Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:9055

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-09-2021
Datum publicatie
20-09-2021
Zaaknummer
10/960152-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terrorismezaak. De verdachte, eerder in de media de “Balie-jihadist” genoemd, wordt veroordeeld voor het deelnemen aan terroristische organisatie Jabhat al-Nusra in Syrië in de van periode 2011 tot 2014, waarbij hij de organisatie (mede) heeft opgericht en hieraan leiding heeft gegeven. Tevens wordt hij veroordeeld voor het voorhanden hebben van valse paspoorten. Hij wordt vrijgesproken voor moord/doodslag met een terroristisch oogmerk, nu zijn rol hierbij niet vastgesteld kan worden. Overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar en 9 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/960152-18

Datum uitspraak: 20 september 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting (hierna: PI) Vught, locatie Terroristenafdeling (TA),

raadsman mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam.

Ter bevordering van de leesbaarheid van het vonnis is hieronder een lijst van gebruikte afkortingen opgenomen.

AIVD Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst

EVRM Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

EHRM Europees Hof voor de Rechten van de Mens

IS Islamitische Staat

ISIS Islamic State of Iraq and Shaam

ISIL Islamic State of Iraq and Levant

OVC Opname vertrouwelijke communicatie

Sr Wetboek van Strafrecht

Sv Wetboek van Strafvordering

TCI Team Criminele Inlichtingen

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 3 maart 2021, 4 maart 2021, 11 maart 2021, 16 maart 2021, 8 juni 2021, 26 juli 2021, 27 juli 2021, 29 juli 2021, 30 juli 2021 en 20 september 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officieren van justitie mrs. J.F. de Boer en C.D. Kardol (hierna: de officier van justitie) hebben gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 jaar met aftrek van voorarrest.

4. Geldigheid dagvaarding feit 2

4.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat feit 2 van de dagvaarding nietig moet worden verklaard.

Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit de tenlastelegging onvoldoende duidelijk is geworden op basis van welke handelingen dan wel gedragingen de verdachte voorbereidingshandelingen zou hebben verricht die zien op moord, doodslag dan wel brandstichting of ontploffing met terroristisch oogmerk. Er zijn geen feitelijke omschrijvingen van dergelijke handelingen opgenomen zodat onvoldoende duidelijk is tegen welke handelingen en gedragingen de verdachte (hierna te noemen: [naam verdachte] ) zich dient te verweren.

4.2.

Beoordeling

Een tenlastelegging dient op grond van artikel 261 Sv voldoende feitelijk en duidelijk te zijn, zodat de verdachte weet waartegen hij zich heeft te verdedigen. Of aan die eisen is voldaan, hangt af van de bewoordingen waarin de tenlastelegging is gesteld en het dossier waarop zij is gebaseerd.

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging voldoet aan de vereisten van artikel 261 Sv. Het tenlastegelegde is – gelezen tegen de achtergrond van de inhoud van het dossier – voldoende feitelijk en moet voor de verdachte voldoende duidelijk en begrijpelijk zijn geweest. Uit de tenlastelegging in samenhang met het dossier volgt welke strafrechtelijke verwijten worden gemaakt aan [naam verdachte] . Dat er geen feitelijke omschrijvingen van de voorbereidingshandelingen in de tenlastelegging zijn opgenomen doet daar niet aan af. [naam verdachte] heeft zich op basis van de tenlastelegging dus adequaat kunnen verdedigen.

4.3.

Conclusie

Het verweer wordt verworpen. De dagvaarding is ook geldig ten aanzien van feit 2.

5. Ontvankelijkheid officier van justitie (rechtsmacht)

5.1.

Rechtsmacht en bevoegdheid

De ten laste gelegde feiten hebben als pleegplaats Syrië, Irak, Turkije en/of Nederland in de periode van 1 april 2011 tot en met 30 oktober 2018. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of Nederland rechtsmacht heeft over deze feiten.

In artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is vermeld dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt.

In artikel 6, eerste lid, Sr is vermeld dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit voor zover een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie tot het vestigen van rechtsmacht over dat feit verplicht.

Ingevolge artikel 7, eerste, tweede en derde lid, Sr is de Nederlandse strafwet van toepassing op Nederlanders en met Nederlanders gelijk te stellen vreemdelingen die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats hebben die zich buiten Nederland schuldig maken aan nader genoemde misdrijven.

In artikel 2, eerste lid, onder e van het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht (hierna: het Besluit) is vermeld dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een terroristisch misdrijf, dan wel een van de in dat artikel genoemde commune misdrijven uit het Sr, voor zover deze vallen onder de beschrijving van artikel 2 van het Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen.

5.1.1.

Nederland

Voor zover de tenlastelegging ziet op feiten die zouden zijn gepleegd in Nederland, bestaat rechtsmacht op grond van artikel 2 Sr. Dit betreft dus (voor zover het ziet op Nederland) de feiten 1, 2 en 4. De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 4, derde gedachtestreepje dat ook hier in beginsel rechtsmacht aanwezig is, nu de aanwezigheid van rechtsmacht aan de hand van de tenlastelegging dient te worden beoordeeld.

5.1.2.

Syrië, Irak en/of Turkije

Voor zover de tenlastelegging ziet op feiten die zijn gepleegd in Syrië, Irak en/of Turkije geldt het volgende. Feit 1 betreft een terroristisch misdrijf. De onder A tot en met E genoemde onderdelen vormen een uitwerking van het oogmerk van de terroristische organisatie. Daarvoor geldt niet de eis dat deze ieder afzonderlijk ook een terroristisch dan wel een commuun misdrijf behelzen als in 5.1 beschreven. Nog daargelaten de vraag of de verdachte niet op grond van artikel 7 Sr met een Nederlander gelijk moet worden gesteld, heeft Nederland ten aanzien van de genoemde onderdelen daarom rechtsmacht.

De gedragingen zoals opgenomen in feiten 2 en 3 vallen binnen de reikwijdte van het bepaalde in artikel 2, eerste lid van het Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen. Nederlandse rechtsmacht is daarom op grond van artikel 6 Sr juncto artikel 2, eerste lid, onder e van het Besluit aanwezig.

Voor de gedragingen zoals opgenomen in feit 4, voor zover deze zien op Syrië en/of Turkije, is naar het oordeel van de rechtbank geen rechtsmacht aanwezig. De gedragingen, het voorhanden hebben van paspoorten terwijl de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst waren, vallen niet onder het bepaalde in artikel 2, eerste lid van het Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen. Gelet hierop kan Nederlandse rechtsmacht niet op grond van artikel 6 Sr juncto artikel 2, eerste lid, onder e van het Besluit worden gevestigd. Ook op grond van andere bepalingen is dit niet mogelijk.

5.2.

Conclusie

Voor zover de tenlastelegging ziet op feiten die in Nederland zouden zijn gepleegd, is er rechtsmacht aanwezig voor de feiten 1, 2 en 4.

Voor zover de tenlastelegging ziet op feiten die in Syrië, Irak of Turkije zijn gepleegd, is er rechtsmacht aanwezig voor de feiten 1, 2 en 3.

Het Openbaar Ministerie zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging voor wat betreft feit 4, voor zover dit ziet op gedragingen in Turkije en/of Syrië.

6. Beoordeling feiten 3 en 4

6.1

Vrijspraak feit 3 (moord/doodslag met een terroristisch oogmerk)

6.1.1.

Standpunt officier van justitie en verdediging

Zowel de officier van justitie als de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijsmiddelen zijn om tot een veroordeling te kunnen komen en dat [naam verdachte] daarom moet worden vrijgesproken van dit feit.

6.1.2.

Beoordeling

In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van het onderzoeksteam waarin uiteen is gezet hoe op de site van het mediabedrijf van Jabhat al-Nusra een filmpje is aangetroffen onder de naam “Jabhat al Nusra: bestorming van de militaire veiligheid en ordehandhaving”. In dit filmpje dat is geüpload op 28 mei 2012 is volgens het onderzoeksteam te zien hoe 17 of 19 militairen worden geëxecuteerd. En hoewel objectieve gegevens over deze gebeurtenis voor wat betreft tijd en plaats of over de slachtoffers ontbreken, is er geen aanleiding om te veronderstellen dat deze executies niet hebben plaatsgevonden in die zin dat het filmpje ’fake’ zou zijn ten behoeve van propaganda. Bij dit oordeel wordt voorts betrokken dat de rechtbank geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de juistheid van de uitlatingen die [naam verdachte] doet in OVC-gesprekken over dit filmpje. [naam verdachte] heeft in OVC file 3 gezegd dat hij bij deze executies aanwezig is geweest. De conclusie is dan ook dat de moord of doodslag op deze 17 of 19 militairen daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en dat [naam verdachte] daarbij aanwezig was, ook al is hij niet herkenbaar in beeld. De volgende vraag is dan of vastgesteld kan worden welke rol [naam verdachte] daarbij heeft gehad, meer specifiek of hij medepleger of pleger is geweest zoals aan hem ten laste is gelegd. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord: [naam verdachte] zegt daar in voornoemde file 3 zelf niets over en ook tegen de getuige [naam getuige 1] heeft [naam verdachte] over zijn rol bij deze gebeurtenis verder niets verteld. De rechtbank kan daarom niet tot een veroordeling komen, zodat [naam verdachte] van dit feit moet worden vrijgesproken.

6.2.

Bewezenverklaring en deels niet-ontvankelijkheid OM feit 4 (valse paspoorten)

6.2.1.

Standpunt officier van justitie en verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder het eerste en tweede gedachtestreepje ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ten aanzien van het derde gedachtestreepje heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat rechtsmacht voor dit feit ontbreekt. De verdediging heeft het standpunt van het openbaar ministerie gevolgd.

6.2.2.

Beoordeling

Het onder het eerste en tweede gedachtestreepje ten laste gelegde, voor zover dit ziet op Nederland, is door de verdachte bekend. Dit deel zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. Ten aanzien van het derde gedachtestreepje overweegt de rechtbank dat kan worden vastgesteld dat [naam verdachte] dit paspoort niet in Nederland voorhanden heeft gehad. Gelet hierop ontbreekt rechtsmacht, zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging van de verdachte voor dit deel van de tenlastelegging.

7. Waardering van het bewijs

7.1.

Aanleiding en achtergrond

7.1.1.

Aanleiding onderzoek (ambtsberichten)

Op grond van een ambtsbericht afkomstig van de AIVD, gedateerd 6 juni 2018, en in aanvulling op een ambtsbericht van 12 december 2016 dat betrekking had op een eerdere aanhouding van [naam verdachte] , is een opsporingsonderzoek onder de naam 26Paragould gestart tegen verdachte [naam verdachte] en zijn broer [naam medeverdachte] (hierna: [naam medeverdachte] ). In het (later op 12 oktober 2018 aangevulde) ambtsbericht van 6 juni 2018 is onder meer, voor zover hier van belang, samengevat het volgende vermeld.

[naam 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , heeft onder een valse naam en met een vals paspoort op 22 juli 2014 asiel aangevraagd en gekregen in Nederland. Zijn echte identiteit is [naam verdachte] , geboren [geboortedatum verdachte] (rechtbank: hierna weer verder genoemd: [naam verdachte] ). Op 24 november 2017 is over [naam verdachte] een artikel verschenen in de Volkskrant, nadat hij als een ISIS-strijder werd herkend tijdens zijn bezoek aan [naam centrum] op 14 september 2017. Hij is voor zijn komst naar Nederland in 2014, in Syrië en Turkije actief geweest voor de terroristische organisatie Jabhat al-Nusra, sinds deze in 2012 is opgericht. Hij heeft gevechts-, faciliterings- en financieringsactiviteiten voor deze organisatie uitgevoerd. Hij was bij het uitvoeren van deze activiteiten ervan op de hoogte dat Jabhat al-Nusra onderdeel uitmaakte van de overkoepelende terroristische organisatie al-Qa'ida en onderhield nauw contact met hooggeplaatste figuren binnen Jabhat al-Nusra, waaronder Abu Muhammad al-Jawlani (rechtbank: hierna al-Julani), Abu Maria al-Qahtani en Abu Luqman.

Als bijlage werden aan dit ambtsbericht onder meer zeventien audiobestanden van zogenoemde OVC-gesprekken en tapgesprekken toegevoegd, opgenomen tussen 8 maart 2016 en 24 april 2018. De (audio)bestanden werden uitgeluisterd en vertaald door meerdere beëdigde tolken. De genoemde OVC-gesprekken betreffen opnames van gesprekken in de woningen van [naam verdachte] en [naam medeverdachte] , alsmede in de Mercedes van [naam medeverdachte] . De gesprekken hebben deels betrekking op het verleden van [naam verdachte] en [naam medeverdachte] in Syrië.

7.1.2.

Bevindingen onderzoek.

Uit onderzoek bleek dat [naam verdachte] en [naam medeverdachte] daadwerkelijk broers zijn en dat [naam medeverdachte] onder de naam [naam medeverdachte] Nederland was binnengekomen met een geldig paspoort.

In het kader van het opsporingsonderzoek is een reeks getuigen gehoord, waaronder deelnemers aan de gesprekken die in de audiobestanden te beluisteren zijn. Een deel van deze verklaringen heeft een belastend karakter ten aanzien van de aan [naam verdachte] en [naam medeverdachte] ten laste gelegde beschuldiging van deelname respectievelijk leidinggeven aan een terroristische organisatie. Een aantal van de door de politie gehoorde getuigen is op verzoek van de verdediging ook gehoord door de rechter-commissaris. Tevens is een bedreigde getuige anoniem gehoord.

Voorts werden meerdere mobiele telefoons, laptops en andere gegevensdragers van zowel [naam verdachte] als [naam medeverdachte] in beslag genomen en onderzocht.

Voornoemde onderzoeksbevindingen zijn voorts aangevuld met TCI-informatie betreffende beide verdachten, waarin voor beiden een verband met Jabhat al-Nusra wordt gelegd. Onder meer worden zij als emirs van Jabhat al-Nusra aangeduid: [naam verdachte] als emir van Raqqa en [naam medeverdachte] als emir van Sad Al Rashied (de Ba’athdam) .

