Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:914

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-02-2021
Datum publicatie
08-02-2021
Zaaknummer
C/10/589812 / HA ZA 20-72
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hogeschool aansprakelijk. Geen stageplaats studenten. Schending artikel 7.4 lid 2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Schadestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/589812 / HA ZA 20-72

Vonnis van 3 februari 2021

in de zaak van

1. [naam eiser 1] ,

wonende te [woonplaats eiser 1] ,

2. [naam eiser 2],

wonende te [woonplaats eiser 2] ,

3. [naam eiser 3],

wonende te [woonplaats eiser 3] ,

4. [naam eiser 4],

wonende te [woonplaats eiser 4] ,

eisers,

advocaat mr. R.J.C. Bindels,

tegen

de stichting

HOGESCHOOL ROTTERDAM,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. H.T. Verhaar te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Eisers en Hogeschool Rotterdam genoemd worden. Afzonderlijk zullen Eisers [naam eiser 1] , [naam eiser 2] , [naam eiser 3] en [naam eiser 4] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek;

  • -

    het proces-verbaal van de op 15 december 2020 gehouden mondelinge behandeling, met de daarin genoemde processtukken;

  • -

    de schriftelijke reactie op het proces-verbaal van Hogeschool Rotterdam van 23 december 2020;

  • -

    het bericht van Eisers van 7 januari 2021 dat geen schikking tussen partijen is bereikt;

  • -

    het bericht van Hogeschool Rotterdam van 7 januari 2021 met de bevestiging dat geen schikking tussen partijen is bereikt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Hogeschool Rotterdam verzorgt sinds het studiejaar 2012-2013 de 4-jarige opleiding Bachelor Medische Hulpverlening (BMH). Binnen Hogeschool Rotterdam wordt de BMH-opleiding verzorgd door het Instituut voor Gezondheidszorg.

2.2.

De BMH-opleiding werd in Nederland voor het eerst aangeboden in het studiejaar 2010-2011 door de Hogeschool Arnhem Nijmegen (HAN) en de Hogeschool Utrecht (HU). In 2011 hebben zowel HAN als HU een numerus fixus ingevoerd voor de BMH-studie in verband met een voorzien tekort aan stageplaatsen voor de BMH-studenten.

2.3.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft bij besluit van 29 september 2011 ingestemd met het toenmalige voornemen van Hogeschool Rotterdam om de BMH-opleiding als bekostigde opleiding te gaan verzorgen in Rotterdam. Van dit besluit maakt onderdeel uit een advies van 7 september 2011 van de Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs (CDHO). In dit advies staat onder meer:

“De commissie is van mening dat deze opleiding bijdraagt aan een door de Rijksoverheid erkende behoefte op het terrein van de gezondheidszorg, waarvoor de Rijksoverheid een bijzondere verantwoordelijkheid op stelselniveau draagt. Het Zorg innovatieplatform heeft het Kabinet in november 2009 gewezen op de toenemende tekorten aan hoger opgeleiden in de zorg op de langere termijn. Ook het Sociaal Cultureel Planbureau heeft met zijn rapport Zorgen voor zorg van september 2010 het dreigende tekort in de gezondheidszorg onder de aandacht gebracht van het Kabinet. De huidige inservice-opleidingen blijken zowel kwantitatief als kwalitatief onvoldoende in staat te zijn in de toekomstige zorgbehoefte te voorzien. De Minister van VWS heeft in de beleidsbrief Zorg die Werkt van 26 januari 2011 als beleidsdoelstelling genoemd het creëren van meer carrièremogelijkheden voor studenten in de gezondheidszorg. De opleiding medische hulpverlening lijkt hierop in te spelen doordat de doorlooptijd voor studenten tot het afstuderen in vergelijking met de bestaande inservice-opleidingen korter wordt en ook andere doelgroepen aantrekt (allochtonen en jongens) die te weinig instromen in de zorg. De noodzaak voor employability voor deze twee groepen in de zorgsector is in de afgelopen jaren meerdere malen benadrukt door zowel de SER als de Raad voor Werk en Inkomen.

Het departement van VWS, Directie Macro-Economische Vraagstukken en Arbeidsvoorwaardenbeleid, heeft op verzoek van de commissie de toegevoegde waarde van de bacheloropleiding Medische Hulpverlening gelet op de te verwachten, dan wel reeds aanwezige arbeidsmarkttekorten in de zorg, bij e-mail van 5 juli 2011 nogmaals onderschreven. In lijn met de commissieadviezen terzake van de eerste twee opleidingen Medische Hulpverlening stelt de commissie vast dat onderhavige derde opleiding voldoet aan voorwaarde b van de Beleidsregel. De commissie stelt tegelijk vast dat de Minister van VWS zich nog niet concreet heeft uitgesproken over de vraag of hij op langere termijn van mening is dat deze opleiding aantoonbaar bijdraagt aan een door de Rijksoverheid erkende behoefte. Wil er mogelijk sprake zijn van een verdere uitrol van deze opleiding naar de toekomst toe dan acht de commissie beleidsmatige uitspraken van de Minister van VWS over deze opleiding noodzakelijk. De commissie zal derhalve bij vergelijkbare initiatieven geen positief advies meer uitbrengen ten aanzien van voorwaarde b, totdat de Minister van VWS zich duidelijk heeft uitgesproken over de toekomstige relevantie van deze opleiding in relatie tot het beleid van de Rijksoverheid op dit gebied. De Raad voor Volksgezondheid & Zorg beschreef in haar recente advies Bekwaam is bevoegd van april 2011 de opleiding Medische Hulpverlening. De Minister zal eerst bij de evaluatie van de Wet BIG in de Tweede Kamer in het jaar 2011/2012 inhoudelijk reageren op dit advies. Dit is naar het oordeel van de commissie een geschikt moment waarin genoemde beleidsmatige steun bevestigd en verdiept zou kunnen worden.”

2.4.

Hogeschool Rotterdam heeft voor het verzorgen van de BMH-opleiding (ook) goedkeuring verkregen van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO, een organisatie die nieuwe opleidingen in het hoger onderwijs accrediteert). Dat is geschied bij besluit van de NVAO van 27 april 2012. Het besluit is genomen in aansluiting op een positief paneladvies. In het besluit staat onder meer:

Bevindingen

De NVAO stelt vast dat in het paneladvies deugdelijk en kenbaar is gemotiveerd op welke gronden het panel de kwaliteit van de opleiding voldoende heeft bevonden.

