Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:9335

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
30-09-2021
Zaaknummer
C/10/605294 HA ZA 20-951
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering ex art.3:185BW: verdeling boedel na echtscheiding. Niet is komen vast te staan dat de man en de vrouw ten aanzien van de voormalige echtelijke woning een schenkingsafspraak hebben gemaakt. Partijen zijn niet gehouden in een onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap te blijven. Veroordeling van de vrouw om mee te werken aan de verkoop van de woning. De man wordt toegelaten tot bewijs dat de vrouw huurinkomsten heeft genoten uit verhuur van de woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

Zittingsplaats Rotterdam

zaaknummer/rolnummer: C/10/605294 HA ZA 20-951

Vonnis van 25 augustus 2021

in de zaak van

[persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] ,

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

advocaat: mr. M. Soytekin, Rotterdam,

tegen:

[persoon B] ,

wonende te [woonplaats B] ,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

advocaat: mr. T. Kocabas, Zoetermeer.

Eiser en gedaagde in conventie worden hierna aangeduid als ‘ [persoon A] ’ en ‘ [persoon B] ’.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 september 2020;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie/eis in (voorwaardelijke) reconventie van 18 november 2020;

  • -

    de brief van de zijde van [persoon A] van 4 februari 2021;

  • -

    de conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie van 5 februari 2021;

  • -

    het proces-verbaal van de op 19 februari 2021 gehouden mondelinge behandeling;

  • -

    de brief van de zijde van [persoon B] van 17 maart 2021;

  • -

    het rolbericht van de zijde van [persoon B] van 15 april 2021;

  • -

    het rolbericht van de zijde van [persoon B] van 3 mei 2021;

  • -

    de brief van de zijde van [persoon A] van 18 mei 2021;

  • -

    de brief van de zijde van [persoon B] van 26 mei 2021;

  • -

    het e-mailbericht van de zijde van [persoon A] van 27 mei 2021;

  • -

    de aantekening dat de mondelinge behandeling is voortgezet op 28 mei 2021;

  • -

    het e-mailbericht van de zijde van [persoon B] van 11 juni 2021 en de e-mailberichten van partijen van 15 juni 2021;

  • -

    de door partijen overgelegde producties.

1.2

Op 19 februari 2021 is overeenkomstig artikel 2 lid 1 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid via een beeld- en geluidverbinding een mondelinge behandeling gehouden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen een aantal afspraken gemaakt. Op 28 mei 2021 is de mondelinge behandeling (wederom via een beeld- en geluidverbinding) voortgezet. Vervolgens is de procedure een aantal weken aangehouden in afwachting van een mogelijke regeling tussen partijen.

1.3

Op 15 juni 2021 hebben partijen de rechtbank bericht dat zij geen onderlinge regeling hebben kunnen bereiken en hebben zij verzocht om vonnis te wijzen.

1.4

De rechtbank heeft de datum van het vonnis nader bepaald op vandaag.

2. De feiten

2.1

Partijen zijn op 15 april 2004 te Rotterdam in gemeenschap van goederen getrouwd. [persoon B] heeft op 17 december 2013 een echtscheidingsrekest ingediend bij deze rechtbank. Het huwelijk is ontbonden door de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand op 9 mei 2014 van de beschikking van 10 februari 2014 van deze rechtbank waarbij de echtscheiding is uitgesproken.

2.2

Partijen hebben een minderjarige zoon, [naam minderjarige] , geboren te [geboorteplaats minderjarige] op [geboortedatum minderjarige] . [voornaam minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij [persoon B] .

2.3

Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort de onroerende zaak aan de [adres] , [postcode] Rotterdam (hierna: het appartement). Ten aanzien van dit appartement hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling op 19 februari 2021 de afspraak gemaakt dat [persoon A] uit door [persoon B] aangedragen taxateurs een taxateur zou kiezen die de marktwaarde van het appartement in vrije en onbewoonde staat zou vaststellen. Tevens is afgesproken dat na taxatie [persoon B] tot 1 juni 2021 in de gelegenheid zou worden gesteld de aankoop van het appartement te financieren en dat indien zij niet tot aankoop kon dan wel wilde overgaan, het appartement op de woningmarkt zou worden gebracht.

