Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8860

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-09-2021
Datum publicatie
13-09-2021
Zaaknummer
9222605
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoekster heeft funderingsherstel laten uitvoeren en verzoekt nadien bijdrage VvE. VvE stemt daar niet mee in. Nietig dan wel vernietigbaar besluit. Verzoek om vervangende machtiging. Deskundigenonderzoek over noodzakelijkheid uitgevoerde werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9222605 \ VZ VERZ 21-8563

uitspraak: 9 september 2021

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats verzoekster],

verzoekster,

gemachtigde: mr. K. Kroon,

tegen

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

[verweerster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats verweerster],

verweerster,

gemachtigde: mr. L.I. Boes.

Partijen worden hierna aangeduid als “[verzoekster]” respectievelijk “[verweerster]”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennisgenomen:

  • -

    het op 12 mei 2020 op de griffie ontvangen verzoekschrift, met producties 1 tot en met 16;

  • -

    het verweerschrift, met producties 1 tot en met 4;

  • -

    de ten behoeve van de mondelinge behandeling door [verzoekster] in het geding gebrachte producties 17 tot en met 23.

1.2.

De mondelinge behandeling is gehouden op 17 augustus 2021. [verzoekster] is in persoon verschenen, vergezeld door [naam 1] (architect) en [naam 2] (ex-echtgenoot), en bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. Aan de zijde van [verweerster] is de gemachtigde voornoemd verschenen. Verder is [naam 3] (hierna: “[naam 3]”) verschenen, belanghebbende in deze procedure. Beide gemachtigden hebben het standpunt van hun respectieve cliënt toegelicht aan de hand van pleitnotities respectievelijk spreekaantekeningen, die aan het procesdossier zijn toegevoegd. Van hetgeen ter zitting verder is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van de beschikking bepaald op heden.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Het pand aan de [adres 1] (hierna: “het pand”) is gesplitst in twee appartementsrechten. [verzoekster] heeft het appartementsrecht dat recht geeft op het uitsluitend gebruik van het souterrain en de begane grond met tuin, plaatselijk bekend als [adres 2] (hierna: “de benedenwoning”). [naam 3] heeft het appartementsrecht dat recht geeft op het uitsluitend gebruik van de eerste, tweede en zolderverdieping, plaatselijk bekend als [adres 3] (hierna: “de bovenwoning”). Partijen zijn de enige leden van [verweerster].

2.2.

In de splitsingsakte van het pand in de onder 2.1 bedoelde twee appartementsrechten d.d. 10 maart 2000 (hierna: “de splitsingsakte”) zijn, voor zover van belang, de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 2

Lid 1

De appartementseigenaars zijn voor de volgende breukdelen in de gemeenschap gerechtigd:

a. index 1: voor twee/vijfde (2/5) gedeelte,

b. index 2: voor drie/vijfde (3/5) gedeelte.

Artikel 34

Lid 2

Het maximum aantal stemmen in de vergadering is gelijk aan de noemer van de breuken

welke weergeven ieders aandeel in de gemeenschap. Een appartementseigenaar heeft zoveel stemmen als wordt aangegeven door de teller van de breuk met de gemeenschappelijke noemer, welke weergeeft, zijn aandeel in de gemeenschap.”

2.3.

Op de splitsingsakte is het modelreglement 1992 (hierna: “het modelreglement”) van toepassing verklaard. Het modelreglement bevat, voor zover van belang, de volgende bepalingen:

“Artikel 2

1. Ieder der eigenaars is in de gemeenschap gerechtigd voor het nader in de akte (de splitsingsakte: opm kntr) te bepalen breukdeel.