De onderzoeksbevindingen hebben tezamen geleid tot aanhouding van beide verdachten, [naam verdachte] op 30 oktober 2018 en [naam medeverdachte] op 3 december 2018.

7.2.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde

7.2.1.

Standpunt officier van justitie

Aangevoerd is dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [naam verdachte] heeft deelgenomen aan de terroristische organisatie Jabhat al-Nusra, terwijl hij daaraan leiding heeft gegeven. Tevens heeft [naam verdachte] zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor terroristische misdrijven.

7.2.2.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat [naam verdachte] dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Uit het dossier volgt op geen enkele wijze dat [naam verdachte] enig aandeel heeft gehad of ondersteuning heeft geboden aan gedragingen die zien op het terroristisch oogmerk van Jabhat al-Nusra, laat staan dat hij een leidinggevende rol heeft vervuld. Jabhat al-Nusra was nog niet actief in de tijd dat [naam verdachte] nog in het betrokken gebied was.

De verdediging voert daartoe allereerst aan dat het materiaal dat door de AIVD is aangeleverd niet voor het bewijs mag worden gebruikt nu er sprake is van een schending van artikel 6 EVRM. De AIVD heeft doelbewust een selectie van audiobestanden aan het openbaar ministerie verstrekt inhoudende flarden van gesprekken gesproken in de Arabische taal waarvan een groot gedeelte onverstaanbaar is. De verdediging heeft onvoldoende de mogelijkheid gehad om de door de AIVD verstrekte informatie adequaat te kunnen toetsen.

Ten aanzien van de OVC-gesprekken in het dossier geldt dat alleen die OVC-gesprekken gebruikt kunnen worden voor het bewijs waarvan gesteld kan worden dat de vertaling correct is en waarvan door [naam verdachte] is aangegeven dat hij dingen daadwerkelijk heeft gezegd. De vertalingen van de files zijn fragmentarisch waardoor de context wegvalt of lastig te begrijpen is. Ter zitting heeft de verdachte voorts op afzonderlijke delen van deze gesprekken gereageerd (waarop hierna – waar aan de orde - in de overwegingen wordt ingegaan).

Met betrekking tot de getuigenverklaringen in het dossier geldt dat dit, op de verklaringen van [naam getuige 1] , [naam getuige 2] en [naam getuige 3] ( [jaartal] ) na, allemaal de auditu verklaringen zijn waarbij de informatie te herleiden is tot twee bronnen, namelijk [naam medeverdachte] en geruchten, beide discutabele bronnen. Met betrekking tot de getuige [naam getuige 1] geldt dat hij dermate tegenstrijdig heeft verklaard dat zijn verklaringen op vele onderdelen als onbetrouwbaar ter zijde dienen te worden geschoven. Ten aanzien van de getuige [naam getuige 2] geldt dat de verdediging haar ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen zodat zijn verklaring niet voor het bewijs kan worden gebezigd. De verklaring van [naam getuige 3] biedt voorts op geen enkele wijze ondersteuning voor de verdenking jegens [naam verdachte] .

Door het openbaar ministerie is aangevoerd dat [naam verdachte] een rol als emir zou hebben gehad bij Jabhat al-Nusra. Uit het dossier komt echter een volledig versplinterd beeld naar voren over wie waar emir zou zijn geweest. De informatie is tegenstrijdig en er wordt op geen enkele manier duidelijk of en zo ja welke rol [naam verdachte] bij Jabhat al-Nusra zou hebben gehad. Ook is er in openbare bronnen geen vermelding van deze gestelde rol van [naam verdachte] .

Met betrekking tot de bijnaam [bijnaam 1] voert de verdediging aan dat dat veel mensen die [naam verdachte] heten, [bijnaam 1] worden genoemd. Dat [naam verdachte] weleens zo werd genoemd betekent dus niet dat hij een strijder zou zijn geweest met deze naam.

Met betrekking tot de mediaberichten uit het dossier geldt tenslotte dat deze niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, omdat onvoldoende controle op de juistheid van de berichten mogelijk is.

7.2.3.

Beoordeling

De rechtbank overweegt het volgende.

7.2.3.1. Ontstaan en optreden van Jabhat al-Nusra

Uit het Historisch Overzicht1 leidt de rechtbank de volgende gegevens af met betrekking tot het bestaan van deze organisatie in de te beoordelen periode.

Vanuit de leiding van de Islamitische Staat in Irak werd aan Abu Mohammad al-Julani de opdracht gegeven om een tak van de organisatie in Syrië op te zetten. Volgens al-Julani bood de revolutie in Syrië de mogelijkheid om voet aan de grond in Syrië te krijgen.

Tijdens de Ramadan van 2011 (de Ramadan in dat jaar viel in de maand augustus) passeerde al-Julani vanuit Irak de grens met Syrië. In de weken na zijn aankomst in Syrië reisde al-Julani frequent van Hasakah naar Aleppo, Homs, Idlib en het platteland van Damascus waar hij contact legde met aan ISI gelieerde cellen die al voorbereidingen aan het treffen waren om geactiveerd te worden.

In oktober 2011 hebben besprekingen in Homs en buiten Damascus geleid tot de oprichting van Jabhat al-Nusra.

Jabhat al-Nusra hield zich eind 2011 bezig met het opnemen/ondergeschikt maken van kleine jihadistische cellen door het hele land. De eerste aanslag die door Jabhat al-Nusra is gepleegd, vond plaats op 23 december 2011 op twee locaties van de Syrische veiligheidsdienst in de wijk Kafr Sousa in Damascus. De VN (Verenigde Naties) omschreef een dag later de aanslagen als "terrorist attacks.” Bij deze dubbele zelfmoordaanslag kwamen 44 mensen om het leven en raakten meer dan 150 personen gewond. Later, in een interview in december 2013, verklaarde Jabhat al-Nusra leider al-Julani dat zijn organisatie verantwoordelijk was voor deze aanslag.

Op 24 januari 2012 is een video gepubliceerd waarin de oprichting van Jabhat al-Nusra officieel bekend werd gemaakt. Daarin werden verschillende lokale afdelingen van de organisatie in beeld gebracht in "het machtige Idlib”, Dara’a, Ghouta-Damascus, Deir al-Zor, Al-Mayadeen, Albukamal en Hama. In de video wordt al-Julani als de algemeen verantwoordelijke van Jabhat al-Nusra aangeduid.

In de periode van februari 2012 tot en met mei 2012 heeft Jabhat al-Nusra meerdere (zelfmoord)aanslagen gepleegd gericht tegen de veiligheidsdiensten, waarbij ook burgers om het leven kwamen. Voorts blijkt uit publicaties (zogenoemde bayaan) van de organisatie met beelden van aanslagen en aanslagplegers, dat er een groot aantal gewapende aanvallen, (zelfmoord)aanslagen en moordaanslagen is gepleegd in maart, april en begin mei 2012 in zowel het noordelijk gebied-Aleppo, als het zuidelijk gebied-Dar’a. Onder de moordaanslagen op hooggeplaatste personen van het regime, wordt ook die op [naam 2] vermeld, werkzaam in de Sednaya gevangenis en “berucht voor zijn geweld en onderdrukking van onze broeders en het martelen van hen". In mei 2012 wordt een video gepubliceerd van de Jabhat al-Nusra media organisatie waaruit blijkt dat in de periode daaraan voorafgaand Jabhat al-Nusra in meerdere delen van Syrië operationeel actief was door middel van (zelf)moordaanslagen en gewapende aanvallen in Idlib, het oostelijk gebied (de oostelijke provincies van Syrië, waar ook Deir al-Zor onder valt), Damascus, het platteland van Damascus, Tel Ahmar (het platteland van Aleppo), Tal Rifaat (provincie Aleppo) en het oostelijk deel van de provincie Aleppo. In juni 2012 werden eveneens aanslagen geclaimd en uitvoerders van de aanslagen op militaire en veiligheidsdoelen, alsmede politieposten getoond.

In haar rapport van 16 augustus 2012 stelt de Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic (IICISAR) van de VN: "Several radical Islamic armed groups have emerged in the country. The most significant of those is the Al-Nusrah Front for the People of the Levant, an alleged Al Qaeda-linked group that has claimed responsibility for several attacks, including suicide bombings against Syrian Government forces and officials. The attacks that took place throughout the country, including in the cities of Damascus, Aleppo, Deir el-Zour, and Idlib, have targeted members of the Government, police, military, intelligence and the Shabbiha. The attacks consisted of suicide bombings, ambushes, assassinations, car bombings and IED attacks”.

Vanaf eind 2012 begint de strijd om de dammen in de Tigris; de dammen zijn van strategisch van belang omdat ze een groot gedeelte van Syrië voorzien van water en elektriciteit. De al-Ba’athdam, ook wel de Rashiddam of Sad al-Rashid genoemd, is gelegen nabij de plaats al-Mansura in de provincie alRaqqa2. Begin januari 2013 meldt The Syrian Observatory for Human Rights dat er nabij de Sad al-Ba'th gevechten plaatsvinden tussen troepen van het regime en tussen gewapende strijdgroepen. Begin februari 2013 hebben diverse gewapende strijdgroepen de alBa’athdam ingenomen; hierbij worden specifiek Jabhat al-Nusra en Katibat Ahrar al-Tabqa genoemd. De grote Tabqadam werd vervolgens rond 11 februari 2013 veroverd door rebellengroepen. De strijdgroepen Jabhat al-Nusra en Ahrar al-Tabqa namen daarnaast verschillende wijken in de stad al-Tabqa in3.

In februari 2013 wordt de stad al-Tabqa ingenomen door strijdgroepen, waaronder Raqqa Liberation Front, Ahrar al-Sham en Jabhat al-Nusra. In de stad al- Raqqa is het tot begin 2013 relatief rustig geweest qua strijd. Echter, begin maart wordt ook de stad al- Raqqa ingenomen door strijdgroepen gelieerd aan het Vrije Syrische Leger (VSL) en genoemde strijdgroepen. Na een audioboodschap van ISIL leider Abu Bakr al-Baghdadi in april 2013, mengt ook ISIL zich in de stad al- Raqqa . Gedurende april en mei 2013 is nog sprake van militaire samenwerking tussen Jabhat al-Nusra en ISIL. Vanaf mei wordt de aanwezigheid van ISIL in de stad meer prominent, troepen van Jabhat al-Nusra verlaten de stad en ISIL valt diverse activisten en strijdgroepen aan in de stad. De strijd tussen ISIL en de in al- Raqqa aanwezige strijdgroepen duurt voort tot ISIL de stad begin 2014 volledig onder controle krijgt.

Jabhat al-Nusra is op 31 mei 2013 als alias van al-Qa'ida in Iraq op de VN Sanctielijst geplaatst.

Op 24 juli 2013 is Abu Mohammad al-Julani onder het kenmerk QDi 317 op de VN Sanctielijst geplaatst. Op 14 mei 2014 is Jabhat al-Nusra als zelfstandige organisatie (na het conflict met ISIL over leiderschap in Syrië en de scheiding van al-Qa’ida en ISIL) op de VN Sanctielijst geplaatst onder het kenmerk QDe.137. Op 29 juni 2014 heeft ISIL, in de persoon van woordvoerder Abu Mohamed alAdnani, het Islamitisch Kalifaat uitgeroepen in het door de organisatie veroverde gebied in Syrië en Irak. Tevens werd de organisatie omgedoopt tot de Islamitische Staat, al-Dawla al-lslamiyya, afgekort als IS.

7.2.3.2. Leiding Jabhat al-Nusra

In de ten laste gelegde periode waren een aantal prominente personen binnen de organisatie van Jabhat al-Nusra aanwezig. Zij golden als leiders van deze organisatie. De rechtbank beperkt zich bij onderstaande opsomming tot de personen die ook in de OVC-gesprekken worden genoemd. Dit betreft (met informatie ontleend aan de kennisdocumenten in het dossier):

  • -

    Muhammed al-Fateh al-Julani was de emir van Jabhat al-Nusra, de algemeen leider.

  • -

    Abu Maria al-Qahtani werd vanaf medio 2012 de belangrijkste religieuze en militaire leider van Jabhat al-Nusra in het oosten van Syrië en leidde een trainingskamp van de organisatie. Volgens [naam verdachte] is Abu Maria pas bekend geraakt na medio 2013, nadat hij gevechten had geleverd in het oostelijke deel, tegen IS. Uit de tijdlijn van de Midden-Oostendeskundigen blijkt echter dat Abu Maria al in november 2012 door de Verenigde Staten op de sanctielijst is gezet vanwege zijn betrokkenheid bij Jabhat al-Nusra4.

- Abu Mohammad al-Adnani. Naar hem wordt in de gesprekken hoogstwaarschijnlijk verwezen als gesproken wordt over al-Adnani. Hij wordt ook Abu Mohammad al-Adnani alSurl genoemd. Hij was (voormalig) woordvoerder van de Islamitische Staat in Irak. Na zijn aankomst in Syrië werd hij als plaatsvervanger van Abu Mohammad al-Julani aangesteld, als emir in de noordelijke provincies Aleppo, Hama en Idlib, hoofd veiligheid en ten slotte als leider van de externe operaties van ISIL. Na de breuk van Jabhat al-Nusra met de Islamitische Staat werd hij begin 2013 tot emir van ISIL in Syrië benoemd5.

- Abu Luqman (Ali Moussa al-Shawakh) was vanaf februari 2012 een strijder bij Jabhat al-Nusra en in maart 2013 een sleutelfiguur binnen deze organisatie. Hij was actief in de provincie al- Raqqa en zou heimelijk zijn overgestapt zijn naar ISIL. Hij was vanaf april 2014 de emir van IS in de provincie al- Raqqa . Verschillende bronnen beschrijven dat Abu Luqman gevangen heeft gezeten in de Sednaya gevangenis. Hij werd net als diverse andere politieke gevangenen in 2011 vrijgelaten door Assad6.