2.4

Op 29 april 2021 is door [persoon C] , Van Kleef NVM Makelaars, een taxatierapport uitgebracht, waarbij de marktwaarde van het appartement per waardepeildatum 12 april 2021 is getaxeerd op een bedrag van € 300.000,-.

2.5

Tijdens de mondelinge behandeling op 28 mei 2021 heeft de rechtbank [persoon B] nog eenmaal een termijn van twee weken gegund om na te gaan of zij via haar verloofde de aankoop van het appartement zou kunnen financieren.

2.6

Bij e-mailbericht van 11 juni 2021 heeft de advocaat van [persoon B] aan de rechtbank het volgende bericht:

“(…) In bovenvermelde aangelegenheid heb ik mijn collega, mr. Soytekin, gisteren laten weten dat de financiering zijdens mevrouw [persoon B] , middels haar huidige partner, tot de mogelijkheden behoort. Zoals tijdens de mondelinge behandeling is afgesproken, zal ik de rechtbank binnen vier weken laten weten of partijen algehele overeenstemming hebben kunnen bereiken.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.(…)”

2.7

In reactie op voormeld e-mailbericht is op 15 juni 2021 door de advocaat van [persoon A] het volgende bericht:

“(…) Cliënt gaat niet akkoord met onderstaande. [rechtbank: bedoeld wordt de tekst van het e-mailbericht van mr. Kocabas van 11 juni 2021]

De afspraak tijdens de zitting was dat mevrouw uiterlijk 11 juni 2021 heel concreet zou berichten of én op welke termijn de financiering zou kunnen worden gedaan. Nu wordt er enkel medegedeeld dat de financiering tot de mogelijkheden behoort, niets meer niets minder.

Vervolgens zouden partijen uiterlijk 18 juni as de rechtbank berichten of er overeenstemming kan worden bereikt over het geheel. Nu heeft de wederpartij het over een termijn van 4 weken. Zulks is niet afgesproken.

Gelet op deze berichten is de man van mening dat [hij] niet is gehouden aan de afspraken en dat er ondanks alle tijd die er is geboden geen concreet voorstel wordt gedaan. De man verzoekt u daarom 14 juli as vonnis te wijzen.(…)”

2.8

Bij e-mailbericht van dezelfde datum heeft de advocaat van [persoon B] vervolgens de rechtbank bericht dat partijen niet tot een algehele overeenstemming kunnen komen en heeft namens beide partijen vonnis gevraagd, waarbij door hem het volgende is opgemerkt:

“(…)Uiteraard belet dit niet dat de woning tegen taxatiewaarde aan eiseres kan worden toegewezen en dat partijen de gemaakt afspraken dienen na te komen.(…)”

3. Het geschil

In conventie

3.1

[persoon A] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat de datum van inschrijving van de echtscheiding [de rechtbank begrijpt dat bedoeld wordt de datum indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding], 17 december 2013, wordt gehanteerd als peildatum voor de samenstelling en de omvang van het huwelijksvermogen;

II. de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap te gelasten;

III. [persoon B] te veroordelen om, binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, haar medewerking te verlenen aan de ondertekening van de opdracht, strekkende tot het in de verkoop brengen van het appartement via een door [persoon A] aan te wijzen NVM makelaar, een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 25.000,-;

IV. indien [persoon B] in gebreke blijft aan de veroordeling onder III te voldoen, [persoon A] vervangende toestemming te verlenen om die handelingen te verrichten die nodig zijn voor een zo spoedig mogelijke verkoop van het appartement, alsmede om de levering en overdracht bij notariële akte te bewerkstelligen, waarbij de vervangende toestemming van de rechtbank in de plaats treedt van de toestemming of medewerking van [persoon B] ;