(…)

3. De eigenaars zijn voor de in het eerste lid bedoelde breukdelen verplicht bij te dragen in de schulden en kosten, die voor rekening van de gezamenlijke eigenaars zijn. (…)

Artikel 3

Tot de schulden en kosten als bedoeld in artikel 5:112 eerste lid onder a van het Burgerlijk Wetboek worden gerekend:

a. die welke gemaakt zijn in verband met het onderhoud of het gebruik van de gemeenschappelijke gedeelten of van de gemeenschappelijke zaken of tot het behoud daarvan;

b. die welke verband houden met noodzakelijke herstellingswerkzaamheden en vernieuwingen van de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken, voor zover die ingevolge het reglement of een rechterlijke beslissing als bedoeld in artikel 5:121 van het Burgerlijk Wetboek niet ten laste komen van bepaalde eigenaars, en voor zover die niet vallen onder a;

(…)

Artikel 9

1. Tot de gemeenschappelijke gedeelten en gemeenschappelijke zaken worden onder meer gerekend, voor zover aanwezig:

a. de funderingen, de dragende muren en de kolommen, het geraamte van het gebouw met de ondergrond, het ruwe metselwerk, alsmede de vloeren met uitzondering van de afwerklagen in de privé gedeelten, de buitengevels, waaronder begrepen de raamkozijnen met glas, de deuren welke zich in de buitengevel bevinden of de scheiding vormen tussen het gemeenschappelijk en het privégedeelte, de balkonconstructies, de borstweringen, de galerijen, de terrassen en de gangen, de daken, de schoorstenen en de ventilatiekanalen, de trappenhuizen en de hellingbanen, het hek- en traliewerk voor zover het geen privé tuinafscheidingen betreft, alsmede het (standaard)hang- en sluitwerk aan kozijnen welke aan de buitengevel van het gebouw zitten;”

2.4.

Op 28 januari 2020 heeft [naam 4], inspecteur bij de gemeente Rotterdam, voor zover van belang, het volgende geschreven aan de constructeur van [verzoekster]:

“Hierbij stuur ik u het enige ons bekende funderingsrapport. Dat rapport dateert uit 1985 en is opgesteld met de toenmalige stadsvernieuwing. Er is destijds bij de panden [pand 1]/[pand 2] een funderingsinspectieput gegraven en de resultaten zijn hieronder vermeld.

Locatie : [adres 4]/[adres 5], voorgevel

Funderingswijze : houten palen

Grondwaterniveau : 1,72m- N.A.P.

Bovenkant Funderingshout : 2,22 m- N.A.P.

Conditie funderingshout : goed

Over de huidige grondwaterstanden kunnen wij geen uitspraken doen. Er zijn geen representatieve peilbuizen in de directe omgeving. (…) In het rapport wordt de fundering van de panden als goed beoordeeld. Hierbij moet worden opgemerkt dat de criteria destijds beduidend minder streng waren dan nu én de panden inmiddels 35 jaar ouder zijn.

Funderingen van destijds werden empirisch ontworpen. Er bestonden geen mogelijkheden voldoende goed grondonderzoek te doen. De ervaring heeft geleerd dat funderingen onder woningen eigenlijk nooit over voldoende reservedraagvermogen beschikken en in min of meerdere mate zakken. De zogenoemde negatieve kleef is hier de oorzaak van en zolang wegen zakken zullen ook funderingen (in mindere mate) mee zakken. De maaiveldzetting in dit gebied is 4 tot 6 mm/jaar.

De beide belendende panden [adres 6] en [adres 7] zijn mede naar aanleiding van dit funderingsrapport in 1986/1987 gerenoveerd. Uitgangspunt destijds was dat bij verbouwingen geen herverdeling van belasting op de fundering mocht optreden en/of belastingneutraal dienden te zijn. De vraag of het realiseren van een kelderbak belastingneutraal kan worden uitgevoerd is niet eenvoudig te beantwoorden. Daarbij komt de onzekerheid over de huidige kwaliteit van de fundering. Herstel is dus geadviseerd.

Omdat het aanbrengen van een kelderbak een constructieve ingreep is, wordt een omgevingsvergunning gevraagd.”

2.5.

Op 27 april 2020 heeft (de architect van) [verzoekster] een vergunningsaanvraag onder de aanvraagnaam [aanvraagnaam] ingediend bij de gemeente Rotterdam voor de benedenwoning met de volgende projectomschrijving:

“De bestaande kelder wordt verdiept om deze bewoonbaar te maken Hierbij wordt gelijk het pand voorbereid op funderingsherstel en de woning gerenoveerd.”