7.2.3.3. Jabhat al-Nusra als terroristische organisatie

De rechtbank ziet zich – ook met het oog op het gewelddadige regime dat destijds in Syrië heerste en de vraag of verzet hiertegen gerechtvaardigd was – voor de vraag gesteld of Jabhat al-Nusra in de tenlastegelegde periode gezien dient te worden als een terroristische organisatie in de zin van artikel 140a/140 Sr. De rechtbank volgt hierbij de eisen die de Hoge Raad sinds 1990 in bestendige jurisprudentie7 heeft geformuleerd ten aanzien van artikel 140 Sr nu artikel 140a Sr als specialis8 heeft te gelden en alle bestanddelen met uitzondering van het terroristisch oogmerk op dezelfde wijze dienen te worden uitgelegd.

Bij het beantwoorden van de vraag wanneer sprake is van een organisatie ex artikel 140a/140 Sr dient te worden uitgegaan van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur.

Uit voorgaande beschrijving volgt dat reeds in 2012 was voldaan aan de structuurkenmerken van een organisatie als bedoeld in art 140a Sr, en dus vóór het moment dat deze organisatie op de sanctielijst van de VN werd gezet. De oprichting van Jabhat al-Nusra eind 2011, begin 2012 met het duidelijke doel om in Syrië een tak van de reeds bestaande organisatie Islamitische Staat te vestigen, wijst hier reeds op. Vast staat dat de organisatie zich heeft beziggehouden met een of meer strafbare feiten als genoemd in de tenlastelegging. Deze feiten zijn voorts naar het oordeel van de rechtbank ook in de eerste fase van het optreden van Jabhat al-Nusra gepleegd met een terroristisch oogmerk, bestaande uit het aanjagen van vrees bij (een deel van) de bevolking en/of het ontwrichten van fundamentele politieke structuren. De grote opsomming van gewelddadige (zelfmoord)acties in de loop van het eerste half jaar van 2012 waarbij ook burgerdoden zijn gevallen9, vormt de bevestiging van het terroristisch oogmerk. Dat hierbij sprake was van verzet tegen een evenzeer gewelddadig regime maakt het terroristisch oogmerk niet anders. Dat Jabhat al-Nusra pas op 31 mei 2013 op de sanctielijst is geplaatst, maakt dit ook niet anders. Deze plaatsing is niet de vestiging, maar de bevestiging van de status als terroristische organisatie. Gelet op al het voorgaande stelt de rechtbank vast dat Jabhat al-Nusra in de tenlastegelegde periode aangemerkt dient te worden als een terroristische organisatie in de zin van artikel 140a Sr.

7.2.3.4. aanwezigheid van [naam verdachte] in Syrië

[naam verdachte] heeft zich er mede op beroepen dat Jabhat al-Nusra als organisatie nog niet actief was in de periode en gebieden waarin hij zich destijds in Syrië bevond.

In het onderzoek is getracht op grond van een combinatie van de verklaringen van [naam verdachte] en de gegevens uit onderzoek in open bronnen (voornamelijk internet), mede aan de hand van kennisdocumenten over met name de Syrische burgeroorlog, te komen tot een tijdlijn die een nadere invulling kan geven van de data, plaatsen en perioden van gebeurtenissen in de ten laste gelegde periode en deze te relateren aan de verklaringen van [naam verdachte] zelf10.

Hierbij zijn ten aanzien van de verblijfplaatsen en -perioden van [naam verdachte] met name zijn eigen verklaringen van belang. De rechtbank tekent hierbij aan dat, nu [naam verdachte] niet steeds zeker is van die data en plaatsen, deze bij gebrek aan officiële documenten niet met absolute zekerheid zijn vast te stellen. Daarbij heeft [naam verdachte] ook ten aanzien van sommige data verschillend verklaard, terwijl ook niet is uit te sluiten dat hij over zijn verblijfsplaatsen (al dan niet abusievelijk) onjuist of verhullend heeft verklaard. Uit deze informatie, aangevuld met de latere verklaringen van [naam verdachte] op 21 augustus 2020 tegenover de rechter-commissaris alsmede ter terechtzitting, komt de rechtbank - met de nodige voorzichtigheid - tot vaststelling van de volgende voor de beoordeling van de tenlastelegging relevante data en plaatsen, voor zover deze kunnen worden afgeleid uit het dossier.

[naam verdachte] is in 2005 gedetineerd geraakt. Uit zijn tweede politieverhoor volgt dat dit mogelijk is geweest op 22 september 2005, waarbij hij aanvankelijk zou zijn vastgezet in de El Meze gevangenis (van de inlichtingendienst van de luchtmacht), en na enige maanden, mogelijk in maart 2006, is overgebracht naar de Sednaya-gevangenis te Damascus, zoals kennelijk vaker gebeurde met gevangenen van het regime. Deze gevangenis valt onder de verantwoordelijkheid van de minister van Defensie en wordt geleid door de Militaire Politie. Hoewel de gevangenis gebouwd werd voor gewone gevangenen is de gevangenis bekend vanwege de politieke- en islamitische gevangenen. Ook is de gevangenis berucht vanwege de martelingen die er plaatsvonden11.

Blijkens zijn eigen verklaring is [naam verdachte] in april 2011 vrijgekomen uit de Sednaya gevangenis en heeft hij tot eind 2011 dan wel januari 2012 bij zijn familie verbleven. Daarna is hij naar het noorden gegaan, naar onder meer Aleppo, waar hij zou hebben verbleven bij ‘jonge mannen’ die hij van Sednaya kende. In het rcverhoor van 12 aug 2020 heeft [naam verdachte] verklaard dat hij korte tijd in Zaraqab (fonetisch, rechtbank: vermoedelijk is bedoeld Saraqib) verbleef en van het ene dorp naar het andere ging. Daarna heeft hij in februari/maart 2012 op de berg Shashabo verbleven. In het dossier zijn er voorts indicaties dat [naam verdachte] ook in Latakia (aan de westkust) heeft verbleven.12 [naam verdachte] verklaart dat hij in juni 2012 naar Idlib is gegaan waar hij zou hebben verbleven bij vrienden van Ahrar al-Sham. De leider van Ahrar al-Sham was Hasaan Aboud, die [naam verdachte] kende van de laatste drie jaar in de gevangenis. Dit was een periode waarin het regime volgens [naam verdachte] de macht verloor over deze gebieden. Later is hij weer terug geweest in Aleppo en Idlib tot aan september 2012. Ter zitting heeft [naam verdachte] verklaard dat hij (de rechtbank begrijpt: in de beschreven periode in 2012) maandelijks naar een ander (verblijfs)object ging.

Na deze periode is [naam verdachte] volgens zijn verklaring vertrokken naar Turkije, via een smokkelroute (wegens het ontbreken van een paspoort). Hij zou na de bevrijding van delen van het noorden van het regime (van Assad) in 2013 terug zijn geweest in Syrië. [naam verdachte] noemt in februari 2013, een periode van 10 dagen in Tabqa, alsmede april 2013 waarin hij in Raqqa (de streek of de stad) is geweest, om kort daarna terug te keren naar Turkije. Hij heeft – behoudens een tussentijds verblijf in Dubai - verbleven in Istanbul, waar hij begin 2014 het plan heeft opgevat om weg te gaan uit het Midden-Oosten. Medio 2014 is [naam verdachte] naar Nederland gekomen, waar hij op 12 juli 2014 is aangekomen13.

7.2.3.5. Tussenconclusie aanwezigheid [naam verdachte] ten tijde van optreden Jabhat al-Nusra

Uit de paragrafen 7.2.3.3 en 7.2.3.4 concludeert de rechtbank dat de aanwezigheid van [naam verdachte] , ook als voor een belangrijk deel wordt gevaren op zijn eigen verklaringen over de plaatsen en periodes van zijn aanwezigheid, in Syrië samen kan gaan met het optreden van Jabhat al-Nusra als terroristische organisatie in de periode zoals tenlastegelegd.

7.2.3.6. Aandeel van [naam verdachte] bij Jabhat al-Nusra, verweren omtrent het bewijs

De vraag of – en zo ja, welke – rol [naam verdachte] heeft gehad bij Jabhat al-Nusra, dient beoordeeld te worden aan de hand van de inhoud van het strafdossier. De verdediging heeft bepleit dat een groot deel van de stukken in het dossier niet voor het bewijs kunnen of moeten worden gebruikt. Hiertoe doelt zij op de betrouwbaarheid van de OVC-vertalingen en de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

7.2.3.6a OVC-bestanden

Aan OVC-opnames is eigen dat ze in verschillende mate verstaanbaar zijn en – in dit geval – ook vertaald dienen te worden. Het beluisteren en vertalen van de – meestal in de Syrische-Arabische taal, en in enkele gevallen in het Engels/Nederlands – gevoerde gesprekken heeft de nodige tijd en aandacht gekost. De gesprekken zijn door meerdere tolken vertaald, waarbij de vertalingen in de transcripties, alsmede de oorspronkelijke verstane versies in het dossier naast elkaar zijn vermeld. In de procedure is [naam verdachte] in de gelegenheid geweest de opnames te beluisteren en commentaar respectievelijk een eigen vertaling te geven, wat hij voor delen van de verschillende files heeft gedaan14. Deze verschillende versies heeft de rechtbank naast elkaar gehouden bij de bestudering en, waar relevant, bij verschillend vertaalde tekstdelen twijfel in het voordeel van [naam verdachte] laten werken. Waar [naam verdachte] tekst heeft overgeslagen, of kennelijk geen vermelding maakt van (een voldoende substantieel deel van) een gesprek, heeft de rechtbank de door de tolken vertaalde tekst aangehouden.

Hierbij moet worden opgemerkt dat [naam verdachte] ten aanzien van een belangrijk deel van de vertalingen van de opnames die voor het bewijs zijn gebruikt, de essentie van de gesproken tekst niet heeft weersproken. Ten aanzien van al deze OVC-gesprekken heeft [naam verdachte] ter zitting drie, elkaar uitsluitende, uitleggen gegeven:

1) hij heeft die woorden inderdaad zo, maar in strijd met de waarheid, gezegd, bedoeld om gespreksdeelnemer/toehoorder [naam getuige 3] , bang te maken zodat hij niet meer bij [naam verdachte] op bezoek zou komen, 2) hij heeft het inderdaad zo, wederom in strijd met de waarheid, gezegd, maar het was alleen bedoeld om op gespreksdeelnemer/ toehoorder [naam getuige 1] indruk te maken, ofwel 3) de vertaling is ondeugdelijk.

De reactie van de toehoorders, [naam getuige 3] en [naam getuige 1] , op hetgeen [naam verdachte] zegt in de opgenomen gesprekken, geeft geen enkel aanknopingspunt om te veronderstellen dat zij hetzij bang zijn geworden hetzij onder de indruk geraakt waren van [naam verdachte] . Zo lijkt [naam getuige 3] eerder geïnteresseerd te zijn, aangezien hij ook vragen stelt over wat wordt verteld. Het standpunt van [naam verdachte] kan dus niet blijken uit de gesprekken zelf. In het dossier bevinden zich ook verklaringen van de getuigen [naam getuige 3] en [naam getuige 1] over die gesprekken. Daarbij zijn gesprekken ook letterlijk voorgehouden aan de getuigen. Uit die verklaringen blijkt ook in het geheel niet dat zij bang geworden waren of onder de indruk geraakt waren van [naam verdachte] en hetgeen hij hen had verteld. Met betrekking tot het inzichtgevende gesprek in file 6 tekent de rechtbank bovendien aan dat dit grotendeels een gesprek is tussen de broers onderling, totdat een derde persoon ( [bijnaam 2] ofwel [naam getuige 3] ) in de auto stapt. Van dit gesprek valt bij uitstek niet te begrijpen waarom [naam verdachte] en [naam medeverdachte] als intimi, sprekend over hun tijd in Syrië, hierin niet een feitelijk juiste weergave zouden geven van hetgeen in hun herinnering en beleving is gebeurd.

De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien om – waar over de vertaling zelf geen relevante twijfel bestaat – de uitlatingen afkomstig van [naam verdachte] zelf als onbetrouwbaar te beschouwen.

Deze uitingen van beide verdachten in de OVC-gesprekken in onderlinge samenhang bezien geven aldus het beeld dat [naam verdachte] daadwerkelijk betrokken was bij Jabhat al-Nusra. Passages waaruit – tegenover al deze omstandigheden – met enige vorm van waarschijnlijkheid het tegendeel zou volgen (geen betrokkenheid bij Jabhat al-Nusra), heeft de rechtbank echter niet aangetroffen. Context en hoeveelheid van de verder overgelegde opnames doen de rechtbank ook niet twijfelen aan de representativiteit van het door de AIVD overgelegd materiaal. Een door [naam verdachte] genoemd, ander gesprek waarin hij uitlatingen met die strekking heeft gedaan, is niet bij de overgelegde OVC-opnames aangetroffen en ook, ondanks verzoeken daartoe, door de AIVD niet overgelegd. Een later wel overgelegde opname van een gesprek op een door [naam verdachte] ter zitting genoemde datum werpt hierop geen ander licht. In het licht van de hiervoor aangehaalde veelvuldige, herhaalde en consequent volgehouden verhalen van [naam verdachte] over zijn ervaringen in Syrië zou een dergelijke andersluidende passage ook lastig te duiden zijn, zodat aan deze stelling voorbij wordt gegaan en het verweer wordt verworpen.

