Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8931

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-09-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
9013806
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verrichte werkzaamheden, omvang overeenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9013806 \ CV EXPL 21-5392

uitspraak: 3 september 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Van Vliet Bouw en Advies B.V.,

gevestigd te Delft,

eiseres,

gemachtigde: mr. F.M.L. Dekkers te Leiden,

tegen

1. [gedaagde 1]

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2],

gedaagden,

gemachtigde: mr. S.D. Kurz te Mijdrecht.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “Van Vliet” respectievelijk “[gedaagde 1]” en “[gedaagde 2]”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen.

  • -

    het exploot van dagvaarding van 2 februari 2021, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Op 19 april 2019 is in het aan [gedaagde 1] in eigendom toebehorende pand aan de [adres] brand uitgebroken, ten gevolge waarvan schade in en aan het pand is ontstaan.

2.2.

Op 23 april 2019 heeft een telefonisch onderhoud plaatsgevonden tussen Van Vliet en [gedaagde 2], de bestuurder van [gedaagde 1]. Tijdens dit gesprek heeft [gedaagde 2] opdracht gegeven voor het plaatsen van stempels in het pand.

2.3.

Op zondag 28 april 2019 heeft de adviseur van [gedaagde 1], [naam 1], via WhatsApp een bericht aan Van Vliet gezonden, waarvan de inhoud - voor zover thans van belang - als volgt luidt:

“(…) Ronald Ik heb je contactgegevens verkregen via [gedaagde 2]. Ik heb begrepen dat je morgen stempels gaat plaatsenm en er dinsdag om 11.00 u bij bent bij schade opname. De sleutels kunnen verkregen worden bij Rechcerche Zuidplein. (…)”

2.4.

De stempels zijn door Van Vliet op 30 april 2019 in het pand geplaatst. Vervolgens heeft [naam 2] van [naam bedrijf] op 2 mei 2019 het pand bezocht voor het opnemen en beoordelen van de schade. Van de schadeopname is door [naam 2] op 5 juni 2019 een rapport aan Van Vliet toegezonden.

2.5.

Van Vliet heeft op 4 september 2019 een offerte aan [gedaagde 2] gezonden voor het herstellen van de brandschade aan het pand.

2.6.

Van Vliet heeft op 26 november 2019 een e-mail aan zowel [gedaagde 2] als [naam 1] gezonden, waarvan de inhoud - voor zover thans van belang - als volgt luidt:

“(…) Hierbij de kosten overzicht Zuidhoek zoals telefonisch is besproken.

- Opname schade beperkende werkzaamheden € 540,00

- Plaatsen onderslagen en stempelwerk begane grond € 480,00

- Huur stempels en onderslagen tot en met 31 dec 2019 € 6.696,00

- Constructeur opname rapport € 967,20

-------------

Totaal excl. BTW € 8.683,20

Stempels opgenomen voor 14 weken, in werkelijkheid en tot 31 dec 2019 wordt 31 weken stempels huur. Opgenomen stempel huur € 3.024,00/ 14 wk = € 216,00/ wk x 31 weken =

€ 6.696,00 excl. BTW

Na aanleiding van ons telefonisch gesprek van afgelopen week gaan wij er vanuit dat begin volgend jaar de opdracht van het werk krijgen zodra jullie de financiering rond hebben.

Op het moment dat jullie beslissen om niet met ons verder te gaan omdat de financiering niet rond krijgt of kiest voor een andere aannemer, dan declareren wij de calculatie kosten voor het totaalbedrag van € 4.500,00 excl. BTW. (…)”

2.7.

Van Vliet heeft op 26 november 2019 een factuur aan [gedaagde 1] gezonden met als omschrijving ‘totaal noodvoorzieningen volgens mail d.d. 26 nov 2019’ ten bedrage van

€ 10.506,67 inclusief btw.

2.8.

Op 2 december 2019 heeft [naam 1] een e-mail aan Van Vliet en [gedaagde 2] gezonden met – voor zover thans relevant – de volgende inhoud:

“(…) Deze factuur kunnen we niet accepteren.

1. Wijkt dit significant af van hetgeen wij hier bij mij op kantoor besproken hebben (1750)

2. Het wijkt ook nog eens significant af van JOUW schadebegroting zoals opgegeven aan experts.

Graag correct factuur waarna deze voldaan wordt. (…)”

2.9.

Van Vliet heeft op 14 november 2020 een factuur aan [gedaagde 1] gezonden met als omschrijving ‘huurstempels 1 jan 2020 tot en met 14 nov 2020’ ten bedrage van € 12.022,56 inclusief btw.

3. De vordering

3.1.