2.6.

Op 10 juni 2020 heeft [naam 5], adviseur bouwconstructies bij de gemeente Rotterdam, het volgende geschreven aan de constructeur van [verzoekster]:

“Dit pand kent geen (zichtbare) schade veroorzaakt door funderingsproblemen. Deze constatering zou ook met de gemeente gedeeld zijn. (…) Als er zich funderingsproblemen voor gaan doen kan het pand later op de kelder gaan rusten middels de later aan te brengen nokken.”

2.7.

De gemeente Rotterdam heeft bij besluit van 10 juli 2020 de door [verzoekster] aangevraagde vergunning verleend.

2.8.

In oktober 2020 is [naam 3] op de hoogte geraakt van de verbouwing van het souterrain.

2.9.

Op 12 april 2021 heeft een vergadering van [verweerster] plaatsgevonden. Op de agenda stond voor zover thans van belang:

2. Werkzaamheden Kelder [adres 2]

• Vaststellen wat de werkzaamheden zijn geweest;

• Revisie tekeningen & foto rapportage

• Voortkomende kosten voor [verweerster] als gevolg van de verbouwing/uitbreiding;

• Aanpassing op herbouwwaarde maken voor de opstalverzekering.

• Taxatie/onderbouwing van kosten

• Stemming over goedkeuring van werkzaamheden + eventuele voorwaarden

• Voor [#stemmen ] Tegen [#stemmen ]

• Aangenomen ja/nee”

2.10.

[verweerster] heeft tijdens de vergadering van 12 april 2021 met drie van de vijf stemmen het voorstel van [naam 3] om de verbouwing van de kelder goed te keuren, onder voorwaarde dat de kosten niet voor rekening van [verweerster] komen, aangenomen. Dit besluit zal hierna worden aangeduid als “het besluit”.

3. Het verzoek

3.1.

[verzoekster] heeft de kantonrechter verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair te verklaren voor recht dat het besluit, om kortgezegd te bepalen dat het uitgevoerde funderingsherstel, aanbrengen van een nieuwe kelderbak en vloerbalken op de begane grond, zoals weergegeven in het overzicht dat is overgelegd als productie 10, in strijd met de wet en Splitsingsakte is genomen en dit besluit nietig te verklaren, althans subsidiair dit besluit te vernietigen;

II. [verzoekster] een vervangende machtiging te verlenen om de in sub I

omschreven werkzaamheden uit te voeren op kosten van [verweerster] en daarbij te bepalen dat iedere eigenaar aan deze werkzaamheden dient mee te betalen naar rato van zijn of haar breukdeel, althans een door de rechtbank (bedoeld zal zijn de kantonrechter: opm kntr) in goede justitie te bepalen deel;

III. [verzoekster] een vervangende machtiging te verlenen om een contra expertise te laten opstellen door de verzekeraar, alsmede om een vervangende machtiging te verlenen voor het herstellen van de waterschade op kosten van [naam 3] conform het overzicht (rapport Achmea) dat is overgelegd als productie 15;

IV. een dusdanige maatregel te treffen die de kantonrechter in het onderhavige geval geraden acht;

V. [naam 3] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] haar verzoek onder III ingetrokken.

3.3.

Aan haar verzoeken heeft [verzoekster] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd.

3.3.1.

Vaststaat dat de fundering, kelderbak en de vloerbalken onderdeel uitmaken van de constructie van het pand. Op grond van artikel 9 van het modelreglement kwalificeren deze zaken als gemeenschappelijk. Het uitgangspunt is dat ieder lid van [verweerster] conform zijn of haar breukdeel meebetaalt aan de hiermee gemoeide renovatie-, onderhouds- en vernieuwingskosten. Het besluit is nietig, omdat dit inhoudt dat [naam 3] niet meebetaalt aan de werkzaamheden ten behoeve van deze gemeenschappelijke zaken. Dat is in strijd met de onderhoudsverplichting zoals vastgelegd in de splitsingsakte.