Advies panel

[…]

De opleiding heeft aangegeven de instroom van studenten te willen beperken om de kwaliteit van de opleiding en de aanwezigheid van voldoende stageplekken te kunnen garanderen. Het panel vindt dit een verstandig besluit.”

2.5.

Bij dit besluit is een schema gevoegd. Daarin staat onder meer:

“Pagina 4 van 5 Bijlage 1: Schematisch overzicht oordelen panel

Onderwerp

Standaarden

Oordeel

1 […]

V

2 […]

V

3 […]

V

4 Afstudeergarantie en

financiële voorzieningen

4. De instelling geeft aan studenten de garantie dat het

programma volledig kan worden doorlopen en stelt

toereikende financiële voorzieningen beschikbaar

V

Algemene conclusie

V

V - voldoende O = onvoldoende”

2.6.

In het paneladvies staat onder meer:

Voorzieningen

Om kwalitatief goed onderwijs te kunnen garanderen is de opleiding voornemens om de instroom van studenten te beperken. Zij zijn van plan low profile te werven en de docenten gaan (eventueel samen met vertegenwoordigers van het werkveld) instroomgesprekken voeren met alle studenten die zich aanmelden. Zo kunnen studenten zich een beter beeld vormen van de opleiding. De HR geeft aan dat ongeveer 10 % van de aspirant-studenten zijn keuze naar aanleiding van het gesprek heroverweegt. De instroomgesprekken beogen ervoor te zorgen dat alleen gemotiveerde studenten starten met BMH. Tevens heeft het panel kennisgenomen van het voornemen tot het instellen van een numerus fixus.”

[…]

4.4

Afstudeergarantie en financiële voorzieningen

4.4.1

Standaard 4

De instelling geeft aan studenten de garantie dat het programma volledig kan worden doorlopen en stelt toereikende financiële voorzieningen beschikbaar.

Bevindingen

De HR heeft verklaard garant te zullen staan voor de kwaliteit en continuïteit van de hbo bachelor Medische Hulpverlening. De opleiding wordt ingebed in een groot instituut binnen een financieel gezonde hogeschool.

De ontwikkelkosten worden uit investeringsmiddelen van de hogeschool gedekt, aanloopverliezen worden middels interne allocatie omgeslagen over alle opleidingen van de HR. Het College van Bestuur garandeert dat studenten die de opleiding aanvangen die ook in alle gevallen af zullen kunnen ronden.

De opleiding Medische Hulpverlening verwacht in het eerste jaar een instroom van ongeveer 30 studenten. Zij maken gebruik van instroomgesprekken om aspirant-studenten te begeleiden naar de juiste studie en controle te houden over het aantal aanmeldingen. Daarnaast heeft het panel kennisgenomen van het plan om vanaf het studiejaar 2013-2014 (het tweede jaar) een instellingsfixus in te stellen voor de opleiding.

Overwegingen

De opleiding gaat gebruik maken van een instellingsfixus en numerus fixus die er voor zorgen dat de instroom niet te groot wordt. Mede hierdoor zijn de investeringen te overzien. Alle studenten die starten met de opleiding Medische Hulpverlening worden in staat gesteld deze af te ronden. Het College van Bestuur staat hiervoor garant. Het panel beoordeelt standaard 4 'Afstudeergarantie en financiële voorzieningen' daarom als voldoende.”

2.7.

De HU heeft in 2012 een rapport “Kritische Reflectie Bacheloropleiding Medische Hulpverlening t.b.v. interne audit 2012” opgesteld. Daarin staat onder meer:

“In haar auditopdracht stelt de faculteit de vraag of de Bacheloropleiding Medisch Hulpverlener op dit moment aan de accreditatie-eisen voldoet en of er bedreigingen zijn die de accreditatie in 2015 in de weg staan. De opleiding is van mening dat zij sterk op weg is naar accreditatie: de beoogde eindkwalificaties (standaard 1, zie §5.1) en de leeromgeving (standaard 2, zie §5.2) zijn goed op orde.

[…]

Uit de kritische reflectie is gebleken dat de opleiding met een aantal sterktes en zwaktes te maken heeft.

Sterktes:

[…]

Zwaktes:

- Dreigend tekort aan stageplaatsen, mede als gevolg van de subsidie voor andere opleidingen vanuit het Fonds Ziekenhuisopleidingen;

- Er is op dit moment nog geen zekerheid over de juridische positionering van de medisch hulpverlener, hetgeen met name voor de ambulancezorg een potentieel probleem gaat geven voor een functionele positionering in het werkveld.

[…]

De huidige wetgeving verbiedt deze studenten om zonder toezicht en tussenkomst van een arts voorbehouden en risicovolle handelingen te verrichten. Dit kwam voor de opleiding als een verrassing, daar dit niet is gebleken uit het deskundigenrapport dat Hogeschool Utrecht heeft laten opstellen en dat geen wettelijke belemmering ziet. Het ministerie van VWS heeft ten tijde van de macrodoelmatigheidstoets aangegeven dat de voorgenomen opleiding met haar beleid strookte. Op dit moment houdt echter de Inspectie voor de Volksgezondheid onverkort aan de letter van de wet vast. Daardoor dreigen de derde- en vierdejaars stages voor de BMH-Ambulancezorg onmogelijk te worden. In opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) stelt de opleiding momenteel in samenwerking met de andere twee hogescholen en de Nederlandse Vereniging van Medisch Managers Ambulancezorg veldnormen op voor het patiëntveilig functioneren van BMH-studenten tijdens stages. Betrokken partijen streven naar een structurele oplossing voor de stagemogelijkheden van BMHers-Ambulancezorg. De opleiding beschouwt de huidige schaarste aan stageplaatsen als een serieus maar oplosbaar vraagstuk. Zij werkt samen met de directies van IVS en FG hard aan een structurele oplossing van de bovenstaande deelvraagstukken, zodat optimale randvoorwaarden voor stages ontstaan.

[…]

De opleiding is van mening dat verdere verkorting van de praktijkleerperiode geen reële optie is.”

2.8.

De Volkrant heeft op 5 juli 2012 het volgende nieuwsbericht doen uitgaan:

Medische hulpverlening, studie voor spookberoep

[…]

Ruim honderd studenten van de hbo-opleiding medisch hulpverlener aan de HAN Hogeschool in Nijmegen dreigen een studievertraging op te lopen doordat het beroep nog niet is opgenomen in het BIG-register van officiële medische beroepen. Ziekenhuizen en ambulancediensten bieden de studenten daarom geen stageplaatsen aan.”

