Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8821

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-09-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
C/10/579608 / HA ZA 19-727
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Dekkingsgeschil. Brandschade. Verval van recht op schadevergoeding wegens schending alarmclausule. Uitleg reikwijdte alarmclausule. Causaal verband tussen schade en het niet ingeschakeld zijn van het alarm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/579608 / HA ZA 19-727

Vonnis van 8 september 2021

in de zaak van

[naam eiser] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van

H3 FOR KIDS B.V.,

domicilie kiezende te [plaatsnaam] ,

eiser,

advocaat [naam eiser] te [plaatsnaam] ,

tegen

de naamloze vennootschap ALLIANZ BENELUX N.V.,

tevens handelende onder de naam ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING,

gevestigd te Brussel (België) en kantoorhoudende te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. O.B. Zwijnenberg te Rotterdam,

in welke zaak zijn tussengekomen:

1. [naam interveniënt 1] ,

wonende te [woonplaats interveniënt 1] ,

2. [naam interveniënt 2],

wonende te [woonplaats interveniënt 2] ,

3. [naam interveniënt 3],

wonende te [woonplaats interveniënt 3] ,

interveniënten,

advocaat mr. F.W. Amendt te Neerkant.

Eiser in de hoofdzaak wordt hierna de curator genoemd. Interveniënten worden hierna (gezamenlijk in enkelvoud) [interveniënten] genoemd. Gedaagde wordt Allianz genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 15 juli 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van Allianz, met producties;

  • -

    het vonnis in incident van 12 februari 2020, waarbij het [interveniënten] is toegestaan in de hoofdzaak tussen te komen, en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    de conclusie van eis in tussenkomst, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in tussenkomst van de curator;

  • -

    de conclusie van antwoord in tussenkomst van Allianz, met producties;

  • -

    de oproepingsbrief van 15 februari 2021 van de rechtbank, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 1 juni 2021, met als bijlage de in het dossier gevoegde pleitnota van mr. Amendt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

H3 for Kids B.V. (hierna: H3 for Kids) was tot aan het faillissement als onderneming actief in de productie van en handel in babyartikelen van plastic, hout en staal zoals met name trap- en deurhekjes en bedbeugels. De aandelen van de vennootschap werden vanaf januari 2017 (al dan niet middels een andere vennootschap) gehouden door [naam interveniënt 1] , [naam interveniënt 2] (tevens bestuurder) en [naam interveniënt 3] (tevens bestuurder). Ieder van hen had een derde van de aandelen. [naam interveniënt 1] , [naam interveniënt 2] en [naam interveniënt 3] zijn broers en hebben de bedrijfsactiviteiten overgenomen van onder meer hun vader, [naam ] . Sinds juli 2016 bestonden er tussen [naam ] en H3 for Kids geen formele banden meer.

2.2.

Het pand van waaruit H3 for Kids haar onderneming exploiteerde en waarin de showroom/het warenhuis met kantoor en magazijn van H3 for Kids was gevestigd, is gelegen aan de [adres] en was eigendom van de drie broers. Zij verhuurden het pand met ingang van 15 juli 2016 voor een periode van vijf jaar aan H3 for Kids.

2.3.

H3 for Kids heeft als verzekeringnemer, via bemiddeling van haar assurantietussenpersoon, bij Allianz een drietal verzekeringen afgesloten.

2.3.1.

Een van de verzekeringen betreft een brandverzekering die dekking biedt voor onder meer brandschade aan de bedrijfsuitrusting/-inventaris en de goederenvoorraad. Op de overeenkomst zijn de verzekeringsvoorwaarden BRU14 van toepassing verklaard.

2.3.2.

Daarnaast is een gebouwenverzekering afgesloten die dekking biedt voor onder meer brandschade aan het verzekerde gebouw. Ook op deze overeenkomst zijn de voorwaarden BRU14 van toepassing, alsmede de voorwaarden bedrijvenpakket BP14. Als risico-adres/verzekerd gebouw is aangemerkt het pand aan de [adres] .

2.3.3.

Ten slotte is een bedrijfsschadeverzekering afgesloten die onder meer dekking biedt voor bedrijfsschade als gevolg van brand. Op deze overeenkomst zijn van toepassing de verzekeringsvoorwaarden BDR14 en eveneens de voorwaarden bedrijvenpakket BP14.

2.4.

