Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8956

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-09-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
C/10/600297 / HA ZA 20-673
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen VVE en haar beheerder over de declaraties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/600297 / HA ZA 20-673

Vonnis van 8 september 2021

in de zaak van

de vereniging

[naam eiseres]

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. O.P.N.M. Tennebroek te Dongen,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. R. Smith te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [naam eiseres] en [naam gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie houdende niet-ontvankelijkheidsverklaring, tevens conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de akte van 18 november 2020 van [naam gedaagde];

  • -

    de akte van 18 november 2020 van [naam eiseres];

  • -

    de brieven van de rechtbank waarbij een mondelinge behandeling is gelast;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, met producties;

  • -

    de akte van 11 februari 2021 van [naam gedaagde], met producties;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 februari 2021;

  • -

    de conclusie van repliek in reconventie, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie, met producties,

  • -

    de akte van [naam gedaagde] van 19 mei 2021.

1.2.

De incidentele vordering van [naam gedaagde] is ingetrokken.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Partijen hebben een overeenkomst gesloten voor het beheer van [naam eiseres] door [naam gedaagde] (hierna: de overeenkomst). Die overeenkomst is neergelegd in een door [naam eiseres] voor akkoord getekende offerte van [naam gedaagde] van 29 maart 2019. Daarop zijn de algemene voorwaarden van [naam gedaagde] van toepassing.

2.2.

De overeenkomst is ingegaan per 1 juli 2019 en beëindigd in 2020. Er gold een beheersvergoeding van € 6.880,00 per jaar en € 375,00 aan opstartkosten. De overeenkomst beschrijft 43 diensten onder het kopje ‘standaard dienstverlening’ en 13 diensten onder het kopje ‘extra diensten’. De overeenkomst vermeldt bij de meeste diensten onder het kopje ‘extra diensten’ een toepasselijk tarief. Alle bedragen zijn exclusief 21% BTW.

2.3.

Onder het kopje ‘standaard dienstverlening’ staat onder meer:

“21. Opstellen begroting

22. Opstellen van een meerjarenonderhoudsbegroting op basis van het MJOP indien aanwezig”

2.4.

Onder het kopje ‘extra diensten’ staat onder meer:

Technisch beheer

(…)

47. Offertes aanvragen, aanbesteden, begeleiden, toezicht houden op en opleveren van groot onderhoud

van tot Percentage

- € 10.000 10%

€ 10.001 € 20.000 9,5%

€ 20.001 € 30.000 9%

€ 30.001 € 40.000 8,5%

€ 40.001 € 50.000 8%

€ 50.001 € 75.000 7,5%

€ 75.001 € 100.000 7%

€ 100.001 € 150.000 6,5%

€ 150.001 € 250.000 6%

€ 250.001 € 500.000 5,5%

€ 500.001 - 5%

Prijs: percentage over de aanneemsom exclusief BTW in het jaar dat het onderhoud wordt uitgevoerd. Als na werkvoorbereiding en offerte aanvraag niet verder wordt gegaan met het gegeven advies wordt 50% van de kosten in rekening gebracht, gebaseerd op de laagst ontvangen offerte.

(…)

Overige extra diensten voor rekening van [naam eiseres]

(…)

51. Wegwerken achterstanden/onregelmatigheden geconstateerd in de boekhouding bij het opstarten van [naam eiseres]. Op basis van uurtarief van € 65,--.”

2.5.

De algemene voorwaarden bepalen onder meer:

“5.1 Alleen indien dit uitdrukkelijk schriftelijk is overeengekomen treedt de Beheerder (tevens) als technisch beheerder op.

(…)

6.3

De Beheerder is niet gehouden meer of andere werkzaamheden ten behoeve van [naam eiseres] te verrichten dan die zijn omschreven in zijn beheerovereenkomst, voor zover van toepassing met de daarbij behorende taakomschrijving(en), tenzij tussen partijen nader schriftelijk overeengekomen.

(…)

8.1

De prijs voor de werkzaamheden als Beheerder omvat de werkzaamheden die in de bij de offerte behorende omschrijving van werkzaamheden en/of in de tussen partijen gesloten beheerovereenkomst met bijbehorende bijlagen zijn omschreven. Extra werkzaamheden zal de Beheerder in nader overleg in rekening kunnen brengen. (…)

8.6

Over de periode van haar verzuim is [naam eiseres] aan de Beheerder over het verschuldigde bedrag rente verschuldigd ten bedrage van de wettelijke rente vermeerderd met twee punten.

