Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8930

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-09-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
8984327
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Premieachterstand, hoofdsom tijdens procedure voldaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8984327 \ CV EXPL 21-3296

uitspraak: 3 september 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de naamloze vennootschap

Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

gemachtigde: Stichting Papyrus te Emmer-Compascuum.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “Zilveren Kruis” en “[gedaagde]”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen.

  • -

    het exploot van dagvaarding van 12 januari 2021, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek tevens vermindering van eis, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek, met producties;

  • -

    de akte uitlaten producties.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Tussen Zilveren Kruis en [gedaagde] is een zorgverzekeringsovereenkomst tot stand gekomen. Deze overeenkomst met polisnummer [polisnummer] heeft betrekking op de verplichte basisverzekering en/of aanvullende verzekering. Uit hoofde van deze overeenkomst is [gedaagde] aan Zilveren Kruis maandelijks bij vooruitbetaling premie verschuldigd. Daarnaast brengt Zilveren Kruis via zorgkostennota’s kosten aan [gedaagde] in rekening, die Zilveren Kruis aan een zorgverlener heeft vergoed, maar die niet of niet geheel onder de dekking van de verzekering vallen dan wel onder het eigen risico van [gedaagde] vallen.

2.2.

[gedaagde] heeft een achterstand laten ontstaan in de betaling van de maandelijkse premie van de verplichte basisverzekering en/of aanvullende verzekering en in de betaling van de zorgkostennota’s.

2.3.

De gemachtigde van Zilveren Kruis heeft bij brief van 31 mei 2019 [gedaagde] aangemaand om binnen een termijn van 15 dagen, nadat de brief bij [gedaagde] is bezorgd, een bedrag van

€ 764,55 te voldoen, bij gebreke waarvan de vordering verhoogd zal worden met de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.

2.4.

[gedaagde] heeft op 23 januari 2021, na dagvaarding derhalve, aan de gemachtigde van Zilveren Kruis voorgesteld een betalingsregeling te treffen. De gemachtigde van Zilveren Kruis heeft op 26 januari 2021 een schriftelijke bevestiging van een betalingsregeling van

€ 100,00 per maand aan [gedaagde] gezonden. In deze schriftelijke bevestiging is - voor zover thans van belang - het volgende opgenomen:

“(…) De gestarte rechtszaak gaat door. Wanneer de rechter uitspraak heeft gedaan sturen wij u een bijgewerkt overzicht van de betalingsachterstand. (…)”

2.5.

Op 10 februari 2021 heeft de gemachtigde van [gedaagde] een e-mail aan de gemachtigde van Zilveren Kruis gezonden, waarvan de inhoud - voor zover thans van belang - als volgt luidt:

“(…) Wij zijn van mening dat het voor [gedaagde] mogelijk zou moeten zijn dit met u/Zilveren Kruis in der minne op te lossen en verzoeken u derhalve om de dagvaarding in te trekken.

Er loopt immers een betalingsregeling. [gedaagde] heeft zich akkoord verklaart om Papyrus zijn financiën te laten regelen zodat de met u overeengekomen betalingsregeling kan worden voldaan. (…)”

2.6.

De gemachtigde van Zilveren Kruis heeft op 15 februari 2021 per e-mail een reactie aan de gemachtigde van [gedaagde] gezonden met - voor zover thans van belang - de volgende inhoud:

“(…) Op 26 januari 2021 hebben wij een regeling ad. € 100,00 per maand bevestigd aan uw client, onder verband van vonnis. Wij trekken op basis van een betalingsafspraak de zitting niet in. Deze heeft tevens inmiddels al plaatsgevonden.

Zolang uw client de regeling correct nagekomt, zullen wij het vonnis niet gaan betekenen. (…)”

2.7.

De gemachtigde van Zilveren Kruis heeft na het treffen van voornoemde betalingsregeling de volgende betalingen van [gedaagde] ontvangen:

01-02-2021 € 100,00

01-03-2021 € 100,00

09-04-2021 € 100,00

21-04-2021 € 569,19

3. De vordering

3.1.