De in de polissen van deze verzekeringen opgenomen alarmclausule luidt als volgt:

“(inbraak-garantie)

De verzekering geschiedt onder de uitdrukkelijke voorwaarden dat:

  • -

    het risico is beveiligd door een inbraaksignaleringsinstallatie, waarvoor verzekerde bij de installateur een controle-abonnement heeft voor ten minste 1 controle per jaar;

  • -

    verzekerde de installatie dagelijks op zijn goede werking controleert en deze dagelijks juist inschakelt;

  • -

    verzekerde terstond de installateur waarschuwt, zodra de installatie niet naar behoren functioneert en het gebouw, totdat het herstel voltooid is, inwendig doet bewaken;

  • -

    verzekerde elke wijziging aan het risico, die van invloed is op het beveiligingsgebied van de inbraaksignaleringsinstallatie tevoren aan verzekeraars meedeelt, opdat de installatie tijdig kan worden aangepast.

(…)

Indien bij schade blijkt, dat aan een of meer van deze voorwaarden niet is voldaan, vervalt elk recht op schadevergoeding, tenzij verzekerde aannemelijk maakt dat de schade daardoor niet is veroorzaakt noch is vergroot.

(…)

2.5.

Op 27 april 2017 (Koningsdag) heeft aan het begin van de avond brand gewoed in het pand. Het pand was slotvast afgesloten achtergelaten. De inbraaksignaleringsinstallatie (hierna: het inbraakalarm) was op 27 april 2017 om 13:51:15 uur door [naam ] uitgeschakeld en vervolgens niet meer ingeschakeld. De Particuliere Alarmmeldkamer ontving die dag om 18:26:20 uur een brandmelding afkomstig van de brandmelder (hal rechts) in het pand.

2.6.

H3 for Kids heeft de brand (en de schade) gemeld bij Allianz. Namens H3 for Kids heeft [naam interveniënt 3] voorts op 1 mei 2017 bij de politie aangifte gedaan van brandstichting.

2.7.

Stekelenburg Schade Onderzoek Bureau B.V. (hierna: Stekelenburg) is door Allianz verzocht om onderzoek te doen naar de oorzaak en omstandigheden die tot de brand hebben geleid. Op 12 juli 2018 heeft Stekelenburg schriftelijk aan Allianz gerapporteerd. Hieraan voorafgaand heeft Stekelenburg op 22 februari 2018 een rapport van technisch onderzoek met bijlagen opgemaakt.

2.8.

Als gevolg van de brand is aanzienlijke schade ontstaan aan het pand en is een deel van de bedrijfsuitrusting en goederenvoorraad van H3 for Kids beschadigd en/of verloren gegaan. Crawford & Company Nederland B.V. (hierna: Crawford) heeft namens Allianz onderzoek gedaan naar de omvang van de schade. Op 3 mei 2017 heeft Crawford een voorlopig rapport uitgebracht waarin zij de schade heeft begroot op een bedrag van in totaal € 800.000,00. De omvang van de schade is nog niet definitief (conform de polisbepalingen) vastgesteld.

2.9.

Bij brief van 16 maart 2018 heeft Allianz aan H3 for Kids bericht dat zij niet tot uitkering zal overgaan. Allianz heeft haar afwijzend standpunt gegrond op schending van de medewerkingsplicht door [naam ] , die zij aanmerkt als verzekerde in de zin van (één van) de polis(sen), negatieve betrokkenheid van verzekerde (in de persoon van [naam ] ) bij het ontstaan van de brand (brandstichting) en schending van de alarmclausule.

2.10.

Gelet op de weigering van Allianz om tot uitkering onder (één van) de polis(sen) over te gaan, heeft H3 for Kids een kortgedingprocedure aanhangig gemaakt waarin zij een voorschot (ten bedrage van € 100.000,00) heeft gevorderd op de uitkering uit hoofde van de gebouwenverzekering. Bij vonnis van 30 augustus van 2018 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering van H3 for Kids afgewezen omdat – kort gezegd – sprake zou zijn van schending van de alarmclausule en er reeds om die reden geen dekking is onder de polis.

2.11.

Het Openbaar Ministerie is te zake van de brandstichting niet tot strafvervolging van [naam ] overgegaan vanwege het ontbreken van voldoende bewijs (technisch sepot).

2.12.

Sinds 27 november 2018 verkeert H3 for Kids in staat van faillissement.