8.7

Indien [naam eiseres] na te zijn aangemaand na de in de aanmaning gestelde termijn nog in gebreke blijft te betalen, is zij tevens buitengerechtelijke incassokosten aan de Beheerder verschuldigd, welke kosten worden vastgesteld op 15% van de hoofdsom (…).”

2.6.

[naam eiseres] heeft de facturen van [naam gedaagde] met nummers 31 (opschonen archieven, € 2.626,00), 46 (begeleiding vervanging kozijnen, € 6.524,30), 48 (begeleiding vervanging dak, € 7.731,52) en 50 (begeleiding vervanging standleiding, € 5.234,77) niet betaald. Deze bedragen zijn steeds exclusief de BTW.1

3. Het geschil

3.1.

Op de mondelinge behandeling zijn de meeste geschilpunten geschikt. Alle vorderingen over en weer zijn toen ingetrokken, behalve de reconventionele vordering terzake de facturen 31, 46, 48 en 50 van [naam gedaagde]. Daarbij is afgesproken dat iedere partij de eigen proceskosten tot en met de mondelinge behandeling draagt.

3.2.

Gelet op de bereikte schikking gaat de rechtbank niet verder in op de procedure in conventie.

3.3.

[naam gedaagde] vordert – samengevat en na eisvermindering – in reconventie nog dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [naam eiseres] veroordeelt:

I. tot betaling van € 26.761,07, te vermeerderen met incassokosten en rente,

II. in de proceskosten en de nakosten.

3.4.

Het verweer van [naam eiseres] strekt tot afwijzing van de vorderingen van [naam gedaagde], met veroordeling van [naam gedaagde] in de proceskosten.

4. De beoordeling

A. Algemeen

4.1.

Op de mondelinge behandeling is afgesproken dat partijen in de na de zitting te nemen conclusies hun stellingen over de vier nog in geschil zijnde facturen opnieuw zouden innemen. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de algemene verwijzing van [naam eiseres] naar de inhoud van eerdere processtukken (zie de conclusie van dupliek in reconventie onder 3).

B. Factuur 31

4.2.

Het gaat bij deze factuur om het volgende. Onder de overeenkomst is een bedrag van € 375,00 (excl. BTW) verschuldigd (en betaald) voor de opstart. Daarnaast bepaalt de overeenkomst dat voor de bijkomende dienst ‘archief opschonen’ een uurtarief van € 65,00 (excl. BTW) geldt. [naam gedaagde] stelt dat het archief van [naam eiseres] een chaos was en dat hij in overleg met [naam eiseres] dat heeft aangepakt. Daarin is veel tijd gaan zitten en die heeft hij tegen het afgesproken uurtarief (met een korting van 10% omdat hij een nieuwe medewerker inwerkte) gefactureerd. [naam eiseres] ontkent niet dat [naam gedaagde] in de correspondentie heeft gezegd dat het archief een chaos was maar stelt niet te weten of het inderdaad een chaos was. Als het een chaos was, dan stelt [naam eiseres] geen opdracht te hebben gegeven om daar iets aan te doen. [naam gedaagde] heeft volgens [naam eiseres] ook niet gewaarschuwd voor bijkomende kosten. [naam eiseres] betwist verder dat [naam gedaagde] archieven heeft opgeschoond.

4.3.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

4.4.

Partijen zijn het erover eens dat [naam gedaagde] bij herhaling heeft geklaagd over de chaos in de administratie zoals die aan [naam gedaagde] was aangeleverd. Uit geen van de overgelegde producties blijkt dat [naam eiseres] destijds vond dat het geen chaos was. [naam eiseres] stelt ook niet dat zij dat destijds op andere wijze aan [naam gedaagde] te kennen heeft gegeven. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de administratie van [naam eiseres] destijds inderdaad een chaos was.

4.5.