[…]

Het personeel van de afdeling anesthesie van het Rijnstate-ziekenhuis in Arnhem stelde het afgelopen jaar wel stageplekken beschikbaar, maar ziet daar komend jaar vanaf. De ambulancedienst Gelderland-Midden 'bevriest' de stagecontracten zolang er onduidelijkheid is over de BIG-registratie. Het resultaat: voor de tweedejaarsstudenten zijn 33 stageplaatsen gevonden terwijl er 180 nodig zijn. Voor het derde jaar zijn 13 van de 35 stageplaatsen beschikbaar.”

2.9.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft op 28 september 2012, mede namens de staatssecretaris van OCW, onder meer het volgende geantwoord op Kamervragen over de door de Volkskrant aangeroerde kwestie:

“2. Hoe kan het dat een sector om een bepaalde opleiding vraagt en vervolgens geen stageplaatsen kan of wil aanbieden?

2.

De ziekenhuizen hebben bij de ontwikkeling van de opleiding medisch hulpverlener aangegeven dat zij behoefte hebben aan deze opleiding en zijn enthousiast over de opleiding medisch hulpverlener.

De sector geeft aan dat de nieuw opgeleiden nog wel plaats moeten vinden op de werkvloer. Nu het aantal aanmeldingen van studenten voor deze opleiding de verwachtingen overtreft, is het ingewikkelder geworden. Het aantal aangeboden stageplaatsen is daarmee onvoldoende voor het aantal studenten. De hogescholen en het werkveld hebben elk jaar overleg over het aantal toe te laten studenten. Afgelopen jaar is de instroom van het aantal studenten van 90 plaatsen naar 75 plaatsen teruggebracht. Voor de ambulancesector en de spoedeisende hulp in de ziekenhuizen is daarbij het vraagstuk van de juridische inbedding van de afgestudeerden van de opleiding medisch hulpverlener rond de bevoegdheden in de voorbehouden handelingen relevant. Daarover wordt met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de hogescholen, de ziekenhuizen en de ambulancesector gesproken, met als doel op zo kort mogelijke termijn doch in ieder geval (ruim) voordat de studenten zijn afgestudeerd en de arbeidsmarkt betreden, zij een volwaardig eigenstandig beroep in de zorg kunnen uitoefenen. Hierbij is, voor zover mogelijk, een breed gedragen advies vanuit de sector noodzakelijk.

3. Deelt u de mening dat de student nu de dupe wordt en het tekort aan medisch hulpverleners niet slinkt en dat deze situatie ongewenst is? Zo nee, waarom niet? Zo ja. Wat gaat u doen om dit probleem voor de student zo snel mogelijk op te lossen?

3.

Ja, die mening deel ik. Onzekerheid voor studenten over de toekomst van de beroepsuitoefening is altijd ongewenst, ook in het geval van de opleiding medisch hulpverlener. Ik heb in de beantwoording van vraag 2 aangegeven dat het ministerie in gesprek is met het veld over de noodzaak en mogelijkheden van juridische inbedding van de afgestudeerden op de arbeidsmarkt. Om zorg te dragen voor voldoende stageplaatsen is de opleiding medisch hulpverlener vanaf het collegejaar 2012-2013 opgenomen in het Stagefonds. Het Stagefonds maakt het mogelijk dat zorginstellingen die stageplaatsen realiseren voor deze studenten een bijdrage krijgen voor de kosten van de stagebegeleiding. Ik ga er vanuit dat de opname in het Stagefonds zijn vruchten zal afwerpen wat betreft het positief beschikbaar stellen van stageplaatsen. Gelet op het feit dat de opleiding pas recent is opgenomen in het fonds zijn op dit moment hierover nog geen resultaten bekend.

De ziekenhuizen hebben tevens initiatief genomen om in samenwerking met de hogescholen zowel de inbedding als overige organisatorische problemen gezamenlijk op te pakken. Zo wordt het beroepsbeeld nader gespecificeerd en wordt binnen de zorginstellingen nader naar passende stages gezocht.”

2.10.

Eisers behoren tot de eerste lichting van de studenten die in het studiejaar 2012- 2013 bij Hogeschool Rotterdam met de BMH-opleiding zijn begonnen. In totaal zijn in dat studiejaar 118 studenten bij Hogeschool Rotterdam met de BMH-opleiding begonnen.

2.11.

In de Onderwijs- en Examenregeling (OER) van Hogeschool Rotterdam staat dat een BMH-student de navolgende stages loopt:

- in het eerste jaar een oriënterende snuffelstage,

- in het tweede jaar een stage van twee maanden,

- in het derde jaar een stage van veertig weken,

- in het vierde jaar een stage van twintig weken.

2.12.

Vanaf het studiejaar 2015/2016 staat in de OER van Hogeschool Rotterdam:

“ De drempel om ook daadwerkelijk stage te mogen lopen in het derdejaar bestaat uit de volgende twee componenten:

  • -

    Propedeuse behaald

  • -

    48 EC (van totaal 60) uit jaar 2 behaald.”

2.13. (

Het Instituut voor Gezondheidszorg van) Hogeschool Rotterdam heeft voor het schooljaar 2012 – 2013 een studiegids uitgebracht, “editie augustus 2012.” In artikel 1.6 en 1.7 van de studiegids staat dat de studiegids onder bepaalde voorwaarden kan worden gewijzigd. In deze studiegids staat ook:

"In geval van een tekort aan stageplaatsen kan de opleiding besluiten tot loting. Het Bureau Externe Betrekkingen blijft na de loting in contact met de instellingen om ook voor de uitgelote studenten een stageplaats te verkrijgen."

2.14.

In informatiefolders van Hogeschool Rotterdam over de BMH-opleiding voor de studiejaren 2012-2013 en 2014-2015 staat onder meer:

"Als medisch hulpverlener ga je als vakspecialist op hbo-niveau aan de slag. Je voert zelf medische taken uit, onder supervisie van de medisch specialist."

"Als medisch hulpverlener operatieve zorg ben je de rechterhand van de chirurg."

"Als medisch hulpverlener anesthesiologie zorg je er samen met de anesthesioloog voor dat de patiënt pijnloos geopereerd kan worden."

2.15.

Hogeschool Rotterdam heeft voor het studiejaar 2013-2014 (wel) een numerus fixus ingesteld voor BMH-studenten. In dit studiejaar zijn 60 nieuwe studenten toegelaten tot de BMH-opleiding.

2.16.

De Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) heeft in een brief van 28 november 2013, gericht aan [naam] van het ministerie van VWS en die als onderwerp heeft “Tekort stageplaatsen bij ziekenhuizen,” onder meer medegedeeld:

“Op 11 juli jl. schreef u ons een brief over het tekort aan stageplaatsen. U eindigt uw brief met de mededeling dit in een komend bestuurlijk overleg te willen agenderen. Aangezien dit nog niet is gelukt en de ontwikkelingen rond dit dossier ons zorgen baren, hecht ik eraan om schriftelijk te reageren.

In uw brief vraagt u onze aandacht voor twee verschillende groepen die ik vanwege hun geheel verschillende aard in deze brief apart wil belichten. Enerzijds gaat het om een tekort aan stageplaatsen voor Physician Assistants en Verpleegkundig Specialisten (PA/VS) en anderzijds om het gebrek aan stageplaatsen voor de Bachelor Medisch Hulpverlener (BMH).

[…]

BMH

De BMH is een geheel nieuwe opleiding waarbij nog niet duidelijk is wat de waarde is van de afgestudeerden voor het ziekenhuis. De NVZ waardeert het dat ziekenhuizen in overleg met Hogescholen experimenten starten met nieuwe opleidingen. In dat licht ondersteunen wij het besluit van de overheid om aan deze opleiding een CROHO nummer te geven, respectievelijk bekostiging via OCW en stagefonds te regelen. De kosten voor een stage zijn echter vele malen hoger dan de vergoeding uit het stagefonds (Bron: Dijk 12 onderzoek ’Beroepspraktijkvorming in het MBO'). Voor de verpleegkundige opleiding, waarbij dit ook geldt, nemen ziekenhuizen deze maatschappelijke verantwoordelijkheid omdat dit hun toekomstige werknemers zijn. Bij de BMH is de inzetbaarheid van de afgestudeerden in het zorgproces nog onduidelijk.

Dit betekent overigens niet dat ziekenhuizen hierin niet willen investeren, alleen niet in die sterke mate waarin steeds meer Hogescholen starten met deze opleiding en de explosief groeiende instroom. De NVZ adviseert u deze ontwikkeling meer gedoseerd te laten verlopen.”

2.17.

In juni 2014 heeft Het Landelijk Platform Bacheloropleiding Medische Hulpverlening, waarin diverse Hogescholen, waaronder Hogeschool Rotterdam, en Universitair Medische Centra zijn vertegenwoordigd, door middel van een “Position Paper Bachelor Medische Hulpverlening” het Ministerie van VWS verzocht om op korte termijn een wettelijke regeling voor het nieuwe beroep BMH te treffen. Zij adviseert de minister om de BMH, analoog aan de regeling voor verpleegkundige beroepen, volgens artikel 3 Wet BIG (Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg) met functioneel zelfstandige bevoegdheid te regelen. Verder adviseert zij om op korte termijn voor de BMH een overgangsregeling te treffen zodat deze gerechtigd is tot het indiceren en verrichten van een aantal omschreven ‘voorbehouden handelingen’ (in de zin van Hoofdstuk IV van de Wet BIG).

2.18.

In deze Position paper staat onder meer:

“ […]

4. Huidige situatie

[…]

Momenteel staan ongeveer 500 BMH-studenten bij de drie hogescholen ingeschreven. Hoewel er de afgelopen jaren meer dan duizend aanmeldingen waren, hanteren de hogescholen een numerus fixus, enerzijds omdat het werkveld nog terughoudend is met stageplaatsen en anderzijds omdat de voorspelde arbeidsmarktkrapte vooralsnog uitblijft (zie het onderzoek van Brouwer uit 2013). De opleidingen hebben inmiddels, mede gestimuleerd door het werkveld en gesteund door de overheid, verwachtingen geschapen richting studenten en hun ouders. De eigen identiteit van de beroepsgroep is in ontwikkeling, zoals onder andere blijkt uit initiatieven om aansluiting te vinden bij de beroepsvereniging van Physician Assistants.

De eerste lichting BMH-studenten studeert dit jaar af. Het gebrek aan voldoende stageplaatsen vormt momenteel een serieuze belemmering voor de afronding van hun studie. Doordat de juiste wettelijke regeling van hun bevoegdheden ontbreekt, is op korte termijn de uitstroom richting de ambulancezorg een bijkomende belemmering.

[…]

Kortom, de actuele situatie wordt gekenmerkt door terughoudendheid bij stageverlenende instellingen. De redenen daarvoor zijn:

• Doordat een wettelijke regeling ontbreekt, hindert dat de acceptatie en uitwerking op de werkvloer, momenteel met name binnen de acute zorg, maar op termijn geldt dat voor alle vormen van taakherschikking waar de eerdergenoemde functies bij betrokken zullen worden (zie ook Gevers, 2011);

• […]”

6. Samenvatting

Op basis van bovenstaande toelichting en argumentatie verzoekt het Landelijk Platform Bacheloropleiding Medische Hulpverlening het Ministerie van VWS om op korte termijn een wettelijke regeling voor het nieuwe beroep te treffen. Dit voorkomt niet alleen maatschappelijke schade op korte termijn, maar dient vooral maatschappelijke ontwikkelingen binnen zorg en onderwijs op de langere termijn. De Bacheloropleiding Medische Hulpverlening is levensvatbaar, vertegenwoordigt een belangrijke meerwaarde voor zorg en onderwijs en sluit aan bij vigerend overheidsbeleid. Het Landelijk Platform BMH adviseert de minister om:

1. De bachelor medisch hulpverlener, analoog aan de regeling voor verpleegkundige beroepen, volgens artikel 3 (basisberoep) met functioneel zelfstandige bevoegdheid (indiceren en uitvoeren) te regelen en de Master Physician Assistant (MPA) volgens artikel 14 (specialist);

2. Op korte termijn voor de bachelor medisch hulpverlener een overgangsregeling te treffen zodat deze gerechtigd is tot het indiceren en verrichten van een aantal omschreven voorbehouden handelingen waarvoor de bekwaamheid is verworven in een landelijk geautoriseerd opleidingskader.

Komt er geen wettelijke regeling, dan betekent dit een belemmering van de doorgroei van het beroep, maar ook een belemmering op het gebied van de veiligheid van de (individuele) volksgezondheid.”

2.19.

De Minister van VWS heeft naar aanleiding van dit verzoek besloten een onderzoek te starten naar het onderbrengen van de BMH’er onder de per 1 januari 2012 in werking getreden zogenoemde experimenteer-bepaling van artikel 36a Wet BIG.

2.20.

