Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:913

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-02-2021
Datum publicatie
08-02-2021
Zaaknummer
C/10/604162 / HA ZA 20-878
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige uitlating; mededeling aan hoofdopdrachtgever over twijfels aan juistheid facturen opdrachtnemer; beschuldiging van fraude en opzet; bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/604162 / HA ZA 20-878

Vonnis van 3 februari 2021

in de zaak van

[naam eiser] h.o.d.n. [handelsnaam] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. P. Tijsterman te Uithoorn,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ENGIE SERVICES WEST INDUSTRIE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. L. Mundt te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [naam eiser] en Engie genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 26 augustus 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de brief van de rechtbank van 30 december 2020, houdende een zittingsagenda;

  • -

    de brief van 30 december 2020 van [naam eiser] , met aanvullende producties;

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 19 januari 2021;

  • -

    de spreekaantekeningen namens beide partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[naam eiser] is als zzp’er werkzaam in de olie en gasindustrie als “QA/QC-engineer” en inspecteur.

2.2.

Op 23 februari 2017 is een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen tussen [naam eiser] en STAR OGP Projects B.V. (hierna: Star), op grond waarvan Star [naam eiser] heeft tewerkgesteld “op locaties in de regio Rotterdam voor klanten van Engie”.

2.3.

[naam eiser] heeft zijn werkzaamheden ten behoeve van Engie uitgevoerd van 23 februari 2017 tot 10 juli 2017. Engie heeft [naam eiser] ingezet op projecten die zij in opdracht van Shell uitvoerde. De werkzaamheden van [naam eiser] bestonden uit het inspecteren van de kwaliteit van door Engie (en/of haar onderaannemers) in opdracht van Shell uitgevoerde werkzaamheden op het terrein van Shell en op andere locaties.

2.4.

Begin juli 2017 is tussen [naam eiser] en Engie een discussie ontstaan over de aantallen uren die [naam eiser] had opgegeven. Namens Engie werd in dit verband gehandeld door [naam 1] en [naam 2] .

2.5.

Engie heeft hierin aanleiding gezien haar inleningsovereenkomst met Star met onmiddellijke ingang te beëindigen. Die beëindiging heeft ertoe geleid dat ook de terbeschikkingstelling van [naam eiser] is geëindigd.

2.6.

Overleg tussen Star en Engie heeft ertoe geleid dat het aantal door [naam eiser] opgegeven uren is verminderd met 69,5. Tussen Star en Engie is op deze basis afgerekend. Discussie is gebleven over de eventuele plaatsing van [naam eiser] op een zogenoemde “zwarte lijst” bij Shell.

2.7.

Bij mail van 4 augustus 2017 heeft [naam 3] (van Shell) het volgende aan een medewerker van recruitmentbureau Progressive gemeld:

Ik heb intussen met [naam eiser] [ [naam eiser] ; toevoeging rechtbank] en [naam 1] van Engie gesproken.

Het zijn twee tegenstrijdige verhalen.

Volgens [naam 1] heeft hij een aantal weken de urenstaten van [naam eiser] gecontroleerd van werkzaamheden van binnen en buiten de poort en daar zaten onregelmatigheden in die volgens [naam 1] bewust waren gecreëerd (=fraude).

[naam eiser] geeft aan dat alles te verklaren is.

[naam 1] zegt dat een gesprek tussen hem en [naam eiser] niet zinvol is en kapt alles af.

Op deze basis kan ik niet verder gaan met [naam eiser] hoe graag ik het ook zou willen.

In het geval [naam eiser] en [naam 1] er samen uit kunnen komen wil ik het een en ander nog wel een keer overwegen, maar in de huidige situatie zie ik geen mogelijkheden om [naam eiser] als inspecteur aan te nemen.

2.8.

Star heeft, kennelijk mede ten behoeve van [naam eiser] , per mail van 10 augustus 2017 aan Engie bericht dat het volgens Shell Engie is geweest die [naam eiser] op de zwarte lijst heeft gezet en dat “het eerst opgelost moet worden zodat hij daar eventueel weer kan werken in de toekomst.” Bij mail van 10 augustus 2017 heeft Engie aan Star onder andere het volgende bericht:

Engie gaat voor alle duidelijkheid niet over de lijsten van een klant. We hebben alleen onze ervaring met Shell gedeeld omdat zij opdrachtgever zijn. Wij zijn contractueel verplicht om te melden.

Of Shell daar mogelijk actie op ondernomen heeft is niet aan ons […].

3. Het geschil

3.1.

[naam eiser] vordert samengevat - een verklaring voor recht dat Engie tegenover [naam eiser] onrechtmatig heeft gehandeld, waardoor deze schade heeft geleden, met veroordeling van Engie tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten, een en ander bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.2.

Engie voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [naam eiser] in de proceskosten, een en ander bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

4. De beoordeling

4.1.