Van Vliet heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 1] te veroordelen aan haar te betalen € 22.529,32 aan hoofdsom en € 1.000,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de openstaande facturen vanaf de vervaldata van deze facturen, met veroordeling van [gedaagde 1] in de proceskosten. Voorts vordert Van Vliet voorwaardelijk - dat wil zeggen indien en voor zover geoordeeld wordt dat niet [gedaagde 1] doch [gedaagde 2] opdracht heeft gegeven voor de werkzaamheden - dat [gedaagde 2] wordt veroordeeld tot betaling van de hiervoor genoemde bedragen.

3.2.

Aan haar vordering heeft Van Vliet - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. Van Vliet heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagde 1] werkzaamheden verricht in het pand aan de [adres]. De werkzaamheden bestaan uit spoedeisende werkzaamheden in verband met brandschade in en aan het pand, waaronder het plaatsen van stempels en het doen van onderzoek naar de constructieve veiligheid. [gedaagde 1] heeft de in verband met de uitgevoerde werkzaamheden en de huur van de stempels verzonden facturen van 26 november 2019 en 14 november 2020 van in totaal € 22.529,32 onbetaald gelaten. Naast betaling van de genoemde facturen maakt Van Vliet aanspraak op de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de facturen en een vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.000,00.

3.3.

De opdracht tot de werkzaamheden is gegeven door [gedaagde 2] in zijn hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde 1]. Indien en voor zover geoordeeld wordt dat niet [gedaagde 1], maar [gedaagde 2] als opdrachtgever voor de verrichte werkzaamheden heeft te gelden, is [gedaagde 2] aansprakelijk voor betaling van de gevorderde bedragen. Voorts stelt Van Vliet zich op het standpunt dat zij eveneens op grond van zaakwaarneming (artikel 6:198 e.v. BW) recht heeft op betaling van de gevorderde bedragen.

4. Het verweer

4.1.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de vordering betwist en hebben daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. [gedaagde 2] heeft in zijn hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde 1] in de week van 23 april 2019 telefonisch opdracht gegeven tot het plaatsen van stempels als noodvoorziening in het pand teneinde instortingsgevaar tegen te gaan. Er is slechts een overeenkomst tot stand gekomen tussen Van Vliet en [gedaagde 1]. [gedaagde 2] is ten onrechte als contractspartij aangemerkt.

4.2.

Er is slechts opdracht gegeven tot het plaatsen van stempels in het pand. Voor de overige genoemde en uitgevoerde werkzaamheden is geen opdracht gegeven. [gedaagde 1] heeft nimmer voor het plaatsen van de stempels een offerte ontvangen. Partijen hebben derhalve geen overeenstemming bereikt over de hoogte van de vergoeding voor het plaatsen van de stempels. Voor zover er sprake is van aanneming van werk en [gedaagde 1] op basis daarvan een redelijke vergoeding voor het plaatsen van de stempels verschuldigd is, acht [gedaagde 1] een bedrag van € 480,00 voor het plaatsen van de stempels redelijk. Van Vliet heeft ten onrechte de huur van de stempels bij [gedaagde 1] in rekening gebracht. [gedaagde 1] heeft nimmer ingestemd met de door Van Vliet gehanteerde tarieven ter zake van de huur van de stempels. Bovendien zijn de door Van Vliet gehanteerde tarieven excessief hoog. Voorts heeft de adviseur van [gedaagde 1], [naam 1], Van Vliet reeds in november 2019 verzocht de stempels op te komen halen.

5. De beoordeling

5.1.

Allereerst dient beoordeeld te worden wie als contractpartijen hebben te gelden in de onderhavige kwestie. Vast staat dat er geen sprake is van een schriftelijke overeenkomst, maar slechts van een mondelinge, telefonisch tot stand gekomen overeenkomst in de week van 23 april 2019. Door [gedaagde 2] is zowel voorafgaand aan als tijdens de procedure gesteld dat hij in zijn hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde 1] opdracht heeft gegeven aan Van Vliet tot het uitvoeren van werkzaamheden. Die stelling sluit ook aan op het feit dat er geen aanknopingspunten zijn voor de stelling dat [gedaagde 2] in privé aansprakelijk zou zijn, te meer nu [gedaagde 2] niet de eigenaar van het betreffende pand is en er ook niet van enig ander persoonlijk belang van [gedaagde 2] bij het verrichten van de werkzaamheden door Van Vliet is gebleken. Nu Van Vliet de stelling van [gedaagde 2] dat hij in zijn hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde 1] heeft gehandeld verder niet inhoudelijk heeft betwist, is voldoende komen vast te staan dat [gedaagde 1] - en níet [gedaagde 2] - in casu als contractspartij heeft te gelden. Dat betekent dat Van Vliet niet-ontvankelijk is in haar vordering jegens [gedaagde 2].

5.2.

