Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8820

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-09-2021
Datum publicatie
13-09-2021
Zaaknummer
C/10/604183 / HA ZA 20-887
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dedaagde veroordeeld tot terugbetaling van een door eiser voorgeschoten geldbedrag in verband met de levering van mondkapjes. Voorschieten van geldbedrag door eiser is aan te merken als dienstverlening en niet als geldlening, omdat het behulpzaam zijn bij een spoedbetaling in Hong Kong voorop stond en gedaagde het bedrag vrijwel direct zou terugbetalen aan de voorschietende partij. Recht van Hong Kong is van toepassing. Geen inlichtingen nodig van het recht van Hong Kong. Tussen eiser en gedaagde is via tussenpersonen een overeenkomst ontstaan op grond waarvan op gedaagde een terugbetalingverplichting rust. Buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente afgewezen nu de verschuldigdheid hiervan naar het recht van Hong Kong gesteld noch gebleken is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/604183 / HA ZA 20-887

Vonnis van 8 september 2021

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

JT SEAFOOD TRADING COMPANY,

gevestigd te Hong Kong,

eiseres,

advocaat mr. A. Ester te Zwijndrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CULIMER EUROPE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. S.L. Haanschoten te Rotterdam.

Partijen zullen hierna JT en Culimer genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 september 2020, met producties 1 tot en met 23;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 6;

  • -

    de oproepingsbrief van de rechtbank van 3 december 2020 op grond waarvan de mondelinge behandeling is bepaald op 15 maart 2021 via Skype voor Bedrijven;

  • -

    de zittingsagenda van de rechtbank van 15 februari 2021;

  • -

    de brief van JT van 1 maart 2021 met aanvullende producties 24 tot en met 26, alsmede een vertaling van delen van producties 7, 8, 11 en 13;

  • -

    de pleitaantekeningen van partijen ten behoeve van de mondelinge behandeling;

  • -

    de zittingsaantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 15 maart 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

JT is een in Hong Kong gevestigde handelsonderneming.

2.2.

Culimer is een in Nederland gevestigde groothandel. [naam 1] (hierna: [naam 1]) is indirect bestuurder van Culimer. Culimer is onderdeel van een concern dat hierna als de Culimer-groep wordt aangeduid.

2.3.

[naam 2] (hierna: [naam 2]) was in dienst bij Culimer. Zij heeft de dagelijkse leiding gevoerd over Culimer China, een in Peking gevestigde groepsvennootschap voor de Chinese handelsactiviteiten van de Culimer-groep.

2.4.

Aan het begin van de coronacrisis in 2020 bestond in Nederland een grote behoefte aan (medische) mondmaskers. Culimer heeft met de hulp van [naam 2] gezocht naar Chinese leveranciers waarbij zij deze mondmaskers kon inkopen. Culimer heeft op 19 maart 2020 een partij mondmaskers gekocht van een in China gevestigde leverancier. De contacten tussen Culimer en deze leverancier zijn verlopen via [naam 2].

2.5.

Culimer heeft op vrijdagavond 20 maart 2020 (via [naam 2]) meteen een tweede partij mondmaskers besteld bij voormelde leverancier. De tweede partij mondmaskers diende al op zaterdagochtend 21 maart 2020 aan de vervoerder beschikbaar te worden gesteld voor het vervoer naar Nederland.

2.6.

[naam 2] heeft contact gezocht met [naam 3] (hierna: [naam 3]). [naam 3] is eigenaar van de in Hong Kong gevestigde onderneming Miracle International Company (hierna: Miracle). [naam 2] heeft [naam 3] verzocht de koopprijs voor de mondmaskers met spoed via Miracle voor te schieten, zodat de mondmaskers de volgende ochtend konden worden vrijgegeven aan de vervoerder. Miracle was niet in staat de koopprijs voor te schieten.

2.7.

