Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8859

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-09-2021
Datum publicatie
13-09-2021
Zaaknummer
8915247
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen ex-partners. Is er sprake van een (onder)huurovereenkomst of een bruikleenovereenkomst? Meerdere geldleningen gezamenlijk aangegaan. Onderlinge draagplicht, hoofdelijke aansprakelijkheid, redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8915247 \ CV EXPL 20-44469

uitspraak: 10 september 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam op de voet van artikel 96 Rv,

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. W.J.G. Schröder,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

gemachtigde: [naam].

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres] ” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennisgenomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 30 november 2020, met producties 1 en 2;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 23;

  • -

    het tussenvonnis van 8 februari 2021, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 3 en 4;

  • -

    de akte van [gedaagde] , met producties 24 tot en met 29;

  • -

    de akte van [eiseres] , met productie 5;

  • -

    de akte tevens houdende vermindering van eis in reconventie van [gedaagde] .

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 april 2021. [eiseres] is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. [gedaagde] is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door mr. B. Bink, namens de gemachtigde voornoemd. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen verklaard dat zij op grond van het bepaalde in artikel 96 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de beslissing van de kantonrechter inroepen. Partijen hebben zich beiden het recht op hoger beroep voorbehouden. De kantonrechter heeft vervolgens bepaald dat het geding op de voet van artikel 96 Rv wordt voortgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Tussen [naam bedrijf 1] (hierna: “ [naam bedrijf 1] ”) als verhuurder en [gedaagde] en [eiseres] als huurders is met ingang van 15 januari 2018 een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de bedrijfsruimte aan de [adres 1] (hierna: “de bedrijfsruimte”).

2.2.

In de allonge bij voornoemde huurovereenkomst is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“- Dat verhuurder een achtergestelde investeringspremie aan huurder verstrekt van
€ 25.000,00 euro (zegge vijfentwintigduizendeuro)”

2.3.

In de overeenkomst van geldlening van 25 januari 2018 tussen [naam bedrijf 2] (hierna: “ [naam bedrijf 2] ”) als uitlener en [gedaagde] en [eiseres] als leners is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

Artikel 1

Hoofdsom

De uitlener stelt aan de leners gezamenlijk ter beschikking een bedrag van € 50.000,00 (zegge vijftigduizend Euro), hierna te noemen de “hoofdsom”.

(…)

Artikel 13

Hoofdelijkheid

Leners verbinden zich jegens uitlener hoofdelijk om hun verbintenissen uit hoofde van deze geldleenovereenkomst na te komen.”

2.4.

[gedaagde] exploiteerde een patatzaak in de bedrijfsruimte en [eiseres] een tatoeageshop.

2.5.

Tussen Stichting Havensteder als verhuurder en [eiseres] als huurder is met ingang van 1 mei 2020 een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de bedrijfsruimte en bovenliggende dienstwoning (hierna: “de dienstwoning”) gelegen aan de [adres 2] .

2.6.

[gedaagde] heeft zich per 1 mei 2020 ingeschreven op het adres van de dienstwoning.

2.7.

[eiseres] en [gedaagde] hebben tot medio mei 2020 een affectieve relatie gehad.

2.8.

[eiseres] heeft haar tatoeageshop verplaatst naar de bedrijfsruimte van de [adres 2] , waarna [gedaagde] een ijssalon heeft geopend in het gedeelte van de bedrijfsruimte waarin [eiseres] voorheen haar tatoeageshop exploiteerde.

2.9.

Op 18 augustus 2020 heeft [eiseres] per Whatsapp een screenshot van een notitie gestuurd. Die notitie luidt als volgt:

“Ontvangen van [gedaagde] :

- Huishouden: 9795

- Lening: 10.000

- Diversen: 2000 (is overgemaakt, wat je cash hebt gekocht voor me weet ik niet)

- Huurdersbelang, niet perse mee eens, maar ok: 3750

Totaal ontvangen: 25.545

Niet betaalde huur: 13.000 -1 maand lening 1000= 12.000

25.545 + 12000= 37545

Uitgaven

- Huishouden, maandelijks 223 - 320

belastingteruggave= 1913.