Bij e-mail van 18 december 2014 heeft de stagecoördinator van Hogeschool Rotterdam aan een aantal BMH-studenten medegedeeld:

“ De afgelopen weken hebben we alle ziekenhuizen die op reisafstand zijn van rotterdam eo gebeld, gemaild, nog eens gebeld en nog eens gemaild. Helaas heeft dit nog niet veel opgeleverd. Wat nog loopt is het Slotervaart ziekenhuis in Amsterdam en het Lange Land ziekenhuis in Zoetermeer. Daarvan weet ik pas eind januari/begin februari hoe of wat.

Mijn plan is om na de kerstvakantie een "noodmail" de deur uit te doen naar alle ziekenhuizen (die we dus al benaderd hebben) als ultieme poging.

Ik leef met jullie mee en heb er ook mijn grote zorgen om.”

2.21.

Bij e-mail van 9 februari 2015 heeft de stagecoördinator van Hogeschool Rotterdam aan een aantal BMH-studenten medegedeeld:

“Zoals jullie weten bestaat er momenteel een tekort aan stageplaatsen en hebben jullie vooralsnog geen stageplek. De werving gaat echter onverminderd door. De onderwijsmanager bespreekt dit met de directie en zal jullie berichten over het "wat als" (jullie geen stage kunnen lopen dit jaar) scenario.

Het beleid dat we nu als gevolg van de schaarste hanteren bij de verdeling van stageplekken die nu geworven worden is de volgende (ook voor eerste en tweede jaars);

Er wordt gekeken naar het aantal studiepunten behaald in de hoofdfase op het moment van vrijkomen stageplaats en tevens wordt dan na gevraagd bij de collega's naar aanwezigheid en inzet tijdens de lessen.

Degene met de meeste studiepunten icm inzet en aanwezigheid in de lessen krijgen de eerste voorkeur.”

2.22.

Bij besluit van 5 april 2017 houdende regels inzake de opleiding, deskundigheid en tijdelijke zelfstandige bevoegdheid tot het verrichten van voorbehouden handelingen van de bachelor medisch hulpverlener, in werking getreden op 1 mei 2017, is de BMH’er in het kader van artikel 36a Wet BIG tijdelijk de zelfstandige bevoegdheid toegekend om (bepaalde aangewezen) voorbehouden handelingen te verrichten (Tijdelijk besluit zelfstandige bevoegdheid bachelor medisch hulpverlener, Stb. 2017, 162).

2.23.

Eisers hebben meerdere gesprekken over door hen geleden schade gevoerd met Hogeschool Rotterdam. Ook hebben Eisers Hogeschool Rotterdam schriftelijk aansprakelijk gesteld voor deze schade. Hogeschool Rotterdam heeft de aansprakelijkheid niet erkend.

3. De vordering en het verweer

3.1.

Eisers vorderen, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:

- te verklaren voor recht dat Hogeschool Rotterdam onzorgvuldig jegens ‘de BMH-studenten’ heeft gehandeld;

- Hogeschool Rotterdam te veroordelen tot betaling aan ieder van Eisers van een voorschot op schadevergoeding, dit voorschot variërend per Eiser van € 23.567 tot € 40.400;

- Hogeschool Rotterdam te veroordelen tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten;

- Hogeschool Rotterdam te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Hogeschool Rotterdam voert verweer tegen de vordering. Het verweer van Hogeschool Rotterdam strekt ertoe om, bij uitvoerbaar verklaard vonnis, Eisers niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, althans alle vorderingen af te wijzen, met veroordeling van Eisers in de proceskosten inclusief nakosten, deze kosten te vermeerderen met de wettelijke rente.

4. De beoordeling

4.1.

Eisers hebben aan hun vorderingen, kort gezegd, het volgende ten grondslag gelegd: de BMH-studies van Eisers liepen/ lopen aanmerkelijke vertraging op wegens een groot gebrek aan stageplaatsen in het derde en vierde jaar. Daardoor konden/ kunnen Eisers pas veel later afstuderen dan in de nominale duur van 4 jaar. Dat is toerekenbaar aan Hogeschool Rotterdam. Hogeschool Rotterdam moest voor voldoende stageplaatsen zorgen. Dat is niet gelukt. Hogeschool Rotterdam wist op het moment dat zij met de BMH-studie begon in 2012 al dat er maar weinig stageplaatsen beschikbaar zouden zijn. Toch heeft Hogeschool Rotterdam de BMH-studenten massaal laten instromen. Er is niet tijdig en duidelijk gewaarschuwd voor het risico van een komend gebrek aan stageplaatsen.

Eisers lijden ook schade omdat de BMH-opleiding onvoldoende aansluit op de eisen van de arbeidsmarkt. De BIG-registratie van een opgeleide BMH’er is niet goed geregeld. Bij gebreke van een wettelijke bevoegdheid om een aantal medische handelingen te mogen verrichten zijn BMH’ers weinig populair als stagiair en, na hun afstuderen, bij potentiële werkgevers. Eisers zijn in feite opgeleid voor een waardeloos diploma.

Eisers baseren hun vordering op wanprestatie, onrechtmatige daad en dwaling. Eisers leggen een lijst over met namen van andere BMH-studenten van Hogeschool Rotterdam die dezelfde schade lijden als Eisers.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat Hogeschool Rotterdam wanprestatie heeft gepleegd jegens Eisers. Hogeschool Rotterdam is daarom schadeplichtig jegens Eisers. Dit oordeel berust op het volgende.

4.3.

Tussen partijen staat vast dat ieder van Eisers met Hogeschool Rotterdam een onderwijsovereenkomst heeft gesloten.

4.4.

Bij de vraag of Hogeschool Rotterdam tekort is geschoten in haar verplichtingen uit de onderwijsovereenkomst neemt de rechtbank in aanmerking dat tot één van de hoofdverplichtingen van de onderwijsovereenkomst behoort om de student in staat te stellen zonder noemenswaardige studievertraging de studie te kunnen afronden en in beginsel in aanmerking te laten komen voor de functies waarvoor de BMH opleidt.

In artikel 7.4. lid 2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) wordt de plicht om te zorgen dat de student tijdig zijn studie kan afronden als volgt verwoord:

“2 Een opleiding wordt zodanig ingericht dat een student in staat is het aantal studiepunten te behalen waarop de studielast voor een studiejaar gebaseerd is.”

4.5.

