Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8924

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
ROT 20/1707
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Woningsluiting Opiumwet. In de woning en bijbehorende schuur zijn 49 ponypacks aangetroffen met in totaal 20,8 gram cocaïne. De cocaïne zou van de zoon van eisers zijn. Daarnaast is in de slaapkamer van de zoon een geldbedrag van € 800,- aangetroffen. De rechtbank twijfelt aan de noodzaak van de sluiting. De hoeveelheid cocaïne is op zichzelf niet voldoende om een sluiting te rechtvaardigen. Er zijn geen drugsgerelateerde zaken in de woning aangetroffen, er waren geen overlastmeldingen en er is niet gebleken van een ‘loop’ naar de woning. Daarbij is de zoon van eisers naar Turkije vertrokken, hebben sindsdien geen incidenten plaatsgevonden en zijn tussen de doorzoeking en het primaire besluit bijna vier maanden verstreken. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom sluiting van de woning noodzakelijk is. In het kader van de evenredigheid vindt de rechtbank dat eisers enig verwijt kan worden gemaakt van wat er is aangetroffen. Er lijkt echter geen sprake te zijn van een ‘ernstig geval’. Verweerder moet daarom beter motiveren waarom de sluiting niet onevenredig is. Vooral nu eisers hun huurwoning zijn kwijtgeraakt en zij op een zwarte lijst zijn geplaatst, de zoon op enig moment naar het buitenland is vertrokken en eisers en hun minderjarige dochter sinds de sluiting op verschillende adressen verblijven. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/1707

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 september 2021 in de zaak tussen


[naam eiser] en [naam eiseres], zonder vaste woon- of verblijfplaats, eiser en eiseres, samen eisers,

(gemachtigde: mr. N. Claassen),

en

de burgemeester van de gemeente Ridderkerk, verweerder

(gemachtigden: mr. A.G.M. Ostojic en L. Scholte).

Procesverloop

In het besluit van 7 november 2019 (primair besluit) heeft verweerder de woning van eisers en de daarbij behorende schuur gesloten vanwege een overtreding van de Opiumwet.

In het besluit van 4 maart 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De enkelvoudige kamer van deze rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2021 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigden van verweerder.

Bij brief van 26 april 2021 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat het onderzoek is heropend en dat de zaak wordt verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. De rechtbank heeft daarbij aangegeven dat zij het niet nodig vindt om in deze zaak een nieuwe zitting te houden. Als partijen wel behoefte hebben aan een zitting, dienen zij dit binnen twee weken te laten weten.

Eisers hebben aangegeven geen behoefte te hebben aan een nadere zitting, maar hebben vervolgens nog wel een aanvulling gegeven op het beroepschrift. De rechtbank heeft verweerder de gelegenheid gegeven om op de aanvulling van eisers te reageren. Vervolgens hebben beide partijen de rechtbank toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder nadere zitting.

De rechtbank heeft het onderzoek op 18 augustus 2021 gesloten.

Overwegingen

Wat is er gebeurd?

1. Eisers woonden samen met hun zoon ([geboortejaar zoon]) en dochter ([geboortejaar dochter]) in de woning op het adres [adres] . Zij huurden die woning van Wooncompas in [plaatsnaam].

2. Tijdens een verkeerscontrole op 17 juli 2019 zijn bij de zoon van eisers 10 ponypacks met netto 3,9 gram cocaïne aangetroffen. Aangezien de zoon in 2018 al was aangehouden voor handel in verdovende middelen en er sindsdien nieuwe informatie over hem was binnengekomen bij de politie, heeft de politie besloten om met toestemming van de officier van justitie de woning van eisers te doorzoeken.

In de slaapkamer van de zoon zijn de volgende spullen aangetroffen:

  • -

    11 ponypacks met netto 4,8 gram cocaïne (in een bodywarmer);

  • -

    € 800,- aan papiergeld, met biljetten van € 5,- tot € 50,- (in een bodywarmer);

  • -

    € 226,10 aan muntgeld (in een kledingkast).

Daarnaast zijn in de schuur bij de woning de volgende spullen aangetroffen:

  • -

    23 ponypacks met netto 9,9 gram cocaïne (in een ladekast);

  • -

    15 ponypacks met netto 6,1 gram cocaïne (op de wasmand).

Dit blijkt uit een bestuurlijke rapportage van de politie van 6 augustus 2019.

3. Verweerder heeft naar aanleiding van die rapportage besloten om de woning en de daarbij behorende schuur te sluiten voor de duur van drie maanden. Eisers hebben sluiting van hun woning willen voorkomen en hebben daarom een spoedprocedure gevoerd bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De voorzieningenrechter heeft echter geen aanleiding gezien om de woning open te houden1. De woning en de schuur zijn ook daadwerkelijk gesloten geweest voor drie maanden.