- 33 x 1913 = 63.129

- 4 x huur [adres 2] 500 = 2000

- Laten we zeggen dat van de 1913 jouw deel

900 is.

- Dan 33 maanden x 900= 29.700

Verschil: 37.545 - 29.700 = 7845”

2.10.

Bij e-mail van 26 oktober 2020 heeft de gemachtigde van [eiseres] , voor zover van belang, het volgende geschreven aan de gemachtigde van [gedaagde] :

“Uw cliënt dient gewoon te vertrekken uit de bovenwoning, en dat zeker na het incident dat zich recent in de zaak van cliënte heeft voorgedaan. Coulancehalve geeft cliënte uw cliënt nog de tijd tot uiterlijk 31 december 2020 om uit te zien naar andere woonruimte, maar uiterlijk op die dag dient uw cliënt de woning leeg, en onder afgifte van de sleutels aan cliënte over te dragen.”

2.11.

[gedaagde] heeft de dienstwoning niet verlaten.

2.12.

[gedaagde] heeft gedurende onderhavige procedure zijn patatzaak en ijssalon verkocht.

3. Het geschil in conventie

de vordering in conventie

3.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. [gedaagde] te veroordelen om de dienstwoning binnen twee weken na de betekening van het vonnis te ontruimen en te verlaten en de dienstwoning onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eiseres] te stellen;

B. de machtiging van [eiseres] om, indien [gedaagde] niet aan de veroordeling onder A voldoet, de ontruiming te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

C. de veroordeling van [gedaagde] in de kosten indien de ontruiming wordt uitgevoerd op de onder B genoemde wijze;

D. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, het salaris van de gemachtigde van [eiseres] daaronder begrepen.

3.2.

Aan haar vordering heeft [eiseres] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd. [eiseres] is huurster van de dienstwoning en heeft de dienstwoning tijdelijk ter beschikking gesteld aan [gedaagde] . Er is sprake van een duurovereenkomst (van bruikleen) voor onbepaalde tijd. Een dergelijke duurovereenkomst kan te allen tijde worden opgezegd, met inachtneming van een redelijke opzegtermijn. [eiseres] heeft de overeenkomst bij e-mail van 26 oktober 2020 opgezegd per 31 december 2020, waardoor [gedaagde] na 31 december 2020 zonder recht of titel in de dienstwoning verblijft.

het verweer in conventie

3.3.

[gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. Daartoe heeft hij, zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang, het volgende aangevoerd. Er is sprake van een onderhuurovereenkomst met betrekking tot de dienstwoning tussen [eiseres] als onderverhuurder en [gedaagde] als onderhuurder, met toestemming van Stichting Havensteder. [eiseres] heeft de dienstwoning direct na de oplevering ter beschikking gesteld aan [gedaagde] . Ten behoeve van de bewoning van de dienstwoning door [gedaagde] hebben partijen een huurprijs afgesproken van € 500,00 per maand. De huurpenningen zijn verrekend met de schuld die [eiseres] bij [gedaagde] heeft opgebouwd, bestaande uit de huurachterstand met betrekking tot de bedrijfsruimte.

4. Het geschil in reconventie

de vordering in reconventie

4.1.

Hoewel [eiser] zijn petitum niet met zoveel woorden heeft gewijzigd, verstaat de kantonrechter dat [eiser] , na wijziging van eis zoals vermeld in punt 22 van zijn laatste akte, heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. veroordeling van [verweerster] tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting van € 80.486,30, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf de datum der verval, dan wel de datum der dagvaarding;

  2. een verklaring voor recht dat er tussen partijen sprake is van een (onder)huurovereenkomst en dat [eiser] hierdoor huurbescherming geniet;

  3. een verklaring voor recht dat [verweerster] binnen tien dagen na het wijzen van het vonnis zorg dient te dragen voor het volledige woongenot van [eiser] ten aanzien van de dienstwoning, onder verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag met een maximum van € 1.000,00 per maand;

  4. veroordeling van [verweerster] in de kosten van het geding, waaronder het salaris van de gemachtigde van [eiser] in conventie en reconventie, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf tien dagen na dagtekening van het vonnis;

  5. veroordeling van [verweerster] tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting van de buitengerechtelijke kosten ad € 1.677,36 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de datum der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

4.2.