Hogeschool Rotterdam heeft deze hoofdverplichting onvoldoende in acht genomen. Op het moment dat Hogeschool Rotterdam begon met deze opleiding behoorde zij - op grond van de ervaringen die al waren opgedaan door de HAN en de HU en op basis van beschikbare informatie (zoals hiervoor in dit vonnis aangehaald onder De feiten) - te weten dat er een behoorlijk risico was dat zich in het derde en vierde studiejaar problemen met het vinden van voldoende geschikte stageplaatsen zouden gaan voordoen. Er was zelfs al een numerus fixus ingevoerd door de HAN en de HU vanwege het voorziene tekort aan stageplaatsen. Hogeschool Rotterdam heeft er niettemin voor gekozen de opleiding te beginnen. Zij heeft voorts een groter aantal studenten toegelaten dan met het oog op te verwachten stageproblematiek wenselijk was. Zij had het in haar macht gehad om boven een bepaald aantal het inschrijven van nog meer studenten te ontmoedigen, en tevens om de studenten indringend te wijzen op de risico’s. Dat heeft zij niet gedaan.

De rechtbank stelt vast dat Hogeschool Rotterdam in het kader van de verkrijging van accreditatie door de NVAO de verwachting heeft uitgesproken dat (maar) 30 studenten zouden instromen het eerste jaar. Dat blijken er (maar liefst) 118 te zijn geworden. En in het daaropvolgende jaar zijn er ook nog 60 nieuwe studenten toegelaten tot de BMH-studie. Hogeschool Rotterdam heeft de instroom onvoldoende gemonitord en onvoldoende beperkt en ontmoedigd. Het oordeel daarover wordt niet anders indien wordt meegewogen dat Hogeschool Rotterdam ervan uit mocht gaan dat een deel van de studenten in de eerste twee studiejaren reeds studievertraging zou oplopen zodat niet alle instromende studenten in het derde studiejaar gelijktijdig aan een geschikte stageplaats geholpen zouden moeten worden.

Hogeschool Rotterdam voert aan dat zij een numerus fixus niet kón invoeren omdat eerst moet blijken hoog de instroom aan studenten is nadat de opleiding is begonnen. Dit verweer faalt. Ook zonder reeds bij aanvang van de nieuwe opleiding een numerus fixus te hanteren, lag het binnen de mogelijkheden van Hogeschool Rotterdam om adequate maatregelen te treffen teneinde het daarheen te leiden dat niet van aanvang af een onwenselijk groot aantal studenten zou instromen. Hogeschool Rotterdam heeft dat ter zitting desgevraagd ook niet weersproken.

De voorzienbare problemen hebben zich gerealiseerd. De stages van het derde en vierde studiejaar dienden aanzienlijk te worden ingekort (bijvoorbeeld van veertig naar tien weken in het derde leerjaar en van twintig weken vier dagen per week naar twintig weken twee dagen per week) om alsnog zoveel mogelijk plekken te kunnen aanbieden aan het relatief grote aantal studenten. Het is Eisers daardoor erg moeilijk gemaakt om de opleiding te kunnen doorlopen zonder (extra) studievertraging als gevolg van de stageproblematiek op te lopen. De specifieke problemen die Eisers daardoor hebben ondervonden, zoals ter zitting besproken en in het proces-verbaal weergegeven, zijn niet voldoende weersproken. De Hogeschool Rotterdam is tekortgeschoten in de verbintenissen die ook in haar eigen visie jegens Eisers op haar rustten. Dat er ook sprake is van studievertraging die tot de verantwoordelijkheid van Eisers of hun risicosfeer behoort (het eigen schuld-verweer van Hogeschool Rotterdam) maakt dat niet anders. Hetzelfde geldt voor de stellingen van Hogeschool Rotterdam die erop neerkomen dat zij zich ervoor heeft ingespannen om zo goed mogelijk om te gaan met de schaarste en om Eisers voor zover mogelijk alternatieven te bieden (zoals een stage vervangend traject). Die inspanningen hebben in de visie van de rechtbank niet tot een voldoende resultaat geleid, hooguit tot een beperking van de schade die door juist door het aanvankelijk tekortschieten van Hogeschool Rotterdam werd veroorzaakt. Anders gezegd: Hogeschool Rotterdam probeerde terecht maatregelen te treffen en haar verantwoordelijkheid te nemen, maar daarmee heeft zij het aanvankelijke tekortschieten niet volledig kunnen helen.

4.6.

Een onopvallende mededeling in algemene bewoordingen in de studiegids dat er bij een tekort aan stageplaatsen geloot kan worden, is niet voldoende voor een ander oordeel. Bovendien dateert de studiegids pas van augustus 2012. Dat was net voor aanvang van de studie. Toen zullen zich al de nodige, zo niet alle studenten hebben ingeschreven. Evenmin is voor een ander oordeel voldoende een mededeling in algemene bewoordingen in de studiegids dat de inrichting van de studie kan worden gewijzigd.

4.7.

Aan het oordeel dat Hogeschool Rotterdam aansprakelijk is, dragen verder bij de bewoordingen van artikel 7.4 lid 2 WHW. Uit deze bewoordingen volgt dat het hier gaat om een resultaatsverplichting van Hogeschool Rotterdam, niet slechts om een inspanningsverplichting. Hogeschool Rotterdam moest zich niet slechts inspannen om stageplekken te trachten te regelen, maar zij moest daadwerkelijk zorgen dat de stageplekken (of een adequaat alternatief) er waren. De tekortkoming van Eisers is daarom niet alleen krachtens schuld, maar ook krachtens de wet toerekenbaar aan Hogeschool Rotterdam.

4.8.

Dat Hogeschool Rotterdam voor voldoende stages diende te zorgen volgt tevens uit haar handelwijze bij de verkrijging van haar accreditatie. In dat kader heeft Hogeschool Rotterdam aangegeven/ toegezegd dat zij de BMH-studenten de garantie zal geven dat het volledige studieprogramma kan worden doorlopen en dat de BMH-studenten in staat zullen worden gesteld de studie tijdig af te ronden. Eisers kunnen daaraan rechten ontlenen. In dit oordeel weegt mee dat bij de uitleg van de inhoud van een (onderwijs)overeenkomst de redelijkheid en billijkheid een rol spelen.

4.9.

Het ligt – eventueel na beoordeling in hoger beroep – in de rede dat partijen met elkaar in overleg treden omtrent afwikkeling van de schade voor zover er sprake is van schade die voortvloeit uit het tekortschieten van de Hogeschool Rotterdam.

4.10.