De rechtbank gaat er verder van uit dat [naam gedaagde] aan die chaos het nodige werk heeft gehad. Dat blijkt genoegzaam uit de overgelegde producties. [naam gedaagde] stelt dat hij [naam eiseres] heeft gewaarschuwd dat daarvoor een meerprijs zou gelden. Echter, uit de overgelegde producties – voor zover daarop concreet een beroep is gedaan – blijkt een dergelijke waarschuwing niet of nauwelijks. In een e-mail van 25 november 2019 (een onderdeel van productie 22 van [naam gedaagde]) meldde [naam gedaagde] dat de administratieve ‘puinhoop’ leidde tot ‘bergen extra werk’. Maar vervolgens meldde hij in die e-mail alleen dat het aanleggen van een huurdersregistratie niet onder de normale opstart valt waarvoor hij kosten in rekening moet brengen. Voor die extra kosten vroeg hij een akkoord, voor andere kosten vroeg hij dat – in ieder geval in die e-mail – niet. Gesteld noch gebleken is dat toestemming is gegeven voor het aanleggen van een huurdersregister en [naam gedaagde] legt ook niet uit waarom hij erop mocht vertrouwen dat er stilzwijgend werd ingestemd met het aanleggen van die huurdersregistratie. In een andere e-mail (van 21 december 2021) meldde [naam gedaagde] dat hij was geconfronteerd met een hem onbekende verzekeringszaak (ook deze e-mail is een onderdeel van productie 22 van [naam gedaagde]). De rechtbank schaart dat onder ‘administratieve chaos’. Hij kondigde in die e-mail aan dat hij een basisonderzoek zou doen naar de lopende verzekeringsdossiers. Daarvoor zou hij, zo schreef hij, geen vergoeding in rekening brengen. Ook schreef hij in die e-mail “het is jullie gelukkig nog niet opgevallen dat ik nog nergens voor gefactureerd heb :[naam gedaagde] legde in die e-mail verder niet uit wat hij met dit laatste bedoelde en ook niet hoe het zich verhoudt met een gratis basisonderzoek naar de verzekeringsdossiers. [naam gedaagde] stelt in deze procedure verder niet concreet hoe en wanneer hij buiten de overgelegde producties om gewaarschuwd zou hebben voor bijkomende kosten ten aanzien van de administratie.

4.6.

Naar het oordeel van de rechtbank is het primair aan [naam gedaagde] om te waarschuwen als er diensten worden verricht waarvoor aanvullend betaald moet worden. Onder omstandigheden is denkbaar dat [naam eiseres] dit ook zonder waarschuwing had moeten begrijpen. [naam gedaagde] heeft echter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat [naam eiseres] dat in dit geval had moeten begrijpen. Het vragen om toestemming voor kosten van een huurdersregistratie op 25 november 2019 en het aankondigen van gratis onderzoek naar verzekeringsdossiers op 21 december 2021 pleiten er eerder voor dat [naam eiseres] niet hoefde te begrijpen dat [naam gedaagde] aanvullend wilde facturen vanwege de administratieve chaos.

4.7.

Kort en goed, bij gebreke van een duidelijke opdracht tot het opschonen van de archieven, voldoende duidelijke waarschuwingen voor bijkomende kosten en gebleken evidentie voor [naam eiseres] dat er bijkomende kosten zouden volgen, hoeft [naam eiseres] factuur 31 niet te betalen. Er zijn geen voldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden, zodat aan bewijsvoering daarover niet wordt toegekomen.

C. De facturen 46, 48 en 50

Algemeen

4.8.

Het geschil over deze drie facturen laat zich als volgt samenvatten. Het is niet in geschil dat de standleidingen, de kozijnen en het dak dringend onderhoud behoefden. Het is ook niet in geschil dat [naam gedaagde] hierover met [naam eiseres] heeft overlegd en hiervoor (in ieder geval indicatieve) offertes heeft opgevraagd. Hij heeft dus, ook in de visie van [naam eiseres], werkzaamheden verricht, zij het dat [naam eiseres] de aard en omvang van de werkzaamheden betwist. Deels gaat de discussie erom of [naam gedaagde] alleen maar werkzaamheden heeft verricht die vallen onder het opstellen van het meerjarenonderhoudsplan (MJOP) of dat het gaat om werkzaamheden voor technisch beheer waarvoor [naam eiseres] opdracht zou hebben verstrekt. Werkzaamheden voor de MJOP vallen onder de standaardvergoeding (vergelijk post 21 en 22 van de overeenkomst). Begeleiding van groot onderhoud valt onder post 47 en is meerwerk.

4.9.