JT is de onderneming van de zoon van [naam 3]. JT heeft het bedrag voor de tweede partij mondmaskers in de nacht van 20 op 21 maart 2020 aan de leverancier betaald. Deze betaling is verricht in Hong Kong dollars en bedraagt omgerekend in Euro’s € 33.218,50. De mondmaskers zijn op zaterdagochtend 21 maart 2020 vrijgegeven voor vervoer naar Nederland.

2.8.

[naam 1] heeft op 20 maart 2020 op instructie van [naam 2] via de Culimer-groep een bedrag van € 36.753,73 aan Miracle overgemaakt in verband met de tweede partij mondmaskers. Uit de door partijen overgelegde stukken blijkt dat op 20 maart 2020 opdracht is gegeven voor de overboeking en dat het bedrag op 23 maart 2020 stond bijgeschreven op de rekening van Miracle.

2.9.

[naam 1] heeft voormelde betaling kort na 23 maart 2020 – na de ontvangst van de eerste partij mondmaskers – gestorneerd.

2.10.

JT heeft Culimer (onder meer) op 23 juni 2020 gesommeerd om het voorgeschoten bedrag aan haar terug te betalen. Culimer heeft geen gehoor gegeven aan dat verzoek.

3. Het geschil

3.1.

JT vordert samengevat - veroordeling van Culimer tot betaling van € 33.218,50, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.107,19 en de proceskosten.

JT stelt dat zij het gevorderde bedrag voor Culimer heeft voorgeschoten in verband met de koop van een partij mondmaskers en dat Culimer dit bedrag terug moet betalen.

JT grondt haar vorderingen primair op wanprestatie (artikel 6:74 BW). Zij stelt dat het voorschieten van het gevorderde bedrag kwalificeert als een geldleningsovereenkomst en dat Culimer is tekortgeschoten omdat zij niet heeft terugbetaald.

Subsidiair grondt JT haar vorderingen op onrechtmatige daad wegens oplichting omdat zij door Culimer is uitgelokt tot het voorschieten van gelden zodat Culimer de mondmaskers uit Hong Kong kon importeren.

Meer subsidiair grondt JT haar vordering op ongerechtvaardigde verrijking omdat JT als gevolg van de betaling ten gunste van Culimer is verarmd met dat bedrag en Culimer is verrijkt.

3.2.

Culimer concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring althans afwijzing van de vordering van JT, met veroordeling van JT in de kosten van de procedure.

Culimer betwist dat er een rechtsverhouding tussen haar en JT bestaat op grond waarvan zij gehouden is tot betaling. Zij voert (samengevat) aan dat zij JT niet kent en dat zij JT geen opdracht heeft gegeven om het bedrag van € 33.218,50 aan de leverancier voor te schieten.

3.3.

Op de overige stellingen van partijen zal de rechtbank hierna, voor zover van belang, nader ingaan.

4. De beoordeling van het geschil

Rechtsmacht en toepasselijk recht

4.1.

Dit is een zaak met een internationaal karakter omdat JT in Hong Kong is gevestigd en Culimer in Nederland. De rechtsverhouding tussen partijen valt onder het toepassingsbereik van de herschikte EEX-Verordening (Verordening (EU) No. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken). Op grond van de hoofdregel van artikel 4 van deze verordening is de Nederlandse rechter internationaal bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van JT. Op grond van artikel 99 Rv is de rechtbank Rotterdam bevoegd.

4.2.

Tussen partijen is in geschil welk recht in deze zaak toepasselijk is. Zij zijn het er wel over eens – en ten aanzien van de primaire grondslag is dat terecht - dat dit moet worden vastgesteld op grond van de regels van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I).

4.3.

JT stelt dat de primaire grondslag van haar vordering naar Nederlands recht moet worden beoordeeld omdat de terugbetalingsverplichting van Culimer op grond van de geldleningsovereenkomst de kenmerkende prestatie is in de zin van artikel 4 lid 2 Rome I. Culimer betoogt dat de (door haar betwiste) overeenkomst tussen partijen kwalificeert als een overeenkomst van dienstverlening als bedoeld in artikel 4 lid 1 sub b Rome I, waarop het recht van Hong Kong van toepassing is.