2.13.

Het pand is inmiddels door [interveniënten] (in de staat waarin het verkeerde na de brand) verkocht voor een prijs van € 337.500,00. De overdracht van het pand heeft plaatsgevonden in april 2019.

2.14.

[naam ] is in november 2020 overleden.

3. Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

De curator vordert - samengevat en zakelijk weergegeven - om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht te verklaren dat Allianz gehouden is om de als gevolg van de brand door H3 for Kids geleden schade aan de curator te vergoeden, zoals overeengekomen in de tussen Allianz en H3 for Kids van toepassing zijnde verzekeringsovereenkomsten;

  2. Allianz te veroordelen tot betaling aan de curator van het hem toekomende bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  3. Allianz te veroordelen tot betaling aan de curator van een voorschot op deze schade ten bedrage van € 350.000,00;

een en ander vermeerderd met rente en kosten.

Aan deze vorderingen legt de curator nakoming van de verzekeringsovereenkomsten ten grondslag.

3.2.

Allianz voert verweer, dat strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de curator in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, een en ander vermeerderd met rente.

3.3.

Naar het oordeel van Allianz heeft H3 for Kids om meerdere redenen geen dekking voor de brandschade.

3.3.1.

In de eerste plaats omdat gebleken is dat H3 for Kids negatieve betrokkenheid heeft bij het ontstaan van de brand.

3.3.2.

In de tweede plaats omdat op het moment van de brand het inbraakalarm niet stond ingeschakeld, en dit had wel gemoeten op grond van de in de polissen van toepassing verklaarde alarmclausule.

3.3.3.

In de derde plaats geldt dat de schade nog niet definitief is vastgesteld, zodat H3 for Kids geen aanspraak kan maken op een uitkering onder de polissen.

3.3.4.

Bovendien kan H3 for Kids hoe dan ook geen aanspraak maken op vergoeding van de schade aan het pand, omdat zij op het moment van de brand geen eigenaar was van het pand. H3 for Kids is ter zake niet vorderingsgerechtigd; zij lijdt immers geen schade.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in tussenkomst

4.1.

[interveniënten] vordert - samengevat en zakelijk weergegeven - om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

  1. voor recht te verklaren dat [interveniënten] verzekerde is onder de gebouwenverzekering;

  2. voor recht te verklaren dat [interveniënten] exclusief rechthebbende is op de schade-uitkering ten aanzien van de gebouwenverzekering en opstalschade;

  3. Allianz te veroordelen tot betaling aan [interveniënten] van € 762.500,00 wegens schade aan het pand;

subsidiair

  1. voor recht te verklaren dat [interveniënten] verzekerde is onder de gebouwenverzekering;

  2. voor recht te verklaren dat [interveniënten] exclusief rechthebbende is op de schade-uitkering ten aanzien van de gebouwenverzekering en opstalschade;

  3. Allianz te veroordelen om binnen 14 dagen na het wijzen van dit vonnis mee te werken aan de vaststelling van de schade conform art. 5.3 van de verzekeringsvoorwaarden BRU14 onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00;

  4. Allianz te veroordelen om binnen 2 maanden na het wijzen van dit vonnis de schade uit te keren, die partijen met inachtneming van art. 5.3 van de verzekeringsvoorwaarden BRU14 hebben vastgesteld;

primair en subsidiair

een en ander vermeerderd met kosten.

Aan deze vordering legt [interveniënten] nakoming van de gebouwenverzekering ten grondslag.

4.2.

Allianz voert verweer, dat strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de [interveniënten] in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, een en ander vermeerderd met rente.

4.3.

Allianz meent dat (ook) [interveniënten] geen aanspraak kan maken op dekking onder de gebouwenverzekering.

4.3.1.

Uitganspunt van de wet (art. 7:946 BW) is immers dat een verzekering slechts de belangen van de verzekeringnemer dekt. [interveniënten] is evenwel geen verzekeringnemer, terwijl ook overigens niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan Allianz mocht aannemen dat de gebouwenverzekering eveneens de belangen van derden zou dekken. Allianz wist tot na de brand niet dat [interveniënten] eigenaar was van het pand.

4.3.2.

Daarnaast geldt dat ook ten opzichte van [interveniënten] de schending van de alarmclausule aan het verlenen van dekking in de weg staat.

4.3.3.

