Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:9029

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-08-2021
Datum publicatie
17-09-2021
Zaaknummer
9103656_KTN-17092021
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onbetaalde facturen. Tekortkoming, verrekening, dwaling, onverschuldigde betaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9103656 CV EXPL 21-1301

uitspraak: 12 augustus 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:

[eiser], h.o.d.n. [handelsnaam],

wonende te [woonplaats eiser],

eiser,

gemachtigde: mr. B. Hoefnagels van DAS Rechtsbijstand,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Insightsecure B.V.,

gevestigd te Zwijndrecht,

gedaagde,

gemachtigde: mr. W.P. Groenendijk.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘Insightsecure’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding van 12 maart 2021, met producties;

  2. de conclusie van antwoord, met producties;

  3. het tussenvonnis van 29 april 2021 waarin een mondelinge behandeling via een beeld- en geluidverbinding met het programma Skype voor bedrijven is bepaald;

  4. de voorafgaand aan de mondelinge behandeling overgelegde productie van de zijde [eiser];

  5. de aantekening dat de mondelinge behandeling via een beeld- en geluidverbinding met het programma Skype voor bedrijven heeft plaatsgevonden op 31 mei 2021.

Het vonnis is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.

2.2

[eiser] heeft in opdracht van Insightsecure werkzaamheden verricht op het gebied van ICT, meer in het bijzonder in (de aanleg van) camerabeveiliging en alarmsystemen.

2.3

Tussen partijen is op of omstreeks 31 oktober 2019 mondeling afgesproken dat [eiser] de werkzaamheden voor Insightsecure gaat verrichten tegen € 70,- per uur excl. btw en excl. reiskosten. Bij bepaalde werken werd een vast bedrag afgesproken.

2.4

[eiser] heeft Insightsecure voor zijn werkzaamheden in november en december 2020 de navolgende facturen toegezonden:

  • -

    Factuur 202000100 d.d. 11 november 2020 ter hoogte van € 2.420,-;

  • -

    Factuur 202000110 d.d. 22 december 2020 ter hoogte van € 4.388,19;

  • -

    Factuur 202000123 d.d. 15 januari 2021 ter hoogte van € 308,55.

2.5

De gemachtigde van [eiser] heeft Insightsecure op 2 februari 2021 aangemaand tot betaling van de voornoemde drie facturen.

2.6

Bij e-mailbericht van 11 februari 2021 heeft Insightsecure twee facturen ter hoogte van € 3.811,50 aan [eiser] gestuurd voor verrichte herstelwerkzaamheden van de door [eiser] in opdracht van Insightsecure uitgevoerde werkzaamheden.

3. Het geschil

3.1

[eiser] vordert – na vermindering van eis – dat Insightsecure bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan [eiser] van:

  1. een bedrag van € 314,36;

  2. een bedrag van € 6.935,24 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf 29 januari 2021, althans de datum vanaf de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

  3. een bedrag van € 730,84 aan buitengerechtelijke incassokosten;

  4. de proceskosten alsmede de nakosten.

3.2

[eiser] legt nakoming van de betalingsverplichting die voortvloeit uit de met Insightsecure gesloten overeenkomst aan zijn vordering ten grondslag. [eiser] heeft in opdracht van Insightsecure werkzaamheden verricht. Insightsecure heeft de factuur van 31 oktober 2020 te laat (pas op 14 december 2020) betaald waardoor zij daarover buitengerechtelijke incassokosten en rente verschuldigd is van in totaal € 314,36. Daarnaast heeft Insightsecure een drietal facturen van in totaal € 6.935,24 onbetaald gelaten ondanks meerdere betalingsverzoeken door en namens [eiser]. Insightsecure is de incassokosten verschuldigd op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.

3.3

Insightsecure heeft tot afwijzing van de vordering geconcludeerd en voert daartoe aan dat [eiser] in zijn werkzaamheden bij [ naam bedrijf] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst door storingen die [eiser] heeft veroorzaakt. [eiser] is hiervoor bij brief van 12 januari 2021 in gebreke gesteld. De kosten van de herstelwerkzaamheden van € 3.811,50 zijn aan [eiser] gefactureerd. [eiser] heeft daarnaast ten onrechte een deel van het meerwerk gefactureerd op grond waarvan volgens Insightsecure sprake is van dwaling. Op 10 maart 2020 en 1 april 2020 zijn er contante betalingen van in totaal € 4.500,- aan [eiser] verricht. [eiser] heeft nagelaten deze betalingen in mindering te brengen op de facturen. Insightsecure heeft ook meermaals ten onrechte BTW over incassokosten aan [eiser] betaald. Tot slot betwist Insightsecure ook de verschuldigdheid van de incassokosten.

4. De beoordeling

Tekortkoming

4.1

[eiser] heeft in opdracht van Insightsecure werkzaamheden verricht. Daarvoor heeft [eiser] een drietal facturen aan Insightsecure in rekening gebracht. Insightsecure heeft niet betwist dat de werkzaamheden die aan de facturen ten grondslag liggen door [eiser] zijn uitgevoerd; partijen zijn verdeeld over de vraag of [eiser] op correcte wijze uitvoering heeft gegeven aan de overeenkomst of dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming daarvan, zoals Insightsecure stelt.