4.4.

Artikel 4 Rome I bepaalt hoe het op de overeenkomst toepasselijke recht bij gebreke van een rechtskeuze moet worden vastgesteld. Volgens lid 1 sub b wordt de dienstverleningsovereenkomst beheerst door het recht van het land waar de dienstverlener zijn gewone verblijfplaats heeft. In lid 2 is bepaald dat de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land van de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten als de overeenkomst niet onder de in lid 1 specifiek genoemde overeenkomsten valt. In lid 4 is bepaald dat de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is als het toepasselijke recht niet overeenkomstig lid 1 of lid 2 kan worden vastgesteld.

4.5.

De rechtbank begrijpt dat JT haar vordering primair baseert op nakoming van een (volgens haar) op Culimer rustende contractuele verplichting om het voorgeschoten bedrag terug te betalen. Die verhouding tussen partijen heeft naar het oordeel van de rechtbank het karakter van een dienstverlening. Vaststaat dat de koopprijs van de tweede partij mondmaskers met spoed moest worden betaald en dat Culimer de koopprijs zelf niet tijdig kon betalen. Ook staat vast dat JT (omgerekend) € 33.218,50 aan de leverancier heeft betaald en dat de voor Culimer bestemde partij mondmaskers daarna is vrijgegeven voor vervoer. Met het voorschieten van het geldbedrag in Hong Kong dollars heeft JT Culimer gefaciliteerd toen de in Hong Kong gevestigde leverancier in het weekend met spoed moest worden betaald. Uit het feit dat Culimer reeds op 20 maart 2020 een geldbedrag voor de mondmaskers naar Miracle heeft overgemaakt blijkt dat het de bedoeling was het voorgeschoten geldbedrag vrijwel meteen terug te betalen aan de voorschietende partij. In dit geval stond dus niet het lenen van geld voorop maar het behulpzaam zijn van Culimer bij het met spoed betalen waartoe zij zelf op grond van plaatselijke regels in Hong Kong niet in staat was. De rechtbank kwalificeert dit als dienstverlening. Op grond van artikel 4 lid 1 sub b Rome I is het recht van Hong Kong bij de beoordeling van de primaire grondslag toepasselijk omdat JT als dienstverlener aldaar is gevestigd. De rechtbank komt daarom niet toe aan toepassing van artikelen 4 lid 2 en 4 lid 4 Rome I.

4.6.

De rechtbank behoeft het toepasselijke recht bij de beoordeling van de subsidiaire en meer subsidiaire grondslagen van de vordering van JT niet vast te stellen, omdat zij – zoals hierna zal blijken – de vordering op grond van de primaire grondslag zal toewijzen.

Culimer is gehouden tot terugbetaling aan JT

4.7.

Op grond van artikel 10:2 BW moet de rechtbank het recht van Hong Kong ambtshalve toepassen. Dit brengt mee dat de rechtbank zelf kennis van het recht van Hong Kong moet vergaren of partijen in de gelegenheid moet stellen om bij nadere akte inlichtingen daarover te verstrekken. De rechtbank acht dat in dit geval niet nodig. JT heeft een nakomingsvordering ingesteld op grond waarvan zij terugbetaling eist van het door haar ten behoeve van Culimer voorgeschoten bedrag. Indien JT aantoont dat zij met Culimer een overeenkomst heeft gesloten die een terugbetalingsverplichting inhoudt, kan immers aangenomen worden dat ook naar het recht van Hong Kong dient te worden terugbetaald. Gesteld noch gebleken is dat er andere belangrijke rechtsvragen spelen waarvoor kennisname van dat recht nodig is.

4.8.