De vordering is gebaseerd op onrechtmatige daad. In de visie van [naam eiser] heeft Engie onrechtmatig gehandeld in de discussie over de urenverantwoording in het kader van de werkzaamheden van [naam eiser] ten behoeve van Engie. Zo bezien heeft [naam eiser] dus terecht Engie in rechte betrokken. Dat de inschakeling van [naam eiser] uiteindelijk is terug te voeren op een raamovereenkomst tussen Star en de moedermaatschappij van Engie, maakt niet dat [naam eiser] deze vordering tegen die moedermaatschappij had moeten instellen. Het andersluidende standpunt van Engie wordt verworpen. [naam eiser] is ontvankelijk.

4.2.

Aan zijn vordering legt [naam eiser] ten grondslag het standpunt dat Engie over [naam eiser] jegens Shell uitlatingen heeft gedaan die ernstig beschadigend voor hem waren, terwijl voor die uitlatingen geen goede grond aanwezig was. Meer concreet meent [naam eiser] het volgende, waarbij de rechtbank zich baseert op de nadere toelichting die [naam eiser] desgevraagd op de zitting heeft gegeven. Engie heeft op enig moment twijfel gekregen over de juistheid van de door [naam eiser] opgegeven uren. Zij heeft om die reden de overeenkomst met Star inzake de inlening van [naam eiser] opgezegd en Shell daarover geïnformeerd. Die twijfels waren niet terecht: [naam eiser] kon alle uren verklaren. Niettemin heeft Engie Shell gemeld dat er onregelmatigheden waren geconstateerd in de declaraties van [naam eiser] . Daarbij heeft Engie over opzet en fraude gesproken. Engie heeft [naam eiser] daarmee in een kwaad daglicht gesteld. Deze uitlatingen zijn daarom volgens [naam eiser] onrechtmatig.

4.3.

Voor het antwoord op de vraag of een bepaalde uiting onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW, komt betekenis toe aan alle relevante omstandigheden van het geval, zoals de aard van de beschuldiging, de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie de beschuldiging betrekking heeft, de mate waarin de beschuldiging steun vond in de feiten, de wijze waarop de beschuldiging is vorm gegeven, het gezag van de bron van de beschuldiging en de maatschappelijke positie van degene die de beschuldiging heeft geuit. De verschillende omstandigheden moeten in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Deze beoordeling staat in de sleutel van het in artikel 10 EVRM opgenomen grondrecht op vrijheid van meningsuiting.

4.4.

In de eerste plaats is van belang dat Engie in de gerezen twijfel over de juistheid van de declaraties aanleiding heeft gezien de overeenkomst met Star inzake de inlening van [naam eiser] op te zeggen. Engie heeft onbetwist aangevoerd dat zij op grond van de overeenkomst met Star tot deze opzegging bevoegd was. Van die opzeggingsbevoegdheid gaat de rechtbank dus uit. Deze opzegging heeft ertoe geleid dat [naam eiser] niet langer in de positie was om zich op de terreinen van Shell te bevinden. Engie heeft aangevoerd dat zij op basis van haar overeenkomst met Shell verplicht was om laatstgenoemde over dat vertrek te informeren. [naam eiser] heeft ook die stelling niet betwist, zodat de rechtbank daarvan uit gaat. Dit betekent dat Engie op zichzelf gegronde reden had om uitlatingen jegens Shell te doen omtrent het vertrek van [naam eiser] .

4.5.

Het staat niet vast wat Engie precies tegen Shell heeft gezegd over het vertrek van [naam eiser] , maar wel staat vast dat Engie niet heeft volstaan met de mededeling dat de samenwerking met [naam eiser] is beëindigd. Engie heeft Shell tot op zekere hoogte geïnformeerd over de redenen van de beëindiging van de samenwerking met [naam eiser] . Dit gegeven maakt de mededeling van Engie op zichzelf nog niet onrechtmatig. Uit de toelichting van Engie volgt namelijk dat de (volgens Engie) gerezen twijfel over de juistheid van de declaraties van [naam eiser] niet alleen van invloed was op de verhouding van Engie met Star, maar ook op de verhouding van Engie met Shell. De door [naam eiser] (via Star) bij Engie gedeclareerde uren werden door Engie doorbelast aan Shell. In dit geval waren de betwiste uren al doorbelast en door Shell betaald, zo heeft Engie onbetwist aangevoerd. Engie heeft zich daarom genoodzaakt gezien die uren te crediteren en het daarmee gemoeide bedrag aan Shell terug te betalen. Een en ander zal dus noodzakelijkerwijs enige toelichting van de zijde van Engie hebben gevraagd. Van Engie kon daarom in redelijkheid niet worden verwacht in haar contact met Shell niets te zeggen over de redenen van de beëindiging van de samenwerking.

4.6.

