Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:9297

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-08-2021
Datum publicatie
29-09-2021
Zaaknummer
FT EA 21/489 en FT EA 21/490
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing dwangakkoord. Schuld niet te goede trouw. Fraudevordering.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer 1] - [nummer 2]

uitspraakdatum: 27 augustus 2021

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [adres]

[postcode] [woonplaats] ,

verzoekster.

1. De procedure

Verzoekster heeft op 14 april 2021, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een aantal schuldeisers, te weten:

  • -

    de gemeente Rotterdam;

  • -

    de heer [persoon A] , vertegenwoordigd door Advocatenkantoor Van Ommeren

(hierna: [persoon A] );

- Uitvaartcentrum Zuid, vertegenwoordigd door GGN Mastering Credit

(hierna: Uitvaartcentrum Zuid),

die weigeren mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

De gemeente Rotterdam, [persoon A] en Uitvaartcentrum Zuid hebben voorafgaand aan de zitting elk een verweerschrift toegezonden. Zij hebben in hun verweerschriften te kennen gegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.

Ter zitting van 20 augustus 2021 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoekster;

  • -

    mevrouw [persoon B] , werkzaam bij de [naam bank]

(hierna: schuldhulpverlening).

Na afloop van de zitting heeft schuldhulpverlening de medische stukken van verzoekster naar de rechtbank toegezonden.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift dertien schuldeisers, met drie preferente en dertien concurrente vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 35.797,95 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 15 december 2020 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 8,99% aan de preferente schuldeisers en 4,49% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.

De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering. Zij heeft voor het laatst betaalde arbeid verricht in 2012. Zij krijgt begeleiding van het ETF team van de gemeente Rotterdam en van de stichting Dock.

Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd.

Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.

In de nagezonden medische stukken van verzoekster – dit betreft een onafhankelijk medisch advies over de functionele mogelijkheden van verzoekster om te participeren op de arbeidsmarkt – staat dat verzoekster op lichamelijke en geestelijke gronden gedeeltelijk arbeidsgeschikt is (maximaal 20 uur per week) voor betaalde arbeid.

Negen schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. De gemeente Rotterdam, [persoon A] en Uitvaartcentrum Zuid stemmen hier niet mee in. Zij hebben vorderingen van in totaal € 22.872,42, welke 63,89% van de totale schuldenlast belopen.

3. Het verweer

In haar verweerschrift heeft de gemeente Rotterdam gesteld dat zij niet akkoord gaat met de aangeboden regeling omdat voorliggende vorderingen dateren van ná 1 januari 2013 en, conform gemeentebeleid, niet meegenomen mogen worden tegen finale kwijting. Op deze vorderingen zijn artikel 60c van de Participatiewet (hierna: Pw) van toepassing, omdat verzoekster haar inlichtingenplicht niet volledig is nagekomen.

In haar verweerschrift heeft Uitvaartcentrum Zuid aangevoerd dat de vordering van verzoekster niet te goeder trouw is ontstaan. Verder staat het aanbod niet in verhouding tot de totale vordering. In de visie van Uitvaartcentrum Zuid heeft verzoekster voorts niet het maximaal haalbare aangeboden. De aangeboden regeling is gebaseerd op de verdiensten vanuit de Participatiewet, terwijl niet is gesteld of gebleken dat verzoekster in de toekomst niet meer zou kunnen gaan verdienen.

In zijn verweerschrift heeft [persoon A] –kort samengevat– aangevoerd dat de vorderingen niet te goeder trouw zijn ontstaan. [persoon A] is vanaf 2013 het financieel slachtoffer van verzoekster. Hij is door haar handelwijze in de financiële problemen gekomen.

Hoewel behoorlijk opgeroepen hebben de gemeente Rotterdam, [persoon A] en Uitvaartcentrum Zuid geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunten ter zitting toe te lichten.

4. De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van de gemeente Rotterdam, [persoon A] en Uitvaartcentrum Zuid bij hun weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of de gemeente Rotterdam, [persoon A] en Uitvaartcentrum Zuid in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vorderingen van de gemeente Rotterdam, [persoon A] en Uitvaartcentrum Zuid weliswaar een aanzienlijk aandeel vormen in de totale schuldenlast van 63,89%, maar dat negen van de twaalf schuldeisers wel akkoord zijn gegaan met de aangeboden regeling.

De rechtbank stelt verder vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten de [naam bank] . Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.

De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster al negen jaar niet beschikt over betaald werk. Verzoeker is wegens haar geestelijke en lichamelijke gezondheid in staat om voor slechts maximaal 20 uur per week aangepaste arbeid te verrichten. De rechtbank deelt – op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting – de overtuiging van schuldhulpverlening dat het zeer lastig zal zijn voor verzoekster om een betaalde (aangepaste) parttime baan te vinden en – in het geval zij die baan wel zou vinden – daarmee een inkomen te verwerven dat hoger is dan haar huidige inkomen. Voldoende aannemelijk is dus geworden dat verzoekster in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan haar huidige inkomen. Het aangeboden saneringskrediet is derhalve het maximaal haalbare.

De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van [persoon A] en Uitvaartcentrum Zuid in beginsel niet te goeder trouw zijn ontstaan. Echter vormt het ontbreken van de goede trouw in dit geval geen aanleiding om een verzoek tot toepassing van een gedwongen schuldregeling af te wijzen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de persoonlijke omstandigheden van verzoekster en de omstandigheid dat haar financiële situatie nu al enige tijd stabiel is.

Ten aanzien van hetgeen de gemeente Rotterdam heeft aangevoerd, namelijk dat zij op grond van artikel 60c Participatiewet niet kan meewerken aan een minnelijke regeling tegen finale kwijting, is de rechtbank van oordeel dat dit onverlet laat dat de rechtbank haar op grond van artikel 287a Faillissementswet kan bevelen om met het voorstel in te stemmen na een weging van de belangen van de gemeente Rotterdam enerzijds en de overige schuldeisers en verzoekster anderzijds. Immers, dit artikel kent geen bijzondere positie toe aan bepaalde schuldeisers.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van de gemeente Rotterdam, [persoon A] en Uitvaartcentrum Zuid, die geweigerd hebben in te stemmen.

Het verzoek om de gemeente Rotterdam, [persoon A] en Uitvaartcentrum Zuid te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen. De gemeente Rotterdam, [persoon A] en Uitvaartcentrum Zuid zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen, zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank:

- beveelt de gemeente Rotterdam, [persoon A] en Uitvaartcentrum Zuid om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;

- veroordeelt de gemeente Rotterdam, [persoon A] en Uitvaartcentrum Zuid in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van mr. A.A. Dadzie, griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2021. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.