Hogeschool Rotterdam is echter niet schadeplichtig vanwege de problemen met de BIG-registratie. Het is aan de wetgever, niet aan Hogeschool Rotterdam, om te bepalen of en in welke mate iemand met een medische opleiding bevoegd is om bepaalde medische handelingen (de ‘voorbehouden handelingen’) te verrichten. Hogeschool Rotterdam is, anders dan de HAN en de HU, pas gestart met de BMH-opleiding na de bekendmaking van de inwerkingtreding van artikel 36a Wet BIG per 1 januari 2012. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur bij wijze van experiment te bepalen dat een bepaalde categorie van beroepsbeoefenaren wordt aangewezen als zijnde bevoegd tot het verrichten van in die maatregel aangewezen voorbehouden handelingen. Hogeschool Rotterdam had dus bij het aanbieden van de opleiding al zicht op (de mogelijkheid van) juridische inbedding van de BMH-opleiding.

Uit het onder De Feiten aangehaalde besluit van de staatssecretaris van OCW van 29 september 2011, en met name uit het daarin verdisconteerde advies van de CDHO, blijkt dat zowel de overheid als belangrijke organisaties in het werkveld uitgingen van nut en noodzaak van het optuigen van een BMH-opleiding. Hogeschool Rotterdam mocht daar op vertrouwen.

4.11.

Hogeschool Rotterdam heeft Eisers ook niet op het verkeerde been gezet. Hogeschool Rotterdam heeft niet bij Eisers de suggestie gewekt als zouden zij na het volgen van de BMH-opleiding medische handelingen mogen gaan verrichten die bij wet verboden blijken te zijn, althans dit valt niet af te leiden uit de stellingen van Eisers. Eventueel onjuiste verwachtingen die zijn gewekt door de HAN of de HU tegenover hun (komende) BMH-studenten, zijn niet relevant voor de verhouding tussen Hogeschool Rotterdam en Eisers. Uit de onder De feiten geciteerde informatiefolders van Hogeschool Rotterdam volgt veeleer dat zij in zoverre wel correcte informatie heeft verstrekt.

4.12.

Op zich is wel aannemelijk dat de problemen rond de BIG-registratie weinig bevorderlijk zijn geweest voor de kans op verkrijging van een stageplaats of een betaalde baan als BMH’er. Dit is echter niet voldoende om dan de hele BMH-opleiding als min of meer zinloos te kwalificeren. Dat rijmt ook niet met de onweersproken gebleven stelling van Hogeschool Rotterdam dat de advocaat van Eisers op 1 februari 2019 tijdens een bespreking met Hogeschool Rotterdam heeft verklaard dat Eisers de BMH-opleiding een topopleiding vinden. De rechtbank stelt nog vast dat Hogeschool Rotterdam zich de belangen van Eisers heeft aangetrokken door voor deze kwestie aandacht te vragen bij de bevoegd minister en dat de minister, onder toepassing van artikel 36a Wet BIG, tegemoet is gekomen aan de wensen van Eisers met het onder De feiten aangehaalde besluit van 5 april 2017.

schending klachtplicht

4.13.

Het verweer van Hogeschool Rotterdam dat niet (tijdig) is geklaagd, wordt verworpen. Voor alle betrokkenen was (destijds) duidelijk dat er een groot probleem was met het aantal stageplaatsen. De voormelde hoofdverplichting van Hogeschool Rotterdam

- om de student in staat te stellen zonder noemenswaardige vertraging de studie te kunnen afronden - ontstaat niet pas nadat daarover is geklaagd. Deze hoofdverplichting is onvoorwaardelijk, in die zin dat Hogeschool Rotterdam zich (ook) uit eigen beweging ervan moet vergewissen of er geen tekort aan stageplaatsen bestaat of dreigt te ontstaan. Of ook iedere individuele Eiser nog specifiek bij Hogeschool Rotterdam heeft geklaagd over een tekort aan stageplaatsen is in dit kader irrelevant. Klagen heeft zin als dat tot een oplossing kan leiden. Uit het verweer van Hogeschool Rotterdam valt niet af te leiden dat zij die oplossing had, integendeel.

4.14.

Voorts is het verweer niet zonder meer begrijpelijk, bezien in het licht van de - onder De feiten geciteerde - e-mailberichten van de studiecoördinator van Hogeschool Rotterdam. Die e-mailberichten lijken er toch sterk op te wijzen dat er wel degelijk is geklaagd. Van het feit dat er niet nog veel meer is geklaagd door ieder van de individuele Eisers voor zich heeft Hogeschool Rotterdam uiteraard geen nadeel ondervonden. Zij was goed bekend met de problemen die Eisers ondervonden.

voorschot op schadevergoeding/ schadestaatprocedure

4.15.

De rechter begroot, indien hij een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, in beginsel de schade in zijn vonnis voorzover hem dit mogelijk is, ook als slechts schadevergoeding op te maken bij staat is gevorderd maar voldoende is gesteld en is komen vast te staan om te kunnen veroordelen tot een bepaald bedrag. Eerst als deze begroting niet mogelijk is, spreekt hij een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat uit. De keuze daartoe maakt de rechter desnoods ambtshalve (vgl. HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2229). Voldoende voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is dat de kans op schade aannemelijk is. Dat doet zich hier voor.

4.16.

In dit geval ziet de rechtbank aanleiding de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure. In de onderhavige procedure is het debat over de omvang van de schade van ieder van Eisers onvoldoende uitgekristalliseerd. Met name is onduidelijk welk deel van de opgelopen studievertraging het (in)direct gevolg is van het gebrek aan stageplaatsen, en welk deel hoofdzakelijk aan andere oorzaken zoals een soms mindere studie-inzet van één van Eisers zelf en/of een tekortschietende prestatie van één van hen (het eigen schuld verweer). Individuele Eisers erkennen dat de studievertraging deels aan hen en in zoverre niet aan Hogeschool Rotterdam toerekenbaar is.

rechtsverwerking [naam eiser 2]

4.17.

Hogeschool Rotterdam stelt dat [naam eiser 2] haar recht heeft verwerkt om schadevergoeding te vorderen omdat Hogeschool Rotterdam haar al een vergoeding van € 3.444 heeft toegekend, want:

  • -

    Hogeschool Rotterdam heeft [naam eiser 2] een functie aangeboden als student assistent, tegen een vergoeding van € 4.300 (dit bedrag is in dupliek gecorrigeerd naar € 3.444);

  • -

    dit aanbod was bedoeld om te voorkomen dat [naam eiser 2] , die bij het Erasmus MC een onvoldoende had behaald, gedemotiveerd zou raken;

  • -

    [naam eiser 2] heeft dit aanbod aanvaard en het geld ontvangen, maar zij heeft nooit werkzaamheden verricht/hoeven te verrichten als student assistent;

  • -

    [naam eiser 2] heeft zelf verklaard dat zij het bedrag beschouwt als goedmakertje voor de studievertraging;

  • -

    er is dus een schikking getroffen met [naam eiser 2] .