In algemene zin merkt de rechtbank het volgende op.

a. Onder post 47 van de overeenkomst heeft [naam gedaagde] recht op een gereduceerde vergoeding als na werkvoorbereiding en offerteaanvraag niet verder gegaan wordt met het gegeven advies. Anders dan [naam gedaagde] stelt, is voor die vergoeding dus niet voldoende dat hij een offerte heeft aangevraagd: er dient ook sprake te zijn van een werkvoorbereiding en van de situatie dat er niet doorgegaan wordt met het door [naam gedaagde] gegeven advies. De overeenkomst maakt niet duidelijk wat er precies moet worden verstaan onder werkvoorbereiding en wat er moet gebeuren als [naam eiseres] besluit het onderhoud niet uit te voeren na de offerteaanvraag maar voordat [naam gedaagde] een advies uitbrengt. Dat is een kwestie van een redelijke contractsuitleg, rekening houdend met wat er precies is gebeurd.

b. Begeleiding van groot onderhoud valt, blijkens de gebruikte kopjes in de overeenkomst, onder het begrip technisch beheer. Uit artikel 5 lid 1 van de algemene voorwaarden volgt dat technisch beheer alleen plaatsvindt na een schriftelijke opdracht van [naam eiseres]. Hierna zal blijken dat [naam eiseres] niet in alle gevallen op deze schriftelijkheidseis een beroep kan doen. Dat geldt met name indien [naam eiseres] had moeten inzien dat [naam gedaagde] in overleg met haar werkzaamheden uitvoerde en had moeten begrijpen dat die werkzaamheden gelet op de aard en omvang niet onder de standaardvergoeding vielen.

4.10.

De rechtbank bespreekt de drie in geschil zijnde facturen hierna in de volgorde waarin partijen deze in de conclusies na tussenvonnis hebben besproken.

Factuur 50 (de standleidingen)

4.11.

Op basis van het dossier stelt de rechtbank het volgende vast over de standleidingen.

  1. Op 17 juli 2019 heeft [naam eiseres] een algemene vergadering gehouden, waarbij [naam gedaagde] als de nieuwe beheerder aanwezig was (zie de notulen, productie 38 van [naam gedaagde]). De vergadering was overtuigd van de noodzaak om de slechte staat van de standleidingen aan te pakken. [naam gedaagde] vertelde dat hij met een loodgieter een inventarisatie heeft gehouden. Niet alle type appartementen waren beschikbaar voor de opname, maar er was een aardig beeld van de situatie. De loodgieter had een grove indicatie gegeven van € 267.000 (excl. BTW). De vergadering gaf het bestuur een mandaat van € 270.000,00 om de werkzaamheden aan de standleidingen te laten uit voeren.

  2. In augustus en september 2019 hebben partijen per e-mail overlegd over te houden opnames door de loodgieter en [naam gedaagde] ten behoeve van de standleidingen (productie 40-43 van [naam gedaagde]). [naam eiseres] schreef in een van die e-mails onder meer dat ze hoopte dat de loodgieter met een scherpe offerte kwam, want het was veel werk om te regelen dat voldoende woningen toegankelijk waren voor een opname. Op 31 augustus 2019 schreef [naam gedaagde] dat hij en de loodgieter zich weer een middag het hoofd hadden gebroken over bouwtekeningen, foto's, schema's e.d. en dat ze een heel eind op weg waren met hun plan van aanpak. Uit een e-mail van 4 september 2019 blijkt dat [naam gedaagde] en de loodgieter op 18 september de derde en laatste opname wilden gaan doen. Uit de mailwisseling maakt de rechtbank op dat het behoorlijk bewerkelijk is geweest om voldoende woningen te kunnen inspecteren om zo te komen tot een behoorlijke inschatting van de te verrichten werkzaamheden en de kosten. Ook blijkt eruit dat [naam gedaagde] samen met de loodgieter een inventarisatie heeft gemaakt voor de uit te voeren werkzaamheden.

  3. Op 6 november 2019 heeft [naam gedaagde] aan [naam eiseres] een offerte gestuurd voor de aanpak van de eerste standleidingen (productie 44 van [naam gedaagde]). Hij schreef dat er twee standleidingen in het betreffende appartementstype zouden worden teruggebracht tot een combinatieleiding. Dit zou meteen de stankoverlast voor sommige appartementen oplossen. Voor alle appartementen tezamen zou dit ruwweg gaan neerkomen op een totaal van € 150.000,00, excl. BTW. Het bestuur van [naam eiseres] schreef hierover op 7 november 2019 dat het bestuur akkoord was als de technische commissie akkoord was. De technische commissie van [naam eiseres] heeft de offerte voor de eerste standleiding bekeken en zag geen vreemde zaken. De commissie adviseerde om deze partij opdracht te verstrekken (zie de e-mail van 8 november 2019, productie 44 van [naam gedaagde]).

