Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:8812

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-06-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
10/019504-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging doodslag. Oordeel dat niet is komen vast te staan dat het door de verdachte gepleegde geweld (minst genomen) de aanmerkelijke kans op het overlijden van de aangever in het leven riep. Wettig en overtuigend bewezen poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Beroep op noodweer verworpen. Beroep op noodweerexces kan daarom niet slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/019504-21

Datum uitspraak: 16 juni 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte],

raadsman mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 juni 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. S.B. Epozdemir heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4. Waardering van het bewijs

De verdediging heeft zich met betrekking tot het bewijs van het ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de verdachte meermalen met een Engelse sleutel op het hoofd en de schouder van [naam slachtoffer] heeft geslagen.

De rechtbank is van oordeel dat, anders dan de officier van justitie heeft bepleit, niet is komen vast te staan dat het door de verdachte gepleegde geweld (minst genomen) de aanmerkelijke kans op het overlijden van de aangever in het leven riep, aangezien uit de stukken in het dossier niet blijkt dat zo hard en gericht is geslagen dat van een poging doodslag dient te worden gesproken. Uit het dossier blijkt bovendien dat de verwondingen bij het slachtoffer beperkt zijn gebleven. Niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd de aangever van het leven te beroven, zodat de verdachte van dit onderdeel zal worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat de door de verdachte gepleegde geweldshandelingen kunnen worden gekwalificeerd als te zijn gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het hoofd is een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam, waaraan door van buiten komend geweld met een hard voorwerp zwaar letsel kan worden toegebracht. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

4.1.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde (impliciet subsidiair) heeft begaan op die wijze dat:

hij

op 20 januari 2021 te Gorinchem

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[naam slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

die [naam slachtoffer] met een Engelse sleutel,

meermalen, op het hoofd enop een

schouder heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit en de verdachte

5.1.

Noodweer

Het standpunt van de verdediging

De verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat aan hem een beroep op noodweer toekomt. De verdachte heeft zich namelijk verdedigd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Deze bestond uit het vastpakken van de pols van de verdachte, waarin hij de Engelse sleutel vast had en waarmee hij zichzelf wilde verdedigen. De verdachte was angstig en in paniek en hij was bang dat hem iets zou overkomen naar aanleiding van het voorafgaande gedrag van [naam slachtoffer] op de snelweg.

Beoordeling en conclusie van de rechtbank

De verklaring van de verdachte, dat de beide aangevers [naam aangever 1] en [naam aangever 2] als eerste de confrontatie met hem zochten en hem vastpakten, vindt geen steun in getuigenverklaringen of andere bewijsmiddelen. De beide aangevers en de twee getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] hebben verklaard dat het de verdachte was die meteen na het uitstappen uit zijn auto met een voorwerp in de hand versneld op de aangevers af liep. De aangevers en getuige De [naam getuige 2] zagen de verdachte direct daarop meermalen het slachtoffer [naam slachtoffer] slaan. Pas nadat verdachte geslagen had, pakten de aangevers de verdachte vast en lukte het hen de Engelse sleutel af te nemen.

Het is dus juist de verdachte geweest die het geweld als eerste heeft aangewend op een moment dat er van een wederrechtelijke aanranding geen sprake was. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

5.2.

Noodweerexces

Nu er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen een noodzakelijke verdediging was geboden, kan ook het subsidiair door de verdediging gedane beroep op noodweerexces niet slagen.

5.3.

Conclusie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of de verdachte uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

De verdachte is dus strafbaar.

Het bewezen feit levert op:

poging tot zware mishandeling.

6. Motivering straf

6.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

6.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft meermalen met een Engelse sleutel op het hoofd en de schouder van een ander geslagen.

6.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

6.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 mei 2021, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is vervolgd voor strafbare feiten

6.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 19 april 2021. Dit rapport houdt zakelijke weergegeven het volgende in. Bij de verdachte worden geen problemen op leefgebieden gezien. Hij heeft huisvesting, betaald werk en er zijn geen schulden. Evenmin zijn er problemen in zijn psychosociaal functioneren. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat. De reclassering ziet om die reden geen meerwaarde in begeleiding en toezicht en adviseert derhalve een straftoemeting zonder bijzondere voorwaarden.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

6.4.

Overwegingen en conclusie van de rechtbank

De verdachte heeft als reactie op een conflict over rijgedrag op de snelweg buitenproportioneel gereageerd door gericht en met kracht meermalen met een Engelse sleutel op het hoofd van een ander te slaan.

Van de verdachte mag verwacht worden dat hij spanningen in dergelijke situaties op een andere manier oplost. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij ervoor heeft gekozen in de aanval te gaan en geweld te gebruiken. Dergelijk geweld kan zware en blijvende verwondingen veroorzaken. Bovendien vond dit alles plaats op de openbare weg en in het bijzijn van diverse getuigen die ongewild met dit geweld werden geconfronteerd.

Op dergelijke strafbare feiten dient in beginsel een gevangenisstraf te worden opgelegd. Nu de rechtbank de primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet bewezen acht, komt de rechtbank tot een lagere straf dan door de officier van justitie geëist. Voor een geheel voorwaardelijk opgelegde straf, zoals door de raadsman bepleit, ziet de rechtbank geen ruimte, gelet op de ernst van het feit. Wel zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, als aansporing om de verdachte er van te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen en om te bewijzen dat hij in zijn leven op de goede weg is en kan blijven.

De rechtbank weegt daarnaast in het voordeel van verdachte mee dat hij zich wel verantwoordelijk voelt voor de aan het slachtoffer toegebrachte schade en deze bereid is te vergoeden en dat zijn werk als zzp’er en zijn stabiele leven in gevaar zouden komen door een vrijheidsstraf.

Gezien de ernst van de feiten zal de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van na te noemen duur opleggen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 707,50 aan materiële schade en een vergoeding van € 1.000,- aan immateriële schade.

7.1.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen.

Voorts is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal worden toegewezen, aangezien de vordering genoegzaam is onderbouwd en deze verder onvoldoende gemotiveerd is betwist.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 20 januari 2021.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

7.2.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.707,50 vermeerderd met de wettelijke rente als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen, 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) dagen,

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 74 (vierenzeventig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderd en twintig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde], te betalen een bedrag van € 1.707,50 (zegge: duizend zevenhonderd en zeven euro en vijftig eurocent), bestaande uit € 707,50 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 januari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam benadeelde] te betalen € 1.707,50 (hoofdsom, zegge: duizend zevenhonderd en zeven euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 1.707,50 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 27 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. M.J.C. Spoormaker en D. van Putten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juni 2021.

De oudste en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 20 januari 2021 te Gorinchem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[naam slachtoffer]

opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

die [naam slachtoffer] met een Engelse sleutel / moersleutel, in elk geval een hard voorwerp,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) op/tegen het hoofd en/of op/tegen een

schouder heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.