Aan zijn vordering heeft [eiser] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd.

4.2.1.

[eiser] heeft de volledige huur van de bedrijfsruimte aan [naam bedrijf 1] betaald, terwijl partijen waren overeengekomen dat [verweerster] € 1.000,00 per maand zou bijdragen aan de huurpenningen. [verweerster] heeft daarom een huurachterstand ten opzichte van [eiser] laten ontstaan van € 36.000,00, berekend tot en met januari 2021. De huur met betrekking tot de dienstwoning dient daarvan te worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 28.500,00 resteert. [verweerster] is dit bedrag aan [eiser] verschuldigd op grond van artikel 6:12 BW.

4.2.2.

[eiser] heeft een persoonlijke lening verstrekt aan [verweerster] ter hoogte van € 10.000,00 ten behoeve van de inrichting van haar tattooshop. [verweerster] heeft € 1.000,00 van deze lening afgelost, zodat [eiser] betaling van het resterende bedrag van € 9.000.00 vordert.

4.2.3.

Partijen zijn gezamenlijk een lening ter hoogte van € 25.000,00 (exclusief rente) aangegaan bij [naam bedrijf 1] . De lening is grotendeels gebruikt voor de voldoening van de borg, het huurdersbelang en de eerste maanden huur voor de bedrijfsruimte. [verweerster] dient 50% van de lening te dragen, omdat partijen door gezamenlijk te ondertekenen op grond van artikel 6:6 BW hoofdelijk verbonden en aansprakelijk zijn. [eiser] vordert een bedrag van € 12.500,00 (exclusief rente).

4.2.4.

Partijen zijn daarnaast een geldleningsovereenkomst aangegaan met [naam bedrijf 2] ter hoogte van € 50.000,00 exclusief rente (zijnde € 60.972,60 inclusief rente). Deze lening was bedoeld om de verbouwing van de bedrijfsruimte te bekostigen. Partijen zijn hoofdelijk verbonden en aansprakelijk. [eiser] heeft tot nu toe alle verschuldigde bedragen afgelost. [eiser] vordert op grond van artikel 6:12 BW een bedrag van € 30.486,15 (inclusief rente) van [verweerster] .

het verweer in reconventie

4.3.

[verweerster] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Daartoe heeft zij, zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang, het volgende aangevoerd.

4.3.1.

[verweerster] heeft aan haar deel van de verplichtingen uit de huurovereenkomst jegens [eiser] voldaan. Partijen waren overeengekomen dat [verweerster] het eerste jaar niet hoefde bij te dragen aan de huur, omdat [eiser] niet bijdroeg in de kosten van de gezamenlijke huishouding. [verweerster] heeft van februari 2019 tot en met januari 2020 wel haar aandeel in de huur betaald, zijnde € 1.000,00 per maand. Over de maand februari 2020 hoefde geen huur betaald te worden blijkens de allonge. Met [eiser] is afgesproken dat [verweerster] de huur van maart en april 2020 niet hoefde te betalen vanwege de coronamaatregelen. Vanaf 1 mei 2020 had [eiser] de gehele bedrijfsruimte tot zijn beschikking. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid valt niet in zien dat [verweerster] desondanks jegens [eiser] gehouden is een deel van de huurpenningen te voldoen.

4.3.2.

[verweerster] betwist dat [eiser] een lening aan haar heeft verstrekt.

4.3.3.