  4. Blijkens een e-mail van 24 november 2019 van [naam gedaagde] zouden de werkzaamheden aan de standleidingen de week erna beginnen. Hij stelde voor met die werkzaamheden meteen de standleiding van het restaurant aan de [adres] mee te nemen omdat dat toch werd verbouwd. Het bestuur van [naam eiseres] reageerde met de opmerking dat dit een goed idee was (productie 45 van [naam gedaagde]).

  5. [naam gedaagde] stelt (naar de rechtbank begrijpt en door [naam eiseres] niet wordt betwist) dat er onderhoud aan de standleiding(en) van de winkels / genoemd restaurant heeft plaatsgevonden en dat hij daarvoor is betaald, maar dat voor het overige de beoogde aannemer geen ruimte had. [naam gedaagde] stelt onbetwist hij vervolgens een nieuwe offerte heeft opgevraagd en heeft die overgelegd als productie 48. Uiteindelijk heeft er geen verder onderhoud aan de standleidingen plaatsgevonden.

  6. [naam gedaagde] en [naam eiseres] kregen de begroting niet rond: er was onvoldoende geld en [naam eiseres] wilde geen geld lenen.

4.12.

Uit deze gang van zaken blijkt dat het betoog van [naam eiseres] dat [naam gedaagde] alleen een indicatieve offerte had opgevraagd ten behoeve van de MJOP, onhoudbaar is. Er is beduidend meer gedaan. De rechtbank beschouwt de inventarisatie met de loodgieter als een werkvoorbereiding als bedoeld in post 47 van de overeenkomst. Anders dan [naam eiseres] betoogt, volgt uit de overeenkomst niet de eis dat die werkvoorbereiding moet bestaan uit een uitgeschreven bestek. [naam gedaagde] heeft [naam eiseres] dus begeleid bij groot onderhoud aan de standleidingen, in de zin van post 47 van de overeenkomst. Uit de correspondentie blijkt dat dit in opdracht was van [naam eiseres], die had besloten haar bestuur te mandateren om aan dit onderhoud € 270.00,00 uit te geven. [naam eiseres] mocht er dan ook eenvoudigweg niet op vertrouwen dat de door [naam gedaagde] hiervoor uitgevoerde werkzaamheden nog onder de standaard vergoeding vielen. Dat er geen separate, schriftelijk opdracht aan [naam gedaagde] was, doet daaraan niet af. Partijen zijn gezamenlijk afgeweken van het voorschrift van artikel 5 lid 1 van de algemene voorwaarden. [naam eiseres] kan daar niet achteraf op terugkomen. Dit wordt niet anders doordat [naam gedaagde] op 16 april 2019 om een schriftelijke opdracht vroeg voor het werk aan het dak (productie 12 van [naam eiseres]). Toen waren de verhoudingen inmiddels al verstoord, zoals uit de betreffende e-mail blijkt.

4.13.

Het betoog dat er slechts één offerte en niet drie offertes zijn opgevraagd, slaagt evenmin. In de correspondentie heeft [naam eiseres] zelf opgemerkt dat zij hoopte dat het bij één offerte voor de standleidingen kon blijven.

4.14.

[naam gedaagde] heeft dus aan werkbegeleiding gedaan en heeft na het afvallen van de eerste aannemer een nieuwe offerte opgevraagd. Er is dus voldaan aan deze eisen van post 47 voor het recht op vergoeding. Dat [naam gedaagde] niet heeft geadviseerd over de uiteindelijke offerte van de beoogde nieuwe aannemer, is onder de gegeven omstandigheden niet relevant. Die offerte is van 11 mei 2020 en toen waren de verhoudingen tussen partijen reeds ernstig verstoord. Feit is dat [naam gedaagde] [naam eiseres] heeft begeleid bij het beoogde groot onderhoud en daarvoor aanzienlijke inspanningen heeft verricht. Daar dient [naam eiseres] dan ook voor te betalen.

4.15.