V. [persoon A] te machtigen om het appartement te gelde te maken tegen een prijs zoals geboden zal worden op een door [persoon A] aan te wijzen makelaarskantoor, dan wel via een verkoop bij opbod, tegen de hoogste prijs die alsdan geboden zal zijn, waarbij de netto verkoopopbrengst alsmede de eventuele levensverzekering bij helfte dient te worden verdeeld;

VI. [persoon B] te veroordelen om binnen twee weken na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van het appartement, waaronder onder meer begrepen afgifte van een sleutel aan de door [persoon A] ingeschakelde makelaar ten behoeve van bezichtiging door potentiële kopers en het leeg en schoon opleveren van het appartement, waarbij een eventuele netto-opbrengst voor rekening zal moeten komen van partijen bij helfte, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat [persoon B] geen uitvoering geeft aan het vonnis na betekening, tot een maximum van € 50.000,-;

VII. [persoon B] te veroordelen aan [persoon A] , uit hoofde van een gebruiksvergoeding te voldoen € 750,- netto per maand met ingang van de inschrijving van de echtscheiding, althans de dag van de dagvaarding, tot en met de overdracht van het appartement;

VIII. [persoon B] te veroordelen aan [persoon A] te vergoeden de helft van de gemeentelijke heffingen per peildatum tot overdracht van het appartement zoals door [persoon A] voldaan (totaal € 2.629,18), zijnde € 1.314,59 +PM;

IX. een verklaring voor recht dat de eigenaarslasten (hypotheek, gemeentelijke heffingen, verzekeringen) verbonden aan het appartement vanaf de dag van de dagvaarding tot de overdracht van het appartement geheel toekomen aan [persoon B] , zonder verdere verrekening;

X. veroordeling van [persoon B] om aan [persoon A] de wettelijke rente over de volledige proceskosten te voldoen, indien deze kosten niet binnen 14 dagen na dit vonnis zijn voldaan.

3.2

[persoon A] stelt hiertoe dat bij de echtscheiding geen boedelscheiding heeft plaatsgevonden. Ondanks herhaalde verzoeken is [persoon B] niet akkoord gegaan met de verdeling van de boedel die volgens [persoon A] bestaat uit het appartement aan de [adres] te Rotterdam, de bijbehorende hypotheek, en een eventuele levensverzekering. Omdat [persoon B] niet bereid is om op een constructieve wijze mee te werken aan de totstandkoming van de verdeling, en van hem niet langer gevergd kan worden dat hij in een onverdeeldheid verblijft, wenst [persoon A] over te gaan tot afwikkeling van de huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:99 lid 4 BW. Hij stelt recht en belang te hebben om in rechte verdeling ex artikel 3:185 BW te vorderen. Daarnaast vordert hij veroordeling van [persoon B] om aan hem een gebruiksvergoeding te voldoen vanaf de datum van inschrijving echtscheiding tot en met de overdracht van het appartement, en veroordeling van [persoon B] aan hem de helft van de gemeentelijke heffingen vanaf peildatum tot overdracht van het appartement te voldoen.

3.3

[persoon B] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [persoon A] . Zij voert primair als verweer dat partijen zijn overeengekomen dat het appartement aan hun zoon [voornaam minderjarige] zal worden geschonken zodra deze de leeftijd van 18 jaar bereikt. [persoon B] acht het in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat [persoon A] zeven jaar na voornoemde schenkingsovereenkomst eist dat het appartement wordt verkocht.

In (voorwaardelijke) reconventie

3.4

[persoon B] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. te bepalen dat zij de mogelijkheid krijgt [persoon A] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid;

2. te bepalen dat [persoon A] wordt verplicht aan [persoon B] te voldoen de helft van alle aflossingen, rentebetalingen en betalingen ten behoeve van de kapitaalverzekering van februari 2014 tot aan de datum van levering van het appartement aan [persoon B] dan wel aan een derde.

Tijdens de mondelinge behandeling op 19 februari 2021 heeft [persoon B] verklaard dat de aanvankelijk voorwaardelijk ingestelde eis in reconventie een onvoorwaardelijk karakter heeft gekregen door de betwisting door [persoon A] van de schenkingsovereenkomst.