Ten slotte geldt ook ten opzichte van [interveniënten] dat de schade nog niet overeenkomstig de in de polisvoorwaarden gestelde wijze (definitief) is vastgesteld.

4.4.

De curator stelt vast de [interveniënten] geen vordering jegens H3 for Kids instelt en handhaaft zijn vorderingen in de hoofdzaak. Ten aanzien van de opstalschade stelt de curator dat hij namens H3 for Kids geen aanspraak maakt op vergoeding van opstalschade met betrekking tot het pand, indien en voor zover [interveniënten] als verzekerde aanspraak kan maken op vergoeding van die schade. Namens H3 for Kids vordert de curator in beginsel uitsluitend vergoeding van schade aan inventaris, goederen en bedrijfsschade die H3 for Kids als gevolg van de brand heeft geleden.

4.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

5.1.

De vorderingen in de hoofdzaak en in tussenkomst zullen gelet op hun nauwe samenhang gezamenlijk worden behandeld

5.2.

Kern van het geschil, zowel in de hoofdzaak als in tussenkomst, is of Allianz op grond van de verzekeringsovereenkomsten (een gedeelte van) de schade van H3 for Kids en/of [interveniënten] moet vergoeden.

5.3.

Allianz heeft in het kader van haar verweer onder meer aangevoerd dat sprake is van verval van dekking, omdat het inbraakalarm niet stond ingeschakeld op het moment van het ontstaan van de brand en dit wel had gemoeten op grond van de in de polissen van toepassing verklaarde alarmclausule.

5.4.

De curator en [interveniënten] stellen dat H3 for Kids de alarmclausule niet heeft geschonden en voeren in dat verband het volgende aan. De clausule bepaalt dat het inbraakalarm dagelijks juist dient te worden ingeschakeld. Dit betekent dat het inbraakalarm iedere dag ten minste één keer moet worden aangezet. Daaruit volgt niet dat het inbraakalarm iedere keer dat het pand verlaten wordt, moet worden ingeschakeld. De alarmclausule bedoelt enkel te verplichten dat de verzekerde in algemene zin dagelijks actief gebruik maakt van het inbraakalarm; dat is op 27 april 2017, de dag van de brand, ook gebeurd, nu vast staat dat het inbraakalarm die nacht en ochtend op juiste wijze was ingeschakeld. De enkele omstandigheid dat het inbraakalarm niet was ingeschakeld op het tijdstip van de brand, is geen reden om niet tot uitkering onder de polissen over te gaan.

5.5.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.6.

Op grond van de – naar niet ter discussie staat: geldig overeengekomen – alarmclausule diende H3 for Kids het pand te beveiligen door middel een inbraaksignaleringsinstallatie en diende zij deze installatie dagelijks op haar goede werking te controleren en dagelijks juist in te schakelen.

5.7.

Anders dan de curator en [interveniënten] is de rechtbank van oordeel dat de alarmclausule niet zo beperkt kan worden uitgelegd dat hier reeds aan is voldaan als het inbraakalarm dagelijks ten minste één keer op juiste wijze is aangezet. De alarmclausule kan in redelijkheid niet anders uitgelegd worden dan dat het inbraakalarm iedere keer moet worden ingeschakeld als gedurende langere tijd niemand in het pand aanwezig is, bijvoorbeeld na werktijd of tijdens het weekend. Dat is ook de wijze waarop een inbraakalarm in de regel pleegt te worden gebruikt. Feiten en omstandigheden die in deze specifieke situatie tot een andere oordeel zouden moeten leiden, zijn gesteld noch gebleken. Voor toepasselijkheid van de alarmclausule is voorts niet relevant, zoals [interveniënten] lijken te betogen, of het inbraakalarm opzettelijk of niet opzettelijk niet is ingeschakeld. De alarmclausule schrijft immers bepaald gedrag (het inschakelen van het inbraakalarm) voor om schade te voorkomen. Of het voorgeschreven gedrag vanwege een omissie of doelbewust niet wordt opgevolgd, maakt dit niet anders.

5.8.

Nu het inbraakalarm ten tijde van de brand niet stond ingeschakeld, terwijl er al geruime tijd niemand in het pand aanwezig was en niet gesteld of gebleken is dat er elk moment weer iemand kon komen (het was tenslotte ook een feestdag), betekent dit dat de alarmclausule op 27 april 2017 is geschonden en dat op grond van de laatste alinea van de alarmclausule in beginsel elk recht op schadevergoeding komt te vervallen. De door de curator en [interveniënten] gestelde omstandigheid dat op andere momenten altijd trouw en op juiste wijze gebruik werd gemaakt van het inbraakalarm, doet daaraan niet af.