Ten aanzien van de gezamenlijke geldleningen acht [verweerster] het van belang dat het grootste gedeelte hiervan is aangewend voor investeringen in de patatzaak van [eiser] . Dat doet niet af aan de hoofdelijke aansprakelijkheid, maar wel aan de onderlinge draagplicht. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is het onaanvaardbaar dat [verweerster] moet bijdragen aan investeringen in de patatzaak van [eiser] . [verweerster] erkent dat een bedrag van € 10.000,00 van de gezamenlijke geldleningen is geïnvesteerd in haar tatoeageshop.

5. De beoordeling

5.1.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van het bezwaar van [eiseres] tegen de laatst genomen akte van [gedaagde] . Gesteld noch gebleken is echter dat [eiseres] daardoor in haar verdediging is geschaad, zodat de kantonrechter voornoemde akte van [gedaagde] in haar beoordeling zal betrekken.

in conventie

5.2.

De vraag die in conventie ter beoordeling voorligt, is of tussen partijen met betrekking tot de dienstwoning sprake is (geweest) van een bruikleenovereenkomst of een onderhuurovereenkomst. Het kenmerkende verschil tussen een bruikleenovereenkomst en een (onder)huurovereenkomst is gelegen in het al dan niet verlangen en verschuldigd zijn van een tegenprestatie in ruil voor het gebruik van – in dit geval – de dienstwoning. Gaat het bij een bruikleenovereenkomst om het in gebruik geven om niet, bij een (onder)huurovereenkomst dient sprake te zijn van een voldoende vastomlijnde tegenprestatie (zie artikelen 7:201 lid 1 en 7A:1777 BW). Doorslaggevend is aldus of partijen, zoals [gedaagde] heeft gesteld, een huurprijs ad € 500,00 zijn overeengekomen voor de bewoning van de dienstwoning door [gedaagde] . Op [gedaagde] , die zich tegenover [eiseres] beroept op een recht om de woning te gebruiken, te weten een onderhuurrecht, rust de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de feiten waaruit dat recht volgt (vgl. Hof Den Haag 30 juni 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1164).

5.3.

De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] , gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiseres] , onvoldoende heeft onderbouwd dat partijen een huurprijs van € 500,00 zijn overeengekomen. [gedaagde] heeft slechts verwezen naar de notitie van [eiseres] van
19 augustus 2020, zoals hiervoor onder 2.9 geciteerd. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat zij deze notitie slechts heeft opgesteld nadat [gedaagde] “allerlei financiële eisen begon te stellen”. Naar het oordeel van de kantonrechter kan uit de stellingen van [gedaagde] geen aanbod en aanvaarding van een huurprijs van € 500,00 per maand voor het bewonen van de dienstwoning worden afgeleid. Aangezien [gedaagde] geen bewijsaanbod heeft gedaan, wordt niet aan nadere bewijslevering omtrent dit punt toegekomen. Een tegenprestatie voor het bewonen van de dienstwoning, zoals vereist in artikel 7:201 lid 1 BW, is daarmee niet komen vast te staan.

5.4.

De conclusie van het voorgaande is dat er geen onderhuurovereenkomst tussen partijen bestaat, maar er sprake is (geweest) van een bruikleenovereenkomst. [eiseres] heeft gesteld dat zij de bruikleenovereenkomst per 31 december 2020 rechtsgeldig heeft opgezegd. De vraag of en onder welke omstandigheden een bruikleenovereenkomst mag worden opgezegd moet beantwoord worden aan de hand van de redelijkheid en de billijkheid. In verband met de omstandigheden van het geval kan dit met zich brengen dat voor die opzegging een zwaarwegende grond is vereist of dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen (zie o.a. HR 15 april 1966, ECLI:NL:HR:1966:AC4079 en HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013: BZ4163). [gedaagde] heeft geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de opzegging van de bruikleenovereenkomst per 31 december 2020 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het staat daarom vast dat [eiseres] de bruikleenovereenkomst heeft beëindigd per
31 december 2020 en [gedaagde] thans zonder recht of titel in de dienstwoning verblijft. De vordering tot ontruiming van de dienstwoning zal dan ook worden toegewezen. Ook een huurder, zoals [eiseres] , kan zich immers jegens een derde, zoals [gedaagde] , beroepen op een uitsluitend gebruiksrecht (vgl. Hof Den Haag 30 juni 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1164).