3.5

[persoon B] stelt dat [persoon A] steeds heeft geweigerd een bijdrage te leveren in de kosten van het appartement zoals de hypotheeklasten en de eigenaarslasten.

Zij wil dat haar ruim de tijd wordt gegund om alsnog te bewerkstelligen het appartement over te nemen.

3.6

[persoon A] heeft verweer gevoerd en verzocht [persoon B] niet-ontvankelijk te verklaren in haar reconventionele vorderingen, althans haar die te ontzeggen. Hij voert daartoe aan dat [persoon B] al sinds 2012 de kans onbenut heeft gelaten om het appartement over te nemen en hem te ontslaan uit de hypothecaire aansprakelijkheid. [persoon B] heeft eerst het uitsluitend gebruik en genot van het appartement gehad en heeft vervolgens inkomsten vanuit verhuur van het appartement genoten.

4. De beoordeling

In conventie en in reconventie

4.1

De in conventie en reconventie door partijen ingenomen stellingen en de daarop gebaseerde vorderingen lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.

4.2

Voor wat betreft de goederenrechtelijke afwikkeling van het huwelijk zijn partijen het met elkaar eens dat het Nederlandse huwelijksvermogensrecht van toepassing is en dat de Nederlandse rechter over de afwikkeling mag oordelen. Ook zijn partijen het met elkaar eens dat als peildatum voor het vaststellen van de huwelijksgoederengemeenschap uitgegaan wordt van 9 mei 2014, de datum van inschrijving van de beschikking van 10 februari 2014 van deze rechtbank waarbij de echtscheiding is uitgesproken.

Schenkingsafspraak

4.3

[persoon B] verweert zich primair tegen de vorderingen stellende dat tussen partijen een afspraak is gemaakt waarbij is overeengekomen dat het appartement na het bereiken van diens 18e verjaardag aan hun zoon [voornaam minderjarige] zou worden geschonken. Nu [persoon A] het bestaan van een schenkingsafspraak betwist, rust volgens de algemene regel van het bewijsrecht de bewijslast op [persoon B] . Een ongeschreven regel uit het procesrecht luidt echter dat bewijs leveren verdiend moet worden. In haar conclusie van antwoord heeft [persoon B] slechts een summier en algemeen bewijsaanbod gedaan. Tijdens de mondelinge behandeling op 19 februari 2021 heeft [persoon B] weliswaar aanvullend verklaard dat de schenkingsafspraak in het bijzijn van de wederzijdse ouders van partijen is gemaakt, maar na de nadrukkelijke betwisting door [persoon A] had het op de weg van [persoon B] gelegen haar verweer nader te onderbouwen (bijvoorbeeld door schriftelijke verklaringen van de wederzijdse ouders over te leggen) en haar bewijsaanbod te concretiseren. Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechtbank, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert.1

Gelet op het bovenstaande bestaat er geen aanleiding [persoon B] op dit punt tot bewijslevering toe te laten. Het bewijsaanbod zal als onvoldoende concreet worden gepasseerd. Dit leidt er toe dat niet is komen vast te staan dat partijen ten aanzien van het appartement een schenkingsafspraak hebben gemaakt.

Appartement [adres] , Rotterdam

4.4

In zaken als de onderhavige geldt als uitgangspunt dat partijen niet gehouden zijn om in een onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap te blijven. Dit betekent in beginsel dat het appartement (en de daaraan verbonden hypothecaire verplichtingen) aan een van partijen moet worden overgedragen of dat het appartement moet worden verkocht aan een derde.