Voor wat betreft de uitleg dat de vertalingen ondeugdelijk zouden zijn, overweegt de rechtbank het volgende. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [naam verdachte] een passage uit het gesprek van 20 mei 2016 (file 5) overgelegd, om aan te geven dat hij meer hoort dan de vertalers. Volgens de officier van justitie hebben diverse tolken/vertalers meegewerkt in dit onderzoek en hebben zij ook elkaars werk kunnen inzien. In zijn algemeenheid moet de rechtbank kunnen uitgaan van de professionaliteit, deskundigheid, objectiviteit en betrouwbaarheid van de tolken/vertalers: het zijn niet ‘zo maar’ mensen die worden ingehuurd om ‘iets’ te vertalen. Het enkele feit dat een van de verdachten stelt dat een vertaling niet klopt of een andere vertaling/uitleg geeft dan wel stelt meer te horen, is op zichzelf en in de regel dan ook onvoldoende om de vertalingen van de tolken/vertalers terzijde te leggen. De door [naam verdachte] overgelegde vertaling van delen van het gesprek van 20 mei 2016 heeft de rechtbank niet van een ander standpunt overtuigd. Dat geldt evenzeer voor het argument dat de vertalers elk hun eigen (politieke en/of maatschappelijke) achtergrond hebben en daarom misschien wel bewust onjuist vertalen. Zo’n standpunt, dat de betrouwbaarheid en integriteit van de tolken/vertalers in twijfel trekt, moet dan zodanig concreet worden gemaakt - hetgeen niet is gebeurd - dat de rechtbank dit kan toetsen. De rechtbank gaat in beginsel dus uit van de vertalingen zoals die zich in het dossier bevinden, met uitzondering van de keuze van de rechtbank – zoals hiervoor overwogen - om in specifieke gevallen (toch) het voordeel van de twijfel aan de vertaling van [naam verdachte] te geven.

De rechtbank ziet gelet op al het voorgaande geen beletsel om de OVC-gesprekken voor eventueel bewijs te gebruiken.

7.2.3.6b Getuigenverklaringen

De verdediging heeft aangevoerd dat de getuigen niet als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt omdat het gaat om de auditu-getuigen en/of omdat de getuige(n) niet als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Zodoende kunnen hun verklaringen niet voor het bewijs worden gebruikt, aldus de verdediging. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

7.2.3.6b.1 Getuigenverklaringen: de auditu

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van getuigen in het dossier voor een deel zijn gebaseerd op verhalen of geruchten die zij van anderen gehoord hebben, ‘van horen zeggen’ (de auditu). Dergelijke verklaringen moeten, indien ze tot het bewijs worden gebruikt, naar vaste jurisprudentie met uiterste behoedzaamheid worden beschouwd. In dit dossier hebben getuigen over mededelingen en uitingen van verdachten zelf verklaard. De belangrijkste van die getuigen zijn ook door de rechter-commissaris gehoord. Waar deze verklaringen over uitingen van verdachten zelf, gezien in verband met het overige dossier, naar inhoud en context samenhang en consistentie vertoonden, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om daaraan op voorhand voorbij te gaan. Hierbij merkt de rechtbank op, dat elkaar aanvullende en versterkende verklaringen uit eigen mond van de beide verdachten over en weer en tegenover derden over hun rol bij Jabhat al-Nusra, de bewijswaarde van deze verklaringen juist vergroten.

7.2.3.6b.2 Getuigenverklaringen: betrouwbaarheid

De verdediging heeft ten aanzien van onder meer onderstaande getuigen bepleit dat zij als onbetrouwbaar gezien dienen te worden en dat zodoende hun verklaring niet voor het bewijs gebruikt kan worden. Ten aanzien van deze getuigen overweegt de rechtbank hierover het volgende.

[naam getuige 4] ( [naam getuige 4] )

[naam medeverdachte] heeft in 2014 enige maanden bij deze getuige in Nederland in huis gewoond. Het kan zo zijn dat er tussen [naam medeverdachte] en andere leden van de [naam familie] conflicten (hebben) bestaan, kennelijk waren die conflicten voor beiden geen beletsel om bij elkaar te gaan wonen, van enige noodzaak daartoe is immers ook niet gebleken. De getuige heeft herhaaldelijk verklaard wat hij toen heeft gehoord van [naam medeverdachte] over hemzelf en over zijn broer, [naam verdachte] . De rechtbank ziet geen concreet aanknopingspunt om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze getuige of aan de juistheid van de door hem afgelegde verklaringen. In tegendeel zelfs: het feit dat [naam medeverdachte] bij deze getuige woonde, doet vermoeden dat [naam medeverdachte] deze getuige volledig vertrouwde en daarom in alle eerlijkheid heeft verteld over hetgeen hij en [naam verdachte] in Syrië hebben gedaan.

[naam getuige 5]

Ook voor deze getuige geldt dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan zijn betrouwbaarheid of aan de juistheid van zijn verklaring. Hij heeft verklaard wat hij van [naam medeverdachte] zelf heeft gehoord over wat hij en [naam verdachte] in Syrië hebben gedaan. Voorts is er geen reden om te veronderstellen dat [naam medeverdachte] niet de waarheid tegen deze getuige heeft verteld.

[naam getuige 1]

Deze getuige is afkomstig uit [plaatsnaam] en heeft samen met [naam verdachte] op school gezeten. De verklaring die [naam getuige 1] heeft afgelegd over wat [naam verdachte] hem zou hebben verteld tijdens gesprekken in zijn woning komt overeen met de inhoud van de OVC-opnames van deze gesprekken. Zo vertelt hij – zonder hiernaar te zijn gevraagd – dat [naam verdachte] heeft verteld over het incident waarbij een bus met Alawieten zou zijn gestopt en de inzittenden zouden zijn gedood. Uit zijn verklaringen lijkt echter ook te volgen dat hij op sommige punten [naam verdachte] probeert te sparen en heeft het er geenszins het beeld van dat deze getuige bewust (onjuist) belastend verklaard. Zo vertelt hij in eerste instantie wat [naam verdachte] gezegd zou hebben over zijn tijd als emir in Syrië. Later zegt hij dat het zijn eigen conclusie was en weer later zegt hij zich niets te herinneren. Mede gelet op de inhoud van de OVC-gesprekken, waar inderdaad te horen is dat [naam verdachte] enkele malen tegen verschillende gesprekspartners heeft gesproken over het zijn van leidinggevende/emir, acht de rechtbank de oorspronkelijke verklaring van [naam getuige 1] geloofwaardig en gaat zij daar van uit.

7.2.3.6b.3 Getuigenverklaringen: tussenconclusie

De rechtbank concludeert derhalve dat de getuigenverklaringen, zoals hieronder nader besproken, voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

7.2.3.7. Aandeel van [naam verdachte] bij Jabhat al-Nusra

Allereerst dient vastgesteld te worden of [naam verdachte] heeft deelgenomen aan de terroristische organisatie Jabhat al-Nusra. Indien dit het geval is, moet de deelneming aan de organisatie van voldoende gewicht zijn om overtreding van het bepaalde in artikel 140a Sr op te leveren. Niet nodig is dat [naam verdachte] als deelnemer aan de organisatie en medepleger van de overige bewezenverklaarde feiten aanhanger was van het jihadistische gedachtegoed. Voldoende is dat hij daarvan weet had, alsook van het voornemen om (terroristische) misdrijven te plegen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval aan de orde als sprake is van een leidinggevende rol.

Bij de beoordeling komt een belangrijke plaats toe aan uitlatingen van [naam verdachte] en [naam medeverdachte] zelf in afgeluisterde gesprekken. Het gaat hierbij om OVC-gesprekken in de eigen omgeving (woning of voertuig), dan wel tapgesprekken van de betrokkenen, waarbij de gespreksgenoten zich kennelijk niet bewust zijn geweest van het feit dat zij werden afgeluisterd en vrijuit meenden te kunnen spreken. Naast deze opnames acht de rechtbank, waar relevant en van betekenis, ook de verklaringen van de gesprekspartners als getuigen van belang, alsmede diverse andere stukken in het dossier, waaronder informatie uit de in beslaggenomen telefoons, een chatgesprek tussen derden en de verklaring van [naam verdachte] ter zitting. Getuigenbewijs heeft de rechtbank slechts gebruikt als de verdediging voldoende in de gelegenheid is geweest deze getuigen (in de praktijk: bij of in aanwezigheid van de rechter-commissaris) te bevragen.

7.2.3.7a Aandeel van [naam verdachte] : deelname aan Jabhat al-Nusra in algemene zin

Allereerst kan naar het oordeel van de rechtbank uit de OVC-gesprekken de betrokkenheid van [naam verdachte] bij Jabhat al-Nusra in het algemeen worden afgeleid.

De rechtbank wijst allereerst op de inhoud van file 4, waarin is omschreven hoe [naam verdachte] vertelt over zijn periode in Syrië. Hierbij vertelt hij onder meer dat een oudere man die eerder weigerde bij hem te zitten, nu zijn hand kuste15. Ook vertelt hij dat hij gezegd zou hebben dat Adnani hem plaatste samen met [naam 4] en Abu Luqman16. Verder vertelt hij dat hij – ten tijde dat hij [bijnaam 1] was – kwam met een auto, persoonlijke beveiliging, mensen, geweer en alles.17 Ook vertelt hij dat sommige mensen [naam medeverdachte] gebruikten om hem te pakken te krijgen, dat hij de tweede man na al-Julani is en dat hij als een buit in Raqqa was.18 Ook in file 6 ziet de rechtbank bevestiging dat [naam verdachte] deelnam aan Jabhat al-Nusra. Hierin is vermeld dat [naam verdachte] zegt “ik heb gezworen niet meer af slachten, geen vrouw, geen man en niemand anders. Ik zweer het op de Koran19”. De broers spreken vervolgens over Ahrar al-Sham en Jabhat al-Nusra, waarbij [naam verdachte] zegt dat hij geen afstand zou hebben genomen als Daesh20 niet was ontstaan. 21 Het ligt voor de hand dat hier wordt gedoeld op de hiervoor beschreven verwijdering tussen Jabhat al-Nusra en IS, uitmondend in onderlinge strijd en de overhand van IS in de betrokken delen van Syrië in de jaren 2012 tot 2014. Verder zegt [naam verdachte] “Juist, al- Raqqa . Ik was bij hen. En wie nam de bevelen in ontvangst? [naam 5] of dezelfde die bij ons zaten, bij de Nusra. En ze wachten dan op wie? Zij wachten op Abu Luqman. Want ik was toen bij hun”.22

Uit de OVC-gesprekken volgt ook wat [naam verdachte] vertelt over wat hij destijds (onder meer) in Syrië zou hebben gedaan. Zo vertelt hij over een aanval op een grenspost (tenlastegelegd onder feit 3) waarbij hij aanwezig zou zijn geweest en hij zelf (zij het bedekt) te zien zou zijn (“er is een fragment waarop ik duidelijk te zien ben23). Hierbij kijkt hij met zijn gesprekspartner - [naam getuige 1] - naar een video alwaar te zien is dat er gevechten plaatsvinden en uiteindelijk 17 gedode personen getoond worden en 2 gevangenen. Tijdens en na het kijken naar deze beelden legt [naam verdachte] uit wat er te zien is. Verder wordt er onder meer gelachen, gegiecheld en bootst [naam verdachte] schieten en ontploffingsgeluiden na. Hierna vertelt [naam verdachte] dat ze ook een auto hebben bestookt. Verder vertelt hij erover dat hij een bus vol Alawieten heeft aangehouden24. Nadat deze mensen werden geslagen, bekenden (enkele van hen) dat ze geen burgers waren, maar ambtenaren die demonstraties onderdrukten. Bij deze actie is in ieder geval een persoon gedood en zijn anderen geslagen of vermoord25.

Ook in een OVC-gesprek in de woning van [naam medeverdachte] op 9 november 2018 ziet de rechtbank bevestiging van de deelname van [naam verdachte] aan Jabhat al-Nusra. In dit gesprek, kort na de aanhouding van [naam verdachte] , spreken [naam getuige 3] ( [bijnaam 2] ), [naam medeverdachte] en zijn vrouw [naam 6] over deze aanhouding. Hierbij zegt [naam medeverdachte] onder meer “hoe wisten ze dat we bij Jabhat Al Nus..a zaten/waren?”26. Hierbij merkt de rechtbank op dat de verdachten ter verweer hebben gesteld dat dit een (zo begrijpt de rechtbank) ironische wijze van spreken is waarmee wordt bedoeld dat de spreker zich afvraagt waar men dergelijke onjuiste informatie vandaan haalt. Bij de beoordeling van dit verweer acht de rechtbank allereerst van belang dat [bijnaam 2] een duidelijk en rechtstreeks antwoord geeft op deze door [naam medeverdachte] gestelde vraag, namelijk dat een klacht was ingediend en dat – als dit niet was gedaan – niemand iets over hem (rechtbank leest: [naam verdachte] ) wist. Ten tweede speelt hierbij de context van het gesprek een rol. Zo zegt [naam medeverdachte] bijvoorbeeld dat hij (de rechtbank begrijpt: tegen [naam verdachte] ) gezegd heeft dat hij naar Canada of Australië moest gaan en wordt erover gesproken dat er geen beeldmateriaal van [naam verdachte] is omdat hij berekenend te werk ging toen hij daar (rechtbank leest: in Syrië) was. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de door [naam verdachte] geschetste alternatieve uitleg van de zinsnede niet geloofwaardig en bedoeld om de waarheid te verhullen. Zij gaat uit van een letterlijke uitleg daarvan.

De betrokkenheid van [naam verdachte] bij Jabhat al-Nusra komt verder tevoorschijn in de verklaringen van de getuigen [naam getuige 1] , [naam getuige 3] ( [jaartal] ) en [naam getuige 4] ( [naam getuige 4] ). [naam getuige 1] , een schoolvriend, heeft verklaard dat [naam verdachte] tegen hem heeft gezegd dat hij een hekel heeft aan het regime en dat hij hiertegen heeft gestreden door middel van gewapende acties. Hierbij verklaart [naam getuige 1] dat [naam verdachte] hem heeft verteld over een actie tegen een bus van milities die pro-regime waren, waarbij [naam verdachte] als strijder van Jabhat al-Nusra aanwezig was. Deze verklaring komt overeen met wat in de OVC-gesprekken te horen is met betrekking tot de bus met Alawieten, zoals hierboven vermeld. Ook zou [naam verdachte] hem hebben verteld dat hij bij de gewapende mannen zat27. [naam getuige 1] verklaart het verder niet terecht te vinden dat [naam verdachte] als IS-strijder in de media is weggezet. Hij was namelijk van Jabhat al-Nusra.28

Hiernaast heeft [naam getuige 3] ( [jaartal] ) verklaard dat hij in Syrië een persoon met een lange baard heeft zien rijden en dat toen is gezegd dat dit [naam verdachte] zou zijn. Deze persoon zag er volgens de getuige uit als een lid van een groepering omdat hij reed in een grote auto waarin alleen leden van een bepaalde groepering konden rijden.