5.5.

De gevorderde machtiging om de ontruiming te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie, met veroordeling van [gedaagde] in de ontruimingskosten, zal worden afgewezen. Immers op grond van de artikelen 556 lid 1 en 557 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de deurwaarder, zonder rechterlijke tussenkomst, bevoegd de hulp van de sterke arm van politie in te roepen, waarbij de kosten van de ontruiming ingevolge het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders voor rekening van [gedaagde] komen.

5.6.

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie veroordeeld.

in reconventie

5.7.

De door [eiser] in reconventie gevorderde hoofdsom bestaat uit vier afzonderlijke vorderingen, welke de kantonrechter hierna separaat zal beoordelen.

Openstaande en onbetaalde huur bedrijfsruimte tot en met januari 2021

5.7.1.

In zijn laatste akte heeft [eiser] gesteld dat de achterstallige huur in zijn geheel is voldaan door middel van een betalingsregeling met [naam bedrijf 1] . [verweerster] is nog niet in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. De kantonrechter zal [verweerster] , alvorens dit onderdeel van de vordering te beoordelen, allereerst in de gelegenheid stellen om zich hierover bij akte uit te laten.

Persoonlijke lening van [eiser]

5.7.2.

heeft gesteld dat hij vanuit eigen middelen aan [verweerster] een lening heeft verstrekt van € 10.000,00. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft [eiser] verwezen naar de notitie van [verweerster] , zoals onder 2.9 geciteerd. [verweerster] heeft het bestaan van een persoonlijke lening betwist. Volgens [verweerster] heeft zij wel € 10.000,00 aangewend voor de tattooshop, maar dat geld kwam voort uit de gezamenlijke leningen die partijen zijn aangegaan. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] met betrekking tot dit onderdeel van zijn vordering niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Gesteld noch gebleken is immers dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een persoonlijke lening van [eiser] aan [verweerster] . De notitie waarnaar [eiser] heeft verwezen, is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Dat [eiser] naar eigen zeggen minstens € 70.000,00 eigen geld heeft ingebracht voor de verbouwing van de bedrijfsruimte, maakt het oordeel van de kantonrechter ook niet anders. Het niet voldoen aan zijn stelplicht heeft tot consequentie dat niet aan nadere bewijslevering door [eiser] wordt toegekomen, nog daargelaten dat enig bewijsaanbod zijdens [eiser] ontbreekt. Dit deel van de vordering van [eiser] is dan ook niet toewijsbaar.

Lening [naam bedrijf 1]

5.7.3.

Artikel 6:6 lid 1 BW bepaalt dat schuldenaren ieder voor een gelijk deel verbonden zijn, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat zij voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn. De kantonrechter stelt vast dat in de allonge niet is bepaald dat partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [naam bedrijf 1] verstrekte lening ad € 25.000,00. Ook anderszins is niet gebleken van hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiser] en [verweerster] . Het uitgangspunt van artikel 6:6 lid 1 BW is aldus van toepassing, namelijk dat [eiser] en [verweerster] ieder voor een gelijk deel verbonden zijn. [verweerster] heeft echter aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij opdraait voor terugbetaling van leningen die zijn aangewend voor de onderneming van [eiser] . [verweerster] heeft echter niet weersproken dat de lening van [naam bedrijf 1] is gebruikt voor de voldoening van de borg, het huurdersbelang en de eerste maanden huur voor de bedrijfsruimte. Die lening is daarmee ook aan [verweerster] , als medehuurder van de bedrijfsruimte, ten goede gekomen. De lening heeft partijen immers in staat gesteld om de bedrijfsruimte te kunnen huren en aldaar hun ondernemingen te exploiteren. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verweerster] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waardoor zij, ondanks hetgeen hiervoor is overwogen, op grond van de redelijkheid en billijkheid niet gehouden is om 50% van de lening te dragen. De conclusie is dan ook dat partijen ieder gebonden zijn om 50% van de lening te dragen.