3.3.2.

Subsidiair is het besluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Samengevat komt dat door de volgende omstandigheden. Het was noodzakelijk om de lekkages in het souterrain te verhelpen en de meest kosten efficiënte manier was het vervangen van de kelderbak. De fundering en de vloerbalken verkeerden in een slechte staat van onderhoud, zodat vervanging noodzakelijk is geweest. Verhuiskosten en kosten van vervangende huisvesting zijn [verweerster] bespaard gebleven, omdat de funderingswerkzaamheden konden worden gecombineerd met de rest van de verbouwing aan de benedenwoning. [naam 3] profiteert van de nieuwe fundering door middel van een substantiële waardevermeerdering van de bovenwoning.

3.3.3.

[naam 3] onthoudt zijn goedkeuring zonder redelijke grond. Het is noodzakelijk geweest om de fundering, kelderbak en de vloerbalken te vervangen. De uitgevoerde werkzaamheden zijn met kosten gepaard gegaan, zoals neergelegd in het kostenoverzicht dat is overgelegd als productie 10. Primair dienen de kosten naar rato van het breukdeel voor rekening van de eigenaren te komen. Dat betekent dat de bijdrage van [naam 3] vastgesteld moet worden op 3/5e van € 92.714,34, te weten € 55.628,60. Subsidiair verzoekt [verzoekster] om een redelijke bijdrage van [naam 3] vast te stellen.

4. Het verweer

4.1.

[verweerster] heeft de kantonrechter verzocht om alle verzoeken van [verzoekster] af te wijzen en [verzoekster] te veroordelen in de kosten van deze procedure, het salaris van de gemachtigde van [verweerster] daarin begrepen. [verweerster] heeft daartoe – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aangevoerd.

4.2.

Het besluit is nietig noch vernietigbaar, zodat het besluit in stand kan blijven. In het verlengde daarvan bestaan er geen gronden om aan [verzoekster] een vervangende machtiging te verlenen om de werkzaamheden uit te voeren op kosten van [verweerster] en daarbij te bepalen dat iedere eigenaar naar rato van zijn breukdeel dient mee te betalen. Er bestond geen noodzaak om binnen afzienbare termijn funderingsherstel te plegen. [verzoekster] heeft ook niet aangetoond wat de aard en ernst van de lekkages in de kelder waren en dat de enige manier om die te verhelpen het verdiept aanbrengen van een kelderbak was. De enige reden waarom de fundering hersteld moest worden, was omdat [verzoekster] een kelderbak wenste te plaatsen. Ook heeft [verzoekster] niet aangetoond dat de vloerbalken in een slechte staat verkeerden. Omdat [verzoekster] op voorhand geen overleg heeft gevoerd binnen [verweerster], kan [verweerster] op geen enkele manier controleren of de werkzaamheden zoals die zijn uitgevoerd proportioneel en noodzakelijk waren en of de gemaakte kosten redelijk zijn. Dat [verzoekster] niet vooraf goedkeuring van [verweerster] heeft gevraagd, komt voor haar rekening en risico. Het is voorts in strijd met de redelijkheid en billijkheid indien [verweerster] zou moten bijdragen aan de door [verzoekster] uitgevoerde verbouwing. Het is [verzoekster] die waardevermeerdering geniet van de verbouwing omdat de benedenwoning substantieel is vergroot en zij daar twee studio’s heeft kunnen realiseren. [naam 3] profiteert hier niet of nauwelijks van.

5. De beoordeling

5.1.

De kantonrechter stelt voorop dat het verzoekschrift is ingekomen op de griffie op
12 mei 2021. Aangezien de vergadering waarop het onderhavige besluit is genomen, heeft plaatsgevonden op 12 april 2021, is het verzoek tot vernietiging tijdig gedaan, namelijk binnen een maand, zoals vereist op grond van artikel 5:130 lid 2 BW.

5.2.