Zilveren Kruis heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 869,19, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 762,96 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Aan haar vordering heeft Zilveren Kruis - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] is in gebreke gebleven met volledige betaling van de door hem uit hoofde van de zorgverzekeringsovereenkomst aan Zilveren Kruis verschuldigde premie over de periode april 2019 tot en met augustus 2019 en over de periode oktober 2020 tot en met november 2020 alsmede met betaling van een zorgkostennota van 18 september 2019, in totaal ten bedrage van € 1.010,14. Zilveren Kruis zag zich genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven. Na aanmaning door de gemachtigde van Zilveren Kruis is door [gedaagde], voorafgaand aan de dagvaarding, in totaal een bedrag van € 247,18 voldaan. Zilveren Kruis maakt aanspraak op de wettelijke rente, tot 12 januari 2021 berekend op € 21,97 alsmede een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van € 84,26 (incl. btw).

3.3.

Op de eerste rolzitting heeft Zilveren Kruis haar vordering verminderd met een op

1 februari 2021 ontvangen betaling van € 100,00. Bij conclusie van repliek heeft Zilveren Kruis haar vordering verminderd met ontvangen betalingen op 1 februari 2021, 1 maart 2021 en 9 april 2021 van telkens € 100,00 en op 21 april 2021 van € 569,19, in totaal derhalve een vermindering van de vordering met € 869,19.

4. Het verweer

4.1.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de vordering en heeft in dat kader - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. Ten gevolge van problemen bij het verkrijgen van een btw-nummer van de Belastingdienst heeft [gedaagde] tijdelijk niet voldoende budget gehad om de vordering van Zilveren Kruis in één keer te kunnen voldoen. [gedaagde] heeft een betalingsregeling met de gemachtigde van Zilveren Kruis getroffen. De gemachtigde van [gedaagde] heeft aan de gemachtigde van Zilveren Kruis verzocht de dagvaarding in te trekken, maar dit heeft zij geweigerd.

4.2.

[gedaagde] heeft na dagvaarding diverse betalingen verricht en is de betalingsregeling correct nagekomen. Met de laatste betaling van 21 april 2021 heeft [gedaagde] de vordering volledig voldaan. Het indien van de dagvaarding is dan ook onnodig geweest. De door de gemachtigde van Zilveren Kruis gehanteerde bedragen in de correspondentie en in het online-dossier stroken niet met hetgeen thans gevorderd wordt. De diverse berekeningen vertonen onderling verschillen en zijn ondoorzichtig. Daarnaast heeft de gemachtigde van Zilveren Kruis ook fouten gemaakt in de verwerking van een betaling ten behoeve van een andere openstaande nota, waarvoor op 12 april 2021 een aanmaning is gestuurd. [gedaagde] heeft kosten moeten maken voor juridische ondersteuning en is van mening dat de door de gemachtigde van Zilveren Kruis opgevoerde kosten onredelijk bezwarend zijn.

5. De beoordeling

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] een achterstand had in de betaling van de verschuldigde premie over de periode april 2019 tot en met augustus 2019 en over de periode oktober 2020 tot en met november 2020 alsmede in de betaling van een zorgkostennota van 18 september 2019, een en ander in totaal ten bedrage van € 1.010,14. De door [gedaagde] genoemde aan het ontstaan van de achterstand ten grondslag liggende persoonlijke omstandigheden, komen - hoe vervelend deze voor [gedaagde] ook moge zijn - voor zijn rekening en risico en kunnen niet aan Zilveren Kruis worden tegengeworpen.

Voorts staat niet ter discussie dat voorafgaand aan de onderhavige procedure door [gedaagde] een totaalbedrag van € 247,18 is voldaan. Dit betekent dat er op de dag van dagvaarding sprake was van een betalingsachterstand van € 762,96 (€ 1.010,14 -/- € 247,18).

5.2.

[gedaagde] heeft daarnaast niet betwist - en daarmee staat vast - dat hij tot de dag van dagvaarding een bedrag van € 21,97 aan wettelijke rente verschuldigd was.

5.3.