Vaststaat dat JT de koopprijs van (omgerekend) € 33.218,50 aan de leverancier heeft betaald en dat de voor Culimer bestemde partij mondmaskers daarna naar Nederland kon worden vervoerd. Onweersproken is dat [naam 2] contact heeft gezocht met [naam 3] met het verzoek om de spoedbetaling in Hong Kong dollars aan de leverancier te voldoen omdat de banken in Hong Kong in het weekend geen betalingen in Euro’s of Amerikaanse dollars verwerken en Culimer om die reden niet zelf tijdig kon betalen.

4.9.

Ter zitting heeft Culimer verklaard dat het in China gebruikelijk is om via tussenschakels te betalen en dat zij wist dat een spoedbetaling via een tussenstap in Hong Kong nodig was om de koopprijs binnen een dag te voldoen. Dat verklaart ook waarom Culimer op verzoek van [naam 2] € 36.753,73 aan Miracle heeft betaald, terwijl zij wist dat Miracle niet de leverancier van de mondmaskers was. Uit die betaling volgt op zichzelf ook reeds dat ook Culimer van mening was dat de overeenkomst inhield dat per omgaande diende te worden terugbetaald.

4.10.

Culimer heeft betoogd dat zij geen verzoek aan [naam 3] of aan Miracle heeft gedaan om het bedrag voor te schieten en dat [naam 2] op eigen initiatief heeft gehandeld. Daarbij ziet Culimer over het hoofd dat haar werkneemster [naam 2] de leiding voerde over Culimer China en dat Culimer haar de opdracht had gegeven om mondmaskers aan te kopen in China. Dat werd aan haar toevertrouwd omdat zij contacten in China had en omdat zij bekend was met de Chinese handelsgebruiken, waaronder het gebruik om via tussenpersonen te handelen. Daarmee is vast komen te staan dat het regelen van een spoedbetaling door Chinese tussenpersonen binnen de reikwijdte van haar opdracht of bevoegdheden viel en dat [naam 2] in dit geval volmacht had om Culimer te binden. Ook wordt dat bevestigd doordat Culimer op verzoek van [naam 2] tot betaling aan Miracle overging.

4.11.

Aldus is naar het oordeel van de rechtbank een overeenkomst tot stand is gekomen tussen JT, vertegenwoordigd door [naam 3], en Culimer, vertegenwoordigd door [naam 2], op grond waarvan Culimer € 33.218,50 moet terugbetalen.

4.12.

Aan het standpunt van Culimer dat JT reeds schadeloos is gesteld door [naam 2] gaat de rechtbank voorbij omdat dat standpunt niet is onderbouwd.

4.13.

Culimer betoogt nog dat zij is opgelicht door [naam 2] doordat [naam 2] bij de tweede partij mondmaskers stiekem een hogere koopprijs (van omgerekend € 36.753,73) aan Culimer heeft doorgegeven dan de werkelijke koopprijs van de mondkapjes van € 33.218,50 en het verschil tussen die bedragen in eigen zak heeft gestoken. Volgens Culimer is ook [naam 3] hierbij betrokken geweest. Culimer heeft echter op geen enkele manier aangetoond dat JT hierbij was betrokken. Ook een verschil van inzicht over de kwaliteit van de mondkapjes staat buiten de overeenkomst van dienstverlening met JT.
Wettelijke handelsrente; buitengerechtelijke kosten; proceskosten

4.14.

Gesteld noch gebleken is dat Culimer in deze zaak naar het recht van Hong Kong wettelijke (handels)rente en buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd. De rechtbank zal de vordering van JT in zoverre afwijzen.

4.15.

Culimer zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van JT worden begroot op:

- dagvaarding € 106,47

- griffierecht € 2.042,00

- salaris advocaat € 1.442,00(2,0 punten × tarief € 721,00)

Totaal € 3.590,47

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt Culimer tot betaling aan JT van een bedrag van € 33.218,50 (drieëndertig duizendtweehonderdachttien euro en vijftig eurocent);

5.2.

veroordeelt Culimer in de proceskosten, aan de zijde van JT tot op heden begroot op € 3.590,47;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema, bijgestaan door mr. B. Meeuwisse-den Boer, griffier. Het is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 8 september 2021.

[3266/32]