Ten aanzien van de bevoegdheid van de kantonrechter om deze zaak te behandelen is ook het volgende van belang. Als een besluit van [verweerster] strijdig is met de splitsingsakte, leidt dat op grond van artikel 2:14 jo 5:129 lid 1 BW tot nietigheid van dat besluit. Een vordering tot verklaring voor recht dat een besluit nietig is, dient in beginsel (in een procedure ingeleid door een dagvaarding) te worden voorgelegd aan de rechtbank. Als een besluit van [verweerster] strijdig is met de redelijkheid en billijkheid, is dat besluit vernietigbaar, op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b jo. artikel 5:124 lid 2 BW. Vernietiging van een besluit wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid dient (bij verzoekschrift) te worden voorgelegd aan de kantonrechter, op grond van artikel 5:130 lid 1 BW.

5.3.

[verzoekster] stelt zich op het standpunt dat het onderhavige besluit zowel strijdig is met de splitsingsakte (dus leidend tot nietigheid) als met de redelijkheid en billijkheid (dus leidend tot vernietigbaarheid). In lijn met de jurisprudentie oordeelt de kantonrechter dat in een dergelijk geval de procedure niet hoeft te worden gesplitst in twee afzonderlijke procedures, bij de rechtbank en de kantonrechter, maar dat deze beide gezamenlijk kunnen worden behandeld door de kantonrechter (ECLI:NL:HR:2020:1275, r.o. 3.2.3.). Op grond van het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat zij bevoegd is om deze zaak te behandelen en te beslissen.

5.4.

De kantonrechter overweegt voorts dat een verzoek om een vervangende machtiging te verlenen ook achteraf, dus na het uitvoeren van de “handeling”, kan worden gedaan. Dat blijkt uit de wetgeschiedenis van artikel 5:121 BW (Parlementaire Geschiedenis van het Nieuw Burgerlijk Wetboek, Boek 5, Zakelijke rechten, MvA II blz. 399). Dat laat naar het oordeel van de kantonrechter echter onverlet dat eventuele nadelige gevolgen van het pas achteraf indienen van het verzoek, zoals de onmogelijkheid om de noodzaak van bepaalde werkzaamheden of de redelijke kosten daarvan nog vast te stellen, in beginsel voor rekening en risico van [verzoekster] komen.

5.5.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen verklaard dat het besluit (nog) niet op schrift is gesteld. Partijen hebben tevens aangegeven dat niet in geschil is dat het besluit inhoudt dat [verweerster] heeft ingestemd met de verbouwing zoals die heeft plaatsgevonden aan het souterrain en de fundering, op voorwaarde dat [verweerster] niet de kosten van die verbouwing draagt.

5.6.

Partijen zijn het met elkaar eens dat de kosten die betrekking hebben op het uitdiepen van de kelder, opdat [verzoekster] twee studio’s kon realiseren, niet voor rekening van [verweerster] komen. De kern van het geschil vormt de vraag of de overige werkzaamheden die [verzoekster] heeft laten uitvoeren noodzakelijk waren voor de gemeenschappelijke gedeelten van het pand en of de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn. Voor het antwoord op de vraag of het besluit nietig dan wel vernietigbaar is en of [verweerster] zonder redelijke grond haar goedkeuring heeft onthouden om de door [verzoekster] gemaakte kosten van funderingsherstel, het aanbrengen van de kelderbak en nieuwe vloerbalken voor rekening van [verweerster] te laten komen, acht de kantonrechter het antwoord op die twee vragen dan ook van doorslaggevend belang. [verzoekster] heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitgevoerde werkzaamheden noodzakelijk waren en onder meer verwezen naar hetgeen [naam 4] hierover heeft geschreven (zoals hiervoor onder 2.4 weergegeven) en haar architect, [naam 1], hierover aan haar heeft verklaard. [verweerster] heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitgevoerde werkzaamheden niet noodzakelijk waren en onder meer verwezen naar hetgeen [naam 6], werkzaam bij [naam bedrijf], hierover aan haar heeft verklaard en de e-mail van [naam 5] (zoals hiervoor onder 2.6 weergegeven)

5.7.