Waar gaat het in deze zaak om?

4. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat hij bevoegd was om de woning te sluiten en dat de sluiting ook noodzakelijk en evenredig was. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij vinden dat hun woning ten onrechte is gesloten.

Hebben eisers nog belang bij deze procedure?

5. De rechtbank stelt vast dat de woning in het verleden gesloten is geweest, maar nu niet meer. Hierdoor komt de vraag op of eisers nog belang hebben bij de behandeling van het beroep. Daarvoor is van belang om te weten wat eisers met deze procedure willen bereiken.

6. Eisers hebben ter zitting aangegeven dat er twee redenen zijn om de procedure voort te zetten. Ten eerste hebben zij schade geleden, onder meer doordat zij de huur van de woning hebben moeten doorbetalen zonder dat zij hiervan gebruik hebben kunnen maken. Als zij door de rechtbank in het gelijk worden gesteld, kunnen zij verweerder om schadevergoeding wegens gederfd woongenot verzoeken. Ten tweede heeft Wooncompas de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Als eisers door de rechtbank in het gelijk zouden worden gesteld, dan komt de grondslag voor de buitengerechtelijke ontbinding te vervallen en kunnen zij de ontbinding van de huurovereenkomst aanvechten bij de rechter.

7. De rechtbank vindt dat dit voldoende procesbelang oplevert en zal het beroep dan ook inhoudelijk beoordelen.

Wat vindt de rechtbank van deze zaak?

Beoordelingskader

8. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is verweerder bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen soft- of harddrugs wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

9. Verweerder voert beleid om de handel in drugs in Ridderkerk tegen te gaan. Dit beleid staat in de ‘Beleidsregel Damocles [plaatsnaam]’. In dit beleid staat in welke gevallen verweerder in principe overgaat tot sluiting van een woning.

Bevoegdheid

10. Verweerder is in beginsel bevoegd om de woning te sluiten als er een handels-hoeveelheid drugs in een woning wordt aangetroffen. Bij harddrugs is er in principe sprake van een handelshoeveelheid als er meer dan 0,5 gram wordt aangetroffen. Bij een geringe overschrijding van die grens kan er nog sprake zijn van eigen gebruik. Eisers zullen dat dan aannemelijk moeten maken.

11. Niet in geschil is dat er in de woning en de schuur in totaal netto 20,8 gram cocaïne (harddrugs) is aangetroffen. Dit is een ruime overschrijding van de grens van 0,5 gram.

12.1

Eisers hebben aangevoerd dat het onder drugsgebruikers gebruikelijk is om per keer meer dan 0,5 gram verdovende middelen aan te kopen zodat zij niet steeds opnieuw een aankoop moeten doen.

12.2

Eisers betogen hiermee dat de grens voor een gebruikershoeveelheid harddrugs niet op 0,5 gram gesteld kan worden, omdat het regelmatig zal voorkomen dat gebruikers een grotere hoeveelheid aanschaffen. De rechtbank overweegt dat de grens van 0,5 gram wordt gehanteerd in uitspraken van de hoogste rechter in dit soort zaken (de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State).2 Zij ziet in wat eisers aanvoeren geen aanleiding om daarvan af te wijken.

13.1

Eisers hebben verder aangevoerd dat de cocaïne bestemd was voor eigen gebruik door hun zoon. Eisers hebben daarbij verwezen naar de verklaring die hun zoon heeft afgelegd.

13.2

De rechtbank stelt vast dat de zoon op 10 januari 2020 schriftelijk heeft verklaard dat de cocaïne in de woning en schuur aanwezig was omdat hij de ponypacks met cocaïne samen met zijn vrienden had gekocht en dat deze niet voor de verkoop waren. Hij had met vrienden afgesproken om de cocaïne met z’n allen op vrijdag en zaterdag (de rechtbank begrijpt: een paar dagen na de doorzoeking) te gebruiken. Uit deze verklaring blijkt dus dat de cocaïne die in de woning en schuur is aangetroffen deels bestemd was voor verstrekking aan de vrienden van de zoon. Alleen al daaruit volgt dat de stelling van eisers dat de cocaïne bestemd was voor eigen gebruik niet juist is. Verweerder heeft de aangetroffen hoeveelheid cocaïne daarom terecht aangemerkt als een handelshoeveelheid.

14. Verweerder was dan ook bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang (zoals de sluiting van een woning).

Noodzaak

15. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet vervolgens worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde.

16. In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet3 is in algemene zin vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar dat moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Dit moet worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken4.

17.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een ernstig geval, alleen al omdat er meer dan 0,5 gram harddrugs in de woning en de schuur is aangetroffen.