[naam gedaagde] heeft zijn factuur voor de standleidingen gebaseerd op de als productie 48 overgelegde offerte van Bouw- en Aannemingsbedrijf Van der Ende Bergambacht van € 174.492,17 (excl. BTW). Inhoudelijk is [naam eiseres] niet op deze productie ingegaan. Op grond van post 47 van de overeenkomst heeft [naam gedaagde] dus recht op het door hem gevorderde bedrag van € 5.234,77 (excl. BTW), € 6.334,07 (incl. BTW).

Factuur 46 (begeleiding vervanging kozijnen)

4.16.

Op basis van het dossier stelt de rechtbank het volgende vast over de kozijnen.

  1. In of voor 2018 zijn door de vorige beheerder van [naam eiseres] offertes opgevraagd voor de kozijnen.

  2. Voorafgaand aan de algemene vergadering van [naam eiseres] van 7 juli 2019 heeft [naam gedaagde] gekeken naar de MJOP, waarbij hij onder meer in het jaar 2023 voorziene kosten van de kozijnen had verschoven naar de zomer van 2020. Uit de (nog te actualiseren) cijfers bleek dat er een fors begrotingstekort was voor groot onderhoud, waaronder de kozijnen (productie 37 van [naam gedaagde]).

  3. Tijdens de algemene vergadering van [naam eiseres] van 7 juli 2019 zijn ook de kozijnen besproken. De voorlopige planning was om de kozijnen rond de zomer van 2020 te laten vervangen. De beschikbare offertes van de vorige beheerder waren verouderd. [naam gedaagde] had voorafgaand aan de vergadering een indicatieve offerte van € 266.500,00 (excl. BTW en begeleiding) ontvangen. Begin 2020 zou er meer duidelijk zijn over de financiële situatie van [naam eiseres] en zou hierover een besluit genomen worden. Rond die tijd zouden er ook meerdere offertes opgevraagd en uitonderhandeld zijn, aldus nog steeds de notulen (productie 38 van [naam gedaagde]).

  4. In een e-mail van 15 augustus 2019 vroeg [naam eiseres] aan [naam gedaagde] of het lukte met de offerte voor kozijnen en de MJOP (productie 41 van [naam gedaagde]).

  5. In een e-mail van 29 oktober 2019 schreef [naam gedaagde] aan [naam eiseres] dat hij bij de geplande opname voor de standleidingen meteen zou kijken naar de kozijnen (productie 51 van [naam gedaagde]).

  6. In november 2019 hebben [naam eiseres] en [naam gedaagde] gecorrespondeerd over de vraag hoe om te gaan met eigenaren die de kozijnen al hadden vervangen (productie 51 van [naam gedaagde]).

  7. Op 16 december 2019 vroeg [naam eiseres] aan [naam gedaagde] om een voorbeeldberekening te maken wat het per adres zou kosten als het dak, de standleidingen en de kozijnen werden gerepareerd of vervangen (productie 52 van [naam gedaagde]).

  8. Op 7 februari 2020 schreef [naam gedaagde] aan [naam eiseres] dat hij op de kozijnen geen uitgebreide inspectie heeft gedaan. Wel was hij een aantal exemplaren tegengekomen die helemaal verrot waren (productie 13 van [naam eiseres]).

  9. Bij de factuur van [naam gedaagde] van 11 mei 2020 voor de kozijnen, zit een specificatie (productie 55 van [naam gedaagde]). Daarin staat dat de werkzaamheden voor de kozijnen op 13 februari 2020 door [naam eiseres] zijn geannuleerd uit geldgebrek. Ook staat er in de specificatie dat nieuwe offertes ongetwijfeld hoger waren uitgevallen, maar dat [naam gedaagde] is uitgegaan van de laagste oude offerte (de rechtbank begrijpt: de laagste van de offertes die de vorige beheerder van [naam eiseres] had opgevraagd).

4.17.

