Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:9050

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-08-2021
Datum publicatie
20-09-2021
Zaaknummer
FT EA 21-850 en FT EA 21-852
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing dwangakkoord / saneringskrediet / arbeidsongeschiktheid van schuldenaren is onvoldoende aannemelijk geworden.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 18 augustus 2021

afwijzen gedwongen schuldregeling

in de zaak van:

[verzoeker 1] en [verzoeker 2],

wonende te [adres]

[woonplaats] ,

verzoeker.

1. De procedure

Verzoekers hebben op 2 juli 2021, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een tweetal schuldeisers, te weten:

  • -

    [schuldeiser 1] (hierna: [schuldeiser 1]);

  • -

    [schuldeiser 2], vertegenwoordigd door Balderinger Gerechtsdeurwaarders (hierna: [schuldeiser 2]),

die weigeren mee te werken aan een door verzoekers aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

[schuldeiser 1] heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.

Ter zitting van 11 augustus 2021 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoekers;

  • -

    mevrouw K. Basarat, werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).

De weigerende schuldeisers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. Het verzoek

Verzoekers hebben volgens het ingediende verzoekschrift tien schuldeisers, die in totaal vier preferente en tien concurrente vorderingen op verzoekers hebben. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 53.826,14 van verzoekers te vorderen. Verzoekers hebben bij brief van 18 december 2020 een schuldregeling aangeboden aan hun schuldeisers, inhoudende een betaling van 7,67 % aan de preferente schuldeisers en 3,93 % aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekers is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van hun Participatiewet-uitkering. Schuldhulpverlening heeft in de aanbiedingsbrief te kennen gegeven dat verzoekers kampen met gezondheidsklachten. Verder heeft schuldhulpverlening aangegeven dat verzoekers geen startkwalificatie tot de arbeidsmarkt hebben en dat verzoekster de Nederlandse taal niet goed machtig is. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd.

Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke hebben gedaan om het aangeboden percentage aan hun schuldeisers aan te bieden. Verzoekers hebben sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en hun vaste lasten worden inmiddels door hun budgetbeheerder voldaan.

Acht schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] stemmen hier niet mee in. Zij hebben samen een vordering met een totaalbedrag van € 33.906,11 op verzoekster, welke 62,99 % van de totale schuldenlast beloopt.

3. Het verweer

In haar verweerschrift heeft [schuldeiser 1] te kennen gegeven dat zij bij vorderingen die na 1 januari 2013 zijn ontstaan, niet meewerkt aan de schuldregeling tegen finale kwijting voor zover die vorderingen niet te goeder trouw zijn ontstaan. Op deze vorderingen is artikel 60c Pw van toepassing, omdat verzoekers hun inlichtingenplicht niet volledig zijn nagekomen. [schuldeiser 1] voert aan dat zij, gelet op het dwingendrechtelijk karakter van artikel 60c Pw, niet kan meewerken tegen finale kwijting.

In de contacten met schuldhulpverlening heeft [schuldeiser 2] te kennen gegeven het aangeboden bedrag te laag te vinden. Voorts heeft [schuldeiser 2] aangegeven, dat door het handelen van verzoekers zij zelf in de financiële problemen terecht is gekomen. Voorts hebben verzoekers destijds haar pand in erbarmelijke staat achtergelaten, waardoor er nog eens een schadepost van ongeveer € 30.000,- is ontstaan. Gelet op het voorgaande heeft [schuldeiser 2] besloten om niet in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.

Hoewel behoorlijk opgeroepen hebben [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunten ter zitting toe te lichten.

4. De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] bij hun weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Vooropgesteld wordt dat de vorderingen van [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2], een aanzienlijk aandeel vormt in de totale schuldenlast van 62,99 %. Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.

De rechtbank overweegt dat verzoekers zich gedurende drie jaar tot het uiterste dienen in te spannen om zoveel mogelijk geld voor hun schuldeisers te verdienen. Dit is tijdens het minnelijk traject niet anders dan bij toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekers in staat moeten worden geacht. Immers, het aanbod door middel van een saneringskrediet is gebaseerd op de huidige inkomsten van verzoekers gebaseerd op hun Participatiewet-uitkering. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekers in staat zijn om (fulltime) betaalde arbeid te verrichten en geen ontheffing van de inspanningsverplichting hebben op medische gronden. Verzoekers hebben geen keuringsrapport of andere medische stukken overgelegd, waaruit blijkt dat zij (deels) arbeidsongeschikt zijn. De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat de huidige afloscapaciteit van verzoekers het maximale is. Evenmin is gebleken dat verzoekers zich de afgelopen tijd hebben ingespannen om betaald werk te vinden of om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Ook hebben zij geen sollicitatiebewijzen, hoewel door de rechtbank opgevraagd, overgelegd. De omstandigheid dat verzoekers op dit moment geen startkwalificatie hebben, is voorts onvoldoende om aan te nemen dat verzoekers geen afloscapaciteit hebben en over een periode van drie jaar geen afdrachten aan schuldeisers zal kunnen realiseren.

Tegen de achtergrond van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat het aanbod goed en controleerbaar is gedocumenteerd, noch dat dit aanbod voor verzoekers het maximaal haalbare is.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] als weigerende schuldeisers, die bovendien een substantieel deel van de schuldenlast vertegenwoordigen, zwaarder wegen dan die van verzoekers of de overige schuldeisers. Het verzoek om [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] te bevelen in te stemmen met de door verzoekers aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.

De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

5. De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.T. Frima, rechter, en in aanwezigheid van S. Caciano, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2021. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.