[naam getuige 4] heeft onder meer verklaard dat [naam medeverdachte] hem heeft verteld dat [naam verdachte] tot de intieme kring van al-Julani behoorde, waarbij hij onder meer zou hebben verteld dat [naam verdachte] hulp zou hebben verleend bij de behandeling van al-Julani toen hij was neergestoken. [naam medeverdachte] zou van deze relatie hebben geprofiteerd.

7.2.3.7b Aandeel van [naam verdachte] : leidinggevende rol binnen Jabhat al-Nusra

Bij de beoordeling of [naam verdachte] binnen Jabhat al-Nusra een leidende rol had, heeft de rechtbank acht geslagen op de contacten die [naam verdachte] blijkens het dossier met kopstukken van Jabhat al-Nusra onderhield en de leidinggevende activiteiten die hij ontplooide. In het dossier wordt hiervan melding gemaakt in de OVC-gesprekken, digitaal onderzoek en door getuigen. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de samenhang met de zaak van [naam medeverdachte] .

7.2.3.7b.1 Contacten met hooggeplaatste personen: OVC-gesprekken

Ter zitting heeft [naam verdachte] verteld dat hij al-Julani en al-Qahtani kende als medegevangenen uit Sednaya. Zoals overwogen in paragraaf 7.2.3.2 worden in de OVC-gesprekken meermaals de namen van hooggeplaatste personen binnen Jabhat al-Nusra genoemd. File 6 betreft (in deze gedeelten) een gesprek tussen [naam verdachte] en [naam medeverdachte] . In deze OVC-gesprekken komen specifieke beschrijvingen voor van situaties waarbij [naam verdachte] kennelijk verkeert in het gezelschap van kopstukken van Jabhat al-Nusra en/of IS. Deze beschrijvingen zijn gedetailleerd en intensief verhalend over de betrokkenheid van [naam verdachte] zelf, waarbij [naam medeverdachte] niet een onwetende luisteraar is, maar in ieder geval deels op de hoogte lijkt als het gaat om namen en posities. Een kenmerkende passage neemt de rechtbank hieronder op, die betrekking heeft op de rol van Abu Luqman, de inschatting die [naam verdachte] van deze man had gemaakt en zijn contact hierover met al-Julani:

[naam verdachte] : Hij kon hem niet verteren. Snap je wat ik bedoel? Hij kon hem niet verteren. Dit is hoe het zat bij Abu Luqman. Abu Luqman is gewend dat hij...

[naam medeverdachte] : Dat hij ...ntv...

[naam verdachte] : Juist. Niet alleen dat hij honden heeft, maar ook dat hij dichterbij de leiders komt. Hij probeerde, en hij probeerde bij Julani, maar Julani kon hem niet verteren. Al Julani zette mij altijd te midden van hun. Snap je?

(…)

[naam verdachte] : En dit is de reden waarom Abu Luqman kapsones heeft gekregen en uiteindelijk naar ze toe ging.

[naam medeverdachte] : ...ntv...

[naam verdachte] : Want ik zweer op God, als Abu Luqman was gekomen he?... En die vent heeft zich terug getrokken, toch? Maar toch staat heel Raqqa achter hem. Als hij was ...ntv... Dan had hij ze daar afgemaakt. Abu Luqman hen ...ntv... zoals hij ze kan maken/creëren, zo kan hij ze ook

vernietigen. Het ligt in zijn handen.

[naam verdachte] : Al-Julani kreeg spijt, “sorry” zei hij, maar dat zei hij niet tegen mij gisteren. Hij zei alleen: “dat Abu Luqman van ons geloof is. Wij kenden zijn waarde niet”. Ik zei toen tegen hem: “Ik heb het nog tegen jullie gezegd. En ik heb hem meerdere malen meegenomen en jullie ontliepen”. Ik zei tegen jullie: “Al- Raqqa , Al- Raqqa , Al- Raqqa , Al- Raqqa , Abu Luqman en ik bleven zeggen, Al- Raqqa betekent Abu luqman en Abu Luqman is Dam”. De jongens waren alleen gefocust op Aleppo, Idlib, Hama, snap je wat ik bedoel? En dus, zo zijn ze de andere gebieden vergeten.(…)

[naam verdachte] : Ja. En waar kwam ik vandaan? Ik kwam van al- Raqqa en ging naar Aleppo. Snap je mij? Dus hoe ging het verhaal toen?

[naam medeverdachte] : Jij kwam naar ons in Raqqa ?

[naam verdachte] : Juist, al- Raqqa . Ik was bij hen. En wie nam de bevelen in ontvangst? [naam 5] of dezelfde die bij ons zaten, bij de Nusra. En zij wachten dan op wie? Zij wachten op Abu Luqman. Want ik was toen bij hun. Zij zeiden toen: “wij zijn zoals sjeik Ayman het zegt: wij horen bij de Altandim”. Snap je wat ik bedoel? En wat nog correcter hier in Syrië is, voor de Jabha, is dat we Jabha blijven totdat wij een bevel krijgen om te worden. Snap je hoe?

[naam verdachte] : Zo sprak hij vorig jaar dus. Ik heb met hem gesproken en alles was in orde en zo. Ja, dus ik kwam en Abu Luqman kwam met het tegenover gestelde verhaal. Snap je wat ik bedoel? Dat is wat verandering heeft gebracht. ...ntv...stel bijvoorbeeld dat hij hier vermoord was en ze weten niet wie. Wie hem vermoord heeft bijvoorbeeld. Dan had ik bijvoorbeeld kunnen regeren en ging ik...

[naam medeverdachte] : ...als held. Dan was jij gebleven en dan zeq ie teqen ze: “ik wil een overplaatsinq naar Aleppo”.

[naam medeverdachte] : ...dan was ik gebleven, dan was ik blijvenwerken aan Aleppo29.

Aansluitend zegt [naam verdachte] over zijn eigen positie het volgende:

[naam verdachte] : Waar was ik, ik als [naam verdachte] . Waar ben ik toen heen gegaan? Ik wist dat hij ...ntv...in al- Raqqa , omdat ik door Al-Julani aangesteld was. Ik was in die periode als Emirvan al- Raqqa aangesteld. Snap je wat ik bedoel? ...ntv...

Snap je wat ik bedoel? Dus zij weten dat ik de Emir ben en dat Abu Luqman mijn assistent was. In de periode dat Jabhat al-Nusra groeide. Al-Julani heeft mij als Emir aangesteld en heeft ook een assistent voor mij gezet. Ik accepteerde het niet. Toen ik samen met Abu Luqman in de auto zat op de terugweg in de avond en we hadden het bevel bij ons, zei ik tegen Abu Luqman: “publiceer het niet”. Snap je wat ik bedoel? Ik zei toen, ik zei tegen hem: “hou dit tussen jou en mij”. Ik heb zo rekening gehouden

met zijn gevoelens. Snap je wat ik bedoel?

[naam medeverdachte] :...ntv...

[naam verdachte] : Hij zei: “ja”. Ik zei toen: “ok, klaar. Voor de broeders en wij vereffenen het wel onderling. Mijn relatie met Julani zal gewoon zijn en jij blijft de Emir en ik sta bij je”. ...ntv... naar Al-Julani op bezoek gegaan30.

[naam verdachte] heeft het in file 6 van de OVC-gesprekken ook over rechtstreeks contact met al-Adnani. Zo vertelt hij dat hij met al-Adnani onderweg ging toen [naam verdachte] in Jeheina verbleef (een wijk in de stad Al- Raqqa )31, en vertelt hij dat hij met al-Adnani in de auto zat32 . In file 4 vertelt hij: “Adnani plaatste mij, [naam 4] en Abu Luqman33. In file 7 vertelt [naam verdachte] tegenover [naam medeverdachte] en [bijnaam 2] het verhaal dat hij, samen met Abu Maria (al-Qahtani), al-Adnani heeft opgehaald34. Geconfronteerd met deze uitlating, zegt [naam verdachte] bij de politie dat die passage over iemand anders ging, terwijl hij tijdens de rechtszitting vertelt dat het verhaal geheel verzonnen was. De rechtbank gaat echter uit van de woorden van [naam verdachte] toen hij zich onbespied waande en ziet hierin dus ook een indicatie dat [naam verdachte] een actieve rol had bij de initiële totstandkoming van Jabhat al-Nusra. Ook anderszins blijkt van rechtstreeks contact, kennelijk in een hiërarchische lijn, waarin al-Adnani opdrachten aan [naam verdachte] heeft gegeven: in file 7 zegt hij:

“En Abu Maria had ons een bevel gegeven om niet te gaan schieten. Jullie moeten de operatie afronden zonder een kogel. Dat wij niet genoodzaakt moesten zijn. Als je genoodzaakt wordt zei hij, dood dan met een mes voordat... (ntv) een kogel, (ntv) ...de staat, het regime.” 35

En verderop:

[naam verdachte] : Al Adnani heeft tegen mij gezegd, hij zei tegen mij: "Ga emirs aanstellen.”(ntv) heeft hem beschreven. Verhalen dus. Begrijp je mij? Verhalen. Vrouwengezeik. Wij doen rustig aan. Het is vrouwengezeik. Al Adnani en Abu Imad. En die Al Bagdadi, wij waren te klein voor hem. Hij is goed dus. Als een persoon. Maar wat? Degenen om hem heen hebben het in zijn hoofd gezet. En anders kwam hij zeggen: "Er is niemand zoals Al Jolani dus." Wat Al Jolani gewerkt heeft... niemand had het gedaan. Niets, in het begin dat hij kwam. Daarna werd hij wakker [opm: opgewekt]. Dat, “Breng mij de emirs", "Ik wil alle emirs ontmoeten". Hij ging de emirs ontmoeten en ieder ging hem apart trouw zweren. Voor wie?! Is een lange kwestie, ik wil het er niet over hebben36.

7.2.3.7b.2 Contacten met hooggeplaatste personen: Digitaal onderzoek

Ook in het digitaal onderzoek is informatie aangetroffen die erop duidt dat [naam verdachte] contacten had met hooggeplaatste personen. In een ander onderzoek, 26Attleborn, werd eerder de iPhone 6 van [naam verdachte] in beslag genomen. In deze telefoon is een audiobericht gevonden dat door [naam medeverdachte] aan [naam verdachte] is doorgestuurd. Dit bericht luidt:

[bijnaam 1] is schoon wat de DAWAISH (IS leden) betreft. En [bijnaam 1] ehhhh werkelijk is hij boos geworden en inderdaad is hem zo goed als onrecht aangedaan.

En zijn recht is ingekort. En hij had contact met mij. En ik heb te horen gekregen dat [bijnaam 1] is gevangengehouden. En ze hebben wat verhalen over hem verzonnen.

Ik heb tegen ze gezegd: "Wie wat heeft tegen [bijnaam 1] , moet met mij gaan praten”. [bijnaam 1] had als laatst connectie met ons. De man is vertrokken enkel met zijn kleren. OK?

En ik heb tegen ze gezegd: "Als er zaken zijn. Het zijn zaken misschien tussen ons en [bijnaam 1] , niemand heeft daar iets mee te maken en niemand moet praten en ik laat niet toe dat iemand praat".37

Na stemanalyse is met voldoende mate van zekerheid de persoon die het bericht inspreekt aangeduid als Al-Qahtani. Het bericht zelf kan worden aangemerkt als een verdediging van de persoon die [bijnaam 1] wordt genoemd. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden vastgesteld dat met de genoemde [bijnaam 1] , [naam verdachte] wordt aangeduid. Hiertoe baseert de rechtbank zich op de uiting van [naam verdachte] in file 4 van de OVC-gesprekken waarin hij zegt dat hij [bijnaam 1] was, de verklaring van getuige [naam getuige 5] dat [naam verdachte] [bijnaam 1] heette en de vermelding van de naam in Whatsapp in de telefoon van [naam verdachte] .

7.2.3.7b.3 Contacten met hooggeplaatste personen: Getuigen

Ook verschillende getuigen verklaren dat (zij hebben vernomen dat) [naam verdachte] binnen Jabhat al-Nusra contacten had met hooggeplaatste personen. Zo heeft [naam getuige 4] verklaard dat [naam medeverdachte] tegen hem heeft gezegd dat [naam verdachte] tot de interne kring van Jabhat al-Nusra hoort. Hiernaast heeft [naam getuige 3] ( [jaartal] ) verklaard dat [naam medeverdachte] hem heeft verteld dat Abu Luqman hem zijn bijnaam – [bijnaam 3] – heeft gegeven. Dit contact van ook [naam medeverdachte] met deze belangrijke leider van Jabhat al-Nusra bevestigt in algemene zin de positie van beide broers. Verder heeft hij, zoals eerder in dit vonnis vermeld, verklaard dat hij [naam verdachte] in Syrië gezien zou hebben in een hoedanigheid van iemand binnen een groepering. De verklaringen van deze getuigen werken in ondersteunende mate mee aan de vaststelling dat [naam verdachte] contacten had met de leiding van Jabhat al-Nusra.

7.2.3.7b.4 Contacten met hooggeplaatste personen: FBI onderzoek

Via de FBI is een transcriptie facebookchat ontvangen tussen twee niet kennelijk met [naam verdachte] of [naam medeverdachte] verbonden personen die over [naam verdachte] uitwisselen dat hij erg dicht stond bij (onder meer) Abu Maria en alJulani “En hij was prima omhoog geklommen.” 38

7.2.3.7b.5 Contacten met hooggeplaatste personen: Tussenconclusie

Uit het voorgaande volgt dat [naam verdachte] intensief contact had met de leidinggevenden van Jabhat al-Nusra. De uiterlijke verschijningsvorm van de omgang van [naam verdachte] met kopstukken van Jabhat al-Nusra waarover de verdediging spreekt, beschouwt de rechtbank dan ook precies als wat het lijkt: betrokkenheid bij de leiding van de organisatie. Dit contact wijst er reeds op dat [naam verdachte] een rol had in Jabhat al-Nusra die het gewone lidmaatschap oversteeg.