Uit het voorgaande blijkt dat de besluitvorming binnen [naam eiseres] over de kozijnen minder ver gevorderd was dan de besluitvorming over de standleidingen en dat [naam gedaagde] hiermee bekend was. [naam gedaagde] heeft ook beduidend minder gedaan voor de kozijnen dan voor de standleidingen. Op 7 februari 2020 was de stand van zaken kennelijk dat [naam gedaagde], naar hijzelf schrijft, nog geen uitgebreide inspectie had gedaan. [naam gedaagde] stelt dat hij ter voorbereiding van de offerteaanvraag in februari, maart en april 2020 de staat van alle kozijnen heeft opgenomen. De rechtbank kan dat niet rijmen met de toelichting op de factuur waarin staat [naam eiseres] op 13 februari 2020 de werkzaamheden voor de kozijnen heeft geannuleerd. Het is dan ook niet duidelijk waaruit de werkvoorbereiding door [naam gedaagde] voor de offerte-aanvraag voor de kozijnen bestaat. Als hij inspectiewerkzaamheden daadwerkelijk heeft uitgevoerd nadat al tot annulering was besloten, dan is het de rechtbank niet duidelijk op grond waarvan [naam eiseres] had moeten begrijpen dat er werkzaamheden zouden worden verricht waarvoor afzonderlijk gefactureerd zou worden. [naam gedaagde] kon na 13 februari 2020 niet meer terugvallen op een eerder gestelde vraag om de kosten van kozijnen verder te onderzoeken.

4.18.

De beoogde offertes ter voorbereiding op de besluitvorming in 2020 zijn uiteindelijk niet aangevraagd. [naam gedaagde] stelt dat hij contact heeft gehad met enkele kozijnenleveranciers om te kijken of ze een offerte zouden willen opstellen. Dat lukte echter niet vanwege de corona-crisis en toen heeft [naam eiseres] laten weten niet genoeg geld te hebben voor de vervanging van de kozijnen, zo stelt [naam gedaagde]. Feit is dus, dat er geen offertes zijn aangevraagd. De rechtbank telt hierbij de indicatieve offerte van mei 2019 niet mee, omdat die duidelijk nog in de fase zat van de besluitvorming. Met [naam eiseres] beschouwt de rechtbank die aanvraag als een onderdeel van de standaardwerkzaamheden, post 21 en 22 van de overeenkomst.

4.19.

De rechtbank concludeert dan ook dat [naam gedaagde] weliswaar werkzaamheden heeft verricht in verband met de kozijnen maar dat niet duidelijk is gebleken van een werkvoorbereiding en dat het in ieder geval niet is gekomen tot een daadwerkelijke offerteaanvraag. Dat is onder post 47 van de overeenkomst wel vereist voordat een vergoeding verschuldigd is. De vordering van [naam gedaagde] zal dus worden afgewezen voor zover deze ziet op de begeleiding van het groot onderhoud aan de kozijnen.

Factuur 48 (begeleiding vervanging dak)

4.20.

Op basis van het dossier stelt de rechtbank het volgende vast over het dak.

  1. [naam gedaagde] en [naam eiseres] hebben in december 2019 gecorrespondeerd over (onder meer) het dak. De kern van die mailwisseling was dat het onderhoud aan het dak niet langer meer kon wachten en partijen zochten naar een manier om dat te financieren. Op 16 december 2019 vroeg [naam eiseres] [naam gedaagde] een voorbeeldberekening te maken voor de kosten per adres van het dak, de standleidingen en de kozijnen (productie 52 van [naam gedaagde]).

  2. [naam gedaagde] gaf [naam eiseres] in een e-mail van 24 december 2019 in overweging om te stoppen met reparaties aan de bovenwoningen tot dat de problemen definitief opgelost waren. [naam eiseres] gaf op 4 januari 2020 dat ze dat inderdaad wilde overwegen. Het nieuwe dak moest dan wel in 2020 komen, want de bewoners zouden niet accepteren dat een schade twee jaar aanwezig is, aldus [naam eiseres] (productie 56 van [naam gedaagde]).

  3. Op 4 februari 2020 schreef [naam gedaagde] aan [naam eiseres] dat de opname van het dak twee weken eerder (dus in de tweede helft van januari 2020) had plaatsgevonden en dat hij bang was dat de offerte nog wel een tijd zou duren (productie 57 van [naam gedaagde]).

  4. [naam gedaagde] schreef [naam eiseres] in een e-mail van 28 maart 2020 (productie 15 van [naam eiseres]) dat hij een offerte had voor het dak, maar dat hij deze niet ging doorsturen voordat hij deze goed vond en dat de offerte goed genoeg was voor een indicatieve prijsopgave, maar niet meer dan dat. Ten tijde van deze e-mail waren de verhoudingen tussen partijen al verstoord, zoals blijkt uit de e-mail.