5.9.

Uit de alarmclausule volgt dat slechts dan geen sprake is van het verval van het recht op schadevergoeding als verzekerde aannemelijk maakt dat de schade daardoor niet is veroorzaakt noch is vergroot. Onder verwijzing hiernaar betogen de curator en [interveniënten] dat de schade die H3 for Kids heeft geleden niet is veroorzaakt of vergroot door het niet ingeschakeld zijn van het inbraakalarm. Met andere woorden, in hun visie zou in het geval het inbraakalarm was ingeschakeld de schade in dezelfde mate zijn ontstaan. Zij hebben er in het kader van hun verweer onder meer op gewezen dat op grond van de polissen en/of de alarmclausule geen verplichting bestond om een alarm met optische en/of akoestische signalen te hebben en dat Allianz onder die omstandigheid er geen beroep op kan doen dat die door H3 for Kids aanvullend aangebrachte voorzieningen niet hebben gefunctioneerd.

5.10.

De rechtbank volgt de curator en [interveniënten] niet in hun standpunt. Uit de stellingen van Allianz en de door haar overgelegde stukken volgt dat voorafgaand aan het sluiten van de verzekeringsovereenkomst(en) op 17 september 2015 een inspectie van het pand heeft plaatsgevonden ter verkrijging van risico-informatie ten behoeve van de brandverzekering(en). In het naar aanleiding daarvan opgemaakte inspectierapport wordt een aantal preventieve maatregelen gesteld, onder meer met betrekking tot de aanwezigheid van een inbraakalarm. Conform de VKRI 2015 was in dit geval beveiliging volgens klasse 2 (E1) van toepassing. Dit betekent onder meer dat bij een alarmsituatie binnen het pand een akoestische alarmering dient te worden gegenereerd, alsmede een optische alarmering die goed zichtbaar is vanaf de openbare weg. Voorafgaand aan het sluiten van de verzekeringsovereenkomst(en) is bij brief van 12 oktober 2015 door H3 Beheer B.V., de toenmalige verzekerde op de polis(sen), aan Allianz verklaard dat aan de gestelde preventie-eisen is voldaan. Bij e-mail van 19 september 2016 heeft de assurantietussenpersoon van H3 for Kids Allianz verzocht om de tenaamstelling van de polissen te wijzigen van H3 Beheer B.V. in H3 for Kids in verband met een wijziging bij de Kamer van Koophandel. Niet gesteld of gebleken is dat er toen, afgezien van de naamswijziging, enige wijziging heeft plaatsgevonden in de (voorwaarden van) dekking. Allianz mocht er dan ook van uitgaan dat het inbraakalarm ook in de periode dat de verzekeringsovereenkomsten op naam van H3 for Kids stonden voorzien was van een optisch en akoestisch signaal. Onder die voorwaarden is zij de verzekeringsovereenkomsten aangegaan en onder die voorwaarden had de alarmclausule ook te gelden. Vast staat bovendien dat het inbraakalarm dat zich ten tijde van de brand in het pand bevond ook was ingericht om op deze wijze te reageren op de aanwezigheid van een ongenode gast in het pand.

5.11.