7.2.3.7b.6 Leidinggevende activiteiten: algemeen

In de OVC-gesprekken wordt meermalen vermeld dat [naam verdachte] een leidinggevende rol vervulde. In file 3 zegt [naam verdachte] “Deze, ik zat met hem in de leiding” als hij met [naam getuige 1] een video van de aanval op de grenspost zit te kijken39 en zegt hij “Wat belangrijk is, ik heb tegen ze gezegd: Maak ze niet af. Stuur ze alle zeven naar het noorden... naar Al Rashid, (ntv). Kijk uit bij Shheel.”, wat als een bevel kan worden geïnterpreteerd en blijk geeft van een leidinggevende rol.40 In file 6 zegt [naam verdachte] dat hij was aangesteld als emir en dat hij vervolgens rekening hield met de gevoelens van Abu Luqman door hem als emir naar voren te schuiven:

“Waar was ik, ik als [naam verdachte] . Waar ben ik toen heen gegaan? Ik wist dat hij ...ntv...in al- Raqqa , omdat ik door Al-Julani aangesteld was. Ik was in die periode als Emir van al- Raqqa aangesteld. Snap je wat ik bedoel? ...ntv... Snap je wat ik bedoel? Dus zij weten dat ik de Emir ben en dat Abu Luqman mijn assistent was. In de periode dat Jabhat al-Nusra groeide. Al-Julani heeft mij als Emir aangesteld en heeft ook een assistent voor mij gezet. Ik accepteerde het niet. Toen ik samen met Abu Luqman in de auto zat op de terugweg in de avond en we hadden het bevel bij ons, zei ik tegen Abu Luqman: “publiceer het niet”. Snap je wat ik bedoel? Ik zei toen, ik zei tegen hem:

“hou dit tussen jou en mij”. Ik heb zo rekening gehouden met zijn gevoelens. Snap je wat ik bedoel?

(….) Hij zei: “ja”. Ik zei toen: “ok, klaar. Voor de broeders en wij vereffenen het wel onderling. Mijn relatie met Julani zal gewoon zijn en jij blijft de Emir en ik sta bij je”. ...ntv...”.41

Dit betrof blijkbaar een situatie waarbij [naam verdachte] de mogelijkheid en positie had om in te gaan tegen zijn aanstelling als emir door de leider van Jabhat al-Nusra, hetgeen ook zijn bijzondere positie markeert. Verder vertelde [naam verdachte] in file 6 aan [naam medeverdachte] dat al-Julani vertelde over [bijnaam 1] (waarvan [naam verdachte] heeft erkend dat hij zo werd aangeduid): “Al-Julani zei tegen hem dat [bijnaam 1] speciaal werk heeft vraag niks aan hem42”. In file 7 vertelt [naam verdachte] dat al-Adnani hem heeft opgedragen om emirs aan te stellen, wat zijn status binnen het leiderschap van Jabhat al-Nusra bevestigt . En voorts: “we hadden vier, vijf kazernes. We hebben hem als leider van de kazernes aangesteld.”43

Een andere aanwijzing voor de betrokkenheid van [naam verdachte] bij Jabhat al-Nusra is gelegen in zijn kennis van de strijd, die op verschillende plaatsen in de OVC-gesprekken naar voren komt. [naam verdachte] was op de hoogte van tactieken en actie (geweldshandelingen) van Nusra. In file 3 spreekt hij over “vullingen”, “veroveren” en het “vrije leger”, alsmede over “de goede dagen waar actie in zat “ik bedoel echte action44. Dat [naam verdachte] ook daadwerkelijk met wapens in aanraking is geweest blijkt uit verschillende uitlatingen in de OVC-gesprekken. In file 4 (aanvulling) zegt [naam verdachte] : “je slaapt met je hand op de trekker45 In file 7 vertelt hij dat met “de Sheikh” heeft gesproken over scherpschuttersgeweren en het gebruik van geluidsdempers en daar zelf blijkbaar over beschikte46. Tijdens een gesprek met [naam getuige 3] vertelt [naam verdachte] erover dat hij met een gordel om sliep. Hij legt uitgebreid hoe een dergelijke gordel werkt alsmede over de werking van explosieven in een auto47. Hiernaast vertelt hij dat hij les heeft gekregen in het maken van explosieven die in flessen van ijzer werden getransporteerd. 48

De andere uitleg die [naam verdachte] aan het noemen van deze instrumenten heeft gegeven (algemene kennis van gebruikelijke explosieven bij de oliewinning49) acht de rechtbank bezien naar inhoud en strekking van deze passage ongeloofwaardig. In file 4 heeft hij het over een aanslag, dat er veel munitie opslag te behalen was en dat ze de raketten hadden opgeslagen; heel veel en best groot.50 Ook spreekt hij in file 7 over een actie in het begin van 2012 waar hij gelet op zijn woorden bij betrokken is geweest:

Hij ging vluchten. Wij zijn gegaan om... (ntv) te nemen. Al Qadmus. 5 miljoen Syrische lira. Wij zijn het bureau van Al Qadmus in Al Hasaka binnen gegaan. Hij is gevlucht.. . gevlucht. . . gevlucht. Hij

is militair en gevlucht boven. Toen er geschoten werd ging hij vluchten en wij waren nog nieuwe soldaten, zijn wij niet gevlucht. En hij is gevlucht. Hij ging rennen. En hij ging schreeuwen. En

Abu Maria had ons een bevel gegeven om niet te gaan schieten. Jullie moeten de operatie afronden zonder een kogel. Dat wij niet genoodzaakt moesten zijn. Als je genoodzaakt wordt zei hij, dood dan met een mes voordat... (ntv) een kogel, (ntv) ...de staat, het regime. Dat was begin 2012. En hij heeft de eerste kogel afgevuurd. Hij heeft geschoten en toen is er een gevecht tussen ons en een patrouille ontstaan. En wij waren klaar met de operatie en wij zouden weqqaan. (ntv) ...en hij ging vluchten51.

7.2.3.7b.7 Leidinggevende activiteiten: vrije rol

Uit al het voorgaande volgt dat de aard van de rol van [naam verdachte] kennelijk niet die was van een reguliere leidinggevende. In het dossier wordt op verschillende plaatsen aangegeven dat [naam verdachte] bij Jabhat al-Nusra een ‘vrije’ rol had. De getuige [naam getuige 1] , die verklaart over wat [naam verdachte] hem zelf heeft verteld, spreekt hierover in zijn verhoor. [naam verdachte] had gezegd: “Ik had geen vaste positie, ik was vrij52, “ik houd niet van verplichtingen en ik wilde gewoon vrij bewegen53 en dat hij ging bewegen in verschillende gebieden in Syrië.54 Dit strookt tevens met de eigen woorden van [naam verdachte] , die in file 7 vertelt wat hij in Syrië deed. Hij vertelt: “Ik was veiligheidsfunctionaris. Ik heb met hem gezeten. Ik zat met de Sheikh zelf. Kletsen, ik zeg tegen hem bijvoorbeeld, ik heb X gezien toen ik naar Istanbul ging. X is verstopt op plaats X. X is zo.55 Ook in file 12, in een gesprek met [naam 7] (die een verhouding had met [naam verdachte] ) op 6 oktober 2016, wordt een dergelijke rol geschetst:

“Hij leefde als banneling, dus ik (ntv) aan het werk was hiervoor, ik moest mijn missies werken, ik moest die mensen vinden, begrijp je en ik (ntv) hem... Ja en...ja, dat soort dingen...maar ik heb niet...ik...ik...ik denk, ik denk dat ik ben vergeten waar, ik denk dat ik mijn [opm.: in het Nederlands] onderzoek [opm.: in het Engels] deed naar hem en ik weet waar hij veranderde, hoeveel hij betaald heeft (ntv) het was heel nuttig en ik... het is vijf jaar geleden, ik schrijf alles op en stuur het terug naar Syrië, maar ik heb niet...ik heb niet over hem geschreven, maar ze wilden hem dood hebben toen, dat is het hele verhaal”.

De omstandigheden dat [naam verdachte] mogelijk – zoals hij tegenover de politie heeft verklaard – geen eed van trouw heeft gezworen en zelf geen emir heeft gehad, acht de rechtbank, mede tegen de achtergrond van de beschreven ‘vrije’ rol, niet doorslaggevend.

7.2.3.7b.8 Leidinggevende activiteiten: steunbewijs

Al het voorgaande vormt de grondslag voor het oordeel dat [naam verdachte] daadwerkelijk als leidinggevende betrokken was bij Jabhat al-Nusra. Dit gegeven vindt voorts steun in een aantal andere omstandigheden, die op zichzelf genomen niet doorslaggevend zijn voor het oordeel dat [naam verdachte] deel uitmaakte van Jabhat al-Nusra, maar in onderling verband deze conclusie in voldoende mate ondersteunen.

- In file 7 wordt in het verlengde van het verhaal van [naam verdachte] over al-Adnani gesproken over het vele geld dat werd uitgegeven, waarbij [naam verdachte] het heeft over “onze maandelijkse kosten”. “Vijf miljoen dollar eten en drinken…zonder bewapening. Zonder wapens, telde niet mee in de uitgaven.56 Dat dit over liefdadigheidsgelden zou gaan zoals [naam verdachte] op zitting heeft verklaard acht de rechtbank, gegeven het vermelden van het niet meetellen van wapens, onaannemelijk.

- De verhalen die volgens [naam verdachte] de ronde deden over zijn positie als “tweede man na al-Julani” bieden steun voor de aanname dat hij een invloedrijke positie had57. Hetzelfde geldt voor zijn opmerking in deze file 4 waarin hij die geruchten onder woorden brengt als “maar wie is al-Nusra…ntv…Al-Nusra is [naam verdachte]58

- [naam verdachte] heeft gevangen gezeten in Sednaya en heeft daarmee jarenlang geleden onder het regime van Assad. Ter zitting heeft hij aangegeven de dood van soldaten van Assad niet te betreuren, in reactie op een vraag over zijn commentaar op de hiervoor genoemde ter zitting getoonde video opname van een overval op een grenspost waarbij de dode regime-soldaten werden geteld, die kennelijk onderwerp was van het gesprek in OVC file 3. Het is ook niet onwaarschijnlijk dat [naam verdachte] , net als andere ex-gevangenen van Sednaya, (mede) vanuit persoonlijke motieven zich heeft verzet tegen het regime. In OVC file 9 zegt hij tegen [naam 7] “En toen ging ik naar Al Nusra (…) 6 jaar wil ik wraak nemen.” Dat [naam verdachte] ook verklaard heeft dat hij te weinig heeft gedaan en zich daarom slecht voelt, wil niet zeggen dat hij niet aan het verzet heeft deelgenomen. [naam 7] heeft tegenover de politie verklaard dat [naam verdachte] betrokken is geweest bij het verzet tegen Assad59. Ook heeft zij gezegd dat [naam verdachte] had haar had verteld dat hij zich had aangesloten bij de alliantie tegen Assad en dat toen in de media kwam dat hij betrokken was bij Jabhat al-Nusra, zij niet verrast was door die informatie.60

7.2.3.7b.9 Leidinggevende activiteiten: relatieve onbekendheid

[naam verdachte] heeft erop gewezen dat er weinig informatie over hem beschikbaar is, wat onwaarschijnlijk zou zijn als hij daadwerkelijk een emir was geweest. In de eerste plaats merkt de rechtbank op dat deze stelling in strijd lijkt met het ‘regionale’ beeld van [naam verdachte] ’ relatieve bekendheid met leiders van Jabhat al-Nusra (de door de verdediging genoemde uiterlijke verschijningsvorm) waar [naam verdachte] zelf melding van maakt. In de tweede plaats overweegt de rechtbank dat de ‘vrije rol’ die [naam verdachte] heeft gehad een mogelijke verklaring is voor het ontbreken van een vermelding in een openbare bron. Maar hoe dan ook is [naam verdachte] kennelijk voorzichtig geweest met in het openbaar op te vallen. Dit laatste volgt ook uit verschillende stukken in het dossier. Zo verklaart getuige [naam getuige 1] op de vraag waarom [naam verdachte] – als goede vriend van [naam getuige 1] – voorzichtig zou zijn informatie met hem te delen dat hij weliswaar met hem bevriend is, maar het algemeen bekend is dat mensen van Jabhat al-Nusra altijd voorzichtig zijn en onbekend willen blijven. Dat deze mensen een masker dragen en een andere naam gebruiken. Hij zegt verder dat hij (de rechtbank leest: [naam verdachte] ) niet wilde dat iemand een opname maakt, zodat hij niet bekend zou worden61. Ook verklaart hij dat [naam verdachte] gezegd heeft dat hij geen sporen heeft achtergelaten en dat hij ergens anders dan in Al Tabqa was zodat mensen hem daar niet kenden62. Verder verklaart hij dat [naam verdachte] heeft gezegd dat hij ten eerste wilde emigreren naar Europa en wilde dat niemand er achter zou komen wat hij in het verleden had gedaan en ten tweede dat het niet gemakkelijk is geweest om te deserteren of te over lopen van de organisatie en dat hij dan misschien zelf door de organisatie vervolgd of gezocht zou worden.

Ook uit de eigen woorden van [naam verdachte] in file 2 volgt dat de leden van Jabhat al-Nusra erg voorzichtig waren met het openbaren van hun identiteit. Hiernaast heeft [naam verdachte] ook na zijn vertrek naar Nederland in 2016 zorgen over herkenning. Hij spreekt in file 6 met [naam medeverdachte] over het moment dat [naam 7] kennelijk in zijn openstaande I-pad zijn Twitter-account heeft gezien:

“Daar zat Twitter op. Ik hield contact met de jongens/de strijders via Twitter. We hebben een appartement gehuurd. Ik ging iets halen, ik kan me niet goed herinneren, om iets te halen, Ik vergat mijn iPad af te sluiten, hij was aan. Ze maakte toen gebruik van de iPad met haar eigen Twitter account. Ze heeft mij later die dag verteld hahaha! En ze heeft wat foto’s, dingen gezien en zo...