Partijen twisten over de vraag wat er exact tussen hen is overeengekomen. Tussen partijen is in elk geval niet in geschil dat [gedaagde 1] opdracht heeft gegeven tot het plaatsen van stempels in het pand. Naar het oordeel van de kantonrechter is ter zake van het plaatsen van de stempels sprake van een overeenkomst van aanneming van werk in de zin van artikel 7:750 BW. Het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard als bedoeld in voornoemd artikel dient niet dermate beperkt uitgelegd te worden dat daaronder slechts het vervaardigen van een nieuw te bouwen gebouw valt, doch hieronder dient tevens te worden begrepen het bewerken van een reeds eerder tot stand gebracht werk (vgl. Kamerstukken I 2002/03, 23095, 38a, p. 9-10), zodat het plaatsen van stempels ter versteviging van de constructie van het gebouw binnen de reikwijdte van dit artikel valt.

5.3.

Hoewel [gedaagde 1] heeft betwist dat tijdens het telefonische onderhoud tussen partijen in de week van 23 april 2019 is gesproken over de kosten van het plaatsen van de stempels, is door [gedaagde 1] niet, althans onvoldoende, betwist dat een vergoeding van deze kosten in de bedoeling van partijen lag. Nu er geen (vaste) prijs voor het plaatsen van de stempels is overeengekomen, is [gedaagde 1] op grond van artikel 7:752 lid 1 BW hiervoor een redelijke prijs verschuldigd. In dat kader heeft [gedaagde 1] aangegeven het door Van Vliet in rekening gebrachte bedrag voor het plaatsen van de stempels van € 480,00 als redelijke vergoeding te beschouwen. Dat betekent dat dit deel van de vordering in elk geval toewijsbaar is.

5.4.

Van Vliet heeft, naast de kosten voor het plaatsen van de stempels, tevens een bedrag aan huur van de stempels bij [gedaagde 1] in rekening gebracht. Dit betreft een bedrag van

€ 6.696,00 voor de huur over de periode van 30 april 2019 tot en met 31 december 2019 en een bedrag van € 9.936,00 over de periode 1 januari 2020 tot en met 14 november 2020.

5.5.

[gedaagde 1] heeft betwist dat partijen zijn overeengekomen dat de stempels zouden worden gehuurd en dat [gedaagde 1] hiervoor een huurprijs aan Van Vliet verschuldigd is. Gelet op deze betwisting rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv in beginsel op Van Vliet de bewijslast van zijn stelling dat partijen zijn overeengekomen dat er sprake is van huur van de stempels door [gedaagde 1] en dat [gedaagde 1] hiervoor kosten verschuldigd is.

5.6.

Ook ten aanzien van de door Van Vliet gevorderde kosten van opname van schadebeperkende maatregelen van € 540,00 en de kosten van het onderzoek van de constructeur ([naam bedrijf]) en diens rapport van € 967,20 geldt dat door [gedaagde 1] is betwist dat zij opdracht heeft gegeven aan Van Vliet voor het (doen laten) uitvoeren van deze werkzaamheden.

5.7.

Van Vliet heeft gesteld dat zij, ook zonder [gedaagde 1] opdracht tot de werkzaamheden zou hebben gegeven, recht heeft op betaling van de kosten van de hiervoor bij r.o. 5.6 genoemde uitgevoerde werkzaamheden op grond van zaakwaarneming ex artikel 6:198 BW. Conform laatstgenoemd artikel is er pas sprake van zaakwaarneming indien een zaakwaarnemer zich willens en wetens op redelijke grond heeft ingelaten met de behartiging van andermans belang zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen. Door Van Vliet is gesteld dat zij zich op redelijke grond heeft ingelaten met de behartiging van het belang van [gedaagde 1], nu zij met haar handelen het gevaar voor instorting van het pand heeft afgewend. Het acute instortingsgevaar was echter reeds geweken door het plaatsen van de stempels. Ten aanzien van het plaatsen van de stempels is tussen partijen echter niet in geschil dat hieraan een overeenkomst tussen partijen ten grondslag lag, hetgeen met zich meebrengt dat ten aanzien daarvan geen sprake kan zijn van zaakwaarneming. Voor wat betreft de andere verrichte werkzaamheden - de opname van schadebeperkende maatregelen en het onderzoek van [naam 2] - heeft Van Vliet naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd gesteld dat deze werkzaamheden noodzakelijk waren om het acute instortingsgevaar te voorkomen.

5.8.

Een en ander leidt er toe dat er ten aanzien van de opname van schadebeperkende maatregelen en het uitgevoerde onderzoek van [naam 2] onvoldoende gebleken is dat er sprake was van een redelijke grond voor Van Vliet om zich - zonder daarover met [gedaagde 1] overeenstemming te hebben bereikt - met de behartiging van de belangen van [gedaagde 1] in te laten. Het beroep van Van Vliet op zaakwaarneming wordt om die reden verworpen.

5.9.

