Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:9051

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-08-2021
Datum publicatie
20-09-2021
Zaaknummer
FT EA 21-851 en FT EA 21-853
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 284
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 18 augustus 2021

[verzoeker 1] en [verzoeker 2],

[adres]

[woonplaats],

verzoeker.

1. De procedure

Verzoekers hebben op 2 juli 2021 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekers en mevrouw K. Basarat, schuldhulpverlening, zijn gehoord ter terechtzitting van 11 augustus 2021.

2. De feiten

Verzoekers ontvangen inkomsten uit een Participatiewet-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 53.826,14.

3. De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoekers ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest en dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.

De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.

Verzoekers hebben schulden gemaakt die duiden op overbesteding. Daaronder verstaat de rechtbank schulden waarvan het aangaan niet strikt noodzakelijk was en waarvan verzoekers op het moment van aangaan wist of redelijkerwijs hadden moeten begrijpen dat zij niet in staat zouden zijn om deze te betalen. Het betreft hier een schuld aan KPN Collections van € 3.342,38 en een schuld aan T-Mobile Netherlands B.V., beide ontstaan in september 2016. Deze schulden zijn niet te goeder trouw ontstaan en staan aan toelating in de weg.

Verzoekers hebben een schuld aan de Belastingdienst van € 1.516,-. Volgens verzoekers heeft deze schuld betrekking op ten onrechte ontvangen Huurtoeslag, Zorgtoeslag en Kindergebondenbudget in de periode oktober 2019. Naar het oordeel van de rechtbank is het de verantwoordelijkheid van verzoekers om er voor zorg te dragen dat de Belastingdienst juist en volledig is geïnformeerd. Verzoekers hebben dit niet gedaan. Verzoekers hebben ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat hen ten aanzien van het verstrekken van de juiste gegevens geen verwijt treft. Voorts valt het verzoekers te verwijten dat het bedrag waarop geen recht bestond na ontvangst niet is gereserveerd zodat dit terugbetaald had kunnen worden. Immers is ter zitting gebleken dat verzoekers gelden die zij van familieleden hebben geleend wél (gedeeltelijk) hebben terugbetaald. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat deze schuld aan de Belastingdienst niet te goeder trouw is ontstaan althans onbetaald is gelaten.

Daarnaast moet voldoende aannemelijk zijn dat verzoekers de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is. Verzoekers hebben immers, ondanks het uitdrukkelijk verzoek daartoe in de bijlage bij de oproepingsbrief voor de mondelinge behandeling van zijn verzoek, geen sollicitaties overgelegd. Verzoekers hebben ter zitting verklaard te kampen met gezondheidsklachten. Zij hebben echter nagelaten om een rapport van een arbeidsdeskundige over te leggen waaruit blijkt dat zij volledig arbeidsongeschikt zijn en op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat naleving van de voornoemde verplichtingen redelijkerwijs onmogelijk is. Dat van verzoekers geen (enkele) betaalde arbeidsinspanning kan worden gevergd is dan ook niet aannemelijk geworden. De omstandigheid dat verzoekster de Nederlandse taal niet goed machtig is maakt dat niet anders.

Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden.

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4. De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.T. Frima, rechter, en in aanwezigheid van S. Caciano, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2021. 1

De griffier is buiten staat dit

vonnis mede te ondertekenen

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.