De curator en [interveniënten] betogen voorts dat de brandmelding zoals die heeft plaatsgevonden en de opvolging daarvan net zo snel en effectief is geweest als in de situatie met ingeschakeld inbraakalarm het geval zou zijn geweest. Hier tegenover heeft Allianz het volgende aangevoerd. Uit de door [interveniënten] en de curator niet betwiste resultaten van het onderzoek door Stekelenburg blijkt dat de brand in het pand door brandstichting is ontstaan, dat er sprake was van vijf gescheiden en onafhankelijke brandhaarden en dat drie brandhaarden inpandig waren. Voorts staat vast dat, ondanks het feit dat het pand op het moment van de brand slotvast afgesloten was, er geen braaksporen zijn aangetroffen. Met andere woorden: vast staat dat de brand is aangestoken, zonder dat de binnenkomst van de brandstichter is gesignaleerd. Aangenomen mag worden dat als het inbraakalarm zou zijn ingeschakeld geweest op de dag van de brand, niemand ongemerkt het pand zou hebben kunnen betreden, omdat dan een geluidssignaal zou hebben geklonken en er een optisch signaal aan de voorzijde van het pand zichtbaar zou zijn geweest. Die persoon zou dan niet in de gelegenheid zijn geweest de brand aan te steken of in ieder geval niet op meerdere plaatsen. Niet alleen zou de brandstichter zelf zijn afgeschrikt en zich hoogst waarschijnlijk meteen uit de voeten hebben gemaakt, maar bovendien zouden personen in nabijheid van het pand onmiddellijk zijn gealarmeerd en actie hebben ondernomen. Voorts zou een melding naar de alarmmeldkamer zijn verzonden, zodat snel iemand zou zijn ingeschakeld om poolshoogte te nemen. Dit alles zou er naar alle waarschijnlijkheid toe hebben geleid dat de brand niet was gesticht, dan wel niet op meerdere plaatsen en/of minder lang zou hebben gewoed met minder schade tot gevolg. Tegenover hetgeen Allianz heeft aangevoerd, hebben de curator en/of [interveniënten] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de brandmelding zoals die nu heeft plaatsgevonden en de opvolging daarvan net zo snel en effectief is geweest als in de situatie met ingeschakeld inbraakalarm het geval zou zijn geweest. Aldus zijn [interveniënten] en de curator er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de brand niet eerder zou zijn bemerkt als het inbraakalarm wel was ingeschakeld. Overigens kan het ingeschakeld zijn van het inbraakalarm ook voorkomen dat personeelsleden met sleutel en code het pand binnen gaan om brand te stichten omdat, als het inbraakalarm is ingeschakeld, makkelijk vast te stellen is wie (bij gebreke van inbraakschade) de brand heeft gesticht. Anders dan de curator en [interveniënten] betogen, had het ook in het scenario dat ervan wordt uitgegaan dat [naam ] de brandstichter is, voor het ontstaan van de schade wel degelijk kunnen uitmaken of het inbraakalarm was ingeschakeld geweest.

5.12.

Voor zover de curator en [interveniënten] hebben beoogd te stellen dat een beroep op de alarmclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, wordt dit beroep als onvoldoende onderbouwd gepasseerd. Andere dan de hierboven weerlegde argumenten zijn daaraan immers niet ten grondslag gelegd.

5.13.

Allianz heeft zich gelet op het voorgaande op goede gronden op het standpunt gesteld dat aan een door haar gestelde voorwaarde voor dekking onder de verzekeringsovereenkomsten niet is voldaan, zodat niet tot uitkering van de schade overgegaan hoeft te worden. Zowel de vorderingen in de hoofdzaak als de vorderingen in tussenkomst liggen dan ook om die reden reeds voor afwijzing gereed. De overige stellingen van partijen, in het bijzonder die ten aanzien van een negatieve betrokkenheid van verzekerde (in de persoon van [naam ] ) bij het ontstaan van de brand, behoeven geen bespreking.

5.14.

De curator zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van Allianz in de hoofdzaak tot op heden begroot op:

  • -

    Griffierecht € 4.030,00

  • -

    Advocaatkosten € 4.982,00 + (2 pnt x tarief VI € 2.491,00)

Totaal € 9.012,00

5.15.

[interveniënten] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van Allianz in de procedure in tussenkomst tot op heden begroot op € 9.642,00 (advocaatkosten a 3 pnt x tarief VII € 3.214,00).

5.16.

De wettelijke rente over de proceskosten zal, als niet weersproken, worden toegewezen als gevorderd.

5.17.

De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze als vermeld in het dictum.

6. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

6.1.

wijst de vorderingen van de curator af;

6.2.

veroordeelt de curator in de proceskosten van Allianz. Deze kosten worden begroot op € 9.012,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.3.

veroordeelt de curator in de na dit vonnis aan de zijde van Allianz ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de curator niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van voldoening;

in de procedure in tussenkomst

6.4.

wijst de vorderingen van [interveniënten] af;

6.5.

veroordeelt [interveniënten] in de proceskosten van Allianz. Deze kosten worden begroot op € 9.642,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.6.

veroordeelt [interveniënten] in de na dit vonnis aan de zijde van Allianz ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [interveniënten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van voldoening;

in de hoofdzaak en in de procedure in tussenkomst

6.7.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2021.1

1 801/1582