[naam medeverdachte] : hahahaha!

[naam verdachte] : ...Ik was toen nog in ...ntv... en ik kwam net nieuw uit de hele sfeer. Verdomme, ze zei het tegen me en ik dacht bij mezelf: “ik heb nog niet eens een verblijfsvergunning” hahahahahaha”

De meest waarschijnlijke verklaring voor de terughoudendheid dan wel geheimhouding is dat [naam verdachte] als onderdeel van het verzet tegen Assad herkenbaar zou zijn, waarbij de belastende omstandigheid van zijn lidmaatschap van Jabhat al-Nusra een belangrijke rol kan spelen. Steun voor deze gedachte vindt de rechtbank in de uitlatingen die [naam verdachte] doet tegenover [naam getuige 1] in OVC file 2 in de nacht van 2 op 3 april 2016. In deze nacht voeren [naam verdachte] en [naam getuige 1] een gesprek over een foto. [naam verdachte] zegt hierbij dat het toen niet toegestaan was om foto’s te maken en dat deze stiekem is gemaakt.63 In het dossier wordt gewezen op de mogelijke samenhang van dit gespreksonderwerp met de publicatie van een foto met artikel over al-Julani van 2 april 2016.64 De zorg die [naam verdachte] heeft over zijn herkenbaarheid is ook terug te vinden in OVC-gesprekken waaraan [naam medeverdachte] en diens echtgenote deelnemen, alsmede een telefoontap als [naam medeverdachte] contact heeft met zijn echtgenote over een onderzoek door de politie naar [naam verdachte] . Daaruit blijkt verontrusting dat hun verleden in Syrië breder bekend wordt en blijkt bovendien dat zij hun verklaringen op elkaar afstemmen65. Dat een aantal van deze gesprekken van [naam medeverdachte] – onder meer met inzittenden van zijn Mercedes op de route van of naar Duitsland - plaatsvinden rond hun getuigenis in een Duitse strafzaak tegen mede-Syriërs ondersteunt deze gedachte verder66.

Hieruit volgt dat met het argument van de verdediging dat er te weinig openbare informatie is om de leidinggevende rol van [naam verdachte] te onderbouwen, de voorgaande bevindingen niet zijn weerlegd.

7.2.3.7c Aandeel van [naam verdachte] : conclusie

Gelet op hetgeen is overwogen in paragraaf 7.2.3.7 concludeert de rechtbank dat [naam verdachte] in de tenlastegelegde periode was aangesloten bij Jabhat al-Nusra en dat hij hierbij een leidinggevende rol had.

7.2.3.8. Veroordeling [naam medeverdachte]

Bij uitspraak van heden is [naam medeverdachte] veroordeeld wegens het vervullen van een leidinggevende rol bij Jabhat al-Nusra.

Hoewel diens rol en activiteiten afweken van die van [naam verdachte] zelf, vormt het bewijs van zijn deelname en leidinggeven aan een terroristische organisatie mede een ondersteuning voor de hiervoor genoemde conclusie. Dit volgt reeds uit de samenhang die in de bewijsmiddelen – met name in de eigen uitingen van verdachten in de OVC-gesprekken – is te lezen tussen hun levens in de ten gelaste gelegde periode, waaronder hun gedeelde kennis van en ervaringen met de leiders van Jabhat al-Nusra. Die samenhang maakt het waarschijnlijker dat als betrouwbaar te beschouwen (delen van) bewijsmiddelen in de zaak van de een, kunnen worden gevolgd in de zaak van de ander.

7.2.3.9. Eindconclusie ten aanzien van de feiten 1 en 2

Wettig en overtuigend is bewezen dat [naam verdachte] heeft deelgenomen aan Jabhat al-Nusra, een terroristische organisatie die het oogmerk had om terroristische misdrijven te plegen, terwijl hij deze organisatie (mede) heeft opgericht en hieraan leiding heeft gegeven, zodat feit 1 bewezen zal worden verklaard. Ook het tenlastegelegde in feit 2 is wettig en overtuigend bewezen. Met de vaststelling dat [naam verdachte] leiding gaf aan Jabhat al-Nusra heeft hij, tezamen en in vereniging met de leden van deze organisatie, zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor het plegen van terroristische misdrijven.

7.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 01 april 2011 tot en met 1 juli 2014 , in plaatsen in Syrië,

tezamen en in vereniging met anderen, heeft

deelgenomen aan een organisatie, te weten de terroristische organisatie Jabhat

al-Nusra , welke organisatie tot

oogmerk had en/of heeft het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands

dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht),

(te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het

Wetboek van Strafrecht) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot

eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 288a en/of289a

en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of munitie van de

categorieën II en/of II (zoals bedoeld is in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en

Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en /of met het oogmerk om

een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet Wapens en Munitie),

terwijl hij, verdachte, deze terroristischeorganisatie heeft opgericht en

daaraan leiding heeft gegeven .

2.

hij in de periode van 01 april 2011 tot 01 juli 2014, in

plaatsen in Syrië , tezamen en in

vereniging met anderen, met het oogmerk om ter

voorbereiding en/of ter bevordering van de (meermalen) te plegen

misdrij(f)(ven):

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of

dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch

oogmerk (zoals bedoeld in artikel 157 jo 176a van het Wetboek van

Strafrecht) en/of

- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht)

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen

plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe

gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf

aan zichzelf of aan anderen heeft verschaft en/of

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd

met een terroristisch oogmerk, gevoerd door de (terroristische) organisatie zoals

Jabhat al-Nusra eigen gemaakt en/of

B. zich gevoegd bij één of meer mededader(s) en Jabhat al-Nusra die de gewapende Jihadstrijd voorstaan

en/of

C. in Syrië deelgenomen en/of bijgedragen aan de gewapende

Jihadstrijd, gevoerd door de (terroristische) organisatie Jabhat al-Nusra ,

in welke gewapende Jihadstrijd moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of

het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een

terroristisch oogmerk;

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

4.

hij in de periode van 01 april 2014 tot en met 30 oktober 2018 in Nederland meermalen, reisdocumenten als

bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht,

te weten:

- een (Syrisch) nationaal paspoort met nummer [paspoortnummer 1] , op naam

gesteld van [naam 1] (geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ), en

- een (Syrisch) nationaal paspoort met nummer [paspoortnummer 2] , op naam

gesteld van [naam 1] (geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] )

waarvan hij, verdachte, (telkens) wist dat

deze vals of vervalst was/waren,

voorhanden heeft gehad,

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

8. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven;

2. medeplegen van met het oogmerk om voor te bereiden of te bevorderen, dat moord en/of doodslag en/of opzettelijk brand stichten en/of ontploffingen teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt begaan, telkens begaan met een terroristisch oogmerk, zich/een ander middelen en inlichtingen verschaffen of trachten te verschaffen waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf;

4. opzettelijk gebruik maken van een vals reisdocument, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

9. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

10. Motivering straf

10.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft benadrukt dat het beeld dat uit het dossier naar voren komt van het leven dat [naam verdachte] in Nederland leidt, op geen enkele manier strookt met een persoon die achter het jihadistisch gedachtegoed staat en verzocht met deze omstandigheid rekening te houden.

10.2

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

[naam verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan deelneming aan een terroristische organisatie, te weten Jabhat al-Nusra in Syrië, en aan het voorbereiden en bevorderen van terroristische misdrijven. Aan deze terroristische organisatie heeft hij ook leiding gegeven.

[naam verdachte] is als jonge man van 19 jaar in 2005 door het regime van Assad mogelijk om louter politieke redenen gearresteerd en in de Sednaya gevangenis in Damascus terecht gekomen. Hij heeft in de gevangenis gruwelijke martelpraktijken moeten ondergaan en is bloot gesteld aan afschuwelijke omstandigheden. In april 2011 is [naam verdachte] vrijgekomen waarna hij in eerste instantie bij zijn familie heeft verbleven en zich daarna naar het noorden van Syrië heeft begeven. In deze periode heeft hij zich aangesloten bij Jabhat al-Nusra.

Dit alles vond plaats ten tijde van het gewapende conflict in Syrië, waarbij onder meer van de kant van het regime van Assad veelvuldig schendingen plaatsvonden van mensenrechten. In de opstand tegen het totalitaire regime van Assad zijn verschillende jihadistische strijdgroepen ontstaan die zich hebben verzet tegen dat regime. Deze soms zeer gewelddadige groeperingen, waaronder Jabhat al-Nusra, hebben een rol gehad in het verder destabiliseren van het land, en hebben er bewust aan bijgedragen dat miljoenen Syriërs op de vlucht zijn geslagen. Uit het in paragraaf 7 overwogene volgt dat Jabhat al-Nusra zich vanaf de officiële bekendmaking van haar oprichting op 24 januari 2012 schuldig heeft gemaakt aan een groot aantal gewapende aanvallen, (zelfmoord)aanslagen en moordaanslagen.

[naam verdachte] heeft aan de activiteiten van Jabhat al-Nusra een grote bijdrage geleverd door een leidinggevende rol in deze terroristische organisatie. Hij had intensief contact met de kopstukken van Jabhat al-Nusra, waaronder al-Julani, al-Adnani en Abu Luqman. [naam verdachte] was een vertrouweling van al-Julani, die hem als emir van Jabhat al-Nusra had aangesteld in een fase dat Jabhat al-Nusra zijn macht in de gebieden opbouwde, was betrokken bij het faciliteren van de komst van al-Adnani en had een ‘vrije’ rol binnen de organisatie.

De rechtbank ziet uitdrukkelijk de hardheid, waaronder ook martelingen, onder ogen die [naam verdachte] van het regime van zijn geboorteland heeft moeten ondervinden bij zijn jarenlange verblijf in de Sednaya gevangenis. Zij weegt zijn persoonlijke geschiedenis mee bij het vaststellen van de straf in deze rechtszaak.

Tegelijkertijd stelt de (internationale) rechtsorde, waarvoor ook deze rechtbank waakt, een grens bij gewelddadig en destabiliserend gedrag waarbij onnodig slachtoffers worden gemaakt, omdat zulk gedrag in strijd is met de humaniteit. Dergelijk gedrag, gepaard met vele gruwelijkheden, is in ruime mate door Jabhat al-Nusra gepleegd. [naam verdachte] was daarvoor, meer dan een gewone strijder, intellectueel en feitelijk ten volle verantwoordelijk in zijn bijzondere leidinggevende rol dichtbij de kopstukken en daarmee de top van de organisatie. Zonder individuen die, mede door persoonlijkheid en capaciteiten anderen vertellen hoe te handelen, die informatie ontvangen en inzetten, die initiatief nemen en plannen ontwikkelen, kunnen ook terroristische organisaties niet bestaan.

Het zijn tevens de leiders die grenzen moeten stellen aan het gedrag van hun medestrijders en soms beslissen over het leven van medemensen. Mogelijk is [naam verdachte] zich van deze grenzen bewust geweest als hij in een OVC-gesprek melding maakt van een norm om geen burgers te doden. Maar [naam verdachte] is ook (naar eigen zeggen in de OVC) aanwezig geweest bij gewelddadige en gewapende acties van Jabhat al-Nusra. Hieronder noemt de rechtbank de aanval op de grenspost bij Shheel waarbij de kort daarvoor - kennelijk bij verrassing - overvallen en gedode soldaten achtereenvolgens triomfantelijk in beeld zijn gebracht en geteld, en voorts de actie waarbij een bus vol ambtenaren (christelijken of ‘Alawieten’ genoemd in de OVC) is aangehouden bij Homs waarna de inzittenden kennelijk bang zijn gemaakt, geslagen en waarschijnlijk ook mensen om het leven zijn gebracht. [naam verdachte] heeft zijn haat jegens het regime niet onder stoelen of banken gestoken, ook ter zitting heeft hij daar over verklaard. Zo heeft hij erkend geen moeite te hebben met filmpjes waarin te zien is dat militairen van het regime om het leven worden gebracht.

Strafrechtelijke afrekening moet plaatsvinden op grond van wat onmiskenbaar blijkt uit de bewijsmiddelen, zoals dat uitgebreid hiervoor in paragraaf 7 is overwogen.

Verder geldt dat op Nederland de internationale verplichting rust om terrorisme te bestrijden, ook als dat in een ander land plaatsvindt. Deelnemen aan de gewapende strijd in Syrië, in welke vorm dan ook, is een terroristisch misdrijf. Terroristische misdrijven worden – ook internationaal – gezien als behorende tot de ernstigste misdrijven die de rechtsstaat en de Rule of Law volkomen ondermijnen.

Voor die bewezenverklaarde feiten moet de verdachte nu dan ook worden gestraft.

Daarnaast heeft [naam verdachte] zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee valse paspoorten. Vervalste reisdocumenten verhinderen een effectieve identiteitscontrole en bovendien wordt het vertrouwen dat in het maatschappelijke verkeer in dergelijke documenten moet kunnen worden gesteld hierdoor ernstig aangetast.

10.4.

Huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte

10.4.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 juni 2021, waaruit blijkt dat [naam verdachte] in Nederland niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

10.4.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 25 februari 2021. Dit rapport houdt het volgende in.

[naam verdachte] lijkt zijn leven voor detentie goed op orde te hebben gehad. Inmiddels is zijn verblijfsvergunning ingetrokken en zijn toekomstperspectief is hierdoor onduidelijk geworden. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Het risico op extremistisch geweld wordt in geval van bewezenverklaring ingeschat als hoog. Bij een veroordeling wordt geadviseerd een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Gezien de ernst van de feiten is bij bewezenverklaring een strafverwachting van vier jaar of langer niet ondenkbaar. In dat geval zal een voorwaardelijk strafdeel juridisch niet tot de mogelijkheden behoren. Daarnaast is de kans zeer klein dat [naam verdachte] nog voor een verblijfsvergunning in aanmerking komt en dan komt hij ook niet in aanmerking voor basisvoorzieningen rondom huisvesting, inkomen of dagbesteding. De reclassering kan in dat geval geen invulling geven aan een toezicht en niet werken aan enige vorm van resocialisatie of gedragsverandering. Ook risicobeperking is niet mogelijk als [naam verdachte] geen verblijfsstatus heeft.