Het voorgaande betekent dat ook op dit punt in beginsel de bewijslast op Van Vliet rust van haar stelling dat [gedaagde 1] opdracht heeft gegeven aan Van Vliet om de hiervoor bij

r.o. 5.6 genoemde werkzaamheden voor rekening van [gedaagde 1] uit te voeren. Daar staat echter tegenover dat door [gedaagde 1] niet is betwist dat het onderzoek door [naam 2] daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en dat zij [naam 2] derhalve zonder enig protest de toegang tot het pand heeft verschaft voor de uitvoering van het onderzoek.

5.10.

In dat verband is tevens het door Van Vliet overgelegde WhatsApp-bericht van belang. Door Van Vliet is onweersproken gesteld dat dit bericht afkomstig is van de adviseur van [gedaagde 1], [naam 1], en dat dit bericht op 28 april 2019 aan Van Vliet is verzonden. Uit het bericht kan worden afgeleid dat [naam 1] er op 28 april 2019 van op de hoogte was dat er enkele dagen later een schadeopname zou plaatsvinden. Uit het bericht blijkt evenwel niet of de in het bericht genoemde ‘schadeopname’ betrekking heeft op de in de factuur van 26 november 2019 opgenomen kostenpost ‘opname schadebeperkende maatregelen’ of op het onderzoek van [naam 2] naar de constructieve gevolgen van de brand voor het pand. Mede in het licht van de e-mail van [naam 1] van 2 december 2019 - waarin de hoogte van de factuur wordt betwist - heeft [gedaagde 1] heeft tot dusver niet nader toegelicht hoe voornoemd WhatsApp-bericht zich verhoudt tot haar betwisting van de stelling dat zij opdracht gegeven zou hebben tot de schadeopname en het onderzoek van [naam 2], waarbij tevens in aanmerking wordt genomen dat gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 1] zich heeft verzet tegen de daadwerkelijke uitvoering van de in het bericht genoemde schadeopname.

5.11.

Voorts heeft gelden dat Van Vliet tot op heden onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waaruit de kosten met betrekking tot de opname van schadebeperkende maatregelen van

€ 540,00 exact bestaan, in die zin dat niet duidelijk is door wie deze werkzaamheden zijn verricht, wanneer deze zijn verricht en hoe deze kosten gespecificeerd kunnen worden.

5.12.

Gelet op de hiervoor genoemde onduidelijkheden - en alvorens tot eventuele bewijslevering over te gaan - acht de kantonrechter het gewenst de zaak met partijen te bespreken. Daarom wordt een mondelinge behandeling bepaald. Tijdens de mondelinge behandeling kunnen partijen de nodige informatie verstrekken en hun stellingen toelichten of nader onderbouwen. Ter zitting zal tevens worden onderzocht of partijen tot een schikking kunnen komen.

5.13.

Alle stukken die op de zaak betrekking (kunnen) hebben en die nog niet in het geding zijn gebracht, dienen door de partij die deze ter sprake wil brengen aan de kantonrechter en aan de wederpartij te worden toegezonden. Deze stukken dienen uiterlijk een week vóór de zitting in het bezit te zijn van de kantonrechter en de wederpartij.

5.14.

Partijen dienen in persoon te verschijnen of zij moeten op de zitting worden vertegenwoordigd door een persoon die op de hoogte is van de feiten met betrekking tot de vordering. Deze vertegenwoordiger moet schriftelijk gemachtigd zijn, eventueel ook tot het treffen van een minnelijke regeling.

5.15.

De mondelinge behandeling zal plaatsvinden op een nader te bepalen datum en tijdstip, na opgave van verhinderdata door partijen voor de periode juli tot en met september 2021, voor welke opgave de zaak zal worden verwezen naar de rolzitting van donderdag

23 september 2021 te 15.30 uur. Uitstel is niet mogelijk, tenzij beide partijen daarom gezamenlijk verzoeken. De griffier zal vervolgens datum en tijd van de zitting aan partijen mededelen.

5.16.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6. De beslissing

De kantonrechter:

bepaalt dat partijen (in persoon of behoorlijk vertegenwoordigd en desgewenst met een gemachtigde) op een nog nader te bepalen datum en tijd, na opgave van verhinderdata, dienen te verschijnen op de mondelinge behandeling ten overstaan van de kantonrechter

mr. B.J.R. van Tongeren. De mondelinge behandeling zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100, gebouw B (het rode gebouw);

wijst partijen op hetgeen hiervoor omtrent het in het geding brengen van (nadere) stukken is bepaald;

verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 23 september 2021 te 15.30 uur voor opgave verhinderdata voor de periode van oktober tot en met december 2021;

bepaalt dat de schriftelijke opgaaf uiterlijk de dag vóór voormelde rolzitting om 12.00 uur ter griffie ontvangen dient te zijn;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44487