikmaking van haar executiebevoegdheid. Geen noodtoestand of een feitelijke of juridische misslag. Eiser heeft zijn stellingen op geen enkele manier onderbouwd, daarom geen compensatie van proceskosten ook al zijn partijen het ex-partners van elkaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/621947 / KG ZA 21-605

Vonnis in kort geding van 17 september 2021

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser],

eiser,

advocaat mr. C.C.J.L. Huurman te Rotterdam,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

advocaat mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam.

Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 29 juli 2021, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de brief van mr. Huurman van 9 september 2021, met een aanvullende productie;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 13 september 2021.

1.2.

Vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

Partijen zijn de ouders van twee minderjarige kinderen:

- [naam kind 1], geboren op [geboortedatum kind 1] 2011;

- [naam kind 2], geboren op [geboortedatum kind 2] 2013.

2.2.

De kinderen verblijven thans bij de vrouw.

2.3.

Bij beschikking van 8 maart 2017 van deze rechtbank is bepaald dat de man een bedrag van € 250,00 per maand per kind dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. Dit bedrag is inmiddels geïndexeerd naar

€ 273,26.

2.4.

De man is halverwege 2020 gestopt met het betalen van alimentatie.

2.5.

De deurwaarder heeft namens de vrouw op 11 mei 2021 ter executie van de beschikking van 8 maart 2017 ten laste van de man onder het UWV executoriaal derdenbeslag gelegd op de uitkering van de man.

3. Het geschil

3.1.

De man vordert bij dagvaarding om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. over te gaan tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 8 maart 2017;

  2. de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

De vrouw voert verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vordering, dan wel tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van de man in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

De man vordert schorsing van de executie van de – inmiddels onherroepelijk geworden – beschikking van 8 maart 2017. De man legt aan zijn vordering ten grondslag dat zijn financiële situatie ten tijde van de beschikking gewijzigd is. Hij ontvangt nu een maandelijkse bruto uitkering van € 2.184,14 en betaalt maandelijks een bedrag van € 220,00 af aan een schuld bij de Belastingdienst. De man heeft thans onvoldoende draagkracht om aan de alimentatieverplichting te voldoen en door de executiemaatregelen van de vrouw verkeert hij in financiële nood.

4.2.

In een executiegeschil kan de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke uitspraak slechts worden geschorst wanneer de executant, gelet op de belangen van de geëxecuteerde, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn executiebevoegdheid. Dat kan onder meer het geval zijn wanneer de te executeren beslissing berust op een kennelijke juridische of feitelijke misslag en/of als de executie op grond van na de beslissing voorgevallen of aan het licht gekomen feiten aan de zijde van de geëxecuteerde klaarblijkelijk een noodtoestand zal doen ontstaan.

4.3.

De voorzieningenrechter overweegt dat de vrouw een in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar executiebevoegdheid. Uit de stellingen van de man valt niet af te leiden dat hij zich beroept op een kennelijke feitelijke of juridische misslag in de beschikking van 8 maart 2017. Voor zover de man zich beroept op een noodtoestand, faalt het beroep. Dat er sprake is van na de beschikking voorgevallen of aan het licht gekomen feiten die aan de zijde van de man een noodtoestand zal doen ontstaan is niet gebleken. De man heeft weliswaar gesteld dat zijn inkomenspositie is gewijzigd en dat hij door de executie in financiële nood is komen te verkeren, maar heeft dit op geen enkele manier onderbouwd. Door de man zijn – op een salarisstrook en een brief van de Belastingdienst na – geen stukken overgelegd waaruit zijn financiële situatie of zijn draagkracht blijkt. De wel overgelegde stukken kunnen op geen enkele wijze de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een noodtoestand. Ook nadat de conclusie van antwoord door mr. De Gruijl is ingediend, waarin de standpunten van de man zijn betwist en uitdrukkelijk op het ontbreken van enige onderbouwing is gewezen, is de man niet alsnog met een nadere onderbouwing gekomen. Voorts is het standpunt van de man ook ter zitting – waarbij de man bovendien niet is verschenen – niet nader toegelicht. De voorzieningenrechter wijst erop dat niet gebleken is dat de man inmiddels, anderhalf jaar na het stoppen van zijn betalingen, een verzoek tot herziening van zijn alimentatieverplichtingen bij de rechtbank heeft ingediend.

4.4.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen grond bestaat om over te gaan tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking van

8 maart 2017. De vordering wordt om die reden afgewezen.

4.5.

Hoewel partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de proceskosten te compenseren. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat de man zonder degelijke onderbouwing een vordering heeft ingediend en die onderbouwing ook na ontvangst van het verweer niet heeft geleverd maar integendeel niet ter zitting is verschenen, terwijl de vrouw de nodige kosten heeft moeten maken om verweer te kunnen voeren. De man wordt daarom als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van de vrouw worden begroot op:

- griffierecht € 85,00

- salaris advocaat € 656,00

Totaal € 741,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt de man in de proceskosten, aan de zijde van de vrouw tot op heden begroot op € 741,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2021.

2180/1980