Zilveren Kruis maakt eveneens aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: ‘het Besluit’). De namens Zilveren Kruis aan [gedaagde] gezonden aanmaning van 31 mei 2019 - waarvan de ontvangst door [gedaagde] niet is betwist - voldoet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW gestelde eisen. Gebleken is dat [gedaagde], voorafgaand aan de dagvaarding, door betaling van een totaalbedrag van

€ 247,18 de vordering gedeeltelijk heeft voldaan. Zilveren Kruis heeft niet gesteld wanneer [gedaagde] dit bedrag heeft voldaan. Bij gebreke van nadere gegevens daarover gaat de kantonrechter ervan uit dat dit bedrag betaald is binnen de daarvoor in de aanmaning van

31 mei 2019 gestelde betalingstermijn. Dat betekent dat de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten berekend dient te worden over een bedrag van € 517,37 (het ten tijde van de aanmaning openstaande bedrag van € 764,55 verminderd met het betaalde bedrag van € 247,18). Nu het door Zilveren Kruis gevorderde bedrag van € 84,26 inclusief btw het op grond van het Besluit maximaal toegestane bedrag aan buitengerechtelijke kosten niet overstijgt, is het gevorderde bedrag van € 84,26 inclusief btw verschuldigd geworden.

5.4.

Het bovenstaande leidt er toe dat [gedaagde], berekend tot 12 januari 2021, een totaalbedrag van € 869,19 (€ 762,96 + € 21,97 + € 84,26) verschuldigd was en dat Zilveren Kruis op laatstgenoemde datum op goede gronden tot dagvaarding is overgegaan.

5.5.

Vast staat dat [gedaagde] eerst ná dagvaarding met de gemachtigde van Zilveren Kruis contact heeft opgenomen teneinde een betalingsregeling te treffen. De betalingsregeling van € 100,00 per maand is op 26 januari 2021 schriftelijk aan [gedaagde] bevestigd.

5.6.

[gedaagde] heeft gesteld dat zijn gemachtigde voorafgaand aan de eerste zittingsdag

- 11 februari 2021 - aan de gemachtigde van Zilveren Kruis heeft verzocht de dagvaarding in te trekken, maar dat deze dat ten onrechte heeft geweigerd. Dit verweer kan echter niet slagen. In de dagvaarding van 12 januari 2021 is reeds duidelijk aangegeven dat de procedure slechts voorkomen kan worden door volledige betaling van het openstaande bedrag vóór de aangekondigde zittingsdag van 11 februari 2021. In de aan het exploot gehechte toelichting op de dagvaarding is daarnaast vermeld dat ook bij het treffen van een betalingsregeling de procedure gewoon doorgang zal vinden. Ten slotte is ook in de schriftelijke bevestiging van de betalingsregeling van 26 januari 2021 nogmaals opgenomen dat de procedure ook na het treffen van de betalingsregeling gewoon zal worden voortgezet.

5.7.

Aangezien met het treffen van de betalingsregeling en de daarop volgende betaling op

1 februari 2021 van € 100,00 niet de volledige vordering vóór de eerste zittingsdag (te weten 11 februari 2021) was voldaan, heeft Zilveren Kruis de procedure op terechte gronden voortgezet. Zilveren Kruis was derhalve geenszins gehouden gehoor te geven aan het verzoek van de gemachtigde van [gedaagde] om de dagvaarding in te trekken. Nu de procedure op terechte gronden is voortgezet, dienen de daardoor veroorzaakte proceskosten dan ook voor rekening van [gedaagde] te komen. Teneinde proceskosten te voorkomen had het immers op zijn weg gelegen om de vordering eerder en volledig te voldoen, te meer daar [gedaagde] in de dagvaarding voldoende duidelijk gewezen is op het belang van volledige betaling vóór de eerste zittingsdag.

5.8.

Vast staat dat [gedaagde] met de hiervoor genoemde betaling van 1 februari 2021 en de nadien hangende de onderhavige procedure verrichte betalingen van 1 maart 2021, 9 april 2021 en 21 april 2021 een totaalbedrag van € 869,19 heeft voldaan. Partijen zijn het er over eens dat daarmee op 21 april 2021 de volledige hoofdsom, rente en buitengerechtelijke kosten was voldaan. Dat betekent dat op dat moment enkel nog de proceskosten open stonden, bestaande uit de dagvaardingskosten, het salaris gemachtigde en het inmiddels verschuldigd geworden griffierecht, zoals door Zilveren Kruis bij conclusie van repliek terecht is gesteld. Zoals hiervoor reeds geoordeeld, komen deze proceskosten voor rekening van [gedaagde].