Gelet op hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd en de gemotiveerde betwisting daarvan door [verweerster], kan naar het oordeel van de kantonrechter niet als vaststaand worden aangenomen dat de uitgevoerde werkzaamheden aan de fundering, de kelderbak en de vloerbalken noodzakelijk waren voor de gemeenschappelijke gedeeltes van het pand. Daarbij komt dat [verweerster] gemotiveerd heeft betwist dat de kosten die [verzoekster] ter zake heeft gemaakt, redelijk zijn. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op [verzoekster] de bewijslast van haar stellingen. [verzoekster] wordt daarom toegelaten tot het leveren van bewijs waaruit volgt dat (i) het door haar uitgevoerde funderingsherstel, het aanbrengen van een nieuwe kelderbak en het plaatsen van nieuwe vloerbalken op de begane grond noodzakelijk waren voor de gemeenschappelijke gedeeltes van het pand en (ii) de kosten die zij ter zake heeft gemaakt, zoals weergegeven in het overzicht, overgelegd als productie 10 bij het verzoekschrift, redelijk zijn. Zoals met partijen ook tijdens de mondelinge behandeling is besproken, acht de kantonrechter het noodzakelijk dat een onpartijdige deskundige hierover een oordeel zal geven. Partijen hebben er mee ingestemd dat kan worden volstaan met één deskundige.

5.8.

[verweerster] heeft ter zitting nog aangevoerd dat een deskundigenbericht achterwege kan blijven, aangezien de gemeente reeds een oordeel heeft gegeven over de noodzakelijkheid van het funderingsherstel. Daarbij heeft zij gewezen op hetgeen [naam 5] hierover heeft geschreven, zoals hiervoor onder 2.6 weergegeven. De kantonrechter gaat hieraan echter voorbij, aangezien uit deze (summiere) opmerking het antwoord op de twee vragen, zoals hiervoor onder 5.7 geformuleerd, niet kan worden afgeleid. Bovendien is onduidelijk op basis van welke stukken [naam 5] deze opmerking heeft gemaakt, zodat daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat geen sprake was van een noodzaak om tot funderingsherstel over te gaan.

5.9.

Aangezien partijen op de mondelinge behandeling geen overeenstemming konden bereiken over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan deze voor te leggen vragen, stelt de kantonrechter allereest [verzoekster] in de gelegenheid om zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan deze voor te leggen vragen. Daarna zal [verweerster] in de gelegenheid worden gesteld om zich daarover uit te laten. De kantonrechter merkt daarbij op dat het (nog steeds) de voorkeur verdient dat partijen over een en ander overleggen en indien mogelijk alsnog eensluidend de kantonrechter berichten over de persoon van de te benoemen deskundige en de te stellen vragen.

5.10.

De deskundige zal vervolgens bij beschikking worden benoemd. De kantonrechter is daarbij voornemens om te bepalen dat [verzoekster] – op wie overeenkomstig artikel 150 Rv de bewijslast van haar stellingen rust – in afwachting van de eindbeslissing het voorschot van de deskundige dient te betalen.

5.11.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6. De beslissing

De kantonrechter,

beveelt een deskundigenonderzoek ter beantwoording van de vraag dat:

  1. het door [verzoekster] uitgevoerde funderingsherstel, het aanbrengen van een nieuwe kelderbak en het plaatsen van nieuwe vloerbalken op de begane grond noodzakelijk waren voor de gemeenschappelijke gedeeltes van het pand; en

  2. de kosten die zij ter zake heeft gemaakt, zoals weergegeven in het overzicht overgelegd als productie 10 bij het verzoekschrift, redelijk zijn.

bepaalt dat [verzoekster] zich uiterlijk woensdag 6 oktober 2021 schriftelijk dient uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de vragen die zij aan de deskundige wenst voor te leggen;

bepaalt dat [verweerster] nadien in de gelegenheid wordt gesteld om vervolgens binnen een termijn van vier weken schriftelijk op [verzoekster] te reageren, aldus uiterlijk op woensdag 3 november 2021;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

49039