17.2

Uit de bestuurlijke rapportage van 6 augustus 2019 volgt dat in de woning en de schuur van eisers een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen. De rechtbank vindt die hoeveelheid echter niet zodanig dat alleen daarom al sluiting van de woning gerechtvaardigd is5. Er moet dus meer zijn om de sluiting van de woning noodzakelijk te achten.

18.1

Verweerder heeft aangevoerd dat er ook verpakkingsmateriaal (ponypacks) en een grote hoeveelheid contant geld in de woning en schuur aanwezig waren. Volgens verweerder is hiermee aannemelijk dat er sprake was van handel vanuit de woning. Met de sluiting van de woning wordt de bekendheid van de woning als drugspand weggenomen en wordt de ‘loop’ naar de woning eruit gehaald, waardoor het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken.

18.2

De rechtbank overweegt dat uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat er geen overlastmeldingen ten aanzien van de woning zijn geweest in verband met het dealen van verdovende middelen. Ook is niet gebleken dat de woning in een veiligheidsrisicogebied ligt. Verder zijn er in de woning of in de schuur naast het verpakkingsmateriaal weinig drugsgerelateerde zaken aangetroffen, zoals bijvoorbeeld weegschaaltjes, een geldtelmachine of wapens. Verweerder geeft aan dat er wel veel ponypacks zijn gevonden, maar de rechtbank leidt uit de bestuurlijke rapportage af dat het daarbij gaat om de 49 met cocaïne gevulde ponypacks. Er blijkt niet (uit de rapportage) dat er lege ponypacks of ander verpakkingsmateriaal in de woning of de schuur zijn aangetroffen. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom het enkele aantreffen van de met cocaïne gevulde ponypacks maakt dat er een noodzaak bestaat om de woning te sluiten, als de hoeveelheid cocaïne (20,8 gram) op zichzelf niet voldoende is om de sluiting te rechtvaardigen en er verder geen sprake was van ‘loop’ naar de woning. Dat in de slaapkamer van de zoon een groot geldbedrag aangetroffen, waarvan de herkomst verder niet duidelijk is, in combinatie met de hoeveelheid cocaïne, is nog niet voldoende om de sluiting van de woning noodzakelijk te achten.

19. Daarbij komt dat uit het dossier naar voren komt dat de zoon van eisers op enig moment voor de hoorzitting in bezwaar naar Turkije is vertrokken en daar nog steeds verblijft. Dit vertrek kan naar het oordeel van de rechtbank van belang zijn bij de vraag of er een noodzaak bestond om de woning te sluiten. Verweerder heeft dit echter niet meegewogen. Verder is er tussen het aantreffen van de harddrugs en de sluiting een periode van bijna vier maanden verstreken. Een dergelijke periode wordt volgens vaste rechtspraak niet als onredelijk lang aangemerkt, gelet op de zorgvuldigheid die verweerder bij het nemen van een besluit tot sluiting van de woning in acht moet nemen. Dat neemt echter niet weg dat dit bij de beoordeling van de vraag of de sluiting van de woning (nog) noodzakelijk is, wel meegewogen moet worden, zeker wanneer, zoals in dit geval, onweersproken vaststaat dat er sinds het aantreffen van de harddrugs geen incidenten meer hebben plaatsgevonden en de zoon inmiddels naar Turkije is vertrokken. De enkele overweging van verweerder dat het tijdsverloop niet betekent dat het niet noodzakelijk meer is om de woning te sluiten, is, gelet op alle omstandigheden, dan onvoldoende.

20. Gelet op wat hiervoor is overwogen, plaatst de rechtbank vraagtekens bij de noodzaak van de sluiting. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat rondom de woning en het herstel van de openbare orde.

Evenredigheid en verwijtbaarheid

21. Als sluiting van de woning al noodzakelijk wordt geacht, neemt dit niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn. Daarbij kan ook aan de orde komen de vraag of eisers een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt.

22.1

Eisers voeren aan dat hen geen verwijt kan worden gemaakt. Zo waren er voor hen geen indicaties dat hun zoon de woning zou betrekken bij het plegen van strafbare feiten. Weliswaar is er een eerder incident geweest, maar naar aanleiding daarvan hebben eisers met hun zoon duidelijke afspraken gemaakt. Eisers wijzen er verder op dat alle aangetroffen ponypacks aan het zicht waren onttrokken.

22.2

In de bestuurlijke rapportage staat dat de zoon antecedenten heeft op het gebied van de Opiumwet. Dit betroffen overtredingen in 2013, 2015 en 2018. De zoon heeft op 10 januari 2020 schriftelijk verklaard dat eisers niet op de hoogte waren van de details van de overtreding in 2015. In 2018 is de woning van eisers doorzocht omdat de zoon was opgepakt met ponypacks op zak. In de woning is toen niets aangetroffen. Volgens de zoon heeft hij eisers toen moeten beloven dat hij niet meer in aanraking zou komen met de politie of met drugs en dat, als dat wel het geval zou zijn, hij het huis zou moeten verlaten.