[naam eiser] stelt dat Engie aan Shell heeft laten weten dat [naam eiser] volgens haar opzettelijk teveel uren heeft gedeclareerd, waarbij zij [naam eiser] heeft beschuldigd van fraude. [naam eiser] stelt dat hij dit heeft gehoord van zijn contactpersoon bij Shell. Ter onderbouwing heeft hij ook gewezen op de in 2.7 weergegeven mail van 4 augustus 2017, waarin de afzender – [naam 3] , medewerker van Shell – refereert aan een gesprek met [naam 1] , werkzaam bij Engie. Engie betwist dat zij in haar mededelingen aan Shell woorden als ‘opzet’ en ‘fraude’ heeft gebruikt. Volgens haar heeft zij volstaan met een mededeling van de strekking dat er bij Engie vragen waren gerezen over het aantal gedeclareerde uren, dat daaruit is gebleken dat een aantal uren niet kon worden verantwoord en dat zij om die reden de samenwerking met [naam eiser] heeft beëindigd. Engie heeft tijdens de zitting ook verklaard dat [naam 1] niet met [naam 3] maar alleen met zijn counterpart van Shell ( [naam 4] ) heeft gesproken. Mogelijk heeft [naam 4] vervolgens contact gehad met [naam 3] , aldus Engie.

4.7.

Voor het antwoord op de vraag of Engie onrechtmatig heeft gehandeld is van belang of zij zich jegens Shell heeft geuit op de door [naam eiser] gestelde wijze. De stellingen van [naam eiser] op dit punt zijn niet heel concreet, maar van [naam eiser] kan niet worden verwacht dat hij veel concreter zou zijn geweest. Hij is immers niet aanwezig geweest bij de contacten tussen Engie en Shell. Nu Engie op haar beurt de stellingen van [naam eiser] voldoende concreet heeft betwist, zal de rechtbank [naam eiser] gelegenheid geven om feiten te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat Engie in haar mededelingen aan Shell [naam eiser] heeft beschuldigd van fraude en opzettelijk bovenmatig declareren.

4.8.

Indien [naam eiser] getuigen wil laten horen en Engie overweegt getuigen in contra-enquête te laten horen, verdient het de voorkeur dat dit horen zoveel mogelijk plaatsvindt tijdens één en dezelfde zitting. Dat is mogelijk als het aantal getuigen beperkt blijft tot maximaal vier. De rechtbank verzoekt (de advocaten van) partijen hierover tevoren met elkaar in overleg te treden. Eventueel aanvullend schriftelijk bewijs (bijvoorbeeld mailverkeer) dient uiterlijk 14 dagen voor de zitting te worden overgelegd.

4.9.

De rechtbank houdt het oordeel over de onrechtmatigheid van het handelen van Engie aan tot na de bewijsverrichtingen. Wel ziet de rechtbank aanleiding alvast het volgende te overwegen.

4.10.

Voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van bepaalde uitlatingen kan van belang zijn in hoeverre die uitlatingen steun vinden in de feiten. Het gaat in dit geval dan om de vraag of Engie redelijke grond had om te twijfelen aan de juistheid van de gedeclareerde uren. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Engie heeft (onderbouwd met productie 1 bij antwoord) uiteengezet dat zij verschillen heeft geconstateerd tussen de door [naam eiser] gedeclareerde uren en de gewerkte uren zoals die volgen uit de kloktijden. Ook heeft Engie erop gewezen dat [naam eiser] , naar aanleiding van gestelde vragen, zelf te kennen heeft gegeven fouten te hebben gemaakt bij “het inkloppen van uren”. Gelet op deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat Engie in redelijkheid geen aanleiding had om de declaraties van [naam eiser] ter discussie te stellen. Die aanleiding was er redelijkerwijs wel, en zij kon daaromtrent in het kader van de beëindiging van de samenwerking enige mededeling doen aan Shell zonder onrechtmatig te handelen. Ter discussie staat nog slechts of Engie in die mededelingen de grens van de maatschappelijke zorgvuldigheid heeft overschreden.

4.11.

Als na de bewijsverrichtingen wordt geoordeeld dat Engie onrechtmatig heeft gehandeld, dan komt de vraag aan de orde of de mogelijkheid aannemelijk is dat [naam eiser] als gevolg daarvan schade heeft geleden. Het oordeel daarover houdt de rechtbank aan.

4.12.

Ook alle overige beslissingen worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

stelt [naam eiser] in de gelegenheid feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat Engie [naam eiser] in haar mededelingen aan Shell heeft beschuldigd van fraude en opzettelijk bovenmatig declareren;

5.2.

bepaalt dat eventuele getuigen zullen worden gehoord ter zitting van maandag 22 maart 2021 van 13:00 uur tot 16:00 uur in het gerechtsgebouw in Rotterdam;

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2021.1

1 1980/3070