  5. In de toelichting op de factuur voor de begeleiding van het onderhoud van het dak schreef [naam gedaagde] dat hij twee offertes had gehad ontvangen, één van 6 februari 2020 (waarin een post vergeten was en die per e-mail op 7 februari 2020 was aangevuld) en één van 11 mei 2020. Beide offertes zou hij toezenden als alle verschuldigde bedragen betaald waren (productie 58 van [naam gedaagde]). De offertes en de aanvulling erop zijn door [naam gedaagde] als productie 59 overgelegd.

4.21.

De rechtbank concludeert dat [naam eiseres] aan [naam gedaagde] geen eenduidige opdracht heeft verstrekt: het was duidelijk dat [naam eiseres] wilde dat het dak onderhoud zou krijgen, maar voor zover concreet gesteld of gebleken is [naam eiseres] niet verder gegaan dan [naam gedaagde] op 16 december 2019 te vragen om een voorbeeldberekening te maken. Dat is nog geen opdracht om de begeleiding voor onderhoudswerkzaamheden uit te voeren. Dat [naam eiseres] niet gereageerd heeft op de e-mail van 4 februari 2020, maakt evenmin dat er sprake is van een dergelijke opdrachtverlening. Het was [naam gedaagde] bekend dat de financiering niet rond was en [naam eiseres] heeft – zo staat in ieder geval in productie 55 van [naam gedaagde] – op 13 februari 2020 besloten om bij gebrek aan geld de werkzaamheden voor het kozijnen stop te zetten (zie hiervoor onder 4.16, sub i). Onder die omstandigheden behoeft het een duidelijke toelichting waarom [naam gedaagde] kon menen dat de werkzaamheden aan het dak wel doorgang zouden vinden. Die toelichting ontbreekt. [naam gedaagde] kon dan ook niet aannemen dat [naam eiseres] stilzwijgend instemde met zijn e-mail van 4 februari 2020.

4.22.

Duidelijk is dat [naam gedaagde] werkzaamheden heeft verricht voor het dak. Al met al heeft [naam gedaagde] echter onvoldoende gesteld om te komen tot de conclusie dat [naam eiseres] hem een opdracht voor de begeleiding van groot onderhoud van het dak heeft verstrekt. Aan bewijsvoering hierover wordt dan ook niet toegekomen. De vordering van [naam gedaagde] wordt dan ook voor zover het deze factuur betreft, afgewezen.

D. Afsluiting

4.23.

De slotsom is dat de rechtbank [naam eiseres] zal veroordelen tot betaling van € 6.334,07 vanwege factuur 50.

4.24.

De door [naam gedaagde] gevorderde rente (de wettelijke handelsrente vermeerderd met twee procentpunten) zal als onbetwist worden toegewezen.

4.25.

[naam gedaagde] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten op basis van artikel 8 lid 7 van de algemene voorwaarden, zijnde 15% van de openstaande hoofdsom. [naam eiseres] betwist die vordering, stellende dat [naam gedaagde] alleen wat herinneringen heeft gestuurd. Gelet op de inhoud van artikel 8 lid 7 van de algemene voorwaarden, slaagt dit verweer niet.

4.26.

Partijen zijn op de mondelinge behandeling overeengekomen dat iedere partij de eigen proceskosten tot en met de mondelinge behandeling zal dragen. Over die proceskosten hoeft de rechtbank dus geen beslissing te nemen.

4.27.

De rechtbank neemt wel een beslissing over de proceskosten na de mondelinge behandeling. Nu partijen over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld in de geschilpunten die na de mondelinge behandeling resteerden, dienen zij ieder hun eigen proceskosten te dragen.

4.28.

Dit vonnis zal, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5. De beslissing

De rechtbank

In conventie:

a. verstaat dat [naam eiseres] haar vorderingen integraal heeft ingetrokken en dat partijen zijn overeengekomen elk de eigen kosten van de procedure in conventie te dragen;

In reconventie:

b. veroordeelt [naam verweerster] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting € 6.334,07 aan [naam eiser] te betalen, te vermeerderd met de wettelijke handelsrente plus twee procespunten vanaf 25 mei 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

c. veroordeelt [naam verweerster] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting € 950,11 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [naam eiser] te betalen;

d. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

e. bepaalt dat beide partijen hun eigen proceskosten dragen;

f. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. Doorduijn. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2021.

1876/3195

1 In navolging van partijen hanteert de rechtbank de inkomende factuurnummers, genoemd in productie 13 van [naam gedaagde].