22.3

De rechtbank stelt vast dat de zoon 25 jaar oud was op het moment van de doorzoeking van de woning op 17 juli 2019. Dit is een leeftijd waarbij voorstelbaar is dat ouders geen toezicht meer (kunnen) houden op hun (inwonende) kinderen. In dit geval ligt er echter ook een eerder incident van oktober 2018, waarbij de zoon in het bezit was van drugs. Dit was slechts negen maanden voordat de woning van eisers in juli 2019 door de politie is doorzocht en waarbij er dus op meerdere plekken ponypacks met cocaïne zijn aangetroffen. De rechtbank vindt dat eisers daarom in dit geval meer toezicht hadden moeten houden op hun inwonende zoon. De enkele waarschuwing dat de zoon de woning zou moeten verlaten als hij nogmaals in aanraking zou komen met de politie of met drugs, volstaat daarbij niet. Niet is gebleken dat eisers hun zoon scherper in de gaten hebben gehouden na dit vorige incident. De rechtbank vindt dat eisers onder deze omstandigheden wel enig verwijt kan worden gemaakt. Zij zijn als huurder van de woning verantwoordelijk voor wat er onder hun dak gebeurt.

23.1

Eisers stellen dat de woningsluiting grote gevolgen heeft gehad voor het gezin. Volgens hen heeft de eigenaar/verhuurder van de woning naar aanleiding van de sluiting de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden en zijn zij door de eigenaar/verhuurder op een zwarte lijst zijn geplaatst, waardoor zij voor langere tijd niet in aanmerking komen voor een sociale huurwoning in de regio. Daarnaast verblijft het gezin sinds de sluiting op verschillende adressen. Zo verblijven eiser en de zoon in Turkije, heeft eiseres geen vaste woon- of verblijfplaats en woont de (inmiddels) 17-jarige dochter bij haar oudste zus.

23.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de sluiting niet onevenredig is, omdat eisers verwijtbaar hebben gehandeld en er sprake is van een ernstige overtreding.

23.3

De rechtbank overweegt dat eisers in verband met onvoldoende toezicht wel enig verwijt kan worden gemaakt, maar zij ziet geen aanwijzingen dat eisers zelf op de hoogte waren van de aanwezigheid van de cocaïne in hun woning. Zij zijn zelf ook nooit als verdachten aangemerkt. Verder heeft verweerder de door eisers gestelde feitelijke gevolgen van de sluiting, zoals hiervoor omschreven in 23.1, niet weersproken. Daarnaast heeft verweerder de zaak aangemerkt als een ernstig geval, maar dat betwijfelt de rechtbank gelet op wat zij hiervoor onder het kopje ‘noodzaak’ heeft overwogen. De rechtbank vindt daarom dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de woningsluiting in dit geval niet onevenredig is.

Conclusie

24. Omdat het bestreden besluit ten aanzien van de noodzaak en de evenredigheid onvoldoende is gemotiveerd, ziet de rechtbank aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen.

25. De rechtbank ziet geen aanleiding om het geschil finaal te beslechten. Verweerder zal namelijk het door de rechtbank geconstateerde motiveringsgebrek moeten herstellen. Eventueel kan verweerder er daarbij voor kiezen om in plaats van een last onder bestuursdwang een waarschuwing op te leggen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dit geen efficiënte manier is om deze zaak af te doen, mede gelet op het eventueel instellen van hoger beroep tegen deze uitspraak door verweerder. Verweerder moet daarom een nieuw besluit op het bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.

Griffierecht en proceskosten

26. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.

27. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 748,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt daarom een bedrag van € 1.496,-.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 4 maart 2020;

- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, voorzitter, en mr. I. Bouter en mr. M.G.L. de Vette, leden, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2021.

De voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Dit staat in de uitspraak van 20 november 2019, in de zaak ROT 19/5788.

2 Bijvoorbeeld de uitspraak van 16 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1276.

3 Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8 en Kamerstukken II 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2.

4 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.

5 Zie in dit verband bijvoorbeeld ook de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019. In die zaak was aangetroffen: 48,5 pillen positief getest op MDMA, 1 ponypack met wit poeder positief getest op cocaïne, 1 pipetflesje met 1,3 gram vloeistof positief getest op MDMA, 1 zakje met 1,4 gram witte brokjes positief getest op MDMA en 1 capsule met 0,6 gram wit poeder positief getest op MDMA.