4.5

[persoon A] vordert ten eerste veroordeling van [persoon B] om haar medewerking te verlenen aan de ondertekening van de opdracht, strekkende tot het in de verkoop brengen van het appartement via een door [persoon A] aan te wijzen NVM-makelaar. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.6

Tijdens de op 19 februari 2021 gehouden mondelinge behandeling hebben [persoon A] en [persoon B] een aantal afspraken gemaakt, waaronder de afspraak over de keuze door [persoon A] van een taxateur die de marktwaarde van het appartement in vrije en onbewoonde staat zal vaststellen. Tevens is afgesproken dat na taxatie [persoon B] tot 1 juni 2021 in de gelegenheid wordt gesteld de aankoop van het appartement te financieren, en dat indien zij niet tot aankoop kan/wil overgaan, het appartement op de woningmarkt zal worden gebracht.

Tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling op 28 mei 2021 heeft de rechtbank [persoon B] nog eenmaal een termijn van twee weken gegund om na te gaan of zij via haar verloofde de aankoop van het appartement zou kunnen financieren. Uit de daarop gevolgde e-mailwisseling is gebleken dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt. [persoon B] heeft weliswaar op 11 juni 2021 laten weten dat de financiering van de aankoop van het appartement middels haar huidige partner tot de mogelijkheden behoort, maar die financiering en de mogelijkheid tot aankoop van het appartement is door haar, hoewel zij daarvoor ruimschoots de tijd had, weinig concreet gemaakt.

Van [persoon A] kan niet worden gevergd dat hij de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld en de andere aan het appartement verbonden lasten voor onbepaalde tijd laat voortduren, temeer hij, zoals hij zelf stelt, bij kredietaanvragen regelmatig vastloopt op het feit dat hij nog verantwoordelijk is voor een hypotheek.

Gelet hierop acht de rechtbank een veroordeling tot medewerking aan verkoop van het appartement op zijn plaats. Dit betekent dat de vordering onder III wordt toegewezen. In het verkooptraject kan dan nog bezien worden of [persoon B] alsnog in staat is het appartement te kopen. Aangezien het appartement met instemming van beide partijen al op 29 april 2021 is getaxeerd door [persoon C] (Van Kleef NVM Makelaars), zal de rechtbank dat makelaarskantoor in het dictum als verkopende makelaar opnemen.

4.7

[persoon A] vordert daarnaast aan hem vervangende toestemming te verlenen indien [persoon B] in gebreke blijft aan de veroordeling tot medewerking aan de ondertekening van de verkoopopdracht te voldoen, alsmede om de levering en overdracht bij notariële akte te bewerkstelligen waarbij de vervangende toestemming van de rechtbank in de plaats treedt van de toestemming of medewerking van [persoon B] . [persoon B] heeft geen zelfstandig verweer gevoerd tegen deze vordering. Het gevorderde onder IV wordt daarom toegewezen, indien [persoon B] , nadat haar daartoe een termijn te zijn gesteld, weigert mee te werken aan ondertekening van de verkoopopdracht, en aan de handelingen die nodig zijn voor de verkoop van het appartement.

Het onder V gevorderde – te weten [persoon A] te machtigen om het appartement op grond van het bepaalde in artikel 3:174 BW te gelde te maken tegen een prijs zoals geboden zal worden c.q. tegen de hoogste prijs – en het onder VI gevorderde – te weten [persoon B] te veroordelen om haar medewerking te verlenen bij de verkoop en levering van het appartement – zijn eveneens voor toewijzing vatbaar.

De oplegging van een dwangsom is passend en geboden, maar de gevorderde dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd.

Storting deel overwaarde op rekening ten name van [voornaam minderjarige] , voorzien van een BEM-clausule

4.8

Op het voorstel van de rechtbank om, los van het al dan niet bestaan van een schenkingsafspraak, een bedrag voor [voornaam minderjarige] apart te houden, hebben op 19 februari 2021 beide partijen verklaard bereid te zijn na verkoop van het appartement, 1/4e gedeelte van hun aandeel in de overwaarde op een rekening voorzien van een BEM-clausule te storten.

Gemeentelijke heffingen

4.9

[persoon B] heeft erkend dat [persoon A] de gemeentelijke heffingen heeft betaald en dat de helft daarvan voor haar rekening moet komen. Zij heeft eveneens erkend dat eventueel door [persoon A] teveel betaalde gemeentelijke heffingen bij de verkoop van het appartement zullen worden verrekend.