5.7.4.

De vraag is voorts of [eiser] een regresrecht heeft op [verweerster] . Dat is het geval als [eiser] meer dan zijn aandeel in de schuld, te weten 50%, heeft gedragen (vgl. artikel 6:12 lid 1 BW). Daartoe is van belang dat [eiser] in zijn laatste akte heeft gesteld dat hij de volledige lening inmiddels heeft afgelost. [verweerster] is nog niet in de gelegenheid gesteld om op deze stelling te reageren. De kantonrechter zal [verweerster] dan ook in de gelegenheid stellen om zich hierover bij akte uit te laten.

Lening [naam bedrijf 2]

5.7.5.

Uit artikel 13 van de geldleningsovereenkomst met [naam bedrijf 2] volgt dat partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [naam bedrijf 2] verstrekte lening. Op grond van artikel 6:10 BW zijn hoofdelijke schuldenaren ieder voor het gedeelte van de schuld dat elk van hen in hun onderlinge verhouding aangaat, verplicht in de schuld en in de kosten bij te dragen. Het enkele feit dat beide partijen jegens [naam bedrijf 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de lening, geeft, anders dan [eiser] betoogt, geen antwoord op de vraag hoe de draagplicht in de interne verhouding tussen partijen moet worden verdeeld. In dat verband is relevant aan wie de lening ten goede is gekomen (vgl. Hof Den Haag 11 juli 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2571). Tussen partijen is niet in geschil dat deze lening is aangewend voor de verbouwing van de bedrijfsruimte. Een duidelijke kasstroom van het ontvangen geld ontbreekt echter, zodat de kantonrechter niet op basis van stukken kan vaststellen aan wie welk deel van de lening ten goede is gekomen. De kantonrechter zal een en ander moeten afleiden uit de stellingen van partijen. [verweerster] heeft gesteld dat een bedrag ter hoogte van € 10.000,00 is gebruikt voor de verbouwing van haar tatoeageshop. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat een hoger bedrag ten goede is gekomen aan [verweerster] . Gelet op alle omstandigheden die door partijen naar voren zijn gebracht, begroot de kantonrechter de draagplicht van [verweerster] ten aanzien van de lening bij [naam bedrijf 2] schattenderwijs op € 10.000,00, exclusief rente.

5.7.6.

[eiser] heeft een regresrecht op [verweerster] indien en voor zover hij meer dan zijn aandeel in de schuld heeft gedragen. De kantonrechter kan echter uit de door [eiser] overgelegde stukken niet vaststellen welk bedrag hij reeds aan [naam bedrijf 2] heeft voldaan. Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard dat er nog een bedrag van € 25.000,00 open zou staan bij [naam bedrijf 2] . Onzeker is aldus of [eiser] thans een regresrecht heeft op [verweerster] , omdat niet gebleken is dat [eiser] meer heeft bijgedragen aan de schuld dan zijn aandeel (zijnde € 40.000,00 exclusief rente). Dit onderdeel van de vordering van [eiser] is dan ook niet toewijsbaar.

5.8.

Gelet op de toewijzing van de in conventie gevorderde ontruiming van de dienstwoning, zal de kantonrechter de door [eiser] onder B en C gevorderde verklaringen voor recht afwijzen.

5.9.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis de dienstwoning van het pand aan de [adres 2] te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege [gedaagde] daar bevinden en de dienstwoning onder overgave van de sleutels ter beschikking van [eiseres] te stellen;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 185,96 aan verschotten en € 360,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen in conventie uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde;

in reconventie:

alvorens verder te beslissen:

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 6 oktober 2021 te 14.30 uur voor een door [verweerster] te nemen akte, zoals hiervoor onder r.o. 5.7.1 en 5.7.4 bedoeld;

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

49039