4.2

Een eventuele tekortkoming van [eiser] kan recht geven de betalingsverplichting op te schorten, om daarmee ofwel alsnog deugdelijke nakoming (artikel 6:262 BW) ofwel ontbinding van de overeenkomst (artikel 6:265 BW) ofwel verrekening met geleden schade (artikel 6:127 BW) na te streven. Insightsecure doet geen beroep op nakoming of ontbinding. Voor zover Insightsecure zich beroept op opschorting van haar betalingsverplichting om te komen tot verrekening met geleden schade (de herstelkosten), slaagt dat beroep niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3

Ingevolge artikel 6:74 lid 2 BW kan Insightsecure de kosten alleen aan [eiser] in rekening brengen als [eiser] in verzuimt verkeert. Als hoofdregel geldt, volgens artikel 6:82 lid 1 BW, dat het verzuim intreedt wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld en nakoming vervolgens binnen deze termijn uitblijft. Insightsecure heeft niet gesteld dat sprake is van een situatie zoals genoemd in artikel 6:83 BW waarbij verzuim direct intreedt, zonder dat een ingebrekestelling vereist is. Evenmin is van een situatie gebleken dat [eiser] tijdelijk niet meer kon nakomen of dat aanmanen nutteloos zou zijn (artikel 6:82 lid 2 BW).

4.4

[eiser] betwist dat Insightsecure hem deugdelijk in gebreke heeft gesteld, want hij heeft de brief van 12 januari 2021 niet ontvangen. Gelet op de hier geldende ontvangsttheorie van artikel 3:37 BW is het aan Insightsecure om te stellen en zo nodig te bewijzen dat [eiser] de desbetreffende brief heeft ontvangen. Dat is door Insightsecure nagelaten. Aan de stelling van Insightsecure dat [eiser] door de ontvangst van de brief van 12 januari 2021 in verzuim is, zal daarom voorbij worden gegaan.

4.5

Zelfs als ervan uit wordt gegaan dat [eiser] de ingebrekestelling heeft ontvangen, geldt dat [eiser] gemotiveerd heeft betwist dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming. Ter onderbouwing hiervan verwijst [eiser] naar een overgelegd Whatsapp gesprek tussen partijen op 30 november 2020 waarin is aangegeven dat Insightsecure ervan op de hoogte is dat de rookmelders niet goed werken. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiser] heeft Insightsecure onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de storingen in de analoge lijn en op de rookmelders door [eiser] is veroorzaakt. Het enkel het overleggen van de herstelkosten voor het vervangen van de rookmelders is daartoe onvoldoende. Uit de overgelegde facturen kan immers niet de conclusie worden getrokken dat het vervangen van de rookmelders het gevolg is van het tekortschieten van [eiser]. Van de beweerde tekortkoming aan de zijde van [eiser] is daarmee niet gebleken waardoor dit verweer van Insightsecure wordt verworpen.

Verrekening

4.6

Voor zover Insightsecure zich er op beroept dat het volgens haar contant betaalde bedrag van € 4.500,- met de vordering van [eiser] moet worden verrekend, geldt het volgende. [eiser] erkent dat in totaal een bedrag van € 4.500,- contant van Insightsecure heeft ontvangen, maar heeft gemotiveerd betwist dat dit bedrag van toepassing is op de in deze procedure gefactureerde werkzaamheden. Gezien deze betwisting door [eiser] kan de gegrondheid van het verweer van Insightsecure niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld. Aan het gedane beroep op verrekening zal daarom op de voet van artikel 6:136 BW voorbij worden gegaan. In dit verband is voorts van belang dat Insightsecure geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om ter zake een reconventionele vordering in te stellen.

Dwaling

4.7

Insightsecure heeft een beroep gedaan op vernietiging van de overeenkomst tot het aan haar in rekening brengen van meerwerk voor het bedrag van € 2.856,90. Insightsecure heeft hiervoor aangevoerd dat [eiser] bij het uitbrengen van de offerte voor de werkzaamheden bij [ naam bedrijf] rekening had moeten houden met ‘extra’ werkzaamheden. Insightsecure is vanwege de door [eiser] als deskundige verstrekte inlichtingen akkoord gegaan met het meerwerk van € 2.856,90 terwijl het omzetten van het netwerk geen meerwerk was. Met de enkele verwijzing naar de e-mail van 1 december 2020 van de leverancier aan Insightsecure dat er weerstanden veranderd moeten worden als er wordt overgegaan van een Networx alarmcentrale naar een Aritech alarmcentrale heeft Insightsecure haar verweer onvoldoende onderbouwd. Uit de e-mail van 1 december 2020 kan, zonder nadere toelichting, niet zonder meer worden afgeleid dat het omzetten van het netwerk geen meerwerk is. Voor zover het omzetten van het netwerk niet als meerwerk kan worden aangemerkt, wat [eiser] heeft betwist, heeft Insightsecure onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [eiser] onjuiste en/of onvolledige mededelingen aan Insightsecure heeft gedaan waardoor Insightsecure akkoord is gegaan met het verrichten van meerwerk voor een bedrag van € 2.856,90. Het beroep op dwaling slaagt dan ook niet.