De rechtbank oordeelt dat [persoon A] tot aan de verkoop van het appartement de gemeentelijke heffingen zal blijven betalen. Na verkoop van het appartement zullen die betalingen moeten worden verrekend.

Hypotheek, hypotheekrenteaftrek en kapitaalverzekering

4.10

Tijdens de mondelinge behandeling op 19 februari 2021 hebben partijen de afspraak gemaakt dat [persoon B] bij akte een overzicht zou verstrekken van de bedragen die zij vanaf 9 mei 2014 terzake van hypotheek en levensverzekering heeft betaald en de belastingteruggaaf die zij terzake van betaalde hypotheekrente heeft genoten, althans heeft kunnen genieten. Tevens zou zij [persoon A] informeren over de aard van de levens-(/kapitaal) verzekering en nagaan of er sprake is van een contante waarde.

4.11

Ter nakoming van die afspraak heeft [persoon B] een ‘overzicht betalingen van uw hypotheek’ van ABN-AMRO bank d.d. 23 maart 2021 overgelegd. Terzake de hypotheekrenteaftrek heeft [persoon B] bij brief d.d. 17 maart 2021 verklaard dat zij de afgelopen jaren geen aanspraak heeft gemaakt op de fiscale voorziening in de vorm van renteaftrek, maar wel met haar financiële adviseur de afspraak te hebben gemaakt om over de voorgaande jaren alsnog te opteren voor de renteaftrek. Omdat de rechtbank nog steeds niet beschikt over deze informatie, wordt [persoon B] alsnog in de gelegenheid gesteld bij akte een opgave te doen van de renteaftrek.

Terzake de kapitaalverzekering heeft [persoon B] verklaard dat deze na opname door [persoon A] niet meer is voorzien van premiebetalingen. Nu [persoon A] niet heeft weersproken dat thans geen sprake is van opgebouwd kapitaal, behoeft dit onderdeel geen bespreking meer. Mocht na verkoop van het appartement alsnog een bedrag aan levens-/kapitaalverzekering worden uitgekeerd, dan dient dat bedrag bij helfte te worden verdeeld.

Verhuur appartement [adres] , Rotterdam

4.12

[persoon A] stelt dat [persoon B] al jaren huurpenningen ontvangt, terwijl hij financieel niets verkrijgt uit de woning. Hij stelt hiertoe, onder overlegging van een huurdersverklaring, dat [persoon B] korte tijd na de echtscheidingsprocedure samen met [voornaam minderjarige] vanuit het appartement is verhuisd en het appartement zonder zijn medeweten en toestemming heeft verhuurd. [persoon B] heeft hem evenmin op de hoogte gesteld van het gratis verblijf van haar ouders in het appartement.

4.13

[persoon B] betwist dat zij het appartement heeft verhuurd. Nadat zij het appartement in juni 2017 heeft verlaten, heeft het leeggestaan. De huurder waar [persoon A] op doelt zou een oud-personeelslid van haar vader zijn, die met haar toestemming het appartement tot 1 september 2020 als postadres gebruikte.

Tijdens de mondelinge behandeling op 19 februari 2021 heeft [persoon B] erkend dat haar ouders tijdelijk in het appartement verbleven. Tijdens de voortgezette mondelinge behandeling op 28 mei 2021 is gebleken dat de ouders van [persoon B] het appartement inmiddels hebben verlaten.

4.14

Partijen houdt echter nog verdeeld of [persoon B] het appartement de afgelopen jaren heeft verhuurd. Tegenover de gemotiveerde betwisting van [persoon B] rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op [persoon A] de bewijslast van zijn stelling dat [persoon B] na de peildatum het appartement heeft verhuurd en inkomsten uit verhuur van het appartement heeft ontvangen.

De door [persoon A] overgelegde huurdersverklaring d.d. 9 december 2020 is daartoe onvoldoende. [persoon A] zal daarom tot bewijslevering worden toegelaten.