10.5.

Samenvattende conclusies van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van de feiten is naar het oordeel van de rechtbank enkel het opleggen van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Vanwege de grote dreiging die uitgaat van terroristische organisaties, wordt alleen al de deelneming daaraan bedreigd met een hoge gevangenisstraf. Bij de vaststelling van de duur van de aan [naam verdachte] op te leggen gevangenisstraf weegt ook zwaar mee dat hij niet alleen heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie maar daaraan ook leiding heeft gegeven. Dit is een unieke zaak, in die zin dat in Nederland nog niet eerder iemand is veroordeeld voor het leiding geven aan een terroristische organisatie in Syrië. De rechtbank weegt ook mee dat de gedragingen hebben plaatsgevonden in een land waar op dat moment een niet-internationaal gewapend conflict plaatsvond, wat ook voor [naam verdachte] grote gevolgen heeft gehad. De rechtbank merkt op dat haar niet is gebleken dat de verdachte het jihadistisch gedachtengoed heeft aangehangen vanaf de periode dat hij in Nederland verblijft. Door zijn ontkennende opstelling heeft een dieper gesprek hierover met de verdachte niet kunnen plaatsvinden en is een beoordeling van zijn activiteiten en zijn innerlijke drijfveren aan de hand van een open bespreking daarvan achterwege gebleven.

Alles afwegend acht de rechtbank een straf lager dan door de officier van justitie geëist passend en geboden.

10.5.1.

Redelijke termijn

Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld67. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. [naam verdachte] is in de onderhavige zaak op 30 oktober 2018 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen.

Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden.

Tussen 30 oktober 2018 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van 2 jaar en ruim tien maanden. Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van 16 maanden, is er in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van ruim 18 maanden. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan [naam verdachte] , dient dit gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf met 3 maanden.

In het geval de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, zou de rechtbank een gevangenisstraf hebben opgelegd voor de duur van 16 jaar. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan [naam verdachte] een gevangenisstraf van 15 jaar en 9 maanden opleggen.

10.5.2.

VI

10.5.2.1 Standpunt officier van justitie

Door de officier van justitie is aangevoerd dat niet dient te worden meegewogen dat de nieuwe VI-regeling, zoals deze geldt onder de Wet Straffen en Beschermen en die in werking is getreden op 1 juli 2021, een kortere VI-duur tot gevolg zou hebben dan onder de oude regeling. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling geweest van de wetgever dat na 1 juli 2021 lagere straffen worden opgelegd voor soortgelijke feiten dan doorgaans voor 1 juli 2021 voor die feiten werden opgelegd.

10.5.2.2 Standpunt verdediging

De feiten die [naam verdachte] worden verweten, zijn gepleegd in de periode van 2011 tot 1 juni 2014. De vervolging is aangevangen op 30 oktober 2018. De factoren die ervoor hebben gezorgd dat de inhoudelijke behandeling lang op zich heeft laten wachten zijn niet te wijten aan de verdediging. [naam verdachte] is door deze niet aan hem te wijten vertraging in een voor hem zeer ongunstigere positie terecht gekomen voor wat betreft de tenuitvoerlegging van zijn straf. De verdediging verzoekt de rechtbank dan ook een straf op te leggen die netto aansluit bij de straf die [naam verdachte] zou hebben uitgezeten indien hij onder de oude VI-regeling zou vallen.

10.5.2.3 Beoordeling

Voor de beantwoording van de vraag welke straf passend is heeft als uitgangspunt te gelden dat de rechtbank zich moet houden aan de wet zoals die thans geldt. Binnen dat wettelijk kader legt zij een straf op die zij gelet op de feiten en de persoon van de verdachte passend en geboden acht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 46, 47, 57, 83, 96, 140a, 157, 176a, 176b, 231, 289 en 289a van het Wetboek van Strafrecht.

12. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging voor feit 4 voor zover dit ziet op gedragingen in Turkije en/of Syrië, alsmede voor wat betreft het onder het derde tenlastegelegde gedachtestreepje;

verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaar en 9 (negen) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.


Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

en mrs. V.M. de Winkel en D.F. Smulders, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst nader omschreven tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 april 2011 tot en met 30 oktober 2018 , in

één of meer plaats(en) in Syrië en/of Irak en/of Turkije en/of Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, heeft

deelgenomen aan een organisatie, te weten de terroristische organisatie Jabhat

al-Nusra en/of Ha'yat Tahrir al-Sham (HTS) en/of Jabhat Fateh Al-Sham en/of

Al Qaida en/of Islamitische Staat (IS) en/of Islamic State of Iraq and Shaam

(ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans een aan

voornoemde organisatie(s) gelieerde Jihadistische strijdgroep, althans (een)

organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie tot

oogmerk had en/of heeft het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands

dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht),

(te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het

Wetboek van Strafrecht) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot

eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 288a en/of289a

en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of munitie van de

categorieën II en/of II (zoals bedoeld is in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en

Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en /of met het oogmerk om

een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet Wapens en Munitie),

terwijl hij, verdachte, deze (terroristische) organisatie(s) heeft opgericht en/of

daaraan leiding heeft gegeven en/of heeft bestuurd.

(art. 140a lid 1 en 2 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 april 2011 tot 01 augustus 2014, in één of

meer plaats(en) in Syrië en/of Irak en/of Turkije en/of Nederland, tezamen en in

vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om ter

voorbereiding en/of ter bevordering van de/het (meermalen) te plegen

misdrij(f)(ven):

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of

dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch

oogmerk (zoals bedoeld in artikel 157 jo 176a van het Wetboek van

Strafrecht) en/of

- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht)

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen

plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe

gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf

aan zichzelf of aan anderen heeft verschaft en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat ze bestemd

waren tot het plegen van het misdrijf

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd

met een terroristisch oogmerk, gevoerd door de (terroristische) organisatie zoals

Jabhat al-Nusra en/of Ha'yat Tahrir al-Sham (HTS) en/of Jabhat Fateh Al-Sham

en/of Al Qaida en/of Islamitische Staat (IS) en/of Islamic State of Iraq and

Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans een aan

voornoemde organisatie(s) gelieerde Jihadistische strijdgroep, althans (een)

organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, eigen gemaakt en/of

B. zich gevoegd bij één of meer mededader(s) en/of Jabhat al-Nusra en/of Al

Qaida en/of IS(IS/IL) strijder(s), althans bij perso(o)n(en) gelieerd aan (een)

terroristische organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan

en/of

C. in Syrië en/of Irak deelgenomen en/of bijgedragen aan de gewapende

Jihadstrijd, gevoerd door de (terroristische) organisatie Jabhat al-Nusra en/of Al

Qaida en/of IS(IS/IL), althans daaraan gelieerde terroristische organisaties,

althans (een) terroristische organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat,

in welke gewapende Jihadstrijd moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of

het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een

terroristisch oogmerk;

(art. 96 lid 2 jo 289 jo 289a jo 83 en 96 lid 2 jo 157 jo 176a jo 176b jo 83

Wetboek van Strafrecht)

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2012 tot en met 1 september 2012 te

Shheell, althans in Syrië, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans

alleen, 19 dan wel 17, in elk geval één of meerdere onbekend gebleven

perso(o)n(en), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, van

het leven heeft beroofd, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

samen met zijn mededader(s) deze 19 dan wel 17, in elk geval één of meerdere

onbekend gebleven perso(o)n(en) met (automatische) vuurwapens dood te

schieten,

terwijl dit misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk;

(art. 83 jo 288a en 289 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij in of omstreeks de periode van 01 april 2014 tot en met 30 oktober 2018 te

Amsterdam, althans in Nederland en/of Turkije en/of Syrië, meermalen, althans

eenmaal, (een) reisdocument(en)en/of identiteitsbewijs(zen) (telkens) als

bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht,

te weten:

- een (Syrisch) nationaal paspoort met nummer [paspoortnummer 1] , op naam

gesteld van [naam 1] (geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ), en/of

- een (Syrisch) nationaal paspoort met nummer [paspoortnummer 2] , op naam

gesteld van [naam 1] (geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] )

- een (Syrisch) nationaal paspoort met nummer [paspoortnummer 3] , op naam

gesteld van [naam verdachte] (geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] )

waarvan hij, verdachte, (telkens) wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat

deze vals of vervalst was/waren,

voorhanden heeft gehad,

(artikel 231 lid 2 Wetboek van Strafrecht)

1 p 132, par II.B. van het zaaksdossier Paragould, einddossier verdachte [naam verdachte]

2 p 211, par II.C. einddossier [naam verdachte]

3 p 212, par II.C. einddossier [naam verdachte]

4 p 193, par II.C. einddossier [naam verdachte]

5 p 174 einddossier [naam verdachte]

6 p 219 einddossier [naam verdachte]

7 Vgl. Hoge Raad 22 januari 2008, NJ 2008,72.

8 Kamerstukken II 2001/02, 28463.

9 P 137 e.v. einddossier [naam verdachte]

10 Tijdlijn verdachte [naam verdachte] , [nummer] , p 127 einddossier [naam verdachte]

11 p 148, par II.B. einddossier [naam verdachte]

12 Bijvoorbeeld file 3, p 482, p484, p527, file 4 aanvulling P632, p2215 (getuigeverhoor [naam getuige 1] ), p2267 (getuigeverhoor [naam getuige 5] ) van einddossier [naam verdachte] .

13 Blijkens het tijdlijn document, is in het IND-dossier van [naam verdachte] te lezen dat hij op 20 juli 2014 te Amsterdam is ingereisd; p 230, par II.C. einddossier [naam verdachte]

14 Bijlagen pleitnotities mr Plasman 30 juli 2021

15 p 541 einddossier [naam verdachte] ; de schriftelijke vertaling van [naam verdachte] (bijlage pleitnotities file 4) geeft hier: “Zag je hem hij kuste mijn hand”

16 p 544 einddossier [naam verdachte] ; de schriftelijk vertaling van [naam verdachte] (bijlage pleitnotities file 4) geeft hier geen tekst, alleen “ntv”

17 p 548 einddossier [naam verdachte]

18 p 555/556 einddossier [naam verdachte]

19 de schriftelijke vertaling van [naam verdachte] (bijlage pleitnotities file 6) geeft hier geen wezenlijk andere betekenis, maar vermeldt niet de woorden “Ik zweer het op de Koran”

20 De schriftelijke vertaling van [naam verdachte] (bijlage pleitnotities file 6) geeft hier in plaats van Daesh: “Isis”.

21 p 685 einddossier [naam verdachte]

22 p 691 einddossier [naam verdachte]

23 p 451 einddossier [naam verdachte] ; geen schriftelijke vertaling van [naam verdachte] van dit gedeelte overgelegd.

24 p 455 einddossier [naam verdachte]

25 in de vertaling van de tolken wordt een aantal malen het woord “vermoord” of “vermoorden” gebruikt; de schriftelijke vertaling van [naam verdachte] geeft “slaan”, en meldt expliciet “hij was al dood toen hij werd meegenomen” (bijlage pleitnotities file 3).

26 p 1489 einddossier [naam verdachte]

27 p 2210 einddossier [naam verdachte]

28 p 2219 einddossier [naam verdachte]

29 p 732 e.v. einddossier [naam verdachte]

30 p 637 einddossier [naam verdachte]

31 p 692 einddossier [naam verdachte]

32 p 728 einddossier [naam verdachte]

33 p 544 einddossier [naam verdachte] ; In de schriftelijke vertaling van [naam verdachte] is deze niet terug te vinden. (bijlagen pleitnotities file 4).

34 p 757 einddossier [naam verdachte]

35 p 754 einddossier [naam verdachte]

36 p 755 einddossier [naam verdachte]

37 p 2442 einddossier [naam verdachte]

38 p 1846 einddossier [naam verdachte]

39 p 472 einddossier [naam verdachte]

40 P 476 einddossier [naam verdachte] . De schriftelijke vertaling van [naam verdachte] (bijlage pleitnotities file 3) wijkt zodanig af dat hij deze passage lijkt over te slaan, en wordt de dossiervertaling gevolgd

41 p 691, 692 einddossier [naam verdachte]

42 p 687 einddossier [naam verdachte] ; de schriftelijke vertaling van [naam verdachte] (bijlage pleitnotities file 6) geeft hier: “kom niet dichterbij hij heeft privé werk/eigen werk die moet je niks vragen”

43 p 758 einddossier [naam verdachte]

44 p 516; de schriftelijke vertaling van [naam verdachte] (bijlage pleitnotities file 3) geeft hier geen wezenlijk andere inhoud.

45 p 630 einddossier [naam verdachte]

46 p 758 einddossier [naam verdachte]

47 p 659 einddossier [naam verdachte]

48 p 660 einddossier [naam verdachte]

49 P3112 einddossier [naam verdachte]

50 p 458 einddossier [naam verdachte] ; schriftelijke vertaling [naam verdachte] lijkt dit deel over te slaan (bijlagen pleitnotities file 3)

51 p 754 einddossier [naam verdachte]

52 p 2208 einddossier [naam verdachte] , pleitnotities par. 3.

53 p 2222 einddossier [naam verdachte]

54 p 2246 einddossier [naam verdachte]

55 p 757 einddossier [naam verdachte]

56 p 800 einddossier [naam verdachte]

57 p 555 einddossier [naam verdachte]

58 p 556 einddossier [naam verdachte]

59 p 2008 einddossier [naam verdachte]

60 p 1985 einddossier [naam verdachte]

61 p 2222 einddossier [naam verdachte]

62 p 2248 einddossier [naam verdachte]

63 p 410 einddossier [naam verdachte]

64 p 235 einddossier [naam verdachte]

65 p 1401 einddossier [naam verdachte]

66 p 1410 einddossier [naam verdachte]

67 HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:197