4.18.

Dit verweer faalt. De vergoeding was, naar Hogeschool Rotterdam zelf erkent, bedoeld om [naam eiser 2] gemotiveerd te houden. Hogeschool Rotterdam stelt geen verklaringen en/of gedragingen op grond waarvan [naam eiser 2] heeft moeten begrijpen dat de vergoeding om een andere reden werd aangeboden, laat staan dat zij zou hebben moeten begrijpen dat zij daarmee een schadevergoeding tegen finale kwijting ontving. De vergoeding is wel van belang in het kader van het begroten van de omvang van de voor vergoeding in aanmerking komende schade.

rechtsverwerking [naam eiser 4]

4.19.

Hogeschool Rotterdam stelt dat [naam eiser 4] :

- op een ondeugdelijke wijze, namelijk slechts met een blote stelling in een productie, de grondslag van zijn vordering heeft aangevuld door de periode waarover hij studievertragingsschade vordert, in deze productie uit te breiden,

- voor de door hem opgelopen vertraging in zijn derde jaar als gevolg van zijn bestuurstaken, al is gecompenseerd vanuit het profileringsfonds van Hogeschool Rotterdam.

4.20.

De rechtbank treedt niet in de beoordeling van deze stellingen. De vraag welke studievertraging wel/niet toerekenbaar is aan Hogeschool Rotterdam, zal zoals gezegd aan de orde moeten komen in de schadestaatprocedure.

letselschade Richtlijn Studievertraging 2017

4.21.

De rechtbank zal thans niet beslissen over deze kwestie. De vraag of de schade moet worden vastgesteld aan de hand van deze richtlijn kan aan de orde komen in de schadestaatprocedure. Dat geldt ook meer in het algemeen voor de vraag welke schade in redelijkheid kan worden toegerekend aan Hogeschool Rotterdam.

voordeelstoerekening

4.22.

Ook de verweren van Hogeschool Rotterdam inzake voordeelstoerekening kunnen in de schadestaatprocedure aan de orde komen. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat bij de visie van Hogeschool Rotterdam dat Eisers hun vaardigheden hebben kunnen verbeteren in het “skills lab” waardoor zij meer waard zijn geworden voor potentiële werkgevers, niet in aanmerking lijkt te zijn genomen dat de stageproblematiek juist tot gevolg heeft gehad dat Eisers hun vaardigheden veel minder dan tevoren wenselijk werd geacht in de praktijk hebben kunnen verwerven, verbeteren en onderhouden.

schadebeperkingsplicht

4.23.

Ook het beroep dat Hogeschool Rotterdam doet op schending door Eisers van hun schadebeperkingsplicht kan in de schadestaatprocedure aan de orde komen. Opmerking verdient in dit verband dat het in de rede ligt dat Eisers er primair op waren gericht om hun studie (alsnog) zo spoedig mogelijk en met goed resultaat af te kunnen ronden. Het voorzienbare nadeel van het niet tijdig kunnen afronden van de studie met diploma zou voor hen immers ingrijpender zijn dan het voordeel van enige extra inkomsten uit (extra) verrichte werkzaamheden naast de studie.

matiging

4.24.

Hogeschool Rotterdam doet een beroep op matiging, voor het geval de rechtbank aan Eisers een schadevergoeding mocht toekennen. Een beroep op matiging van schadevergoeding moet volgens de wet worden beoordeeld met inachtneming van alle relevante concrete omstandigheden. Die omstandigheden zijn nog niet volledig bekend, nu de hoogte van de geleden schade nog niet vaststaat. Het beroep op matiging zal daarom in de schadestaatprocedure aan de orde moeten komen.

verklaring voor recht

4.25.

De gevorderde verklaring voor recht dat de Hogeschool Rotterdam onzorgvuldig heeft gehandeld is toewijsbaar, zij het dat deze niet de ruime strekking heeft die uit de tekst van de vordering zou kunnen worden begrepen. De vordering is slechts toewijsbaar jegens de BMH-studenten die in dit geding partij zijn (Eisers). De toe te wijzen verklaring voor recht geldt dus niet voor andere BMH-studenten, zoals de studenten genoemd op de lijst die Eisers bij hun dagvaarding hebben overgelegd.

buitengerechtelijke kosten

4.26.

Eisers vorderen vergoeding van gemaakte buitengerechtelijke kosten om hun vordering te incasseren. Hogeschool Rotterdam voert hiertegen het navolgende verweer: “De gemaakte kosten hebben slechts gediend ter instructie van de zaak, zij betroffen immers hoogstens drie beperkte aansprakelijkstellingen (over hetzelfde onderwerp) en twee minnelijke overleggen.” Dit ‘verweer’ is in wezen een erkenning dat Eisers buitengerechtelijke werkzaamheden hebben verricht. De rechtbank acht het redelijk dát Eisers deze werkzaamheden hebben verricht. Eisers hebben daarom recht op een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten.

4.27.

Hoe hoog deze vergoeding moet zijn, kan nu nog niet worden beoordeeld. Deze hoogte moet gerelateerd worden aan de hoogte van de schadevergoeding en die is nu nog niet bekend. Daarom dient in de schadestaatprocedure beslist te worden hoe hoog de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten moet zijn.

4.28.

Hogeschool Rotterdam zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- dagvaarding € 106,47

- griffierecht 1.639,00

- salaris advocaat 1.629,00 (3,0 punten × tarief € 543)

Totaal € 3.374,47

4.29.

De rechtbank zal het vonnis, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De rechtbank acht het belang van Eisers dat met toewijzing van dat onderdeel van de vordering is gediend, zwaarder wegen dan het tegenovergestelde belang van Hogeschool Rotterdam. Dat neemt niet weg dat de rechtbank zich zou kunnen voorstellen dat partijen ertoe besluiten om geen verdere kosten te maken en geen risico te nemen ter zake van het in rechte doen vaststellen van de omvang van de voor vergoeding in aanmerking komende schade tot zij het oordeel van de rechtbank over de aansprakelijkheid in hoger beroep hebben doen toetsen. Het is echter aan ieder van Eisers om daar een beslissing over te nemen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat Hogeschool Rotterdam onzorgvuldig jegens Eisers heeft gehandeld,

5.2.

veroordeelt Hogeschool Rotterdam tot vergoeding aan Eisers van de schade, op te maken bij staat,

5.3.

veroordeelt Hogeschool Rotterdam in de proceskosten, aan de zijde van Eisers tot op heden begroot op € 3.374,47,

5.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman. Het is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.F. Koekebakker op 3 februari 2021.

[2517/1729]