Gebruiksvergoeding

4.15

Bij de berekening van de gebruiksvergoeding heeft [persoon A] aansluiting gezocht bij de helft van de hypotheeklasten en de huuropbrengsten, zijnde minimaal € 750,- netto per maand. In afwachting van de uitkomst van de bewijsvoering zal de beslissing over de gebruiksvergoeding worden aangehouden.

Reconventie

4.16

Het onder 1 gevorderde zal, nu geoordeeld wordt dat het appartement zal moeten worden verkocht, worden afgewezen. De beslissing over het onder 2 gevorderde zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank:

In conventie en in reconventie:

5.1

stelt vast dat als peildatum voor het vaststellen van de huwelijksgoederengemeenschap uitgegaan wordt van 9 mei 2014, de datum van inschrijving van de beschikking van 10 februari 2014 van deze rechtbank waarbij de echtscheiding is uitgesproken;

5.2

veroordeelt [persoon B] om, binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, haar medewerking te verlenen aan de ondertekening van de opdracht, strekkende tot het in de verkoop brengen van het appartement via Van Kleef NVM Makelaars te Rotterdam, een en ander op straffe van een dwangsom van € 150,- per dag met een maximum van € 15.000,-;

5.3

verleent [persoon A] vervangende toestemming om, indien [persoon B] in gebreke blijft aan de veroordeling onder 5.1 te voldoen, die handelingen te verrichten die nodig zijn voor een zo spoedig mogelijke verkoop van het appartement, alsmede om de levering en overdracht bij notariële akte te bewerkstelligen, waarbij de vervangende toestemming van de rechtbank in de plaats treedt van de toestemming of medewerking van [persoon B] ;

5.4

machtigt [persoon A] om het appartement te gelde te maken tegen een prijs zoals geboden zal worden op een door Van Kleef NVM Makelaars vast te stellen marktconforme vraag- en laatprijs, dan wel via een verkoop bij opbod, tegen de hoogste prijs die alsdan geboden zal zijn, waarbij de netto verkoopopbrengst alsmede de eventuele contante waarde van de levens-/kapitaalverzekering bij helfte dienen te worden verdeeld;

5.5

veroordeelt [persoon B] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van het appartement, waaronder onder meer begrepen afgifte van een sleutel aan Van Kleef NVM Makelaars ten behoeve van bezichtiging door potentiële kopers en het leeg en schoon opleveren van het appartement, waarbij een eventuele netto-opbrengst voor rekening zal moeten komen van partijen bij helfte, een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat [persoon B] geen uitvoering geeft aan het vonnis na betekening, tot een maximum van € 25.000,-;

5.6

laat [persoon A] toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [persoon B] na peildatum het appartement heeft verhuurd en inkomsten uit verhuur van het appartement heeft ontvangen;

5.7

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 8 september 2021 voor uitlating door [persoon A] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;

5.8

bepaalt dat [persoon A] , indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken over wil leggen, die stukken direct in het geding moet brengen;

5.9

bepaalt dat [persoon A] , indien hij getuigen wil laten horen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - Administratie handel en haven, afdeling planningsadministratie, kamer E13.31, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, de namens hem te horen getuigen en de verhinderdagen van de getuigen, alle partijen en hun advocaten in de maanden oktober 2021 tot en met januari 2022 moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zal worden bepaald;

5.10

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. G.A.F.M. Wouters in het gerechtsgebouw te Dordrecht, Steegoversloot 36;

5.11

bepaalt dat beide partijen uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen;

5.12

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 22 september 2021 voor het indienen van een akte aan de zijde van [persoon B] zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.11. Hierna zal [persoon A] in de gelegenheid worden gesteld een antwoordakte in te dienen;

5.13

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.14

houdt iedere verdere beslissing aan.

In reconventie:

5.15

wijst het onder 1 gevorderde af;

5.16

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, rechter, en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter.

452

1 HR 9 juli 2004, ECLI:HR:2004:AO7817.