5.9.

De stelling van [gedaagde] dat de door de gemachtigde van Zilveren Kruis gehanteerde bedragen in de correspondentie en in het online-dossier niet stroken met hetgeen in onderhavige procedure is gevorderd, wordt verworpen. Behoudens het feit dat Zilveren Kruis in haar e-mail van 2 februari 2021 een kleine rekenfout heeft gemaakt en abusievelijk € 4,39 te veel aan [gedaagde] heeft doorberekend, komen de in deze e-mail en in het online-dossier genoemde bedragen wel degelijk overeen met de in deze procedure gevorderde bedragen. Dat er desondanks verschillen bestaan in de verschuldigde totaalbedragen vindt zijn oorzaak in de data waarop de diverse overzichten zijn opgesteld. In de specificatie van de vordering in de e-mail van 2 februari 2021 is immers het griffierecht van € 507,00 nog niet opgenomen, aangezien op laatstgenoemde datum de dagvaarding nog niet bij de griffie was aangebracht. In de door [gedaagde] overgelegde overzichten uit het online-dossier van

26 maart 2021, 5 mei 2021 en 22 juni 2021 is het griffierecht - gelet op het feit dat de procedure op terechte gronden is voortgezet en daardoor inmiddels ook het griffierecht verschuldigd is geworden- vervolgens wél opgenomen onder de daarin genoemde post ‘Kosten’. Bovendien is er in de diverse overzichten sprake van kleine renteverschillen, hetgeen eveneens voortvloeit uit het feit dat de overzichten op verschillende data zijn opgesteld. Ten slotte is voldoende gebleken dat in de diverse overzichten op correcte wijze rekening is gehouden met de verschillende door [gedaagde] hangende de procedure verrichte betalingen. Een en ander leidt tot de slotsom dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat de diverse door Zilveren Kruis genoemde en gevorderde bedragen onjuist zouden zijn.

5.10.

[gedaagde] gaat in zijn verweer uitvoerig in op de door Zilveren Kruis per e-mail van 12 april 2021 verzonden aanmaning. Blijkens de inhoud van die e-mail ziet deze aanmaning op een factuur van 27 maart 2021 van 128,45 en een factuur van 29 maart 2021 van 345,27, derhalve in totaal een bedrag van € 473,72. Deze facturen maken echter geen deel uit van de thans in geding zijnde vordering, zoals door Zilveren Kruis terecht is gesteld. Het door [gedaagde] in dit kader gevoerde verweer met betrekking tot de betaling van het bedrag van

€ 473,72 heeft derhalve geen relevantie voor onderhavige procedure en behoeft derhalve geen verdere bespreking.

5.11.

Dat Zilveren Kruis op 31 mei 2021 en 7 juni 2021 herinneringen aan [gedaagde] heeft gezonden met betrekking tot het nakomen van de betalingsregeling is, zoals Zilveren Kruis zelf reeds stelt, gelet op de lopende procedure wellicht enigszins prematuur, doch dit doet niets af aan het oordeel dat de proceskosten voor rekening van [gedaagde] dienen te komen. Dat [gedaagde] ook zelf kosten van rechtsbijstand heeft moeten maken, maakt het voorgaande ook niet anders. Nu [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden, dient hij de eigen kosten van rechtsbijstand zelf te dragen.

5.12.

Gelet op het bovenstaande zal [gedaagde] in de proceskosten van Zilveren Kruis worden veroordeeld. Deze kosten worden vastgesteld op € 110,35 aan dagvaardingskosten, €507,00 aan griffierecht en € 310,00 aan salaris voor de gemachtigde van Zilveren Kruis (2,5 punten à € 124,00).

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Zilveren Kruis vastgesteld op € 617,35 aan verschotten (waarvan € 507,00 aan griffierecht en

€ 110,35 aan dagvaardingskosten) en € 310,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44487