Onverschuldigde betaling

4.8

Insightsecure heeft aangevoerd dat zij over de factuur van 7 september 2020 en over de factuur van 7 oktober 2020 een bedrag van € 21,- en een bedrag van € 10,50 aan BTW onverschuldigd aan [eiser] heeft betaald over de door [eiser] geïncasseerde buitengerechtelijke incassokosten. Ter zitting heeft [eiser] erkend dat zij in het verleden ten onrechte BTW heeft gerekend over de buitengerechtelijke incassokosten. De door Insightsecure onverschuldigde betalingen van € 10,50 en € 21,- worden dan ook op de vordering in mindering gebracht.

4.9

Ten aanzien van het verweer van Insightsecure dat zij op de factuur van 30 april 2020 een bedrag van € 363,- onverschuldigd aan [eiser] heeft betaald, wordt het volgende overwogen. Bij een onverschuldigde betaling is vereist dat er is betaald zonder rechtsgrond. Met andere woorden: de verrichte betaling berust niet op enige verbintenis (artikel 6:203 lid 1 BW). Tussen partijen bestond een rechtsgrond voor de betaling, te weten de gesloten overeenkomst van opdracht. Indien Insightsecure van mening was dat [eiser] werkzaamheden en de voorrijkosten onvoldoende had gespecificeerd op de factuur van 30 april 2020 had het op haar weg gelegen om [eiser] om een toelichting te vragen. Dat dit is gebeurd, blijkt nergens uit. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat de rechtsgrond aan de betaling is ontvallen. Het verweer van Insightsecure stuit hier dan ook op af.

4.10

Gelet op al het voorgaande, dient Insightsecure het gefactureerde bedrag van € 6.903,74 aan [eiser] te betalen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.11

[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Uit het verweer van Insightsecure kan worden afgeleid dat zij meent deze kosten niet verschuldigd te zijn. Dit verweer wordt verworpen nu een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten op zijn plaats is als door de eisende partij vermogensschade wordt geleden door wanbetaling van de wederpartij in de vorm van het moeten maken van redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. In het onderhavige geval is sprake van een handelsovereenkomst waarbij de contractuele betalingstermijn is verstreken. Een schuldeiser hoeft niet aan te tonen dat zij incassokoten heeft gemaakt. Vastgesteld is dat Insightsecure de gevorderde facturen niet binnen de overeengekomen termijnen heft voldaan. Dit betekent dat [eiser] ingevolge het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 BW vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is. Bovendien heeft [eiser] voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Aan buitengerechtelijke incassokosten over de drie gevorderde facturen wordt dan ook een (forfaitair) bedrag toegewezen overeenkomst het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en berekend over het resterende toe te wijzen bedrag aan hoofdsom (€ 6.903,74). Dit komt neer op een bedrag van € 720,19.

4.12

De afzonderlijk door [eiser] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en rente over de factuur van 31 oktober 2020 ter hoogte van € 314,36 is niet op afzonderlijke gronden betwist en wordt gelet op het voorgaande dan ook toegewezen.

4.13

Aan het verweer van Insightsecure dat zij geen btw over de gevorderde incassokosten verschuldigd is, wordt voorbij gegaan nu [eiser] geen btw over de buitengerechtelijke incassokosten vordert en de in het verleden door Insightsecure ten onrechte betaalde BTW over de incassokosten op de vordering in mindering zijn gebracht.

Dubbele incassokosten

4.14

Door Insightsecure is terecht opgemerkt dat [eiser] dubbele incassokosten heeft berekend. [eiser] heeft zijn vordering bij gelegenheid van de mondelinge behandeling met dit bedrag verminderd, zodat het verweer van Insightsecure verder geen bespreking behoeft.

Rente en proceskosten

4.15

De gevorderde wettelijke handelsrente zal eveneens worden toegewezen, nu daartegen geen nader verweer is gevoerd.

4.16

Insightsecure zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Het verweer van Insightsecure dat [eiser] geen btw kan vorderen over de dagvaardingskosten en KvK kosten gaat niet op nu [eiser] heeft gesteld een ondernemer te zijn in de zin van artikel 7 van de Wet op de Omzetbelasting 1968 of als ondernemer vrijgestelde prestaties verricht te hebben.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Insightsecure aan [eiser] te betalen een bedrag van € 7.623,93, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over een bedrag van € 6.903,74 vanaf 29 januari 2021 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Insightsecure aan [eiser] te betalen een bedrag van € 314,36 aan buitengerechtelijke incassokosten en rente over de factuur van 31 oktober 2020;

veroordeelt Insightsecure in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 240,- aan griffierecht, € 109,41 aan dagvaardingskosten en € 622,- aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

en indien Insightsecure niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan dit vonnis heeft voldaan, begroot op € 124,- aan nasalaris. Indien daarna betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.R. Roukema en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

35789